<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR358812_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-07-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentejournaal, 16-07-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR356201_1">Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-05-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wmo</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Beleidsregels behorende bij de Verordening Wet maatschappelijke
                        ondersteuning 2014</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><structuurtekst><al>Onderstaand zijn de belangrijkste begrippen toegelicht. Voor overige
                            relevante begrippen wordt verwezen naar de Wet Maatschappelijke
                            Ondersteuning 2015, aangenomen op 8 juli 2014, Verordening
                            Maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2015. </al><al/><lijst><li nr="1."><al>aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het
                                    college gehouden is een algemene voorziening of een
                                    maatwerkvoorziening te leveren;</al></li><li nr="2."><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat,
                                    zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                    persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                                    toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke
                                    ondersteuning; Deze diensten en/of producten zijn voor iedereen
                                    toegankelijk en/of verkrijgbaar, zonder toets of
                                    beschikking</al></li><li nr="3."><al>algemeen gebruikelijk: voorzieningen waar de persoon met
                                    beperkingen ook zonder beperking over zou kunnen beschikken. Het
                                    gaat om voorzieningen die algemeen in de reguliere handel of via
                                    Internet verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een
                                    beperking bedoeld zijn en niet aanzienlijk duurder zijn dan
                                    vergelijkbare producten met hetzelfde doel.</al></li><li nr="4."><al>begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van
                                    zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang
                                    mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="5."><al>cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening
                                    of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is
                                    verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; </al></li><li nr="6."><al>cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met
                                    informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan
                                    het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het
                                    verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het
                                    gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg,
                                    zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
                                </al></li><li nr="7."><al>gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen
                                    in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders,
                                    inwonende kinderen of andere huisgenoten;</al></li><li nr="8."><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in
                                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="9."><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="10."><al>maatschappelijke ondersteuning: </al><al> 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                                    vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                    diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid
                                    en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden
                                    van huiselijk geweld, </al><al> 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van
                                    personen met een beperking of met chronische psychische of
                                    psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                                    leefomgeving, </al><al>3°. bieden van beschermd wonen en opvang; </al></li><li nr="11."><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en
                                    mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten
                                    behoeve van zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen en
                                    opvang </al></li><li nr="12."><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                    personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het
                                    kader van een hulpverlenend beroep; </al></li><li nr="13."><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="14."><al>ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van de afspraken
                                    die de bijdragen beschrijft van het college en van de
                                    hulpvrager, respectievelijk zijn sociale netwerk, om tegemoet te
                                    komen aan de ondersteuningsvraag. </al></li><li nr="15."><al>participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; </al></li><li nr="16."><al>persoonlijk plan: het hulpverleningsplan waarin de cliënt
                                    voordat het onderzoek van start gaat, aangeeft welke problemen
                                    hij/zij ervaart en welke oplossingen hij/zij ziet. </al></li><li nr="17."><al>persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college
                                    betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen,
                                    woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een
                                    maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft
                                    betrokken; </al></li><li nr="18."><al>respijtzorg: zorg die wordt geleverd aan de cliënt met het doel
                                    de (overbelaste) mantelzorger tijdelijk bijvoorbeeld een avond,
                                    een dag of een weekend te ontlasten van zijn taken. </al></li><li nr="19."><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere
                                    personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; </al></li><li nr="20."><al>sociaal wijkteam:op wijkniveau
                                    georganiseerd multidisciplinair team dat aanspreekpunt is in de
                                    wijk, proactief de ondersteuningsvraag van inwoners verheldert,
                                    kan verwijzen naar beschikbare oplossingen en kan ondersteunt
                                    naar professionele hulp, ondersteuning en maatwerkvoorzieningen;
                                </al></li><li nr="21."><al>vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                                    vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een
                                    redelijke waardering van zijn belangen ter zake;</al></li><li nr="22."><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere
                                    voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="23."><al>voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; </al></li><li nr="24."><al>zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de
                                    noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het
                                    voeren van een gestructureerd huishouden;</al></li><li nr="25."><al>zorg in natura: zorg ontvangen van een zorgverlener die
                                    gecontracteerd is door de gemeente.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr></kop><afdeling><kop><nr>1.</nr><titel>Uitgangspunten van de gemeente Ridderkerk</titel></kop><structuurtekst><al><vet>De beleidsregels zijn voor medewerkers van de gemeente
                                    Ridderkerk. Deze bevatten alle informatie en regels over de
                                    toegangsprocedure voor maatschappelijke ondersteuning, de
                                    voorwaarden en het verstrekken van maatwerkvoorzieningen op
                                    grond van de Wmo, zowel in natura als in pgb, de regels voor de
                                    eigen bijdrage, kwaliteitseisen, mantelzorgwaardering,
                                    respijtzorg, richtlijnen omgaan met huiselijk geweld en
                                    kindermishandeling, klachtenprocedure en het betrekken van
                                    ingezetenen bij de Wmo.</vet></al><al/><al>Deze Beleidsregels Wmo vormen, naast de Algemene wet bestuursrecht,
                                de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2015, een
                                belangrijke waarborg van het recht op een zorgvuldige procedure voor
                                de ondersteuningsvrager, die daar zelf een essentiële bijdrage in
                                heeft.</al><al/><al><vet>Waarom deze beleidsregels? </vet></al><al>In de Verordening staan korte juridisch geformuleerde regels. De
                                beleidsregels bieden handvaten voor de uitvoerende om de regels uit
                                te voeren.</al><al/><al>Iedereen moet kunnen meedoen in de samenleving. Dat is de kern van
                                de Wmo. </al><al>Uitgangspunt is dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen
                                voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het
                                maatschappelijk leven. Van burgers mag verwacht worden dat zij
                                elkaar daarin naar vermogen bijstaan. </al><al>Burgers die dat echt niet kunnen rekenen mogen rekenen op
                                ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de
                                eigen leefomgeving kunnen blijven wonen en zich kunnen handhaven in
                                de samenleving. De gemeente Ridderkerk staat hier volledig
                                achter.</al><al>De belangrijkste uitgangspunten van de gemeente Ridderkerk
                                zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de analyse van het probleem van de client moet in samenhang
                                        gebeuren.</al></li><li nr="2."><al>het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van
                                        haar inwoners;</al></li><li nr="3."><al>het treffen van kwalitatief goede voorzieningen voor
                                        kwetsbare inwoners. Dit kunnen ook algemene voorzieningen
                                        zijn;</al></li><li nr="4."><al>het leveren van maatwerk;</al></li><li nr="5."><al>bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                        samenleving;</al></li><li nr="6."><al>tegengaan van (onnodige) administratieve lasten voor de
                                        inwoners en de gemeente.</al></li></lijst><al/><al><vet>Juridische status </vet></al><al>De beleidsregels zijn een nadere uitwerking van de bepalingen in de
                                ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk
                                2015’ en het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015‘. In deze
                                Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen, waar kortheidshalve
                                naar wordt verwezen. De beleidsregels geven concrete invulling aan
                                de verstrekkingen: hulp bij het huishouden, begeleiding,
                                woningaanpassingen, hulpmiddelen, kortdurend verblijf en
                                ondersteuning bij persoonlijke verzorging. Zowel het
                                Uitvoeringsbesluit als de Beleidsregels zijn integraal onderdeel van
                                de Verordening en het daarin vastgelegde beleid. Personen met
                                beperkingen die een melding hebben gedaan voor ondersteuning vanuit
                                de Wmo kunnen zich, ook in bezwaar en beroep procedures, beroepen op
                                deze genoemde documenten. In deze beleidsregels worden een aantal
                                voorbeelden genoemd. Aan deze voorbeelden kunnen geen rechten worden
                                ontleend.</al><al/><al><vet>Belangrijkste wijzigingen in de Wmo 2015 </vet></al><al>De belangrijkste wijzigingen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>De eigen verantwoordelijkheid voor het eigen leven is
                                        nadrukkelijk opgenomen;</al></li><li nr="-"><al>Het vervallen van de compensatieplicht; </al></li><li nr="-"><al>Van negen prestatievelden naar drie wettelijke
                                        opdrachten;</al></li><li nr="-"><al>Er zijn twee mogelijkheden voor maatschappelijke
                                        ondersteuning, nl. een algemene voorziening en een
                                        maatwerkvoorziening. </al></li><li nr="-"><al>De maatwerkvoorziening kan in natura of in pgb verstrekt
                                        worden.</al></li><li nr="-"><al>De nog uit de Wvg stammende verstrekkingen
                                        woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen zijn
                                        weggelaten;</al></li><li nr="-"><al>De uit de Wmo 2007 stammende verstrekking hulp bij het
                                        huishouden is weggelaten</al></li><li nr="-"><al>Twee mogelijkheden van verstrekken van een Wmo voorziening,
                                        nl een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden
                                        budget (pgb);</al></li><li nr="-"><al>Voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt een eigen bijdrage
                                        gevraagd, met uitzondering van rolstoelvoorzieningen. Voor
                                        kinderen onder de 18 jaar wordt nu alleen voor
                                        woningaanpassingen een eigen bijdrage geheven. Hiervoor
                                        wordt de systematiek van hoofdstuk 3 van het landelijk
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt gevolgd.
                                    </al></li></lijst><al/><al><vet>Voor wie zijn de maatwerkvoorzieningen? </vet></al><al>Deze beleidsregels bevatten naast algemene Wmo regels, regels voor
                                maatwerkvoorzieningen voor Ridderkerkers die niet van een algemene
                                voorziening gebruik kunnen maken. Het gaat om mensen met aantoonbare
                                beperkingen in hun zelfredzaamheid en deelname aan de maatschappij.
                                Met deze voorzieningen wil de gemeente hen een (zoveel mogelijk)
                                gelijkwaardige uitgangspositie geven, die het mogelijk maakt dat zij
                                net als iedereen kunnen meedoen. De maatwerkvoorzieningen vormen dus
                                ondersteuning in het leven van alledag.</al><al/><al>Als een algemene voorziening niet passend en adequaat is komt het
                                aan op maatwerk. Maatwerk betekent afstemming van de voorzieningen
                                op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon
                                met beperkingen. In ieder individueel geval moet worden bekeken
                                welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen noodzakelijk zijn zodat deze persoon kan deelnemen aan
                                de maatschappij, zo zelfredzaam mogelijk kan zijn en maatwerk ten
                                behoeve van beschermd wonen en opvang.</al><al/><al>Sinds 2007 hebben Nederlandse gemeenten ervaring opgedaan met het
                                uitvoeren van de Wmo en de individuele verstrekkingen. Sindsdien is
                                er in ruime mate jurisprudentie beschikbaar naar aanleiding van het
                                afwijzen van aangevraagde voorzieningen. De les die hieruit te leren
                                valt is dat gedegen onderzoek naar <onderstreept>alle</onderstreept>
                                omstandigheden van de cliënt van groot belang is. Ook dit
                                onderstreept het belang van maatwerk. De ondersteuningsvraag van de
                                cliënt staat centraal en de klantmanager Wmo dient aantoonbaar samen
                                met de cliënt te zoeken naar een oplossing voor deze vraag. Het is
                                een werkwijze waarin vraagverheldering, gedegen onderzoek, bespreken
                                van alle mogelijke oplossingen en heldere verslaglegging centraal
                                staan. Deze beleidsregels bieden hiervoor de inhoudelijke handvaten.
                            </al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><nr>2</nr><titel>Wanneer wordt een maatwerkvoorziening toegekend?</titel></kop><structuurtekst><al>Het centrale artikel in de Wmo is artikel 2.1.1. De gemeente draagt
                                zorg voor maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en
                                continuïteit van de voorzieningen. Dit betekent niet hetzelfde als
                                de opdracht om een maatwerkvoorziening die wordt gevraagd ook
                                daadwerkelijk te verstrekken. </al><al>Jurisprudentie heeft de afgelopen jaren aangetoond dat bij een
                                (gedeeltelijke) afwijzing gedegen onderzoek gedaan moet zijn.
                                Kenmerk van gedegen onderzoek is in ieder geval dat alle relevante
                                individuele omstandigheden van de cliënt zijn meegenomen in de
                                afweging en dat de zorgvuldigheid van het onderzoek zichtbaar is in
                                de verslaglegging, rapportage en beschikking. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>De gemeente is verplicht om invulling aan de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning te geven en is verantwoordelijk voor de ondersteuning
                                van personen met een beperking, chronisch psychische- of
                                psychosociale problemen.</al><al>De wettelijke opdracht aan de gemeente bestaat uit drie taken 1°.
