<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359058_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Barendrecht 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barendrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-08-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barendrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://gvop.overheid.nl/Document/Detail/GVOP-2014-115047?wasgoedgekeurd=False">Elektronisch gemeenteblad, 29-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Barendrecht 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Participatiewet, 8a, lid 1, aanhef en onder a, c, d en e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8">Participatiewet, 8a, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=10b">Participatiewet, art. 10b, lid 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-08-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>109897</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al>De Re-integratieverordening 2009 wordt ingetrokken.</al><al>Er is overgangsrecht van toepassing (artikel 17).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet Barendrecht 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Barendrecht</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 November
                        2014.</al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet,</al><al/><al>gezien het advies van de commissie Samenleving van 2 december 2014</al><al/><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen de <vet>Re-integratieverordening Participatiewet Barendrecht
                            2015</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6, aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8,
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote
                                afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zendt via de tussenrapportage een verslag aan de
                                gemeenteraad over de doeltreffendheid van het beleid. Het
                                jaarverslag bevat tevens het oordeel van de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze Verordening wordt vastgelegd welke voorzieningen het college
                                in ieder geval kan aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening maakt altijd onderdeel uit van een trajectplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze</al><al> verordening, door middel van het vaststellen van beleidsregels, aan
                                een voorziening nadere</al><al> verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>niet beschikt over een startkwalificatie, of als de
                                        startkwalificatie onvoldoende aansluit bij de arbeidsmarkt,
                                        wordt een scholingstraject aangeboden die tot die
                                        kwalificatie leidt, en</al></li><li nr="b."><al>Indien scholing wordt aangevraagd door een niet
                                        startgekwalificeerde belanghebbende die de leeftijd van 23
                                        jaar nog niet heeft bereikt, wordt de belanghebbende gemeld
                                        bij de leerplichtambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt
                                    <vet>€ 200,- </vet>per zes maanden, mits in die zes maanden
                                voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning/jobcoach</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. De begeleiding is gebonden aan de
                            afspraken die binnen de arbeidsmarktregio zijn gemaakt, waaronder:</al><lijst><li nr="-"><al>De begeleiding zal maximaal gedurende 3 jaar, 1 uur per week
                                    worden geboden. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken</al></li><li nr="-"><al>In de begeleiding kan zowel door de gemeente worden voorzien als
                                    de werkgever daar geen voorziening voor heeft</al></li><li nr="-"><al>De begeleiding moet voldoen aan het daarvoor afgesproken
                                    niveau</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van <vet>zes
                                            maanden</vet> een arbeidsovereenkomst aangaat met een
                                        werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot <vet>100 procent</vet> van het
                                        minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al><vet>15 procent</vet> boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li><li nr="c."><al>de vergoeding voor het loon en de extra werkgeverslasten is
                                        maximaal <vet>115 procent </vet>van het minimumloon</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af met een verzekeraar en treedt op als
                                verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met <vet>maximaal 24
                                    maanden</vet> na indiensttreding van de werknemer bij de
                                werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan maximaal een uitstroompremie van € 1000,- toekennen
                                aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de premie bedraagt € 500,- nadat iemand aantoonbaar 6
                                maanden is uitgestroomd als gevolg van het aanvaarden van arbeid, en
                                wederom € 500,- nadat iemand 12 maanden is uitgestroomd als gevolg
                                van werkaanvaarding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of
                                langer op een uitkering aangewezen is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd in <vet>de zevende maand</vet> en
                                    <vet>de dertiende maand</vet> na de indiensttreding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>1<vet>. </vet>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 7,
                            eerste lid, onder a, van de wet, een vergoeding verstrekken voor kosten
                            die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Het gaat
                            hierbij in ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>kosten schuldhulpverlening;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Maatwerkinstrument</titel></kop><al>Het college kan, binnen de kaders van de Participatiewet, een
                            re-integratieinstrument, of een combinatie van
                            re-integratieinstrumenten, dusdanig vormgeven, dat deze zo goed mogelijk
                            zijn afgestemd op re-integratie van belanghebbende.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van debepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden vanzwaarwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>Re-integratieverordening 2009</vet> wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de <vet>Re-integratieverordening 2009</vet>, die moet
                                worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                    <vet>Re-integratieverordening 2009</vet> voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van een periode van 6 maanden, gerekend vanaf de
                                        inwerkingtreding van deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De <vet>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                                    2009</vet>blijft van toepassing ten aanzien van
                                een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                                        <vet>Re-integratieverordening
                                        ParticipatiewetBarendrecht 2015</vet>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergaderingvan de raad van de gemeente
                            Barendrechtvan 16 december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mw. mr. G.E. Figge</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. J. van Belzen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Voorwoord</titel></kop><al/><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken
                            met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij
                            verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                            van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                            aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen
                            en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot
                            het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van
                            toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                            afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete
                            geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college
                            de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te
                            maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de
                            doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                            en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders
                            van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                            verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder
                            geval kan aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                            verplicht om regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en
                                    tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                    (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel
                                    c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en
                                    10b, vierde lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Participatiewet).</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                            behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                            betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de
                                    Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel
                                    35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                    derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                    inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                                    behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                                    Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                    Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                    (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                    (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al><al> en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door
                                    het college aangeboden voorziening.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een
                            persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                            arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                            verordening.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een
                            persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname
                            aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                            moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen
                            over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en
                            de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                            gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele
                            beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met
                            het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De
                            doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen
                            van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                            mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het
                            bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                            artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4
                            (voorzieningen werkstages), 5 (sociale activering) en 8
                            (participatieplaats) aan personen aan die behoren tot de doelgroep met
                            een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in
                            artikel 1.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6
                            (detacheringsbaan) aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met
                            een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in
                            artikel 1.</al><al/><al><cursief>Overige voorzieningen</cursief></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan
                            wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing
                            (artikel 7), beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij
                            leer-werktrajecten (artikel 10), persoonlijke ondersteuning (artikel
                            11), no-riskpolis (artikel 12),) en uitstroompremies (artikel 13). </al><al/><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en
                            beperkingen</cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met
                            de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel
                            2, derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening
                            moet houden.</al><al/><al><cursief>Verslag doeltreffendheid</cursief></al><al>Het college informeert gedurende het jaar via de tussenrapportage het
                            college over de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. Het
                            jaarverslag bevat tevens het oordeel van de cliëntenraad bevatten. Dit
                            is geregeld in artikel 2, vierde lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                            college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening
                            gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het
                            (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al
                            naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een
                            voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het
                            voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met
                            behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het
