<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR358885_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2015 Gemeente Westerveld</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Westerveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-15030.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAlle%26spd%3d20150223%26epd%3d20150223%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dWesterveld%26orgt%3dgemeente%26ap%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, jaargang 2015, 20-02-2015, nummer 15030</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2015 Gemeente Westerveld</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=12">Monumentenwet 1988, artikel 12 en 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.1">wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.1 en 2.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=38">Monumentenwet 1988, artikel 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-10-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14/20205</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2015 Gemeente Westerveld</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verseon: 14/20205</al><al>gezien het voorstel van het college van 11 november 2014;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al>besluit vast te stellen de volgende Erfgoedverordening 2015 gemeente
                        Westerveld.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid; ondergebracht in de
                                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit</al></li><li nr="e."><al>stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van
                                    algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun onderlinge
                                    ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke
                                    groepen zich één of meerdere monumenten bevinden.</al></li><li nr="f."><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: een in overeenstemming met
                                    de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    stads- of dorpsgezicht aangewezen groep van zaken of terreinen
                                    die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn
                                    onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, dan wel zijn
                                    wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep
                                    zich één of meer monumenten bevinden;</al></li><li nr="g."><al>lijst van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten:
                                    lijst waarop vermeld zijn de overeenkomstig deze verordening
                                    aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten.</al></li><li nr="h."><al>gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart: kaart behorende
                                    bij de cultuurhistorische paragraaf van het
                                    bestemmingsplan.</al></li><li nr="i."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="j."><al>gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart: kaart behorende
                                    bij de archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li><li nr="k."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="l."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="m."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="n."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="o."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="p."><al>gemeentelijke reclamenota: nota waarin opgenomen richtlijnen
                                    voor het voeren van reclame en informatie bij, aan, en op
                                    beschermde monumenten en in beschermde gezichten;</al></li><li nr="q."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="r."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="s."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="t."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Westerveld</al></li><li nr="u."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li><li nr="v."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan alleen een monument aanwijzen als gemeentelijk
                                monument met instemming van de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Drenthe.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Inwoners van de Gemeente Westerveld kunnen objecten en/of panden
                                voordragen voor de gemeentelijke monumentenlijst waarvan zij
                                eigenaar zijn; van toepassing op dit lid zijn vervolgens lid 1, 2, 3
                                en 4.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk
                                monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht of
                                aanvullende informatie wordt aangeleverd door de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De opname als gemeentelijk monument is op vrijwillige basis. Een
                                eigenaar kan ten aller tijde besluiten om het college van
                                Burgemeester en Wethouders te verzoeken om zijn / haar pand uit het
                                gemeentelijk monumentenregister te laten verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Nieuwe aanwijzingen worden één keer per jaar toegevoegd. Peildatum
                                is telkens 1 december.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of de
                                monumentenverordening van de provincie Drenthe.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Betrokken eigenaren kunnen een schriftelijk en gemotiveerd verzoek
                                doen om hun eigendom uit de
                                    <onderstreept>aanwijzingsprocedure</onderstreept> te
                                onttrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Intrekken van een aanwijzingen worden één keer per jaar in de
                                gemeentelijke monumentenlijst doorgevoerd. Peildatum is 1
                                december.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 2 van deze verordening is voor toepassing van Artikel 10
                                onverminderd van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, doelbewust te beschadigen, wijzingen, te vernielen
                                of anderszins te ontsieren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd dan
                                wel de werkzaamheden worden aangemerkt als ‘vergunning vrij’ als
                                bedoelt in het BOR (Besluit Omgevings Recht).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college mag altijd vrijstelling- of restauratietoestemmingen
                                verlenen los van een vergunningplicht als daarmee de instandhouding
                                van het gemeentelijke monument wordt bespoedigd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>het college kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning
                                als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals
                                bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden
                                betreffende de uitvoering en materiaaltoepassing.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor het voeren van bebording of spandoeken bedoelt als reclame is
                                voor gemeentelijke monumenten het gestelde voor rijksmonumenten en
                                beschermde gezichten van toepassing; en ten aller tijden toestemming
                                vereist.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor het voeren van bebording of spandoeken bedoelt voor informatie
                                verstrekking over beschermde monumenten of gezichten is hetgeen van
                                toepassing wat onder lid 7 is gesteld over reclame.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het gestelde in deze verordening is altijd ondergeschikt aan (bouw-)
                                wetgeving door het Rijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.