                                bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                                vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten
                                en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en
                                leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van
                                huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de
                                participatie van personen met een beperking of met chronische
                                psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                                leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; </al><al/><al>De Wmo 2015 gaat primair uit van de eigen verantwoordelijkheid van
                                de cliënt. Burgers dragen een eigen verantwoordelijkheid voor de
                                wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het
                                maatschappelijk leven. Van burgers mag verwacht worden dat zij
                                elkaar daarin naar vermogen bijstaan. Rechten en plichten van
                                burgers zijn meer met elkaar in evenwicht gebracht.</al><al>Dit betekent dat we nagaan op welke wijze de cliënt in staat is om
                                het probleem (deels) zelf op te lossen. Hierbij kijken we naar alle
                                mogelijkheden van de cliënt zelf, met gebruikelijke hulp, met
                                mantelzorg en met andere personen uit het sociale netwerk, met
                                algemeen gebruikelijke hulpmiddelen en met voorliggende diensten. </al><al/><al>Als burgers zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn en onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie en/ of zich te handhaven in de samenleving, kunnen zij
                                een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. </al><al>Voor personen die maatschappelijke ondersteuning behoeven moet de
                                gemeente op meerdere manieren ondersteuning bieden:</al><lijst><li nr="-"><al>Met het bevorderen van de toegankelijkheid van
                                        voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een
                                        beperking en daarmee bij te dragen aan het realiseren van
                                        een inclusieve samenleving;</al></li><li nr="-"><al>Met algemene voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>Met maatwerkvoorzieningen aan personen met beperkingen ter
                                        ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie zodat
                                        zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven
                                        wonen;</al></li><li nr="-"><al>Met maatwerkvoorzieningen aan personen met psychische of
                                        psychosociale problemen omdat zij de thuissituatie hebben
                                        verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun
                                        veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en wonen of
                                        opvang behoeven. De ondersteuning is er op gericht dat
                                        indien mogelijk, deze personen weer in staat zijn zich op
                                        eigen kracht te handhaven in de samenleving </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Uitgangspunt</titel></kop><al>Het belangrijkste in het proces Wmo is, dat er een oplossing bereikt
                                wordt of kan worden voor de ervaren problemen, waardoor de cliënt zo
                                zelfredzaam mogelijk kan zijn of kan worden in het dagelijkse leven,
                                kan deelnemen aan de maatschappij en zo lang mogelijk in de eigen
                                leefomgeving kan wonen. Voor de cliënt met psychische en
                                psychosociale problemen gaat het er om dat deze persoon zo
                                ondersteund wordt dat hij/zij zich kan handhaven in de
                                samenleving.</al><al>Leidend is dat eigen mogelijkheden van de cliënt, inzet van het
                                sociale netwerk, gebruikelijke hulp en voorliggende gebruikelijke en
                                algemene voorzieningen voorgaan op een maatwerkvoorziening. Als met
                                deze hulp en voorzieningen een adequate oplossing voor het ervaren
                                probleem gerealiseerd kan worden is er geen noodzaak voor een
                                maatwerkvoorziening.</al><al/><al>Het onderscheid tussen een algemene en maatwerkvoorziening is
                                hierbij van belang.</al><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Algemene</onderstreept> voorzieningen zijn een
                                        aanbod van diensten of activiteiten die voor ieder
                                        toegankelijk zijn op basis van een beperkte toegangstoets
                                        door een beperkt aantal algemeen geformuleerde
                                            maatstaven.Op grond van
                                        jurisprudentie geldt daarbij, dat er geen rekening wordt
                                        gehouden met de specifieke persoonskenmerken van de
                                        individuele vrager. Algemene voorzieningen zijn voor
                                        iedereen toegankelijk, zijn gericht op maatschappelijke
                                        ondersteuning en verkrijgbaar zonder beschikking. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al><onderstreept>Maatwerkvoorzieningen</onderstreept> zijn op
                                        de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een
                                        persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                                        woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van
                                        zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen en opvang.
                                        Maatwerkvoorzieningen kunnen in natura of in een pgb
                                        verstrekt worden.</al></li></lijst><al/><al>Pas als een voorliggende oplossing niet volstaat is een
                                maatwerkvoorziening mogelijk, afgestemd op de behoeften,
                                persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon.</al><al>Dus algemene voorzieningen in de situaties waarin het
                                    <onderstreept>kan</onderstreept> en maatwerkvoorzieningen in die
                                situaties waarin dat <onderstreept>moet</onderstreept>, waarbij
                                levering van de maatwerkvoorziening aan vastgestelde kwaliteitseisen
                                moet voldoen. Dit uitgangspunt vormt de kern van de Verordening
                                Maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Maatwerk</titel></kop><al>Maatwerkvoorzieningen zijn individueel maatwerk. Dit betekent dat
                                niet alleen voorgeprogrammeerde oplossingen bij vaststaande
                                beperkingen mogelijk zijn. Maatwerkvoorzieningen zijn er in een
                                breed scala van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                maatregelen. Leidend is de wens van de cliënt om mee te kunnen doen
                                aan de samenleving en samen met de cliënt wordt gezocht naar de
                                meest passende oplossing. En binnen de meest passende oplossingen de
                                goedkoopste. </al><al>In de Wmo 2015 zijn specifieke verstrekkingen achterwege gelaten.
                                Het resultaat telt!</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Wens van de cliënt </titel></kop><al>De wens van de cliënt speelt een rol in het proces naar het zoeken
                                van de goedkoopst adequate oplossingen voor de ervaren problemen,
                                maar is op zichzelf niet doorslaggevend. Objectieve factoren, zoals
                                leeftijd, de mate van beperkingen, het te verwachten toekomstig
                                dagelijks functioneren van de cliënt, de aanwezigheid en
                                belastbaarheid van mantelzorg en de kosten van de diverse
                                oplossingen spelen allemaal een rol in de uiteindelijke beoordeling.
                                Als de goedkoopst adequate oplossing niet de door de cliënt meest
                                gewenste oplossing zal zijn, betekent dit dat de Wmo-klantmanager
                                niet altijd de voorkeur van de cliënt kan volgen. Wmo-klantmanagers
                                adviseren binnen het kader van het gemeentelijke beleid.</al><al/><al>Als de cliënt een andere maatwerkvoorziening wenst dan de
                                geïndiceerde maatwerkvoorziening, dan mag deze maatwerkvoorziening
                                niet duurder zijn dan de goedkoopst adequate oplossing van de
                                gemeente. </al><al>Wil de cliënt alsnog de duurdere voorziening, dan heeft hij met een
                                voorziening in pgb de mogelijkheid om de meerkosten zelf te betalen.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Algemene uitgangspunten bij de toekenning van een
                                    maatwerkvoorziening van de Gemeente Ridderkerk:</titel></kop><al>Een maatwerkvoorziening kan worden toegekend als:</al><lijst><li nr="1."><al>De persoon met beperkingen ingezetene is van de gemeente
                                        Ridderkerk <vet>OF</vet></al></li><li nr="2."><al>De persoon met chronische psychische of psychosociale
                                        problemen of diens vertegenwoordiger is ingezetene van
                                        Nederland indien hij zich tot het college wendt voor
                                        beschermd wonen en opvang.</al></li><li nr="3."><al>Er geen aanspraak op de voorziening bestaat vanuit andere
                                        wettelijke regelingen;</al></li><li nr="4."><al>De voorziening overwegend op het individu gericht is; </al></li><li nr="5."><al>De voorziening voor de persoon met beperkingen, chronische
                                        psychische of psychosociale problemen niet algemeen
                                        gebruikelijk is; </al></li><li nr="6."><al>De voorziening niet beschikbaar is als algemene
                                        voorziening;</al></li><li nr="7."><al>De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                        niet vermijdbaar was of de voorziening was voorzienbaar,
                                        maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden
                                        maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig
                                        had gemaakt;</al></li><li nr="8."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging
                                        van een eerder door het college verstrekte voorziening,
                                        wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte
                                        voorziening <onderstreept>technisch</onderstreept> is
                                        afgeschreven; </al></li><li nr="9."><al>De kosten niet zijn gemaakt voorafgaand aan het besluit van
                                        de gemeente, tenzij alsnog beoordeeld wordt dat dit niet te
                                        vermijden was;</al></li><li nr="10."><al>Het college verstrekt de objectief gemeten goedkoopst
                                        adequate voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>De persoon met beperkingen is ingezetene van Ridderkerk
                                </titel></kop><al>Dit is vastgelegd in de Wmo art. 1.2.1.a en 2.3.5.a</al><al>Personen die ingeschreven staan in het bevolkingsregister van de
                                gemeente Ridderkerk en feitelijk in Ridderkerk wonen, kunnen een Wmo
                                ondersteuningsvraag indienen bij de gemeente Ridderkerk. Uit recente
                                jurisprudentie is gebleken dat de persoon met beperkingen die niet
                                ingeschreven staat, maar wel aantoonbaar en langdurig het
                                hoofdverblijf heeft in de gemeente, ook in aanmerking kan komen voor
                                een voorziening. Dit geldt echter niet voor een vakantiewoning. Bij
                                twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is kan het
                                bestemmingsplan worden geraadpleegd. </al><al/><al>Let op: Bij verhuizing naar een andere gemeente moeten de
                                voorzieningen worden teruggegeven. </al><al/><al><onderstreept>Uitzondering</onderstreept></al><al>Een uitzondering hierop is het bezoekbaar maken van een woning.
                                Bijvoorbeeld als een persoon met beperkingen die in een
                                Wlz-instelling woont of daar het hoofdverblijf heeft, vaak op bezoek
                                gaat bij een persoon die het hoofdverblijf in Ridderkerk heeft. </al><al>De woning is bezoekbaar als de persoon met beperkingen de woning, de
                                woonkamer en een toilet kan bereiken. Als de persoon die het
                                hoofdverblijf in Ridderkerk heeft, geen eigenaar is van de aan te
                                passen woning , kan het college zonder toestemming van de eigenaar
                                deze woningaanpassing laten aanbrengen </al><al>Dit is vastgelegd in de Wmo art. 2.3.7</al><al/><al><onderstreept>Beperkingen</onderstreept></al><al>Een Ridderkerker kan gebruik maken van een maatwerkvoorziening als
                                hij/zij aantoonbare beperkingen heeft. De doelgroep voor het treffen
                                van voorzieningen bestaat uit:</al><lijst><li nr="-"><al>mensen met een beperking in zelfredzaamheid en
                                        participatie;</al></li><li nr="-"><al>mensen met een chronisch psychisch probleem;</al></li><li nr="-"><al>mensen met een psychosociaal probleem.</al></li></lijst><al>Het gaat om mensen met een lichamelijke, psychogeriatrische,
                                verstandelijke, psychiatrische of zintuiglijke beperkingen. Het gaat
                                hier in alle gevallen om kenmerken van een persoon. De persoon is
                                bijvoorbeeld door ouderdom slecht ter been geworden, de persoon
                                heeft van kinds af aan een zintuiglijke beperking of heeft door
                                ziekte of door een ongeval functies verloren.</al><al/><al>Verlies van zelfredzaamheid en met name een gebrek aan participatie
                                in het maatschappelijk verkeer kan ook een gevolg zijn van problemen
                                die iemand heeft in zijn relatie met anderen, met zijn sociale
                                omgeving. In dat geval is er sprake van een psychosociaal
                                probleem.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>De persoon met chronische psychische of psychosociale
                                    problemen is ingezetene van Nederland. </titel></kop><al>Dit is vastgelegd in de Wmo art. 1.2.1.b en c en art. 2.3.5.b</al><al>Personen met chronische psychische of psychosociale problemen zijn
                                niet altijd ingeschreven bij de gemeente. Ook kan het zijn dat zij
                                tijdelijk de thuissituatie hebben verlaten al dan niet in verband
                                met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.
                                Het gaat om personen die in verband met psychische of psychosociale
                                problemen niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke
                                hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                                sociale netwerk te handhaven in de samenleving.</al><al>De melding kan door henzelf bij de Wmo worden gedaan, maar ook door
                                erkende verwijzers, zijnde de huisarts, aanbieders gespecialiseerde
                                GGZ, beroepsbeoefenaren basis en gespecialiseerde GGZ en
                                Maatschappelijke Opvang instellingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Er kan geen aanspraak worden gemaakt op andere regelingen
                                    (voorliggende voorziening) </titel></kop><al>Een voorziening wordt niet toegekend als er een andere wettelijke
                                regeling of privaatrechtelijke overeenkomst bestaat, waardoor men
                                aanspraak kan maken op de voorziening. </al><al/><al>De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt
                                aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg en
                                voorzieningen in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg
                                (Wlz), voorheen geregeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. </al><al>Een voorziening wordt ook geweigerd als er redenen zijn om aan te
                                nemen dat de cliënt aanspraak op verblijf en daarmee samenhangende
                                zorg en voorzieningen in een instelling op grond van de Wet
                                langdurige zorg kan doen gelden en weigert mee te werken aan het
                                verkrijgen van een besluit hiervoor van het Centrum
                                Indicatiestelling Zorg (CIZ).</al><al/><al>Als een cliënt een melding bij de gemeente doet voor ondersteuning
                                uit de Wmo en er is sprake van een complexe en intensieve
                                ondersteuningsvraag, gaat de klantmanager Wmo met de cliënt en
                                personen uit diens sociale netwerk in gesprek over de toegang voor
                                de Wet langdurige zorg en de Wmo. Cliënten zijn vaak bang dat zij
                                bij een indicatie voor de Wlz niet meer thuis kunnen wonen. Maar ook
                                bij een indicatie voor opname in een instelling Wlz heeft de cliënt
                                altijd de keuze voor zorg in natura (ZIN) of een pgb. Met het pgb
                                van de Wlz kan de cliënt zelf de zorg inkopen om thuis te blijven
                                wonen. Alle hulp, zorg en hulpmiddelen komen dan ten laste van de
                                Wl</al><al>z.</al><al>Dit geldt ook als de cliënt niet in een erkende Wlz instelling maar
                                in een zogenoemd kleinschalige woonvorm woont. Deze kleinschalige
                                woonvorm wordt gefinancierd met een pgb van de Wlz.</al><al/><al>De gemeente kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt
                                aanspraak heeft op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of
                                er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt hier aanspraak op kan
                                maken maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van de
                                noodzakelijke zorg. Hier moet je met name denken aan de Persoonlijke
                                verzorging. Als de persoonlijke verzorging aan het lichaam gegeven
                                moet worden, dus letterlijk hulp bij het wassen, aankleden, prothese
                                aanbrengen, haren en nagels verzorgen en persoonlijke hygiëne, valt
                                deze zorg onder de Zvw. Als het gaat over instructie en begeleiding
                                bij de persoonlijke verzorging voor specifieke doelgroepen met een
                                verstandelijke en/of zintuiglijke beperking en bij psychiatrische
                                problematiek , dan valt deze hulp onder de Wmo. Dit is nader
                                uitgewerkt in Deel 2 van deze Beleidsregels.</al><al/><al>Ook voorzieningen waarvoor op grond van bijvoorbeeld de
                                Participatiewet, de Jeugdwet en de Regeling Leerlingenvervoer
                                aanspraak geldt, vallen onder de voorliggende regelingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>De voorziening is overwegend op het individu gericht</titel></kop><al>Een maatwerkvoorziening kan alleen worden toegekend als deze
                                noodzakelijk is om de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie
                                van de persoon met beperkingen op te heffen of te verminderen. </al><al>De beperking van een individu staat centraal bij de beoordeling van
                                het verzoek om ondersteuning op grond van de Wmo. Bij het
                                verstrekken van voorzieningen is de persoon met beperkingen leidend.