                            opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is
                            het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                            persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al/><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                            en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                            ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze
                            laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke
                            bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                            rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                            opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een
                            voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit
                            punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                            artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b
                            en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze
                            doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                            moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                            re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                            bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die
                            kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op
                            grond van het Burgerlijk Wetboek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij
                            een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                            toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                            arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                            gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals
                            de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is
                            overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke
                            invulling van de overeenkomst.</al><al/><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft
                            bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                            verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                            uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij
                            een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn
                            met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de
                            hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er
                            daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort
                            tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot
                            de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief
                            is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft
                            door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van
                            deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon
                            gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest
                            op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                            tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft
                            een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven,
                            dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft.
                            In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><al/><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                            geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt
                            dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                            afdwingt.De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan
                            het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar
                            met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid
                            krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd.
                            Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een
                            arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als
                            gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al>Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                            overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage
                            worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                            schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij
                            een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al>Geen verdringing</al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt
                            als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen
                            van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan
                            door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende
                            redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,
                                    of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.]</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
                            gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                            arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                            staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip
                            sociale activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                            verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht
                            op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is,
                            op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale
                            activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe
                            begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan
                            activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al>Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort
                            tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                            activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment
                            algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                            gemaakt van een voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
                            van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op
                            sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een
                            persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen
                            waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die
                            mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te
                            maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel
                            personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar
                            de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te
                            bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                            maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                            arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                            persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht
                            op sociale activering.</al><al/><al>College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van
                            activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het
                            college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van
                            een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit
                            gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</al><al/><al>Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al/><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk. </al><al/><al>Voor derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                            werkstages.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een
                            diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing
                            kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                            startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                            scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. </al><al/><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                            mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs
                            kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt
                            bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                            Participatiewet). [<cursief>Dit is voor de volledigheid opgenomen in het
                                derde lid.</cursief>]</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer
                            een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                            niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze
                            persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden
                            na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of
                            opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de
                            arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of
                            opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn
                            oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als
                            naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting
                            van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit
                            volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al/><al>Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening
                            participatieplaatsen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand
                            tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning
                            in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste
                            lid, van de Participatiewet [<cursief>en het eerste lid van artikel 8
                                van deze verordening</cursief>]). Het college kan dan ook enkel aan
                            personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een
                            participatieplaats aanbieden.</al><al> Additionele werkzaamheden</al><al/><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken
                            of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op
                            tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken
                            waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                            worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                            uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op
                            het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een
                            duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                            participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel
                            10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het
                            college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft
                            vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan
                            wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang
                            van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                            participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat
                            voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon
                            gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                            kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat
                            geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a,
                            negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een
                            dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                            Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft
                            recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere
                            zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a,
                            zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar
                            het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten
                            van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de
                            verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van
                            de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee
                            is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling
                            genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de
                            premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is gekozen
                            voor een premie van telkens € 200,- per zes maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de
                            gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het
                            college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op
                            welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze
                            voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het
                            college uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                            selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte
                            omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                            criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een
                            grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe
                            personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen
                            werken. </al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                            Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig.