                                Indien de monumentencommissie niet binnen gestelde periode heeft
                                geadviseerd, neemt het college een besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen één jaar van de vergunning gebruik wordt
                                    gemaakt.</al></li></lijst><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                            monumentencommissie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermde rijksmonumenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om
                                vergunning voor een beschermd rijksmonument met de naar voren
                                gebrachte zienswijzen aan de monumentencommissie na afloop van de
                                termijn van 14 dagen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de
                                Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vergunning voor beschermde provinciale monumenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om
                                vergunning voor een beschermd rijksmonument met de naar voren
                                gebrachte zienswijzen aan de monumentencommissie na afloop van de
                                termijn van 14 dagen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de
                                Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een stads- en dorpsgezicht aanwijzen als beschermd
                                gemeentelijk stads- of</al><al> dorpsgezicht en het college kan een zodanige aanwijzing wijzigen of
                                intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing, wijziging of intrekking een
                                besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van een besluit om aanwijzing als bedoeld in het
                                eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt geacht
                                te zijn ingetrokken indien het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                                wordt aangewezen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 35
                                van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de betrokken eigenaren de kennisgeving
                            van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht ontvangen tot het
                            moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 18 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat
                            het stads- of dorpsgezicht niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen
                            19 en 20 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermd gemeentelijk stads- of
                                dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                redengevende omschrijving van cultuurhistorische waarden van het
                                beschermde stads- of dorpsgezicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bestemmingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd
                                gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als
                                bedoeld in de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het voorstel tot aanwijzing van een beschermd gemeentelijk
                                stads- of dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre
                                geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het
                                eerste lid kunnen worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet voor
                                vaststelling van een bestemmingsplan in de zin van lid 1 vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zendt een afschrift van het genomen besluit aan de
                                monumentencommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken die gelegen zijn in een beschermd
                                gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                                zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met de bij
                                zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>Bouwwerken te plaatsen, op te richten, geheel of
                                        gedeeltelijk af te breken of te verplaatsen dan wel in enig
                                        opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>Bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een wijze waardoor het stads- of dorpsgezicht wordt
                                        ontsierd of in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>Onroerende zaken geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen
                                        straten, wegen, pleinen, wateren, bomen en erfafscheidingen
                                        te wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken als gevolg van een
                                aanschrijving van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 3.4.2 van Wet ruimtelijke ordening (Wro) is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Archeologische verwachtingen- en beleidsadvieskaart</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een archeologische verwachtingen- en
                                beleidsadvieskaart vast, die dient als basis voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de verordening;</al></li><li nr="b."><al>vast te stellen bestemmingsplannen als bedoeld in artikel
                                        38a van de Monumentenwet 1988;</al></li><li nr="c."><al>aanwijzing van gemeentelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Instandhoudingsbepaling archeologische terreinen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch
                                    verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder f, g, h en j, de
                                    bodem dieper dan 30 cm onder de oppervlakte te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                            verwachtingsgebied als aangegeven op de Archeologische verwachtings- en
                            beleidsadvieskaart, en waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><al>• als gevolg van normaal agrarisch gebruik. Hiertoe behoren:</al><al>Grondbewerking tot een diepte van 30 cm onder het maaiveld (= gemiddelde
                            bouwvoor). Niet- bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het
                            verbeteren van de verdichte bodemstructuur (woelen) tot maximaal 10 cm
                            onder de bouwvoor;</al><al>het aanbrengen van drainage, tenzij het gaat om Essen en AMK-terreinen1
                            of anderszins bekende archeologische vindplaatsen op de gemeentelijke
                            archeologiekaarten, of:</al><al>• in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde of;</al><al>• in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en
                            het te verstoren gebied kleiner is dan 1000 m2, of;</al><al>• in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te