                                Met andere woorden: de voorziening kan worden toegekend voor zover
                                deze in overwegende mate gericht is op het individu.</al><al/><al>Een uitzondering hierop is de zogenaamde respijtzorg voor
                                mantelzorgers. Als de mantelzorger ontlast wordt in zijn/ haar taken
                                kan dit er voor zorgen dat deze persoon de zorg voor de cliënt met
                                beperkingen kan volhouden, waardoor opname in een Wlz instelling
                                uitgesteld of voorkomen kan worden. Deze respijtzorg kan ook indien
                                gewenst tijdelijk gegeven worden. De indicatie voor respijtzorg
                                wordt wel op naam van de cliënt met beperkingen in zelfredzaamheid
                                en participatie afgegeven. </al><al/><al>Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte kan alleen
                                worden toegekend als er een individuele persoon met beperkingen is
                                voor wie de maatwerkvoorziening noodzakelijk is.</al><al/><al><onderstreept>Niet een hulpmiddel voor een tijdelijke beperking in
                                    zelfredzaamheid en participatie</onderstreept></al><al>Voor tijdelijke situaties moeten cliënten een andere oplossing
                                zoeken in hun netwerk of door het lenen/huren van tijdelijke
                                hulpmiddelen. Wie een beperking heeft van tijdelijke aard kan een
                                beroep doen op de hulpmiddelenregeling op grond van de
                                Zorgverzekeringswet. Voor sommige van deze hulpmiddelen moet huur
                                betaald worden. Om te bepalen of een probleem in zelfredzaamheid en
                                participatie tijdelijk of langdurend is, is de prognose van groot
                                belang.</al><al>Is de prognose dat de cliënt na enige tijd weer zonder de benodigde
                                hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, ga dan uit van een
                                kortdurende noodzaak. Als de levensverwachting een aantal maanden is
                                en een hulpmiddel uit het hulpmiddelendepots afdoende is,
                                verstrekken we geen Wmo voorziening.</al><al>Is er een permanent wisselend beeld, dus volgen situaties van
                                verbetering en terugval elkaar op, ga dan uit van een langdurige
                                noodzaak.</al><al/><al/><al><onderstreept>Wel een voorziening bij een tijdelijke beperking in
                                    zelfredzaamheid in het huishouden</onderstreept></al><al>Een tijdelijke maatwerkvoorziening is wel mogelijk in situaties
                                waarin voor een bepaalde periode hulp bij het huishouden nodig is,
                                bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis of bij een ontregeld
                                huishouden. Het gaat daarbij om personen die niet in staat zijn op
                                eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                                andere personen zelfredzaam te zijn. En waar de algemene voorziening
                                niet adequaat is.</al><al/><al/><al><onderstreept>Wel een voorziening bij een tijdelijke beperking in
                                    het zich handhaven in de samenleving</onderstreept></al><al>Een tijdelijke maatwerkvoorziening is
                                    we<onderstreept>l</onderstreept> mogelijk voor personen die in
                                verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn
                                zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                                hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de
                                samenleving.</al><al>Voor deze personen is een maatwerkvoorziening mogelijk waarbij
                                beschermd wonen en opvang noodzakelijk is. Zowel Beschermd wonen als
                                Opvang (Maatschappelijke Opvang en Vrouwen Opvang) wordt uitgevoerd
                                door de Centrumgemeente Rotterdam.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>De voorziening is niet algemeen gebruikelijk voor de persoon
                                    met beperkingen</titel></kop><al>De gemeente verstrekt geen voorzieningen waar de persoon met
                                beperkingen ook zonder beperking over zou kunnen beschikken. Die
                                voorzieningen worden namelijk als algemeen gebruikelijk beschouwd.
                                Het gaat om voorzieningen die: </al><lijst><li nr="-"><al>algemeen in de reguliere handel of via Internet verkrijgbaar
                                        zijn en</al></li><li nr="-"><al>niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld zijn
                                        en</al></li><li nr="-"><al>niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten
                                        met hetzelfde doel.</al></li></lijst><al/><al>In de loop van de jaren zijn in de reguliere handel en via internet/
                                webshops steeds meer voorzieningen verkrijgbaar die voor een brede
                                doelgroep geschikt of aantrekkelijk zijn. Denk aan de elektrische
                                fiets, het uitgebreide assortiment aan kinderwandelwagens, fietsen
                                voor het vervoeren van jonge kinderen en de apparaten in het
                                huishouden. Deze ontwikkelingen zullen ook de komende jaren
                                doorgaan. </al><al/><al>Voorbeelden van veel voorkomende algemeen gebruikelijke
                                voorzieningen in de markt (dit is geen limitatieve lijst) zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Auto/ fiets/ elektrische fiets /bromfiets, tandem en andere
                                        gangbare vervoermiddelen.</al></li><li nr="-"><al>Airconditioning in de auto; automatische versnellingsbak,
                                        stuurbekrachtiging, lage instap.</al></li><li nr="-"><al>Fiets met verlaagde instap, met trapondersteuning,
                                        tandem</al></li><li nr="-"><al>Fietskar, fietszitje voor vervoeren kinderen, </al></li><li nr="-"><al>Bakfiets voor vervoeren van kinderen; aanhaakfiets</al></li><li nr="-"><al>Keramische kookplaat, elektrische kookplaat,</al></li><li nr="-"><al>Alle soorten kranen (éénhendel- mengkranen,
                                        thermostaatkranen</al></li><li nr="-"><al>Doucheglijstang set; standaard douchekruk of-stoel </al></li><li nr="-"><al>Verhoogde toiletpot, hangend toilet, tweede toilet en
                                        wandbeugels.</al></li><li nr="-"><al>Centrale verwarming, zonwering.</al></li><li nr="-"><al>Wasdroger, vaatwasser en magnetron</al></li><li nr="-"><al>Verhuizen behorend bij een bepaalde levensfase en wijziging
                                        van de persoonlijke omstandigheden, zoals </al></li><li nr="-"><al>Jongeren gaan de deur uit om zelfstandig te gaan wonen.</al></li><li nr="-"><al>Een echtpaar wiens kinderen het huis uit zijn gaat kleiner
                                        en gelijkvloers wonen</al></li><li nr="-"><al>Senioren die anticiperen op de mogelijke gebreken van de
                                        ouderdom </al></li><li nr="-"><al>Een gezinsuitbreiding.</al></li><li nr="-"><al>Renovatie van delen van de woning, zoals badkamer, keuken en
                                        toilet volgens de norm van 15 jaar in de sociale
                                        woningbouw</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Toetsing maatwerk</onderstreept></al><al>De Wmo is maatwerk. Bij het bepalen of een aangevraagde
                                maatwerkvoorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden
                                dienen de individuele omstandigheden van de persoon met beperkingen
                                goed afgewogen te worden. De individuele omstandigheden van de
                                aanvrager moeten altijd onderzocht worden om te kunnen bepalen of
                                deze voorziening, ook in het voorkomende geval, algemeen
                                gebruikelijk is. </al><al/><al>Voorheen gaf de Wmo weinig tot geen mogelijkheden om ook in
                                financieel opzicht maatwerk te leveren. Met de Wmo 2015 kan dit wel.
                                Dit betekent dat van personen die de voorziening zelf kunnen regelen
                                en betalen ook verwacht wordt dat zij dit doen. Voor de personen die
                                de algemeen gebruikelijke of algemene voorziening niet kunnen
                                betalen zal het minimabeleid in de Participatiewet ingezet worden om
                                toegang en gebruik van deze voorzieningen mogelijk te maken. </al><al>Een zaak die op zich algemeen gebruikelijk is, kan in bepaalde
                                individuele situaties niet algemeen gebruikelijk zijn,
                                bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>de noodzaak om op grond van de beperking over te moeten gaan
                                        tot de aanschaf of gebruik van een gebruikelijke en
                                        voorliggende voorziening, die te belastend is voor het
                                        budget; Hierbij ook meenemen dat een voorziening niet perse
                                        nieuw hoeft te zijn. Veel voorzieningen zijn op de
                                        tweedehandsmarkt voor een billijke prijs verkrijgbaar of via
                                        het onafhankelijke platform BAR-dichtbij betrokken worden.
                                        Wanneer de kosten aantoonbaar niet door de cliënt zelf
                                        gedragen kunnen worden is ondersteuning vanuit het
                                        minimabeleid mogelijk. </al></li><li nr="-"><al>in situaties waarin mensen met een beperking door
                                        aanzienlijke (aantoonbare) meerkosten in verband met die
                                        beperking, een besteedbaar inkomen hebben dat onder de voor
                                        hen geldende bijstandsnorm valt. Deze personen kunnen via de
                                        minimaregelingen worden ondersteund. </al></li></lijst><al/><al>Ook is het mogelijk dat een te verstrekken maatwerkvoorziening een
                                algemeen gebruikelijke component heeft. Het kan bijvoorbeeld zo zijn
                                dat bij aanpassing van een badkamer of keuken ook gedeeltelijke
                                reguliere renovatie plaatsvindt, die normaal gesproken voor rekening
                                van de eigenaar zou komen. </al><al/><al>Inrichtingselementen zoals bijvoorbeeld kranen, spiegel,
                                toiletrolhouder, zeepbakje en dergelijke vallen bij de aanpassing of
                                aanbouw van een badkamer onder de algemeen gebruikelijke
                                voorzieningen en kunnen daarmee niet vanuit de Wmo verstrekt worden.
                                En bijvoorbeeld de kraan, koelkast, oven, kookplaat en meer dan
                                noodzakelijke kastruimte bij een aanpassing van de keuken ook niet.
