<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR358957_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nadere regels Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/toonPreview.aspx?regelingID=358957&amp;popup=1&amp;ValChk=aaJuGGgjxxVFaciItY_mmzHWXlqKh3w7wzDfWyp5Bvc1">Gemeenteblad Jaargang 2015 Nr. 15156</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nadere regels Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 2, tweede lid, van de Re-integratieverordening Participatiewet Capelle aan den IJssel 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>643852</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Deze beleidsregels vervangen de Nadere regels Re-integratieverordening 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nadere regels Re-integratieverordening Participatiewet
                2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den
                        IJssel; </al><al/><al>overwegende dat het wenselijk is het beleid omtrent de
                        re-integratievoorzieningen vast te leggen in nadere regels;</al><al/><al>gezien het advies van de Cliëntenraad van 10 december 2014;</al><al/><al>gelet op artikel 2, tweede lid, van de Re-integratieverordening
                        Participatiewet Capelle aan den IJssel 2015; </al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen:</al><al><cursief><vet>Nadere regels Re-integratieverordening Participatiewet
                                2015.</vet></cursief></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen zoals bedoeld in artikel 1 van de
                                Re-integratieverordening Participatiewet en IOAW/IOAZ Capelle aan
                                den IJssel 2015 zijn in deze nadere regels van overeenkomstige
                                toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid gelden de volgende
                                begripsomschrijvingen:</al><lijst><li nr="a."><al>verordening: Re-integratieverordening Participatiewet en
                                        IOAW/IOAZ Capelle aan den IJssel 2015;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende: personen die behoren tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>uitkeringsgerechtigde: de belanghebbende met een uitkering
                                        van de gemeente.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Loonkostensubsidie (artikel 8 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Algemene bepaling</titel></kop><al>Titel 4.2 ‘Subsidies’ van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                            toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Termijn van de aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag voor loonkostensubsidie wordt vóór aanvang van het
                            dienstverband ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Wijze van aanvragen</titel></kop><al>De werkgever maakt voor het aanvragen van een loonkostensubsidie gebruik
                            van het 'Aanvraagformulier loonkostensubsidie'. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Voorwaarden van de loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever heeft aanspraak op loonkostensubsidie, indien deze een
                                dienstverband aangaat voor de duur van minimaal 6 maanden met een
                                belanghebbende die een bijstandsuitkering ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever heeft slechts eenmaal per werknemer aanspraak op
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht op loonkostensubsidie ontstaat wanneer het dienstverband
                                een zodanig aantal uren omvat dat de uitkeringsgerechtigde geen
                                beroep meer hoeft te doen op een (aanvullende) bijstandsuitkering.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid bestaat aanspraak op
                                loonkostensubsidie bij een dienstverband </al><al> met een omvang van ten minste 20 uur per week indien: </al><lijst><li nr="a."><al>uit onafhankelijk medisch onderzoek is gebleken dat er
                                        sprake is van een medische urenbeperking waardoor de
                                        belanghebbende niet in staat is tot het verrichten van
                                        voltijdse arbeid;</al></li><li nr="b."><al>om sociale redenen is gebleken dat volledige uitstroom uit
                                        de bijstandsuitkering niet mogelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid is niet van
                                toepassing op een dienstverband bij een uitzendorganisatie indien
                                aan de uitzendorganisatie voor de betreffende werknemer
                                loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 8 is verleend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op een
                                dienstverband bij een uitzendorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De werkgever heeft geen aanspraak op een loonkostensubsidie als
                                bedoeld in het eerste lid wanneer deze een dienstbetrekking aangaat
                                met een werknemer die voorafgaande aan het dienstverband een
                                werkstage als bedoeld in artikel 10 van de verordening heeft
                                volbracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte van de loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 5, bedraagt € 2.500,-
                                bij een dienstverband van ten minste 6 en minder dan 12 maanden met
                                een omvang van ten minste 32 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 5, bedraagt € 5.000,-
                                bij een dienstverband van tenminste 12 maanden met een omvang van
                                ten minste 32 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de omvang van het dienstverband kleiner is dan 32 uur per
                                week, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van het aantal uren.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de omvang van het dienstverband groter is dan 32 uur per
                                week, dan is de subsidie niet hoger dan het bedragen genoemd in het
                                eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitbetalen loonkostensubsidie</titel></kop><al>De loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 5, wordt per kwartaal
                            achteraf uitbetaald op basis van de salarisspecificaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Voorwaarden van de loonkostensubsidie voor deeltijdwerk via
                                uitzendorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een uitzendorganisatie heeft aanspraak op loonkostensubsidie indien
                                de belanghebbende deeltijdse arbeid verricht voor deze
                                uitzendorganisatie en een aanvullende bijstandsuitkering