                            verstoren gebied kleiner is dan 1000 m2.</al></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                            omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                            eerste en tweede lid,van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en
                            hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                            monumentenzorg</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een
                            archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                            aangegeven op gemeentelijke archeologische waardenkaart;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde
                            van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en
                            wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><al>• het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden
                            geborgd; </al><al>• de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden
                            geschaad;</al><al>• in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al></li><li nr="f."><al>et een verstoring betreft van een archeologisch monument
                            als aangegeven op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart,
                            en waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><al>• in een gebied met een zeer hoge (wettelijk beschermd) tot een
                            archeologische waarde dan geldt altijd een onderzoeksplicht of;</al><al>• in de historische kernen van Diever, Doldersum, Dwingeloo, Eemster,
                            Havelte, Leggeloo, Lhee, Uffelte, Vledder en Wittelte en de verstoring
                            kleiner is dan 70 m2.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Westerveld onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder o, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder n van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het college te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies
                                aan een deskundige, zoals omschreven in de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Gemeentelijke kosten</titel></kop><al>Voor zover de verplichtingen, als bedoeld in artikel 15, lid 2, sub d,
                            leiden tot kosten voor de gemeente, als gevolg van het doen van
                            onderzoek en opgravingen, kunnen die kosten worden verhaald op degenen
                            ten behoeve van wie de medewerking wordt verleend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin;</al></li><li nr="f."><al>de weigering van het bevoegd gezag om een verzoek tot opname van
                                    een object op de gemeentelijke monumentenlijst over te
                                    nemen;</al></li><li nr="g."><al>de weigering van het bevoegd gezag om een verzoek tot
                                    uitschrijving van een object uit de gemeentelijke
                                    monumentenlijst over te nemen;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende gemotiveerd ernstige benadeling, hinder dan wel
                                    schade kan aantonen ten gevolge van een besluit van het bevoegd
                                    gezag conform deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder
                            (e), van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de
                            tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; beleidsmedewerker monumenten of
                                        medewerker bouw- en woningtoezicht.</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2; gemeentelijk archeoloog of
                                        beleidsmedewerker monumenten .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening 2012 van de gemeente Westerveld, gemeente
                            Westerveld, vastgesteld op 8 mei 2012 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 23 ingetrokken Verordening [naam]
                                aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                                aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 23 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “<vet><cursief>Erfgoedverordening
                                    2015 Gemeente Westerveld</cursief></vet>”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december
                        2014</ondertekening><ondertekening>De griffier De voorzitter</ondertekening><ondertekening>A.Middelkamp H. Jager</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>A. Algemene toelichting</vet></al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de
                            verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                            monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke samenhang
                            tussen monumenten en archeologie, is de model Erfgoedverordening in 2008
                            aangevuld met een archeologisch deel en heeft een vereenvoudiging van de
                            model Erfgoedverordening in het kader van deregulering plaatsgevonden.
                            De huidige wijziging van de model Erfgoedverordening houdt verband met
                            de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                            omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Mor).</al><al/><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een
                            reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren
                            van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn:</al><al>de bouwvergunning;</al><al>de aanlegvergunning;</al><al>de sloopvergunning;</al><al>de monumentenvergunning;</al><al>de milieuvergunning;</al><al>de kapvergunning.</al><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle
                            dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt
                            hiervan een onderdeel.</al><al/><al>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket
                            gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen
                            moment in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn
                            project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg,
                            sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening
                            betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en
                            de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden
                            aangevraagd. </al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag
                            beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent
                            ook één procedure van rechtsbescherming. </al><al/><al>Bevoegd gezag</al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester
                            en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
                            verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te
                            nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt.