                                Deze meerkosten zijn voor rekening van de eigenaar. </al><al/><al>Een ander voorbeeld is het verstekken van een aangepast fietszitje
                                voor een gehandicapt kind. Ouders kunnen de bakfiets of fietskar
                                voor het vervoeren van hun kind zelf nieuw of tweedehands
                                aanschaffen en eventueel noodzakelijke aanpassingen in het stoeltje
                                kunnen vanuit de Wmo verstrekt worden. De soort en de kosten van een
                                algemeen gebruikelijke component zullen in de besluitvorming goed
                                moeten worden onderbouwd. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>De voorziening niet beschikbaar is als algemene
                                    voorziening</titel></kop><al>Algemene voorzieningen zijn een aanbod van diensten of activiteiten
                                die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk
                                zijn en zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning. Deze
                                voorzieningen zijn ook bedoeld voor mensen zonder beperkingen. </al><al/><al>Van belang is dat de voorziening ook daadwerkelijk in de gemeente
                                beschikbaar is en van goede kwaliteit is. Het stimuleren en
                                realiseren van kwalitatief goede algemene voorzieningen voor
                                kwetsbare burgers is een continu voortgaand proces, waarbij de
                                samenhang tussen de divers doelgroepen en diverse voorzieningen
                                gemeentebreed aan de orde is. </al><al/><al>Voorbeelden van algemene voorzieningen in de gemeente Ridderkerk
                                zijn: (niet limitatieve lijst)</al><lijst><li nr="-"><al>Schoonmaakdienst voor een schoon en leefbaar huis</al></li><li nr="-"><al>Was en strijkservice voor schone was en kleding</al></li><li nr="-"><al>Klussendienst</al></li><li nr="-"><al>Vrijwilligersdiensten via organisatie Karaat</al></li><li nr="-"><al>Budget- en administratie ondersteuning</al></li><li nr="-"><al>Laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplaatsen.</al></li><li nr="-"><al>Activiteiten in een inloopvoorziening op wijkniveau</al></li><li nr="-"><al>Jeugd- en jongerencentra, jeugdwerk, consultatiebureau</al></li><li nr="-"><al>Ambulante jeugdhulp, opvoedondersteuning</al></li><li nr="-"><al>Sociale alarmering</al></li><li nr="-"><al>Onafhankelijke cliëntondersteuning</al></li><li nr="-"><al>Maatschappelijk werk</al></li><li nr="-"><al>Verhuisdiensten</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Openbaar vervoer, Buurtbus</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Boodschappenservice</al></li><li nr="-"><al>Maaltijdservice</al></li><li nr="-"><al>Kinderopvang, gastouder voor- vroeg- en buitenschoolse
                                        voorzieningen</al></li><li nr="-"><al>Glazenwasser</al></li><li nr="-"><al>Tuinonderhoud</al></li><li nr="-"><al>Honden uitlaatservice</al></li><li nr="-"><al>Sportaanbod </al></li></lijst><al/><al>Algemene voorzieningen die in de toekomst gerealiseerd kunnen worden
                                zijn bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Scootmobielpool</al></li><li nr="-"><al>Rolstoelpool</al></li><li nr="-"><al>Regiovervoer</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                    niet vermijdbaar was of de voorziening was voorzienbaar, maar
                                    van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden
                                    maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had
                                    gemaakt. (Verordening art 8 lid 3 a en b)</titel></kop><al>Uitgangspunt in de Wmo is de eigen verantwoordelijkheid van burgers
                                voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het
                                maatschappelijk leven. Van burgers mag verwacht worden dat zij
                                rekening houden met de gevolgen van keuzes die in het dagelijkse
                                leven door hen gemaakt worden, waardoor ondersteuning vanuit de Wmo
                                vermijdbaar is of was. </al><al/><al>Van burgers mag verwacht worden dat zij in de verschillende
                                levensfases hun woonsituatie aanpassen aan de vereisten in een
                                bepaalde levensfase. Verwacht mag worden dat de woonkeuzes
                                aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden. </al><al>Ook mag van burgers verwacht worden dat zij bij het zoeken naar een
                                andere woning uitkijken naar een woning die niet alleen op dat
                                moment geschikt is maar ook op langere termijn. </al><al>Het gezegde: “de ouderdom komt met gebreken” is bekend. Van burgers
                                mag verwacht worden dat zij met die verwachting rekening houden en
                                zelf tijdig verhuizen naar een woning die geschikt is voor die
                                levensfase. Dat zij niet wachten tot de beperkingen zodanig zijn dat
                                er direct verhuisd moet worden. Ook financieel moeten zij rekening
                                houden met een aankomende verhuizing. Bij een verhuizing die te
                                voorzien is op basis van wijziging van de leefsituatie, zoals bij
                                ouderdom, gaat het om een algemeen gebruikelijk verhuizing die voor
                                eigen rekening is.</al><al/><al>De eigen verantwoordelijkheid is ook van belang bij eigen
                                woningaanpassingen en de aanschaf van goederen in de reguliere
                                handel, waarvan op grond van de beperkingen van de persoon, nu en in
                                de toekomst te verwachten is, dat deze aanpassingen en goederen niet
                                geschikt zijn voor zelfredzaamheid en participatie. </al><al/><al>Het is de taak van de gemeente om burgers tijdig en voortdurend te
                                informeren over deze eigen kracht</al><al>Als je mensen van te voren al wijst op die eigen
                                verantwoordelijkheid en aanzet tot reserveren, is het mogelijk een
                                verzoek tot vergoeding af te wijzen. De klantmanagers Wmo,
                                    <vet>Karaat, Vivenz</vet> en de sociale wijkteams vervullen
                                hierin een actieve rol.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging
                                    van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt
                                    deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening
                                        <onderstreept>technisch</onderstreept> is afgeschreven.
                                    (Verordening artikel 8 lid 4)</titel></kop><al>Voorheen werd een voorziening toegekend voor een bepaalde tijd. Dan
                                kon het zo zijn dat de voorziening nog adequaat en technisch nog in
                                goede staat was en toch op verzoek van de cliënt vervangen werd.
                                Leidend is nu, dat de technische staat bepalend is of er een
                                noodzaak is tot vervanging van de voorziening of dat onderhoud en
                                reparatie volstaat. Hiermee wordt verspilling van nog goed
                                functionerende hulpmiddelen en woningaanpassingen voorkomen.
                                </al><al/><al>Natuurlijk kunnen er behalve de technische staat van het hulpmiddel
                                of de woningaanpassing ook andere redenen zijn waarbij toch
                                vervanging noodzakelijk en mogelijk is.</al><al>Dit kan het geval zijn als de eerder verstrekte voorziening niet
                                langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                zelfredzaamheid en participatie. Dit zal vooral aan de orde zijn als
                                de beperkingen van de cliënt toenemen en hij niet meer of
                                onvoldoende gebruik kan maken van de verstrekte voorziening. </al><al/><al>Dit kan ook het geval zijn als de eerder verstrekte voorziening
                                verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                cliënt zijn toe te rekenen. Bijvoorbeeld oorzaken van buitenaf zoals
                                een verkeersongeluk of woningbrand. Het belangrijkste hierbij is dat
                                de cliënt geen schuld heeft aan het feit dat de voorziening niet
                                meer adequaat of bruikbaar is. </al><al/><al>Als er wel sprake is van verwijtbaar gedrag of omstandigheden die
                                aan de cliënt zijn toe te rekenen, kan de maatwerkvoorziening
                                slechts verstrekt worden als de cliënt geheel of gedeeltelijk
                                tegemoet komt in de veroorzaakte kosten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>De kosten zijn niet gemaakt voorafgaand aan het besluit van
                                    de gemeente (Verordening artikel 11 lid 1)</titel></kop><al>Het is een persoon met beperkingen niet toegestaan om de gemeente
                                voor een voldongen feit te stellen waarbij de gemeente geen invloed
                                meer kan uitoefenen op de te verstrekken maatwerkvoorziening. Wie
                                een voorziening aanschaft of een woningaanpassing doet en daarna een
                                ondersteuningsvraag indient, loopt het risico op een afwijzing. Uit
                                de rechtspraak blijkt dat deze regel niet zonder meer toegepast mag
                                worden. Deze regel is bedoeld om controle achteraf mogelijk te
                                maken. Bij een woningaanpassing kan na een verbouwing bijvoorbeeld
                                niet meer vastgesteld worden of er een goedkoper alternatief
                                bestond. Als achteraf toch nog geconstateerd kan worden wat de
                                goedkoopst adequate oplossing was, kan geen afwijzing plaatsvinden.
                                Uiteraard wordt dan wel de goedkoopst adequate voorziening
                                verstrekt, ook al is de aangeschafte voorziening (aanzienlijk)
                                duurder. Dat is de consequentie voor de persoon met beperkingen die
                                voor het besluit zelf iets heeft aangeschaft of aangepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Het is de goedkoopst adequate voorziening (Verordening
                                    artikel 8 lid 5.)</titel></kop><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopst adequate voorziening. Onder een voorziening verstaan
                                we een verantwoorde voorziening. De begrippen ‘goedkoopst’ en
                                ‘adequaat’ moeten in onderlinge samenhang worden gezien. Adequaat
                                betekent dat de maatwerkvoorziening een reële oplossing biedt voor
                                het ervaren probleem in zelfredzaamheid en participatie. De
                                voorziening of combinatie van voorzieningen neemt de beperking weg
                                of als dat niet mogelijk is, vermindert de beperking zoveel
                                mogelijk. Wanneer er meerdere maatwerkvoorzieningen als adequate
                                oplossing mogelijk zijn, kan de gemeente vervolgens de goedkoopste
                                oplossing kiezen. </al><al>Voorzieningen, aanpassingen aan voorzieningen en accessoires die
                                kostenverhogend werken zonder dat ze noodzakelijk zijn, komen niet
                                voor vergoeding in aanmerking. Het kwaliteitsniveau moet aansluiten
                                bij een verantwoord niveau, zoals vastgelegd in de erkende vakhandel
                                of beroepsgroep. Meer dan dat hoeft niet.</al><al/><al><onderstreept>Verantwoorde voorziening</onderstreept></al><al>Verantwoorde voorzieningen zijn diensten, hulpmiddelen,
                                woningaanpassingen en andere maatregelen die doeltreffend, doelmatig
                                en cliëntgericht worden verleend. Hiervan is sprake als:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorziening de beperking(en) opheft of, als dat
                                        onmogelijk is, de beperking(en) vermindert en de
                                        mogelijkheid biedt tot zelfredzaamheid en deelname aan het
                                        maatschappelijk verkeer;</al></li><li nr="-"><al>de voorziening toegesneden is op de beperkingen van de
                                        cliënt en diens individuele omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>de toegekende voorziening de mogelijkheid biedt om in
                                        aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van
                                        alledag;</al></li><li nr="-"><al>de voorziening gericht is op een aanzienlijke versterking
                                        van de zelfstandigheid en zelfregie van de cliënt;</al></li><li nr="-"><al>de voorziening gericht is op de situatie dat de cliënt zo
                                        lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven
                                        wonen;</al></li><li nr="-"><al>de voorziening voorziet in de behoefte van de cliënt aan
                                        beschermd wonen of opvang en stelt hem/haar in staat om zich
                                        zo snel mogelijk op eigen kracht te handhaven;</al></li><li nr="-"><al>de voorziening er op gericht is dat de cliënt de
                                        verschillende sociale rollen zoveel mogelijk kan vervullen,
                                        zoals bijvoorbeeld de rol van partner en ouder. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Goedkoopst</onderstreept></al><al>De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt
                                van de gemeente: het gaat om een voorziening die voor de gemeente
                                het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met
                                zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en
                                consequenties betreffen. Een goed voorbeeld hiervan is het
                                Collectief Vraagafhankelijk vervoer, dat zowel in de Wet voorziening
                                gehandicapten (Wvg) als in de Wmo 2007 toepasbaar was. Deze regeling
                                is ook in de jurisprudentie van de afgelopen jaren in stand
                                gebleven. Collectief vervoer kan goedkoper zijn vanwege de
                                mogelijkheden die dit systeem heeft om combinatieritten te maken,
                                die de kilometerprijs naar beneden brengen. Het is dus in het belang
                                van het systeem zoveel mogelijk gebruikers te hebben. Als teveel
                                personen met een beperking andere maatwerkvoorzieningen krijgen voor
                                het oplossen van hun vervoersprobleem kan de basis onder het
                                collectief vervoer in gevaar gebracht worden. Dat mag meetellen. </al><al>In het geval van collectief vervoer gaat het om een
                                maatwerkvoorziening die collectief wordt uitgevoerd. </al><al/><al>Bij toepassing van goedkoopst wordt rekening gehouden met de
                                persoonlijke wensen van de cliënt met beperkingen. Als twee adequate
                                voorzieningen even duur zijn, mag de cliënt kiezen;</al><lijst><li nr="-"><al>als hij/zij de voorkeur geeft aan een duurdere uitvoering
                                        van de goedkoopst adequate voorziening dan kan de cliënt
                                        hiervoor kiezen, mits hij/zij het prijsverschil zelf vooraf
                                        bijbetaalt. Dit geldt bij alle hulpmiddelen en
                                        woningaanpassingen. De risico’s die hieraan verbonden zijn,
                                        zijn voor de cliënt.</al></li><li nr="-"><al>voor de hulpmiddelen heeft de klant keuze uit het aanbod van
                                        de door de gemeente aangewezen leverancier(s). </al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Procedure toegang tot maatschappelijk ondersteuning </titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Klantgerichte procedure</onderstreept></al><al>Iedere ondersteuningsvraag wordt klantgericht behandeld. Bij
                                klantgerichtheid zijn een aantal zaken van belang:</al><lijst><li nr="-"><al>allereerst een respectvolle bejegening van de persoon met
                                        beperkingen, diens vertegenwoordiger en mantelzorger(s).
                                    </al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van informatie in heldere taal die de cliënt
                                        begrijpt is essentieel. </al></li><li nr="-"><al>de 1 loket gedachte; ongeacht de plaats waar de
                                        ondersteuningsvraag telefonisch bij de gemeente binnenkomt,
                                        wordt het meldingsformulier naar de cliënt opgestuurd.</al></li><li nr="-"><al>Bij melding bij het sociale wijkteam wordt de
                                        ondersteuningsvraag integraal benaderd en kan ondersteuning
                                        geboden worden in het proces voor die cliënten die daar niet
                                        zelfredzaam in zijn. </al></li><li nr="-"><al>een efficiënte en effectieve afhandeling van de
                                        ondersteuningsvraag: zoveel mogelijk gebruik maken van al
                                        bestaande gegevens en dossiers. Door een goede samenwerking
                                        voorkomen dat de cliënt op meerdere plaatsen bij meerdere
                                        personen hetzelfde verhaal moet vertellen. Onnodige
                                        vertraging in de afhandeling voorkomen. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Tijdpad procedure</onderstreept></al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Ontvangst melding Wmo</al></entry><entry><al>Bevestiging binnen 2 werkdagen </al></entry></row><row><entry><al>Gesprek en onderzoeksfase</al></entry><entry><al>6 weken</al></entry></row><row><entry><al>Ontvangst Aanvraag maatwerkvoorziening</al></entry><entry><al>Tijdens huisbezoek/ binnen 1 week</al></entry></row><row><entry><al>Besluiten op de aanvraag</al></entry><entry><al>2 weken</al></entry></row><row><entry><al>Verlengen afhandeltermijn bij extern advies</al></entry><entry><al>4 weken</al></entry></row><row><entry><al>Extra verlenging bij complexe voorzieningen</al></entry><entry><al>In overleg met cliënt </al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Melding hulpvraag en persoonlijk plan </titel></kop><al>Een cliënt of diens vertegenwoordiger kan een ondersteuningsvraag
                                stellen (Verordening artikel 2 lid 1) middels het meldingsformulier
                                Wmo. Het meldingsformulier is door de cliënt of diens wettelijk
                                vertegenwoordiger ondertekend. Bij het meldingsformulier verstrekt
                                de cliënt een kopie van een identificatiedocument als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht(Wmo artikel 2.3.4 en
                                de Verordening artikel 4 lid 2).</al><al>De ontvangen melding wordt gecontroleerd op volledigheid en
                                ingeboekt door het team administratieve ondersteuning (AO) van team
                                Verstrekkingen. Het team AO vult het intake dossier, controleert de
                                GBA gegevens en verstuurt binnen twee werkdagen een
                                ontvangstbevestiging. De administratief medewerker verdeelt de
                                meldingen op postcode. Daarna wordt de ondersteuningsvraag
                                doorgestuurd naar de Verdeler van het team verstrekkingen. De
                                Verdeler wijst de ondersteuningsvraag toe aan een Wmo klantmanager.