                                ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak en hoogte van de loonkostensubsidie als bedoeld in het
                                eerste lid is afhankelijk van het aantal gewerkte uren in de periode
                                van 12 maanden na de eerste werkdag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonkostensubsidie kan bestaan uit een basissubsidie, een
                                verlengde subsidie en een uitstroomsubsidie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitzendorganisatie heeft aanspraak op de basissubsidie, indien de
                                belanghebbende 250 uren gewerkt heeft via de
                                uitzendorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De uitzendorganisatie maakt in aanvulling op lid 4 nog eenmalig
                                aanspraak op de basissubsidie, indien de belanghebbende 500 uren
                                heeft gewerkt via de uitzendorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De uitzendorganisatie heeft na 750 en 1000 gewerkte uren aanspraak
                                op de verlengde subsidie indien:</al><lijst><li nr="a."><al>uit onafhankelijk medisch onderzoek is gebleken dat er
                                        sprake is van een medische urenbeperking waardoor de
                                        belanghebbende niet in staat is tot het verrichten van
                                        voltijdse arbeid; </al></li><li nr="b."><al>om sociale redenen is gebleken dat de belanghebbende niet in
                                        staat is tot het verrichten van voltijdse arbeid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De uitzendorganisatie heeft aanspraak op de uitstroomsubsidie indien
                                de belanghebbende, aansluitend op het in lid 5 of 6 genoemde aantal
                                uren, gedurende ten minste 6 maanden door arbeid bij dezelfde
                                uitzendorganisatie geen beroep doet op een (aanvullende)
                                bijstandsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De werkgever heeft slechts eenmaal per werknemer aanspraak op deze
                                loonkostensubsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte van de loonkostensubsidie voor deeltijdwerk via
                                uitzendorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De basissubsidie bedraagt € 600,- voor elke 250 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlengde subsidie bedraagt € 600,- voor elke volgende 250
                                uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De uitstroomsubsidie bedraagt € 2.600,- </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uitbetaling vindt plaats na aanlevering van salarisspecificaties aan
                                de hand waarvan het aantal gewerkte uren kan worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Werkstage (artikel 10 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Duur van werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de werkstage wordt ingezet voor het behouden of opdoen van
                                werknemersvaardigheden, duurt de werkstage 3 maanden. Deze termijn
                                kan worden verlengd tot maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de werkstage wordt ingezet wanneer de werkgever de intentie
                                heeft om na de werkstage een arbeidsovereenkomst aan te gaan, duurt
                                de werkstage maximaal 3 maanden. Deze termijn kan niet worden
                                verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De termijn zoals bedoeld in lid 1 en 2 kan worden verlengd met de
                                duur van de periode waarin de belanghebbende tijdens de stage wegens
                                in de persoon gelegen factoren geen werkzaamheden heeft
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een werkstage kan niet worden ingezet voor de werknemer waarvoor de
                                werkgever een beroep doet op een loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 6 en artikel 8 van deze nadere regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verplichtingen werkstage</titel></kop><al>Verplichtingen die aan de werkstage verbonden zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>de stageverlenende organisatie sluit met de belanghebbende een
                                    stageovereenkomst af door middel van een standaard
                                    stageovereenkomst die door de gemeente is verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>de stageverlenende organisatie is primair verantwoordelijk voor
                                    het handelen van de belanghebbende en kan de daaruit
                                    voortvloeiende schade als gevolg van wettelijke
                                    aansprakelijkheid of ongevallen niet afwentelen op de
                                    belanghebbende; </al></li><li nr="c."><al>kosten wegens door een belanghebbende aan eigendommen van derden
                                    toegebracht schade, alsmede schade als gevolg van ongevallen,
                                    tijdens werk- en reisuren worden in beginsel verhaald op de
                                    ongevallen- en aansprakelijkheidsverzekering van de
                                    stageverlenende organisatie;</al></li><li nr="d."><al>kosten in verband met wettelijke aansprakelijkheid en ongevallen
                                    die niet of niet volledig op een verzekering van de
                                    stageverlenende organisatie kunnen worden verhaald, worden
                                    verhaald op de Praktijkervaringsplekpolis van de gemeente. De
                                    uitkering dan wel vergoeding is in dat geval niet hoger dan de
                                    binnen de Praktijkervaringsplekpolis vastgestelde
                                    maximumbedragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vergoeding noodzakelijke kosten werkstage</titel></kop><al>De noodzakelijke kosten kunnen worden vergoed overeenkomstig artikel 18
                            van deze nadere regels, indien de werkgever deze niet vergoedt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Ondersteuning leer-werktraject (artikel 11 van de
                            verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondersteuning bij het leer-werktraject wordt uitsluitend ingezet
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>uitval uit het leer-werktraject dreigt;</al></li><li nr="b."><al>door afronding van het leer-werktraject het perspectief op
                                        de arbeidsmarkt verbetert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vorm en duur van de ondersteuning die geboden wordt is
                                afhankelijk van de individuele omstandigheden van de
