<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359027_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Tegenprestatie Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-79861.html">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Tegenprestatie Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>127870</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Tegenprestatie Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Terneuzen</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening Tegenprestatie Participatiewet</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Tegenprestatie:het verrichten van naar vermogen door
                                        het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                        werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op
                                        reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt. </al></li><li nr="c."><al>belanghebbende(n): persoon die recht heeft of personen die
                                        recht hebben op bijstand op grond van de
                                        Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt, voor zover
                                niet anders bepaald, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                                doeltreffendheid van het beleid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van
                                de cliëntenraad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en </al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid draagt het college geen
                                tegenprestatie op aan: </al><lijst><li nr="a."><al>De belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht
                                        dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een
                                        tegenprestatie als bedoeld in deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>De belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het
                                        verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het
                                        college redelijkerwijs noodzakelijk is en dat naar aard en
                                        omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als
                                        bedoeld in deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>De belanghebbende die aantoonbaar betaalde arbeid verricht
                                        dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een
                                        tegenprestatie als bedoeld in deze verordening.</al></li><li nr="d."><al>Belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is
                                        als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar
                                        arbeidsvermogen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende </al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen; </al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van 40
                                weken in een tijdsbestek van één kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie kan worden opgedragen voor maximaal 20 uur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie heeft een maximale duur van 320 uur per jaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere beleidsregels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet”</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt op 1 januari 2015 in werking.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Terneuzen op 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>griffier, mr. J.H.P. de Jong</ondertekening><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                            een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                            samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar
                            of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag
                            van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit
                            is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar
                            vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                            en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een tegenprestatie
                            vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven
                            van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende
                            immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem verwacht wordt. </al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                            naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De
                            plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de
                            tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de
                            gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>·De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten
                            naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari
                            2012. De regering meent dat de tegenprestatie voor
                            uitkeringsgerechtigden een gelegenheid is om te blijven participeren in
                            de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te
                            behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om
                            de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen
                                re-integratieinstrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                            ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft
                            niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te
                            bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de
                            samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op
                            toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                            re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren
                            van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren.
                            Immers, als uitgangspunt geldt werk boven uitkering. </al><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                            verordening regels vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van
                            18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht
                            is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet.
                            Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de
                            tegenprestatie te regelen.</al><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college </cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                            verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig
                            de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning).
                            Onder mantelzorg wordt verstaan: <cursief>langdurige zorg die niet in
                                het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden
                                 aan een hulpbehoevende door personen uit diens
                                directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het
                                begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel
                                6 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie
                                opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg
                                verricht voor zover het verrichten van 
                                mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                noodzakelijk is.</cursief></al><al> Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                    zorgverlener; </al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;
                                </al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;
                                </al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al></li></lijst><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Gebruikelijke zorg: </al><al><cursief>de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                                kinderen geacht worden elkaar onderling te
                                bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk                                 huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                                verantwoordelijkheid hebben voor het
                                functioneren van dat huishouden.</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het college zendt desgewenst jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag
                            over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een
                            tegenprestatie. Het oordeel van de cliëntenraad dient hierbij betrokken
                            te worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. </al><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                            inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen
                            bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden
                            met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder
                            leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                            omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar
                            vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de
                            werkzaamheden te verrichten.</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                            een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                            Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke
                            tegenprestatie van hem wordt verwacht. </al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            </cursief></al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de </al><al>reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde
                            en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische
                            factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven
                            en/of de overheid worden gemaakt</al><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze
                            verordening genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie
                            in te zetten werkzaamheid: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de
                                    arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b."><al>niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin deze worden verricht; en </al></li><li nr="d."><al>niet leidt tot verdringing. </al></li></lijst><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                            tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis. In een
                            beleidsplan legt het college vast welke werkzaamheden in ieder geval als
                            tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede lid, van deze
                            verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste
                            lid, van deze verordening gestelde voorwaarden.</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing 
                            </cursief>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het
                            kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct
                            gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet
                            bedoeld als re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die
                            worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                            mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden
                            kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie
                            mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen
                            niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals het verrichten van
                            vrijwilligerswerk en mantelzorg - aanwezig zijn, kan het college in
                            individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het
                            verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                            Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een
                            tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig
                            en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet). De verplichting tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                            ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet
                            (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Weigering tegenprestatie </cursief>Het college dient
                            bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te verrichten, op
                            basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te leggen
                            maatregel te bepalen.</al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel 4, vierde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                            tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al>a.<cursief>tegenprestatie 'naar vermogen' </cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar
                            vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde.</al><al>b.<cursief>persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                belanghebbende </cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring. Hierbij
                            wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een
                            belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                            maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie
                            rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd,
                            beschikbaarheid van kinderopvang en of belanghebbende al
                            maatschappelijke activiteiten verricht. </al><al>c.<cursief>persoonlijke wensen en kwaliteiten
                            belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het
                            college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                            belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een
                            belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten.
                            Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                            verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen
                            wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van
                            maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het
                            college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                            besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die
                            werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die
                            werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van
                            deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college
                            is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar
                            moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen
                            ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met
                            keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                            voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er
                            geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is
                            immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een
                            tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al>d.<cursief>maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                                belanghebbende</cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al
                            maatschappelijk actief is. Indien een belanghebbende al een
                            maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde
                            gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als
                            tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende
                            maatschappelijke activiteit verricht, er toe leiden dat hiermee rekening
                            wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, vooral de duur
                            en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke
                            activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het
                            college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij
                            rekening met de duur en omvang. Dit geldt ook voor het verrichten van
                            vrijwilligerswerk. Het college kan ook besluiten vrijwilligerswerk aan
                            te merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden
                            met de minimale en maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd
                            in artikel 5 van deze verordening. Hierbij kan ook de aard van het
                            vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van
                            aard is, is geen begripsomschrijving opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 5 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. </al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                            van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te
                            zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis
                            van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden. </al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie </cursief>Artikel 5,
                            eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximale
                            duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van
                            40 weken in een tijdsbestek van één kalenderjaar. Artikel 5, tweede lid,
                            regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximaal aantal
                            uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week.
                            Artikel 5, derde lid regelt dat de maximale duur van de tegenprestatie
                            320 uur per jaar bedraagt. Deze ruime normen biedt het college de
                            gelegenheid om maatwerk te leveren. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7,</nr><titel>8 en 9. Hardheidsclausule, Inwerkingtreding en
                                citeertitel</titel></kop><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>