                                Op het meldingsformulier is ruimte om een persoonlijk plan te
                                beschrijven en de cliënt heeft gedurende zeven dagen na de melding
                                de gelegenheid het plan aan te vullen en te overhandigen.</al><al/><al><onderstreept>Hersteltermijn</onderstreept></al><al>Als zich tijdens de behandeling van het verzoek om ondersteuning op
                                enig moment een dermate relevante vraag voordoet, waarover (nog)
                                niet kan worden beslist, dan kan deze met toepassing van artikel 4:5
                                van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gesteld.
                                Onder één voorwaarde, namelijk dat de klant in de gelegenheid is
                                gesteld ‘binnen een redelijke termijn’ het verzuim aan te vullen.
                                Een redelijke termijn is niet gedefinieerd en kan dat ook niet
                                worden, omdat het sterk afhankelijk is van de casus. Een redelijke
                                termijn voor het overleggen van een paspoort kan zijn één tot enkele
                                dagen, maar wanneer bijvoorbeeld een veel moeilijker te achterhalen
                                stuk informatie wordt vereist, dan moet de termijn aanzienlijk
                                langer zijn. Zo kan op individuele maat bekeken worden hoe lang de
                                onderzoeksprocedure wordt opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Melding via het sociale wijkteam </titel></kop><al>Een cliënt kan een ondersteuningsvraag stellen bij het sociale
                                wijkteam. De leden van dit multidisciplinaire team verhelderen samen
                                met de cliënt de ondersteuningsvraag. De leden van het sociale
                                wijkteam kunnen cliënten zo nodig rechtstreeks doorverwijzen naar de
                                algemene en voorliggende voorzieningen. De leden van het sociale
                                wijkteam leggen de gespreksgegevens vast in een verslag. Indien
                                noodzakelijk of gewenst verstrekken zij de cliënt een
                                aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening en helpen zij, voor
                                zover noodzakelijk, met het invullen daarvan.</al><al>De leden van het sociale wijkteam gaan proactief in de wijk naar
                                personen/ gezinnen waarover zij signalen ontvangen en waarvan
                                vermoed wordt dat zij ondersteuning behoeven. De leden van het
                                sociale wijkteam houden het overzicht voor die personen die moeite
                                hebben met procedures, wettelijke- en maatschappelijke
                                ontwikkelingen. De cliënt heeft binnen het sociale wijkteam één
                                persoon als aanspreekpunt. Uitgangspunt is: één gezin, één plan en
                                één regisseur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Melding ten behoeve van Beschermd wonen en Opvang</titel></kop><al>De melding kan door de cliënt zelf bij de Wmo worden gedaan, maar
                                ook door erkende verwijzers, zijnde de huisarts, aanbieders van
                                gespecialiseerde GGZ, beroepsbeoefenaren basis en gespecialiseerde
                                GGZ en Maatschappelijke Opvang instellingen. Deze erkende verwijzers
                                kunnen de melding ook rechtstreek bij de Centrumgemeente Rotterdam
                                doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Spoedeisende gevallen</titel></kop><al>In spoedeisende gevallen verstrekt de gemeente na de melding
                                onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening vooruitlopend op de
                                uitkomst van het onderzoek door de Wmo klantmanager en de aanvraag
                                van de cliënt. Hieronder is ook begrepen de gevallen waarin terstond
                                opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de
                                veiligheid als gevolg van huiselijk geweld,</al><al>Voor diensten niet behorend bij maatschappelijke opvang en
                                vrouwenopvang is dit slechts toegestaan indien de situatie van de
                                cliënt voldoet aan de criteria die hiervoor zijn vastgelegd. Voor de
                                Hulp bij het huishouden toetst het onafhankelijke platform
                                BAR-dichtbij de criteria in de betreffende situatie. Voor
                                spoedeisende hulp bij het huishouden zal de verwijzing meestal door
                                de huisarts gedaan worden. Voor Begeleiding en Verblijf kortdurend
                                is de huisarts of specialist de verwijzer en toetst de zorgaanbieder
                                de criteria die hiervoor zijn opgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.4</nr><titel>Termijn</titel></kop><al>Na ontvangst van de melding Wmo vindt uiterlijk binnen zes weken een
                                onderzoek plaats naar de problemen in zelfredzaamheid, participatie
                                of het zich handhaven in de samenleving plaats. Op grond van de Wmo
                                artikel 2.3.2 lid 1. Binnen twee werkdagen wordt de
                                ontvangstbevestiging van het meldingsformulier Wmo naar de cliënt
                                gezonden.</al><al>Als deze termijn niet gehaald wordt moet de gemeente actie
                                ondernemen via een vertragingsbericht, waarbij we gemotiveerd
                                aangeven waarom de termijn niet gehaald wordt. Zes weken na
                                ontvangst van het meldingsformulier heeft de cliënt het recht om
                                direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te doen (Wmo
                                artikel 2.3.2 lid 9).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Gratis cliëntondersteuning</titel></kop><al>In de brief waarin de ontvangst van het meldingsformulier wordt
                                bevestigd staat vermeld dat de cliënt gratis cliëntondersteuning kan
                                vragen en bij wie. De klantmanager Wmo stuurt de cliënt of diens
                                vertegenwoordiger in een later stadium van de procedure een bericht
                                om een afspraak te maken voor een huisbezoek. Ook in dit
                                afspraakbericht wordt de cliënt gewezen op de mogelijkheid om gratis
                                gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Gesprek</titel></kop><al>De Wmo klantmanager gaat als uitgangspunt tijdens een huisbezoek in
                                gesprek met de cliënt, diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met
                                de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, aan de
                                cliënt geboden cliëntondersteuner en deskundigen. De
                                Wmo-klantmanager stelt vast of de gevraagde maatwerkvoorziening
                                nodig is en wat de goedkoopst adequate voorziening is. In dit
                                artikel beschrijven we wat de Wmo-klantmanager met de cliënt en
                                betrokkenen bespreekt. </al><al>In dit gesprek moet duidelijk worden </al><lijst><li nr="1."><al>wat de ondersteuningsvraag inhoudt en het gewenste resultaat
                                        van het verzoek om ondersteuning;</al></li><li nr="2."><al>onderzoeken en beoordelen op welke wijze de ervaren
                                        problemen opgelost kunnen worden; </al></li><li nr="3."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                        hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                        verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd
                                        wonen of opvang; </al></li><li nr="4."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                        personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering
                                        van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                                        voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of
                                        opvang;</al></li><li nr="5."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                        mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="6."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="7."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                        voorziening of door het verrichten van maatschappelijk
                                        nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om
                                        met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien
                                        in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="8."><al>de mogelijkheden om door middel van samenwerking met
                                        zorgverzekeraars en zorgaanbieders en partijen op het gebied
                                        van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
                                        wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk
                                        afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan
                                        verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of
                                        aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="9."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="10."><al> welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal
                                        zijn;</al></li><li nr="11."><al> de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt
                                        ingelicht over de gevolgen van die keuze. </al></li><li nr="12."><al>als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel
                                        3.1 heeft overhandigd, wordt dit plan bij het onderzoek in
                                        het kader van lid 9 betrokken.</al></li><li nr="13."><al>De Wmo klantmanager informeert de cliënt over de gang van
                                        zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten, het sturen
                                        van het onderzoeksverslag, de mogelijkheid om hierop
                                        schriftelijke aanvullingen te doen en de
                                        vervolgprocedure.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Onderzoeksverslag</titel></kop><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek stuurt de Wmo klantmanager de
                                cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Een
                                maatwerkvoorziening verstrekken we uitsluitend wanneer is
                                vastgesteld dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor de
                                zelfredzaamheid en participatie van de cliënt of ter compensatie van
                                de problemen bij het zich handhaven in de samenleving. </al><al/><al>In het onderzoeksverslag worden de onderstaande gegevens
                                vastgelegd.</al><lijst><li nr="1."><al>Naam, adres, telefoonnummer, geboortedatum van de persoon
                                        met beperkingen.</al></li><li nr="2."><al>Overige gegevens: datum ondersteuningsvraag,
                                        registratienummer, datum advies.</al></li><li nr="3."><al>Vraagstelling van de persoon met beperkingen: wat is het
                                        probleem en welke oplossingen wil de persoon met
                                        beperkingen?</al></li><li nr="4."><al>Omschrijving van het functioneren en omstandigheden volgens
                                        het ICF. </al></li><li nr="5."><al>Toekomstverwachting: wat is de prognose van het functioneren
                                        van de cliënt? Is dit geobjectiveerd en onderbouwd?</al></li><li nr="6."><al>Probleemanalyse van:</al><lijst><li nr="-"><al>persoonlijke aspecten</al></li><li nr="-"><al>sociale aspecten</al></li><li nr="-"><al>omgevingsfactoren</al></li><li nr="-"><al>financiële aspecten: Als meerdere oplossingen
                                                mogelijk zijn, zal de gemeente een
                                                kosten/batenanalyse maken. </al></li><li nr="-"><al>technische aspecten en belemmeringen, zoals
                                                bouwvoorschriften, materiaalkeuze, normen voor
                                                belichting verwarming, bediening van voorzieningen.
                                            </al></li><li nr="-"><al>Woonsituatie: bereikbaarheid en bruikbaarheid;
                                                soort/ligging van de woning, huur/eigenaar-bewoner,
                                                bestemmingsplan, continuïteit van het object.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Welke eigen oplossingen zijn mogelijk samen met
                                        gebruikelijke hulp en het sociale netwerk; welke algemeen
                                        gebruikelijke, voorliggende en algemene voorzieningen bieden
                                        een adequate oplossing voor de ervaren problemen;</al></li><li nr="8."><al>Wel of geen noodzaak tot het indienen van een Wmo aanvraag
                                        voor een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="9."><al>Gemaakte afspraken</al></li><li nr="10."><al>Door wie en hoe is het onderzoek gedaan?</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Toelichting ICF</onderstreept></al><al>De ICF bestaat uit de volgende componenten: </al><al>1. Functies zijn eigenschappen van het menselijk organisme
                                onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="-"><al>mentale functies, </al></li><li nr="-"><al>zintuiglijke functies</al></li><li nr="-"><al>fysieke functies </al></li></lijst><al>Bij een stoornis is er sprake van afwijkingen of verlies van
                                functies. De cliënt heeft ergens er last van. Als een of meerdere
                                functies gestoord zijn kan dit leiden tot beperkingen en
                                participatieproblemen. </al><al>Bijvoorbeeld: ik heb last van kortademigheid en daardoor kan ik niet
                                ver meer lopen. De bushalte is te ver weg en nu kan ik niet meer
                                naar mijn zus op bezoek gaan.</al><al>Bijvoorbeeld: het is zo druk in mijn hoofd en daardoor kan ik me
                                niet goed concentreren. Als ik iets moeilijks moet doen lukt dat
                                niet en dan word ik gauw boos. Hierdoor heb ik veel ruzie, ook met
                                mijn buren </al><al>2. Anatomische eigenschappen: aanwezigheid en eigenschappen van
                                onderdelen van het menselijk lichaam, zoals </al><lijst><li nr="-"><al>zenuwstelsel, </al></li><li nr="-"><al>hart-vaatstelsel .</al></li><li nr="-"><al>ademhalingsstelsel</al></li><li nr="-"><al>etc.</al></li></lijst><al>Bij deze categorie gaat het om de diagnose of handicap die door een
                                arts wordt vastgesteld. De klantmanager mag deze eigenschappen niet
                                beoordelen. </al><al/><al>3. Activiteiten en participatie: </al><al>Activiteiten zijn onderdelen van iemands handelen, zoals koken,
                                traplopen, fietsen, betalen in de winkel. </al><al>Participatie is iemands deelname aan de maatschappij</al><lijst><li nr="-"><al>leren en toepassen van kennis</al></li><li nr="-"><al>algemene taken en eisen</al></li><li nr="-"><al>communicatie</al></li><li nr="-"><al>mobiliteit</al></li><li nr="-"><al>zelfverzorging</al></li><li nr="-"><al>huishouden</al></li><li nr="-"><al>tussenmenselijke interacties en relaties</al></li><li nr="-"><al>belangrijke levensgebieden</al></li><li nr="-"><al>maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven</al></li></lijst><al>Beperkingen zijn gevolgen van de functiestoornis. Bij beperkingen in
                                activiteiten gaat het om de moeilijkheden die iemand heeft met het
                                uitvoeren van de activiteit. Wat betekent dit voor de
                                zelfredzaamheid en participatie van de cliënt? </al><al>Bij participatieproblemen gaat het om de moeilijkheden die iemand
                                heeft met het deelnemen aan het maatschappelijk leven. Wat betekent
                                dit voor het wonen in de eigen leefomgeving? Wat betekent dit voor
                                het vermogen zich te handhaven in de samenleving?</al><al/><al>4. Factoren </al><al>Externe factoren zijn factoren in iemands fysieke en sociale
                                omgeving die van invloed zijn op het functioneren. Bijvoorbeeld:
                                welke mantelzorgers zijn betrokken bij de cliënt, het type woning,
                                welke hulpmiddelen zijn al beschikbaar etc.</al><al>Persoonlijke factoren die van invloed zijn op het functioneren.
