<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359023_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80783.html">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BEBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>127870</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Terneuzen</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening Individuele Inkomenstoeslag Participatiewet</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                    Participatiewet, en de algemene bijstand; </al></li><li nr="b."><al>peildatum: datum waartegen een persoon individuele
                                    inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="c."><al>referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                    peildatum.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt, voor zover niet
                            anders bepaald, hebben dezelfde betekenis als in de
                            Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110 procent van de
                        toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande € 350,00;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 450,00;</al></li><li nr="c."><al>voor gehuwden € 500,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere
                        beleidsregels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Individuele
                        Inkomenstoeslag Participatiewet”</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt op 1 januari 2015 in werking.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Terneuzen op
                        18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>griffier, mr. J.H.P. de Jong</ondertekening><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand
                        (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds
                        1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de
                        langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale)
                        bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele
                        inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de
                        toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid.
                        Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen
                        als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in
                        beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor
                        individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                        inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen
                        aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending
                        van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen
                        die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening</cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld
                        worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in
                        artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                        begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is
                        geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 110 procent van
                        de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van
                        de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in
                        (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen
                        uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede
                        lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in
                        de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                        inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden
                        van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald
                        dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen.</al></li></lijst><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                        overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                        langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet
                        in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                        Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                        Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele
                        inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend
                        tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen
                        betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen
                        vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                        langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                        voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening.</al><al>Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum
                        gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan
                        aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen
                        voorwaarden. </al><al><cursief>Wijziging leefvorm</cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon
                        kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                        gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte
                        van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen
                        moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden
                        voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden
                        moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden
                        voldoen.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening.</al><al><cursief>Inkomen</cursief></al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                        beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                        genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                        worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van
                        bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een
                        eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden
                        gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht
                        een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als
                        inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen
                        recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen
                        heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat
                        voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook
                        voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals
                        die luidde vóór 1 januari 2015.</al><al><cursief>Peildatum</cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag
                        inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in
                        artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt
                        meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet
                        liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele
                        inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                        omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet
                        en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al><cursief>Referteperiode</cursief></al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een
                        periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting
                        bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                        dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                        inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen
                        op aanvraag verkrijgbaar.</al><al>Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te
                        nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                        schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                        ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet
                        worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een
                        verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1
                        van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de
                        Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het
                        adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de
                        beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De
                        aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op
                        de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                        krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan
                        hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
                        inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                        ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><al><cursief>Langdurig </cursief></al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                        peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                        vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. </al><al><cursief>Laag inkomen</cursief></al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110 procent van de
                        toepasselijke bijstandsnorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                        tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al><cursief>Gehuwden</cursief></al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                        inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de
                        peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de
                        voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één
                        van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op
                        individuele inkomenstoeslag (CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB,
                        ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529).</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                        artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                        partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat
                        hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van
                        de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als
                        slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze
                        rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag
                        naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
                        gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>De uitvoering die berust bij het college van burgemeester en wethouders
                        impliceert ook dat het college nadere beleidsregels omtrent de uitvoering
                        kan opstellen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>