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de ondersteuning is zo kort als mogelijk en zo lang als
                                noodzakelijk.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning (artikel 12 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoonlijke ondersteuning kan bestaan uit ondersteuning die
                                dient tot het stabiliseren en beheersbaar maken van problematiek op
                                verschillende levensgebieden. Hiermee wordt beoogd re-integratie en
                                participatie mogelijk te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoonlijke ondersteuning kan bestaan uit ondersteuning die
                                gericht is op structurele plaatsing op een werkplek. Deze wordt
                                verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel
                                        trainings- of inwerkprogramma en een systematische
                                        begeleiding van de belanghebbende, gericht op het kunnen
                                        uitvoeren van de hem opgedragen taken;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zonder een systematische begeleiding niet
                                        in staat zou zijn de hem opgedragen taken te
                                        verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoonlijke ondersteuning zoals bedoeld in lid 2 kan bestaan uit
                                het beschikbaar stellen van persoonlijke ondersteuning of uit
                                vergoeding van de kosten van persoonlijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de keuze voor een partij die de persoonlijke ondersteuning zal
                                uitvoeren wordt, voor zover mogelijk, aangesloten bij het voor die
                                beroepsgroep geldende erkenningskader.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Nazorg (artikel 13 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inhoud nazorg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de belanghebbende reguliere arbeid heeft aanvaard, dan
                                    biedt het college nazorg. De nazorg bestaat uit ten minste 3
                                    contactmomenten met de werkgever en/of de belanghebbende
                                    gedurende de eerste 6 maanden.</al></li><li nr="2."><al>Bij een halfjaarcontract is er tenminste een contactmoment bij
                                    plaatsing, een contactmoment na 3 maanden en een contactmoment
                                    aan het eind van het contract.</al></li><li nr="3."><al>Bij een jaarcontract is er tenminste een contactmoment bij de
                                    plaatsing, een contactmoment aan het einde van de proeftijd en
                                    een contactmoment na 3 maanden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Uitstroompremie (artikel 14 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Recht op uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een eenmalige uitstroompremie heeft de
                                uitkeringsgerechtigde die een reguliere arbeidsovereenkomst aanvaard
                                voor de duur van ten minste 6 maanden, en die minimaal 1 jaar
                                voorafgaand aan de arbeidsinschakeling uitsluitend en zonder
                                onderbreking een (aanvullende) uitkering op grond van de wet, de
                                IOAW of IOAZ heeft ontvangen, zonder dat er tijdens deze periode
                                sprake is geweest van een schending van de
                                arbeidsverplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor de toekenning van de premie is de uitstroom naar
                                ongesubsidieerde arbeid, waarmee een inkomen wordt verworven
                                waardoor de uitkeringsgerechtigde niet langer uitkeringsafhankelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie wordt niet toegekend indien de uitkeringsgerechtigde
                                uitstroomt door middel van een door de gemeente gefinancierd traject
                                met baangarantie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de premie is</al><lijst><li nr="a."><al>€ 500,- bij een arbeidsovereenkomst voor de duur van 12
                                        maanden of meer,</al></li><li nr="b."><al>€ 250,- bij een arbeidsovereenkomst voor de duur van 6 tot
                                        12 maanden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbetaling uitstroompremie</titel></kop><al>De premie wordt 2 maanden na aanvang van het dienstverband ambtshalve
                            toegekend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overige vergoedingen (artikel 15 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vergoeding noodzakelijke kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het kader van de arbeidsinschakeling en participatie kan er
                                sprake zijn van noodzakelijke kosten die voor vergoeding in
                                aanmerking komen. Onder deze noodzakelijke kosten worden uitsluitend
                                verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten, tot maximaal 1 maand na de arbeidsinschakeling,
                                        conform de Richtlijn reiskosten vergoeding bij
                                        arbeidsinschakeling en trajecten sociale activering;</al></li><li nr="b."><al>reiskosten, met betrekking tot het verrichten van
                                        additionele werkzaamheden zoals genoemd in artikel 18 van de
                                        verordening, conform de Richtlijn reiskosten vergoeding bij
                                        arbeidsinschakeling en trajecten sociale activering;</al></li><li nr="c."><al>reiskosten, met betrekking tot het verrichten van een
                                        werkstage zoals genoemd in artikel 10 van de verordening,
                                        conform de Richtlijn reiskosten vergoeding bij
                                        arbeidsinschakeling en trajecten sociale activering;</al></li><li nr="d."><al>verwervingskosten; de kosten die het gevolg zijn van het
                                        verwerven van werk en het aanvaarden van werk zoals de
                                        aanschaf van (persoonlijk) gereedschap of kleding
                                        (bijvoorbeeld veiligheidsschoenen, overall et cetera) voor
                                        zover de werkgever die niet vergoedt, tot een maximum van €
                                        500,-;</al></li><li nr="e."><al>de kosten van een verplichte verhuizing, in het kader van
                                        artikel 18, het vierde lid onder e van de wet. Hiervoor
                                        wordt aangesloten op de Beleidsregels bijzondere bijstand.