                                Bijvoorbeeld leeftijd, opleiding, samenwonend of alleenstaand
                                etc.</al><al/><al><onderstreept>Onderzoeksverslag</onderstreept></al><al>Het onderzoeksverslag wordt samen met een begeleidende brief naar de
                                cliënt of diens vertegenwoordiger gestuurd. Naast de uitkomst van
                                het onderzoek, wordt in de brief aangegeven dat de cliënt het
                                verslag voor gezien of akkoord kan tekenen. Het ondertekende
                                onderzoeksverslag wordt aan het dossier toegevoegd. Als de cliënt
                                het onderzoeksverslag niet binnen 15 werkdagen retourneert wordt hij
                                geacht akkoord te zijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Uitkomst onderzoek niet conform wens cliënt</titel></kop><al>Als de Wmo klantmanager op basis van alle verzamelde gegevens tot de
                                conclusie komt dat er geen noodzaak is om een aanvraagprocedure voor
                                een maatwerkvoorziening te starten omdat andere voorliggende
                                oplossingen adequaat zijn, is het van belang dat de cliënt het
                                hiermee eens is. De cliënt ontvangt het onderzoeksverslag met een
                                begeleidend besluit, waarin is opgenomen dat er geen noodzaak is
                                voor een aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening Als de cliënt
                                meent dat deze procedure toch gestart moet worden kan hij tegen dit
                                besluit in bezwaar gaan. Als de cliënt niet akkoord is, kan hij op
                                het onderzoeksverslag aangeven wat hiervoor de reden is en voor
                                welke maatwerkvoorziening hij naar zijn mening in aanmerking zou
                                moeten komen. Het ondertekende onderzoeksverslag wordt aan het
                                dossier toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><al>Op grond van de Wmo artikel 2.3.2 kan een aanvraag voor een
                                maatwerkvoorziening pas ingediend worden nadat het onderzoek is
                                uitgevoerd. Een uitzondering hierop- is dat de gemeente het
                                onderzoek niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft
                                gedaan (Wmo artikel 2.3.2 lid 9). </al><al>Een cliënt, diens gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger kan een
                                aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij de
                                gemeente Ridderkerk. Een aanvraag wordt ingediend door middel van
                                het door het college vastgesteld Aanvraagformulier Wmo.</al><al>Het aanvraagformulier op naam van de cliënt is door de
                                administratief medewerker in het dossier gedaan. Als bij het
                                huisbezoek blijkt dat alle voorliggende oplossingen voor het ervaren
                                probleem niet adequaat zijn, kan de cliënt direct de aanvraag voor
                                de maatwerkvoorziening tekenen. </al><al>Moet de cliënt eerst nog onderwerpen bespreken met zijn sociale
                                omgeving, dan wordt het aanvraagformulier met een retourenveloppe
                                bij de cliënt achtergelaten. De Wmo klantmanager spreekt dan met de
                                cliënt een dag en tijdstip af voor telefonisch contact over de
                                uitkomsten van dat overleg. In situaties waarin het bovenstaande
                                niet volstaat, kan het ondertekende onderzoeksverslag waarin de
                                cliënt de gewenste voorziening vermeldt als aanvraag voor een
                                maatwerkvoorziening aangemerkt worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Aanvraag afhandelen</titel></kop><al>Na het onderzoek verzamelt de Wmo klantmanager zo nodig informatie
                                van professionals om tot de juiste afweging te komen. Het gaat dan
                                om vragen zoals</al><lijst><li nr="-"><al>zijn er objectief gezien nog oplossingen vanuit andere
                                        wetgeving mogelijk, zoals bijvoorbeeld behandeling?</al></li><li nr="-"><al>welke soort voorzieningen zullen de beperkingen in
                                        zelfredzaamheid, participatie en zich handhaven in de
                                        samenleving opheffen of verminderen?</al></li><li nr="-"><al>wat zijn de voor- en nadelen van de verschillende adequate
                                        voorzieningen?</al></li><li nr="-"><al>indien van toepassing wordt een offerte opgevraagd. </al></li><li nr="-"><al>welke voorziening is goedkoopst adequaat?</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Selectie van de
                                maatwerkvoorziening</onderstreept></al><al>De maatwerkvoorziening wordt afgestemd op:</al><lijst><li nr="-"><al>de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,</al></li><li nr="-"><al>zorg en overige diensten zoals verstrekt vanuit de
                                        Zorgverzekeringswet,</al></li><li nr="-"><al>jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt
                                        of kan ontvangen,</al></li><li nr="-"><al>onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen
                                        volgen,</al></li><li nr="-"><al>betaalde werkzaamheden,</al></li><li nr="-"><al>scholing die de cliënt volgt of kan volgen,</al></li><li nr="-"><al>ondersteuning ingevolge de Participatiewet,</al></li><li nr="-"><al>de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de
                                        culturele achtergrond van de cliënt.</al></li></lijst><al/><al>De klantmanager informeert de cliënt over het advies en de selectie
                                van de goedkoopst adequate voorziening en checkt of de cliënt het
                                daar mee eens is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Extern advies</titel></kop><al>Tijdens de afhandeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening
                                kan de Wmo klantmanager besluiten om een (aanvullend) extern
                                deskundigenadvies te vragen. </al><al/><al><onderstreept>Medisch advies</onderstreept></al><al>Als de medische en of psychische omstandigheden van de persoon met
                                beperkingen moeilijk te objectiveren zijn of niet duidelijk is of er
                                behandelmogelijkheden zijn, kan de klantmanager zich wenden tot een
                                medisch adviseur. De gemeente vraagt medisch advies bij Argonaut
                                Advies B.V. De medisch adviseur vraagt zo nodig informatie op bij
                                behandelaars en medisch specialisten, maar kan ook zelf onderzoek
                                doen tijdens een spreekuur. </al><al>De persoon met beperkingen kan ook zelf medische gegevens
                                verstrekken aan de medisch adviseur. </al><al/><al>Naast het belang van een medisch advies om de juiste
                                maatwerkvoorziening te kunnen selecteren is ook van belang of de
                                inzet van een maatwerkvoorziening een anti revaliderend effect kan
                                hebben.</al><al>De klantmanager mag zelf geen medische gegevens die van artsen of
                                GZ-psychologen zijn verkregen interpreteren.</al><al/><al><onderstreept>Informatie van niet medisch behandelaars en
                                    begeleiders</onderstreept></al><al>Als de regieproblematiek van de cliënt zodanig is dat er sprake is
                                van een complexe situatie kan de klantmanager advies en informatie
                                vragen aan terzake deskundigen, bijvoorbeeld de orthopedagoog,
                                psychiatrisch verpleegkundige, verslavingsdeskundige en individueel
                                begeleider(s) van de cliënt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Termijn</titel></kop><al>De afhandeltermijn van een aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening
                                is na het onderzoek beperkt. Dat kan ook omdat in de onderzoeksfase
                                de meeste factoren die van betekenis zijn al zijn onderzocht en
                                gewogen. Op grond van de Wmo artikel 2.3.4 lid 2 moet de gemeente
                                binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier Wmo de
                                beschikking afgeven. </al><al>Als deze termijn niet gehaald wordt moet de gemeente actie
                                ondernemen via een vertragingsbericht, waarbij we gemotiveerd
                                aangeven waarom de termijn niet gehaald wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Beschikking maatwerkvoorziening</titel></kop><al>Op basis van het geformuleerde advies en met inachtneming van de
                                wet- en regelgeving van de Wmo, wordt het uiteindelijke besluit
                                genomen conform het Mandaatbesluit. Op grond van artikel 2.3.5 van
                                de Wmo moet de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de
                                uitkomsten van het onderzoek, een passende bijdrage leveren aan het
                                realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                tot zelfredzaamheid of participatie, zo lang mogelijk in de eigen
                                leefomgeving kan blijven en voorziet in de behoefte van de cliënt
                                aan beschermd wonen of opvang zodat de cliënt zich zo snel mogelijk
                                weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. </al><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt en wordt tevens
                                aangegeven hoe bezwaar tegen deze beschikking kan worden gemaakt. De
                                beschikking wordt namens het college ondertekend door de Wmo
                                klantmanager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10.1</nr><titel/></kop><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening <onderstreept>in
                                    natura</onderstreept> wordt in de beschikking in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te treffen voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing vermelding van de deskundigheid van de
                                        extern adviseur;</al></li><li nr="c."><al>indien van toepassing vermelding van het advies van de
                                        extern adviseur;</al></li><li nr="d."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is inclusief
                                        de technische afschrijvingstermijn voor hulpmiddelen;</al></li><li nr="e."><al>welke gecontracteerde aanbieder van diensten,
                                        woningaanpassingen, hulpmiddelen en andere maatregelen de
                                        voorziening verstrekt, en indien van toepassing;</al></li><li nr="f."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn;</al></li><li nr="g."><al>informatie over een te betalen eigen bijdrage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10.2</nr><titel/></kop><al>Bij het verstrekken van een voorziening als
                                    <onderstreept>persoonsgebonden budget (pgb)</onderstreept> wordt
                                in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke individuele voorziening het pgb kan worden
                                        aangewend en wat het beoogde resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>indien van toepassing vermelding van de deskundigheid van de
                                        extern adviseur;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing vermelding van het advies van de
                                        extern adviseur;</al></li><li nr="e."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend;</al></li><li nr="f."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld;</al></li><li nr="g."><al>hoe de betaling van het verstrekte pgb voor diensten via de
                                        SVB plaatsvindt;</al></li><li nr="h."><al>hoe de betaling van het verstrekte pgb voor eenmalige
                                        verstrekkingen plaatsvindt</al></li><li nr="i."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="j."><al>het overleggen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van
                                        de persoon die de diensten levert</al></li><li nr="k."><al>informatie over een te betalen eigen bijdrage.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Positieve beschikking</onderstreept></al><al>Wanneer het gaat om een positieve beschikking, die overeenkomt met
                                de wens van de cliënt, dan zijn er weinig moeilijkheden. Door in de
                                beschikking aan te geven welke mogelijkheden de cliënt krijgt door
                                de toegekende maatwerkvoorziening(en) is in feite voldaan aan de
                                wettelijke opdracht. Enkele voorbeelden:</al><lijst><li nr="-"><al>Bij toekenning van een woningaanpassing, bijvoorbeeld het
                                        aanbrengen van een douchezit in de natte cel, kan aangegeven
                                        worden dat door deze voorziening, de problemen die de cliënt
                                        voordien had bij het normale gebruik van de natte cel met
                                        deze aanpassing zijn opgelost. </al></li><li nr="-"><al>Bij toekenning van begeleiding kan aangegeven worden dat de
                                        cliënt voordien problemen had bij het structureren van het
                                        dagelijkse leven en regievoering en niet kon deelnemen aan
                                        werk en onderwijs in het maatschappelijk leven. Hij is niet
                                        in staat tot aangepaste arbeid of vrijwilligerswerk in het
                                        kader van de Participatiewet. Met de dagbesteding is de
                                        cliënt weer in staat tot participatie in de
                                        samenleving.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Negatieve beschikking</onderstreept></al><al>Bij een afwijzing moet de klantmanager vooral aandacht hebben voor
                                de formulering waarom het verstrekken van een maatwerkvoorziening
                                niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is, omdat de cliënt zonder de
                                gevraagde maatwerkvoorzieningen ook in staat is tot zelfredzaamheid
                                en/of maatschappelijke participatie. Enkele voorbeelden:</al><lijst><li nr="-"><al>Een cliënt wil graag een pas voor de Regiotaxi. Tijdens het
                                        onderzoek is gebleken dat er gebruikelijke hulp aanwezig,
                                        beschikbaar en adequaat is. De cliënt kan zelf niet
                                        autorijden maar er is wel een auto beschikbaar in het
                                        huishouden; de echtgenoot kan autorijden en is zelfredzaam.
                                        Hij is niet afwezig met een verplichtend karakter,
                                        bijvoorbeeld door een reguliere baan op de arbeidsmarkt. De
                                        cliënt wil graag naar de winkel en naar haar vriendin zonder
                                        dat haar echtgenoot haar hoeft te brengen en vraagt om die
                                        reden een Regiotaxipas. </al></li><li nr="-"><al>Een cliënt wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in de
                                        woning. De klantmanager heeft een medisch advies gevraagd.