                            Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het
                            college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                            inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in
                            een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut
                            werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op
                            basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede
                            lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep
                            'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                            totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te
                            volgen.</al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                            beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                            de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                            publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
                            van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                            behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan
                            bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV
                            of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte
                            omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in
                            deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling
                            ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid).
                            Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de
                            omvang van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken,
                            vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld
                            een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen
                            zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden
                            waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.</al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                            hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het
                            aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare
                            plaatsen bij werkgevers. Daarom moet het college overleg voeren met
                            partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde
                            lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van
                            oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                            moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in
                            artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college
                            uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                            personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                            onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                            artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie
                            dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is
                            vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                            daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het
                            moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan
                            volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                            omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                            jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                            startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig
                            is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan
                            te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10
                            en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste
                            tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij
                            het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                            systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning
                            noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning
                            in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
                            Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                            begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                            een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                            zijn.</al><al/><al><vet>Jobcoach</vet></al><al>Personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (in het kader
                            van de garantiebanen) kunnen aanspraak maken op begeleiding op de
                            werkplek, zogenaamde jobcoaching;</al><lijst><li nr="1."><al>de jobcoach kan worden ingezet vanaf de eerste werkdag. De
                                    jobcoach kan, indien van toepassing, ook worden ingezet bij een
                                    proefplaatsing.</al></li><li nr="2."><al>met betrekking tot de opleidingseisen die gesteld worden aan de
                                    jobcoach, wordt aangesloten bij de eisen die het UWV stelt (zie
                                    erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning 2012 van
                                    het UWV, paragraaf 2.7.1)</al></li><li nr="3."><al>er zijn werkgevers die eigen jobcoaches in dienst hebben. De
                                    werkgever die zijn eigen jobcoach wil inzetten krijgt die
                                    mogelijkheid, mits akkoord door de werknemer en mits de jobcoach
                                    voldoet aan de minimale kwaliteitseisen en opleidingseisen en
                                    uiteraard in overleg met de gemeente. Indien de werkgever zijn
                                    eigen jobcoach niet wenst in te zetten c.q. de werkgever geen
                                    eigen jobcoach heeft dan levert de gemeente een jobcoach (een
                                    jobcoach in dienst bij de gemeente of een externe jobcoach,
                                    gemeentelijkekeuze).</al></li><li nr="4."><al>Jobcoaching wordt voor de duur van maximaal 3 jaar ingezet met
                                    als maximum een inzet van 52 uur per persoon per jaar. Slechts
                                    in hele uitzonderlijke gevallen en mits goed onderbouwd kan