                            Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze
                            gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn
                            aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de
                            provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere
                            categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor
                            omschreven. </al><al/><al>Toestemmingsstelsels </al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning
                            en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De
                            toestemmingstelsels die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn
                            volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de
                            betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een
                            procedurele integratie van de verschillende toestemmingstelsels. De
                            inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de
                            verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader
                            van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke
                            toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even
                            zwaar. </al><al/><al>De procedure</al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
                            voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
                            Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de
                            reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de
                            Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn
                            wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning
                            ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te
                            delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een
                            afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een
                            onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere
                            onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke
                            verbondenheid”. Het criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in
                            artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de
                            activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit
                            die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit
                            als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo. Deze
                            activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een
                            en dezelfde handeling die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen
                            vallen. Vanwege de overlap in de activiteitenomschrijvingen is het in
                            deze gevallen niet mogelijk om de handeling op te knippen in
                            deelvergunningen.</al><al/><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                            deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat
                            bijvoorbeeld behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van
                            woningen grond bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen
                            gesloopt moeten worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd.
                            De omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van
                            opstallen kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het
                            verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten.
                            Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                            worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                            afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al/><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                            omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit
                            wordt gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te
                            onderzoeken of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten,
                            bijvoorbeeld het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan
                            worden verricht en dus een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning
                            te krijgen. Het betreft een volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van
                            een omgevingsvergunning is pas mogelijk nadat ook een
                            omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een volledige vergunning
                            is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke
                            toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag
                            van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                            de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                            indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste
                            fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde
                            aanvraag voor de overige activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet
                            meer getoetst wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste
                            fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien
                            niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een aanvraag
                            voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                            treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat
                            rechtsbescherming op grond van de Awb open. </al><al/><al>Informatie over de omgevingsvergunning</al><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning:
                            http://omgevingsvergunning.vrom.nl. hierop vindt u tal van brochures
                            over de omgevingsvergunning. Als u nog geen beeld hebt van wat er
                            allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende informatie te
                            lezen:</al><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met
                            – (augustus 2008; een online product). </al><al/><al>De Wabo en de Erfgoedverordening</al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert
                            volledig in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden
                            activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het
                            verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening
                            aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig
                            opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                            op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een
                            extra overweging voor het volledig integreren van de
                            monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van
                            de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening
                            van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                            instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van
                            artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning
                            (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog
                            niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de
                            realisatie van een fysiek project. </al><al/><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te
                            stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere
                            regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al/><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                            gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                            gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in
                            dit nieuwe model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de
                            daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening
                            zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke
                            beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de
                            gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand
                            dereguleringstraject zijn deze artikelen gesneuveld, aangezien het
                            instrument hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In het
                            verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans voor gekozen
                            om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                            nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op
                            andere onderdelen zelf aan te vullen.</al><al/><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Hoofdstuk 1. Algemeen</al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al/><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken.
                            Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al/><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst
                            omdat ze ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                            onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de
                            bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal
                            eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de
                            gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                            gebracht. Zaken die naar hun aard roerend zijn, zoals een kerkorgel,
                            kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                            omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het echter aan
                            gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                            wijzen. </al><al/><al>Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                            regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als
                            gemeentelijk monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen
                            verdwijnen. Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter
                            nauwelijks mogelijk.</al><al/><al>Sub b</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. <onderstreept>Het plaatsen op de
                                monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg</onderstreept>. Het betreft
                            slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                            de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die vanwege de
                            vrijwilligheid eveneens <onderstreept>geen
                                </onderstreept><onderstreept>rechtsgevolg beoogt</onderstreept>. Het
                            is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit
                            elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                            artikel 7.</al><al/><al>Sub c</al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten
                            bij de begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar
                            de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als
                            een onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de
                            Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al><al/><al>Sub d</al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk
                            bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                            commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die
                            adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de
                            raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                            bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15
                            van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                            inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                            bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
                            activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo.
                            De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                            instellen van de monumentencommissie door het college moet door middel
                            van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het
                            instellen van een (monumenten) commissie door het college. In Westerveld
                            is de monumentencommissie onderdeel van de commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit die door Het Oversticht in Zwolle wordt gefaciliteerd en wordt
                            gedeeld met de gemeenten Meppel en Steenwijkerland. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>