                                        Uit dit medisch advies blijkt dat de diagnose fibromyalgie
                                        gesteld is door de huisarts en dat er nog geen behandeling
                                        heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer
                                        toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er
                                        geen behandeling plaats gaat vinden en er dus
                                        afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat. De
                                        medisch adviseur zal de cliënt naar de huisarts verwijzen
                                        met het advies behandelmogelijkheden te benutten. Tijdens
                                        die behandelmogelijkheden zal geen rolstoel worden toegekend
                                        met als motivering: Uit medisch onderzoek is gebleken dat er
                                        nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een
                                        rolstoel ter beschikking zouden stellen, bestaat de
                                        mogelijkheid dat u door het gebruik van de rolstoel
                                        behandelmogelijkheden in de weg staat. Het doel van de Wmo
                                        is niet om een persoon met beperkingen afhankelijk te maken
                                        van voorzieningen, maar te ondersteunen als duidelijk is dat
                                        er geen verbetering mogelijk is. Daarom kennen wij u op dit
                                        moment geen rolstoel toe. Mocht uit uw behandeling in
                                        overleg met uw behandelaars blijken dat er sprake is van een
                                        eindsituatie waarin geen verbetering in de zelfredzaamheid
                                        en participatie is te verwachten, dan kunt u opnieuw een
                                        ondersteuningsvraag melden bij de gemeente. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Ondersteuningsplan en arrangement </titel></kop><al>Het plan behandelt meerdere leefgebieden: activiteiten in huis,
                                activiteiten in de samenleving, dagbesteding, zorgen voor een kind,
                                gedrag en veiligheid, belangenbehartiging en geldzaken. Het plan is
                                de drager van het proces en is de samenvatting van het onderzoek
                                (wat is er aan de hand, welke zorgen zijn er), beschrijft doelen, de
                                in te zetten ondersteuning en zorg (wat gaan we doen, wie doet wat
                                en wanneer) en de te behalen resultaten. Het plan is richtinggevend
                                voor ondersteunende en uitvoerende werkers en bindend voor alle
                                betrokkenen. Het is consistent, de doelen van het plan en de doelen
                                in het plan houden verband met elkaar waardoor er samenhang kan zijn
                                en ondersteunt dat het huishouden zoveel mogelijk regie heeft.</al><al/><al>Wij willen een verbinding tussen 0de en 1ste lijns ondersteuning
                                (verbinding tussen informeel en formeel) bereiken, waardoor én beter
                                maatwerk geleverd kan worden én het beroep op maatwerkvoorzieningen
                                kan worden verminderd of worden uitgesteld. Met een infrastructuur
                                die vraag en aanbod bij elkaar brengt kunnen gezamenlijke
                                arrangementen worden samengesteld die ondersteuning in brede zin
                                mogelijk maakt. Het synergie effect zit in de gemeenschappelijke
                                infrastructuur die ook op wijkniveau kansen biedt om:</al><lijst><li nr="-"><al>diensten voor burgers gemakkelijk toegankelijk te maken (
                                        zowel fysiek als via ICT en internet); </al></li><li nr="-"><al>de regie en zelfredzaamheid van burgers te versterken; </al></li><li nr="-"><al>ervoor te zorgen dat er samenhang komt in het aanbod; </al></li><li nr="-"><al>de kosten van het steunsystemen en infrastructuur laag te
                                        houden; </al></li><li nr="-"><al>de vergrijzing beter te kunnen opvangen. </al></li></lijst><al/><al>Onafhankelijk platform BAR-dichtbij en lokale welzijnsaanbieders
                                worden hier bij betrokken. Door de inzet van een intermediair worden
                                vraag en aanbod onafhankelijk van (zorg) aanbieder bij elkaar
                                gebracht. Hierdoor heeft de cliënt maximale keuzevrijheid uit
                                allerhande algemene en voorliggende voorzieningen. </al><al>Daarnaast heeft de gemeente voor de maatwerkvoorzieningen contracten
                                gesloten met zorgaanbieders, aannemers en leveranciers voor het
                                leveren van maatwerk. Alle diensten, woningaanpassingen en
                                hulpmiddelen moeten aan kwaliteitseisen voldoen. Ook hierin heeft de
                                cliënt keuzevrijheid.</al><al>Wanneer de cliënt expliciet kiest voor een persoonsgebonden budget
                                (pgb) kan hij/zij ook gebruik maken van de dienstverlening via de
                                intermediair.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12</nr><titel>Verstrekking</titel></kop><al>Bij een positieve beslissing wordt de geselecteerde
                                maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan op twee manieren namelijk in
                                natura en in pgb. Per voorziening kan niet voor twee verschillende
                                vormen worden gekozen. Zo moet de cliënt voor bijvoorbeeld
                                begeleiding kiezen tussen óf hulp in natura óf een persoonsgebonden
                                budget. Bij twee verschillende maatwerkvoorzieningen kan de cliënt
                                wel de één in natura en de ander met een persoonsgebonden budget
                                krijgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12.1</nr><titel>Verstrekking in natura</titel></kop><al>Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm van diensten
                                wordt verstrekt, moet de gemeente zorgen dat er keuzemogelijkheden
                                zijn tussen aanbieders waarbij rekening wordt gehouden met de
                                godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele
                                achtergrond van cliënten, in het bijzonder voor kleine doelgroepen.
                                Dat betekent dat de klantmanager doelgericht moet navragen wat voor
                                de cliënt van belang is als er diensten door aanbieders worden
                                geboden. De klantmanager meldt de cliënt aan bij de aanbieder van
                                diens keuze en vermeldt daarbij, naast de NAW gegevens, voor welke
                                maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking komt, op welke
                                grondslag, de omvang van de verstrekking en de geldigheid daarvan. </al><al/><al>Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een
                                collectieve Regiotaxipas wordt verstrekt heeft de gemeente
                                Ridderkerk een contract gesloten met een taxivervoerbedrijf. De
                                klantmanager meldt de cliënt aan bij dit taxivervoerbedrijf en
                                vermeldt daarbij, naast de NAW gegevens, voor welk vervoer de cliënt
                                in aanmerking komt, of er begeleiding noodzakelijk is tijdens de rit
                                en er nog andere aandachtspunten afgestemd op de persoonskenmerken
                                van de cliënt zijn. </al><al/><al>Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een
                                hulpmiddel wordt verstrekt heeft de gemeente Ridderkerk een contract
                                gesloten met een hulpmiddelenleverancier. De klantmanager meldt de
                                cliënt aan bij de leverancier en vermeldt daarbij, naast de NAW
                                gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de cliënt in aanmerking
                                komt en welk programma van eisen noodzakelijk is. </al><al/><al>Voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening in de vorm een
                                woningaanpassing wordt verstrekt heeft de gemeente Ridderkerk een
                                contract gesloten met een aannemer en een trapliftenleverancier. De
                                klantmanager meldt de cliënt aan bij de leverancier vermeldt
                                daarbij, naast de NAW gegevens, voor welke maatwerkvoorziening de
                                cliënt in aanmerking komt en welk programma van eisen noodzakelijk
                                is. Indien van toepassing wordt gerefereerd aan een uitgebrachte
                                offerte. </al><al/><al>Onderhoud en reparaties aan alle Wmo voorzieningen die in natura
                                zijn verstrekt worden verzorgd door de leverancier. Bij opzettelijke
                                schade of vernietiging kan de schade worden verhaald op de
                                gebruiker. Voorzieningen die door de gemeente in bruikleen worden
                                verstrekt, blijven eigendom van de leverancier. De kosten van de
                                verzekering zijn verdisconteerd in de bruikleenkosten. </al><al/><al>De vergoeding aan de aanbieder en/of leverancier wordt uitbetaald
                                mits aan alle voorwaarden is voldaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.12.2</nr><titel>Verstrekking in een persoonsgebonden budget (pgb)</titel></kop><al>De wettelijke eisen om aan een pgb te voldoen zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>de budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet
                                        motiveren waarom hij de voorziening in de vorm van een pgb
                                        wil krijgen.</al></li><li nr="b."><al>budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet een
                                        ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het volgende
                                        blijkt:</al><lijst><li nr="-"><al>inzicht in de problematiek van de
                                                ondersteuningsvrager; </al></li><li nr="-"><al>de duur en wijze van de ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>het resultaat van het te behalen doel van de
                                                ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de
                                                ondersteuning. </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet
                                        in staat zijn om de voorziening zelf te organiseren.</al></li><li nr="d."><al>er worden voorwaarden gesteld aan de kwaliteit die mensen
                                        inkopen met een pgb. De budgethouder moet aantonen dat het
                                        budget besteed wordt aan een maatwerkvoorziening die veilig,
                                        doeltreffend en cliëntgericht is.</al></li><li nr="e."><al>als de ondersteuning wordt geboden door een niet
                                        professioneel persoon uit de sociale omgeving, dient bij het
                                        te overleggen ondersteuningsplan een Verklaring omtrent
                                        gedrag (Vog) die niet ouder is dan drie maanden van deze
                                        persoon gevoegd te zijn.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Maatwerkdiensten</onderstreept></al><al>Als de voorziening in pgb wordt verstrekt geldt het zogenaamde
                                trekkingsrecht. De gemeente maakt het geld niet over aan de
                                budgethouder, maar aan de Sociale Verzekerings Bank (SVB)</al><al>Zorgovereenkomsten vormen de basis van het beheren van een pgb.
                                Zonder zorgovereenkomst is het niet mogelijk om dienstverleners te
                                laten betalen uit een pgb. De SVB vraagt de zorgovereenkomst(en) op
                                bij de budgethouder en controleert deze op arbeidsrechtelijke
                                aspecten. De gemeente controleert deze contracten zorginhoudelijk.
                                Nadat de zorgovereenkomst is goedgekeurd (door de SVB en de
                                gemeente), kan de SVB betalingen doen aan de dienstverlener.</al><al/><al>Budgethouders moeten de SVB opdracht geven voor betalingen aan hun
                                dienstverleners of instelling. Na verschillende controles betaalt de
                                SVB de facturen van de dienstverlener of instelling. Betaling
                                contant, per week of vierwekelijks is niet meer mogelijk.
                                Dienstverleners worden (vooralsnog) maandelijks uitbetaald, op basis
                                van urenbriefjes of facturen. </al><al>De SVB stuurt gegevens over loonbetalingen door aan de
                                Belastingdienst. Dat betekent dat de Belastingdienst op de hoogte is
                                van de betalingen aan de dienstverlener.</al><al/><al>Zowel de budgethouder als de gemeente krijgt inzicht in de besteding
                                van het pgb en ontvangen overzichten, waarin duidelijk wordt hoeveel
                                van het pgb waaraan is besteed en wat er nog over is. Niet bestede
                                bedragen worden teruggestort aan de gemeente.</al><al/><al><onderstreept>Woningaanpassingen en hulpmiddelen</onderstreept></al><al>De SVB heeft de gemeente gemandateerd om de betaling en budgetbeheer
                                uit te voeren voor die maatwerkvoorzieningen waarbij een eenmalige
                                uitbetaling en controle aan de orde is. </al><al>Dit is aan de orde wanneer het gaat om een pgb voor een
                                woningaanpassing of een hulpmiddel dat eenmalig verstrekt wordt op
                                grond van de afgegeven beschikking voor een maatwerkvoorziening. </al><al>Het zou heel omslachtig zijn als één factuur via de SVB
                                gecontroleerd en uitbetaald moet worden. </al><al>De gemeente Ridderkerk heeft er voor gekozen om deze eenmalige
                                betalingen van het pgb, na controle van de factuur en het
                                betalingsbewijs rechtstreeks op de bankrekening van de cliënt of
                                diens wettelijk vertegenwoordiger te storten. De cliënt of diens
                                wettelijk vertegenwoordiger moeten de besteding van het pgb wél
                                verantwoorden. </al><al>Iedere budgethouder moet in verband met de bovenbedoelde controle de
                                volgende stukken bewaren:</al><lijst><li nr="-"><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en de
                                        verzekering en onderhoud daarvan;</al></li><li nr="-"><al>een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening</al></li></lijst><al/><al>Is het pgb anders besteed dan bedoeld, dan kan het college overwegen
                                het Pgb geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij is leidend
                                of er opzet in het spel is geweest of onwetendheid. In die laatste
                                situatie wordt overlegd hoe deze situatie in de toekomst vermeden
                                wordt. </al><al>Bij opzet in het niet naleven van de pgb-regels kan de gemeente de
                                waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag
                                dat voor terugvordering in aanmerking komt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.13</nr><titel>Medewerking aan onderzoeken </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager is verplicht aan het college desgevraagd
                                        medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de
                                        uitvoering van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Onder verplichting, genoemd in het voorgaande lid, wordt
                                        mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>gehoor geven aan een oproep om op een aangegeven
                                                tijdstip en plaats te verschijnen;</al></li><li nr="b."><al>meewerken aan een onderzoek door een of meer daartoe
                                                aangewezen adviseurs of deskundigen.</al></li><li nr="c."><al>meewerken aan het geven van informatie over de vraag
                                                in hoeverre de eigen kracht en de sociale omgeving
                                                een bijdrage kan leveren aan oplossingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.14</nr><titel>Bezwaartermijn</titel></kop><al>Indien de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger het niet eens
                                is met een besluit van het college van burgemeester en wethouders
                                heeft hij/zij het recht om een bezwaarschrift in te dienen. Een
                                bezwaarschrift kan tot zes weken na dagtekening van de bestreden
                                beschikking worden ingediend; daarna wordt het in principe
                                niet-ontvankelijk verklaard. In het bezwaarschrift dient de cliënt
                                of diens wettelijk vertegenwoordiger minimaal de NAW-gegevens van de
                                cliënt te vermelden, alsmede de datum, een omschrijving van de
                                bestreden beschikking en de gronden van het bezwaar. Bij een
                                (wettelijke) vertegenwoordiging moet een bewijs van die machtiging
                                bijgevoegd worden.</al><al>In eerste instantie komt een bezwaarschrift binnen bij de postkamer.