                                    hiervan worden afgeweken (maatwerk).</al></li><li nr="5."><al>Een jobcoach kan ook ingezet worden voor personen die in staat
                                    zijn het WML te verdienen, maar die een structurele functionele
                                    beperking hebben (medisch uren beperkten);</al></li></lijst><al/><al>Een jobcoach ondersteunt/begeleidt een persoon (werknemer) met een
                            structurele functionele beperking gedurende een maximale periode bij het
                            verrichten van zijn taken op zijn/haar werkplek. Verder is van belang
                            dat de ondersteuning noodzakelijk is in die zin, dat de werknemer zonder
                            die ondersteuning in redelijkheid niet zijn/haar werkzaamheden zou
                            kunnen verrichten. </al><al/><al>De voorziening persoonlijke ondersteuning heeft ten doel dat een
                            werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder
                            begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever
                            werkzaam kan zijn (zie TK 2013–2014, 33 161, nr. 107, p. 115).</al><al>Aan het einde van een geslaagde jobcoaching kan de werknemer zelfstandig
                            zijn werk uitvoeren en/of is de werkgever zelf in staat de werknemer te
                            begeleiden op zijn werkplek. Jobcoaching heeft tot doel om de werknemer
                            te ondersteunen bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen
                            taken. De bedoeling is om mensen met beperkingen te ondersteunen bij het
                            behouden van werk.</al><al>Voorgesteld wordt om jobcoaching in te zetten voor onderstaande twee
                            doelgroepen:</al><lijst><li nr="1."><al>Doelgroep loonkostensubsidie: personen die niet in staat zijn
                                    het Wettelijk Minimumloon (WML) te verdienen en waarvoor, ter
                                    compensatie hiervan om hen aan het werk te krijgen op de
                                    reguliere arbeidsmarkt, loonkostensubsidie wordt ingezet. Veelal
                                    zal het hier gaan om de doelgroepen van de garantiebanen;
                                    en</al></li><li nr="2."><al>Personen met een structurele functionele beperking die wel in
                                    staat zijn het WML te verdienen en waarvoor geen
                                    loonkostensubsidie wordt ingezet maar voor wie de inzet van
                                    jobcoaching (als werkvoorziening) wel noodzakelijk is. Het kan
                                    hier bijvoorbeeld gaan om personen met een medische
                                    urenbeperking. </al></li></lijst><al/><al>De jobcoach wordt ingezet vanaf moment van plaatsing op regulier werk
                            (vanaf de eerste dag dat het arbeidscontract inwerking treedt). Het is
                            uiteraard toegestaan dat de jobcoach vooraf, ter voorbereiding van de
                            eerste werkdag, contact heeft met de werknemer om zaken af te stemmen,
                            eventueel een begeleidingsplan op te stellen en kennis te maken. </al><al>Aanvullend op bovenstaande is het ook mogelijk, indien van toepassing,
                            de jobcoach in te zetten bij een proefplaatsing. Dit wordt ook
                            aangeraden vanuit de ervaring dat hierdoor de kans op succes en daarmee
                            doorstroming naar regulier werk toeneemt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor
                            werkgevers vergoeden (eerste lid). De no-riskpolis is een belangrijk
                            instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met
                            arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat
                            de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een
                            werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                            aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                            toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). </al><al/><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van
                            de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft
                            of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in
                            aanmerking komt voor de no-riskpolis.</al><al/><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt
                            voor een no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet
                            van een no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal
                                <vet>6 maanden</vet> duren. Voorts is voor inzet van de no-risk
                            polis vereist dat de werknemer behoort tot de doelgroep (zie artikel 1
                            van deze verordening) en hij een structurele functionele of andere
                            beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet
                            ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet
                            hebben binnen de gemeente.</al><al/><al><cursief>Hoogte vergoeding</cursief></al><al>Het college kan de kosten van de no-riskpolis vergoeden voor werkgevers.
                            Niet elke verzekering komt voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor zijn
                            regels gesteld in het tweede lid. Voor vergoeding komt uitsluitend een
                            no-riskpolis in aanmerking die ten hoogste vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot <vet>100 procent</vet> van het
                                    minimumloon;</al></li><li nr="-"><al><vet>15 procent</vet> boven de dekking voor extra
                                    werkgeverslasten.</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding voor het loon van de werkgever en voor de
                                    werkgeverslasten is maximaal 115%.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Contract met verzekeraar</cursief></al><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis
                            een verzekering afsluiten met een verzekeraar. De gemeente treedt op als
                            verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid).</al><al/><al><cursief>Duur vergoeding no-riskpolis</cursief></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot <vet>24 maanden</vet> na
                            indiensttreding van de werknemer bij de werkgever (derde lid).</al><al/><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen verantwoordelijk</cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet.