                                        Deze kosten bestaan uit de transportkosten op basis van
                                        offertes en de kosten van de stoffering op basis van een
                                        standaardprijs per vierkante meter;</al></li><li nr="f."><al>de meerkosten van de kinderopvang tot maximaal 6 maanden na
                                        de arbeidsinschakeling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag om een vergoeding van noodzakelijke kosten wordt vooraf
                                ingediend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Scholing (artikel 16 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Noodzakelijkheid van scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangeboden scholing is gericht op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een inschrijving bij het UWV Werkbedrijf als werkzoekende is
                                verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De scholing heeft betrekking op een erkende opleiding en vindt
                                plaats bij een erkend opleidingsinstituut. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende onderwijs of een beroepsopleiding volgt
                                waarvoor beroep gedaan kan worden op de Wet studiefinanciering 2000
                                of op hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten, dan is financiering op basis van de verordening niet
                                mogelijk. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Duur van de scholing</titel></kop><al>De duur van de scholing is zo kort als mogelijk zo lang als
                            noodzakelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Kosten scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van scholing komen de volgende kosten voor vergoeding
                                in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al>opleidingskosten, cursusbijdragen en examengeld; </al></li><li nr="b."><al>boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut
                                        verplicht zijn gesteld;</al></li><li nr="c."><al>reiskosten die direct verbonden zijn aan de scholing,
                                        conform de Richtlijn reiskosten vergoeding bij
                                        arbeidsinschakeling en trajecten sociale activering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding van kosten van het totale scholingstraject, inclusief
                                de kosten zoals genoemd onder lid 1 sub b, bedraagt maximaal €
                                5.000,-. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het tweede lid kan worden afgeweken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>scholing wordt gevolgd in combinatie met betaalde arbeid en
                                        deze combinatie een kostenverhogend effect heeft; </al></li><li nr="b."><al>het verwerven van kennis van de Nederlandse taal
                                        noodzakelijk is; </al></li><li nr="c."><al>een alleenstaande ouder scholing volgt op grond van artikel
                                        9a van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten worden direct of op declaratiebasis aan het
                                opleidingsinstituut vergoed. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de tegemoetkoming aan een uitkeringsgerechtigde
                                bedraagt 100% van de voor tegemoetkoming in aanmerking komende
                                kosten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de tegemoetkoming aan een belanghebbende niet zijnde
                                een uitkeringsgerechtigde bedraagt 100% van de voor tegemoetkoming
                                in aanmerking komende kosten minus de draagkracht uit eigen inkomen
                                of vermogen die op grond van de wet en de beleidsregels bijzondere
                                bijstand in aanmerking wordt genomen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Participatieplaats (artikel 18 van de verordening)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Scholing in het kader van de participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkeringsgerechtigde niet beschikt over een
                                startkwalificatie, biedt het college scholing of een opleiding
                                aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de aard van de scholing of opleiding af op de
                                krachten en bekwaamheden van de uitkeringsgerechtigde, maar neemt
                                daarbij in acht dat de scholing of opleiding de toegang tot de
                                arbeidsmarkt dient te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het overige zijn artikelen 19 tot en met 22 van deze Nadere
                                regels van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als: Nadere regels
                            Re-integratieverordening Participatiewet 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De nadere regels treden in werking met ingang van de dag volgend
                                    op die van de bekendmaking en werken terug tot 1 januari
                                    2015.</al></li><li nr="2."><al>De 'Nadere regels Re-integratieverordening 2011', vastgesteld op
                                    1 maart 2011, worden ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>De ‘Beleidsregels loonkostensubsidie voor uitzendbureaus Capelle
                                    aan den IJssel’, vastgesteld op 1 oktober 2013, worden
                                    ingetrokken.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Capelle aan den IJssel, 17 februari 2015.</ondertekening><ondertekening>Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>G.Kruijt. J.F. Koen.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>