                            Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend,
                            dus zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de
                            no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
                            kan artikel 29b van de Ziektewet van toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><al>Om verschillende redenen kan het voorkomen dat het besteedbare inkomen
                            na het aanvaarden van werk onbedoeld lager is dan ten tijde van een
                            uitkering. Dat kan zijn door bijvoorbeeld verschuivingen in de
                            afschrijvingsmomenten door derden, of het minder beroep kunnen doen op
                            voorzieningen (armoedeval). Om dit effect tegen te gaan, en iemand extra
                            te stimuleren om werk te aanvaarden is eenmalig een uitstroompremie
                            beschikbaar die op aanvraag in 2 termijnen wordt uitgekeerd. </al><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk bij als een
                            persoon die algemene bijstand ontving, duurzaam uitstroomt. De premie
                            kan worden aangevraagd in de <vet>7 maand</vet> en <vet>13 maand</vet>
                            na indiensttreding. </al><al>Onder langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een
                            aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is
                            (geweest) op een uitkering. In de Participatiewet is geregeld dat
                            jaarlijks een eenmalige premie kan worden verstrekt (artikel 31, tweede
                            lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27
                            jaar is deze premie vrijgelaten (artikel 31, zevende lid, van de
                            Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>De gemeente vergoedt, ter stimulering van de arbeidsinschakeling, kosten
                            die daaraan bijdragen.</al><al>In dit artikel zijn genoemd reiskosten, kosten voor kinderopvang en
                            schuldhulpverlening.</al><al>Vergoeding van kosten schuldhulpverlening is toegevoegd, omdat het
                            hebben van schulden eengrote belemmering is bij re-integratie. In
                            individuele gevallen kan het college besluiten ook andere</al><al>kosten te vergoeden als dit direct bijdraagt aan het verwerven van een
                            inkomen. Het kan onderandere bijvoorbeeld gaan om een vergoeding voor
                            een vervoersmiddel of computer. De bijdragemoet in een redelijke relatie
                            staan tot het te verwerven inkomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Maatwerkinstrument</titel></kop><al>De lijst van instrumenten en voorzieningen in deze verordening is, zoals
                            eerder is gesteld, niet uitputtend of limitatief. Een
                            re-integratietraject is maatwerk, en dient zo goed mogelijk afgestemd te
                            worden op de mogelijkheden van de persoon, de vraag van de arbeidsmarkt,
                            en de mogelijkheden van de gemeente. Het Maatwerkinstrument biedt de
                            mogelijkheid om de verschillende voorzieningen zo goed mogelijk hierop
                            af te stemmen en, indien nodig, een ander instrument, of combinatie van
                            instrumenten, aan te bieden. Die mogelijkheid is des te meer nodig nu de
                            doelgroep uitgebreid wordt. Te denken valt aan o.a. een traject die
                            leidt tot inkomen uit arbeid als zelfstandige (freelance, zzp). Ook kan
                            gedacht worden aan een vergoeding voor een werkgever voor meerkosten die
                            hij aantoonbaar moet maken in verband met het in dienstnemen van een
                            belanghebbende, waaronder een extra opleiding e.d.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>‘Onbillijkheden van zwaarwegende aard’ moeten bezien worden tegen het
                            licht van de bedoeling van de Participatiewet in het algemeen, en deze
                            Verordening in het bijzonder: werken/participeren naar vermogen. Als
                            toepassing van een van de artikelen van deze Verordening aantoonbaar dit
                            doel zou bemoeilijken, dan moet in de betreffende casus daarvan
                            afgeweken worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 15 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                            voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                            grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                            voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de
                            situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die
                            na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook
                            is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude
                            re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                            voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer.
                            De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid,
                            van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in
                            artikel 15, tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden
                            behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt
                            behouden voor ten hoogste de duur van <vet>6 maanden</vet> of - als dit
                            eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover
                            wordt voldaan aan de voorwaarden uit de <vet>Re-integratieverordening
                                2009</vet>. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de
                            voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen
                            aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De
                            periode van <vet>6 maanden</vet> begint te lopen vanaf het moment van
                            inwerkingtreding van deze verordening.</al><al/><al>Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de <vet>Re-integratieverordening
                                2009</vet> worden dus in beginsel behouden tot <vet>6 maanden</vet>
                            na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan
                            het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 15,
                            derde lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten
                            overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor
                            de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke
                            voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de
                            voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                            inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                            overeenkomst.</al><al/><al>Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na <vet>6 maanden</vet> is
                            niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens
                            het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond
                            van de <vet>Re-integratieverordening 2009</vet> of als de voorziening is
                            toegekend voor een kortere duur dan <vet>6 maanden</vet> na
                            inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet
                            langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                            toekenning. </al><al/><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de <vet>Re-integratieverordening
                                2009</vet> van toepassing (artikel 15, vierde lid, van deze
                            verordening).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>