                                Hier wordt het bezwaarschrift ingeboekt, voorzien van een
                                datumstempel en doorgestuurd naar de medewerker bezwaar. De
                                afhandelingstermijn voor een bezwaarschrift is twaalf weken;
                                eventueel verdaagd met vier weken. Met toestemming van de klant is
                                hierna nogmaals een verlenging mogelijk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.15</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Een aanvrager is verplicht bij het indienen van de aanvraag of nadat
                                een maatwerkvoorziening is verleend, aan het college op verzoek of
                                spoedig uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                                omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                                van invloed kunnen zijn op het recht op een maatwerkvoorziening, de
                                aard, hoogte of duur ervan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.16</nr><titel>Heronderzoek</titel></kop><al>Het college is bevoegd degene aan wie een maatwerkvoorziening is
                                verstrekt aan een heronderzoek te onderwerpen om vast te stellen, of
                                de aan de toekenning ten grondslag liggende omstandigheden gewijzigd
                                zijn en deze van invloed zijn op het recht op de verstrekte
                                maatwerkvoorziening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Mantelzorg, respijtzorg, spoedzorg, kwaliteit, calamiteiten,
                                AMHK, betrekken ingezetenen, klachtenprocedure en evaluatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Waardering mantelzorgers</titel></kop><al>De Wmo 2015 draagt gemeenten op aan te geven hoe zij zorg dragen
                                voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers. </al><al>Mantelzorgers bieden een belangrijke maatschappelijke bijdrage door
                                langdurend niet betaalde zorg en ondersteuning te bieden aan een
                                persoon uit hun sociale netwerk. Door de inzet van mantelzorgers
                                wordt dure professionele zorg voorkomen of verminderd. De inzet van
                                mantelzorgers verdient erkenning, steun en waardering. Om de
                                waardering voor de mantelzorger vorm te geven verstrekt de gemeente
                                de mantelzorgwaardering in de vorm van een geldbedrag van € 75,00
                                per mantelzorger.</al><al>De mantelzorger en de zorgontvanger kunnen gezamenlijk een aanvraag
                                doen om voor deze mantelzorgwaardering in aanmerking te komen.
                                Getoetst wordt of er in het jaar voorafgaand aan 15 november voldaan
                                is aan de volgende criteria op basis van de definitie
                                mantelzorg:</al><lijst><li nr="-"><al>Meer dan 8 uur per week ondersteuning aan de
                                        persoon/personen met beperkingen(zorgontvanger);</al></li><li nr="-"><al>Voor minimaal drie maanden aaneengesloten:</al></li><li nr="-"><al>De ondersteuning wordt gratis geboden op basis van de
                                        sociale relatie tussen mantelzorger en de persoon/personen
                                        met beperkingen</al></li><li nr="-"><al>Zonder deze ondersteuning zou de persoon/personen met
                                        beperkingen een (groter) beroep moeten doen op professionele
                                        ondersteuning</al></li><li nr="-"><al>De persoon die mantelzorg ontvangt is inwoner van
                                        Ridderkerk.</al></li></lijst><al><onderstreept>Mantelzorger en zorgontvanger</onderstreept></al><al>De mantelzorgwaardering is, anders dan voorheen in de AWBZ, niet
                                voorbehouden aan één mantelzorger van een zorgontvanger. Meerdere
                                mantelzorgers van één zorgontvanger kunnen zich aanmelden voor de
                                mantelzorgwaardering. Dit kan ook een zorgontvanger zijn, die niet
                                als cliënt bij de gemeente bekend is, juist omdat de mantelzorg er
                                voor zorgt dat deze persoon geen beroep hoeft te doen op
                                professionele ondersteuning vanuit de gemeente. </al><al>Een mantelzorger kan ook zorg en ondersteuning bieden aan meer dan
                                één zorgontvanger, bijvoorbeeld 8 uur aan ouders en schoonouders
                                tezamen. Ook hoeft de mantelzorger niet woonachtig te zijn in
                                Ridderkerk.</al><al>Mantelzorg kan ook essentieel zijn voor een zorgontvanger die een
                                indicatie voor de Wlz heeft en aangewezen is op 24uurs zorg. De
                                zorgontvanger kan deze Wlz indicatie thuis verzilveren met
                                aanvullende zorg en ondersteuning door de mantelzorger(s). Als de
                                zorgvrager is opgenomen in een Wlz instelling is de 24uurs zorg in
                                de instelling geregeld, maar kan het toch zo zijn dat de mantelzorg
                                aan de criteria voldoet, bijvoorbeeld door ondersteuning aan
                                meerdere personen met beperkingen tezamen.</al><al/><al><onderstreept>Kalenderjaar</onderstreept></al><al>De mantelzorger(s) en de zorgontvanger kunnen zich, voor het lopende
                                kalenderjaar, tot uiterlijk 15 november aanmelden voor de
                                mantelzorgwaardering. Getoetst wordt op de periode vanaf 15 november
                                van het voorgaande jaar tot 15 november van het betreffende
                                jaar.</al><al><onderstreept>Maatwerk en flexibiliteit</onderstreept></al><al>De toetsing aan de bovenstaande criteria voor de
                                mantelzorgwaardering is echter maatwerk en wij stellen ons hierin
                                flexibel op.</al><al>Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een mantelzorger niet aan álle
                                criteria voldoet, maar toch een zwaar belaste mantelzorger is. Of de
                                mantelzorger kan bijvoorbeeld minder dan 8 uur per week
                                ondersteuning bieden, maar een zodanig zware en structurele
                                ondersteuning bieden, dat daarmee opname van de zorgontvanger in een
                                instelling voorkomen wordt. Of met een dusdanige hoge frequentie per
                                24 uur met korte momenten dat het acht uur criterium niet goed
                                meetbaar is. </al><al>Het kan ook voorkomen, dat een mantelzorger die intensieve
                                ondersteuning zorg heeft verleend sinds 30 september en daarmee niet
                                voldoet aan het criterium van minimaal drie maanden aaneengesloten.
                                Als de mantelzorgverlening ook na 15 november wordt voortgezet kan
                                hier flexibel mee omgegaan worden.</al><al/><al><onderstreept>Aanvraagformulier</onderstreept></al><al>Voor de mantelzorgwaardering is een speciaal aanvraagformulier. De
                                mantelzorger en de zorgontvanger ondertekenen beide het
                                aanvraagformulier. De mantelzorgers zullen worden gekoppeld aan de
                                cliënt in GWS. </al><al/><al><onderstreept>Controle </onderstreept></al><al>De check of iemand in aanmerking komt voor de blijk van waardering
                                gebeurt op basis van het door de mantelzorger en zorgontvanger naar
                                waarheid ingevulde en ondertekende formulier. Dit wordt uitgevoerd
                                door de afdeling Vakondersteuning. </al><al>Als de zorgontvanger bekend is bij de afdeling Wmo en dus als cliënt
                                geregistreerd staat in GWS, wordt steekproefsgewijs gecheckt of de
                                aanvraag overeenkomt met de bekende gegevens. </al><al>In de situatie dat er meer dan drie mantelzorgers zijn gekoppeld aan
                                een zorgontvanger zal een medewerker van de afdeling
                                Vakondersteuning checken of het logischerwijs mogelijk is dat er
                                zoveel mantelzorg is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Respijtzorg Mantelzorgers</titel></kop><al>De mantelzorg van de cliënt wordt meegenomen bij het onderzoek naar
                                de ondersteuningsvraag en de eventuele indicatie voor de Wmo
                                maatwerkvoorziening. Mantelzorg is niet verplicht en als de
                                mantelzorger aangeeft niet meer in staat te zijn om (tijdelijk) de
                                ondersteuning en /of hulp te verlenen wordt beoordeeld of de
                                geïndiceerde maatwerkvoorziening aangepast moet worden. </al><al>Het is van groot belang dat mantelzorgers kunnen rekenen op de
                                gemeente als zij overbelast (dreigen te) worden en waar nodig
                                gebruik kunnen maken van respijtzorg.</al><al>Het is aan de gemeente om ontlasting van de mantelzorger zo
                                laagdrempelig mogelijk te maken zonder ingewikkelde en langdurige
                                procedures.</al><al>Het sociale wijkteam en het steunpunt mantelzorg hebben hierin een
                                belangrijke rol. Zij kunnen actief op zoek gaan naar de
                                mantelzorgers in de wijk en samen met hen bespreken wat zij nodig
                                hebben om de mantelzorg te kunnen (blijven) bieden. </al><al/><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Langdurige respijtzorg</onderstreept></al></li></lijst><al>Dit is de situatie dat de mantelzorger niet de volledige hulp, zorg
                                en toezicht kan leveren maar dit wel kan volhouden als een deel of
                                delen worden overgenomen. Denk bijvoorbeeld aan de dementerende
                                cliënt die volledig verzorgd wordt door zijn echtgenote. De
                                echtgenote kan aangeven dat zij het volhoudt als zij ook zelf nog
                                wat tijd heeft voor haar eigen dingen. Dan is een indicatie mogelijk
                                voor bijvoorbeeld dagbesteding gedurende 1 of meer dagdelen. Ook kan
                                het bijvoorbeeld gaan om verblijf kortdurend waarbij ouders van een
                                gehandicapt kind even op adem kunnen komen als het kind een weekend
                                per maand naar een logeeropvang gaat, wat zij niet in hun eigen
                                netwerk kunnen regelen.</al><al/><lijst><li nr="b."><al><onderstreept>Voorliggend respijtzorg op basis van de
                                            Zorgverzekering</onderstreept></al></li></lijst><al>In veel polissen van de ziektekostenverzekering is opgenomen dat er
                                vergoeding bestaat voor respijtzorg. Het gaat dan bijvoorbeeld om de
                                tijdelijke respijtzorg in de vorm van een vergoeding voor tijdelijke
                                hulp bij het huishouden of logeren. Dit zijn vergoedingen die onder
                                de aanvullende verzekering vallen en daarmee niet afdwingbaar zijn.
                                De klantmanager Wmo onderzoekt deze voorliggende oplossing.</al><al>Ook kennen de zorgverzekeraars het product: Vervangende mantelzorg.
                                Via de aanvullende verzekering kan de cliënt bij de zorgverzekering
                                een aanvraag doen voor vervangende mantelzorg, die wordt geleverd
                                door de Stichting Mantelzorgvervanging Nederland Handen-in-Huis De
                                klantmanager moet onderzoeken of dit voldoende is. </al><al>Cliënten die deelnemen aan de Collectieve Ziektekostenverzekering
                                Minima zijn aanvullend verzekerd met als dekking Extra
                                Uitgebreid</al><al/><lijst><li nr="c."><al><onderstreept>Voorliggend respijtzorg op basis van de Wet
                                            langdurige zorg</onderstreept></al></li></lijst><al>Als de cliënt een indicatie heeft voor opname in een instelling voor
                                langdurige zorg op basis van de Wlz en toch thuis blijft wonen, kan
                                de zorg en ondersteuning met een pgb ingekocht worden. De partner of
                                huisgenoot kan er voor kiezen om een deel of alle zorg zelf te
                                bieden aan de cliënt en wordt dan betaald uit het pgb. Dan is er
                                geen sprake van mantelzorg want mantelzorg is gratis en voorkomt of
                                vermindert de professionele zorg en ondersteuning. In deze situatie
                                kan de tijdelijke ontlasting van de partner/ huisgenoot met gebruik
                                van het pgb van de Wlz geregeld worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Tijdelijke respijtzorg Wmo </titel></kop><al>Als tijdelijke respijtzorg geleverd kan worden door het sociale
                                netwerk of vrijwilligers is er geen noodzaak respijtzorg vanuit de
                                Wmo te verstrekken. Bij verstrekking vanuit de Wmo kan het gaan om
                                een voorzienbare vraag of om een niet voorzienbare vraag om
                                respijtzorg. </al><al>Respijtzorg in de Wmo is maximaal vier weken mogelijk als
                                maatwerkvoorziening en wordt alleen in natura verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>Voorzienbaar</onderstreept></al><al>Bij voorzienbaar gaat het om tijdelijke afwezigheid van de
                                mantelzorger door bijvoorbeeld een ziekenhuisopname. Het kan ook
                                zijn dat de mantelzorger op vakantie gaat of gewoon even “op adem”
                                wil komen en:</al><lijst><li nr="-"><al>er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk
                                        om de ondersteuning tijdelijk (gedeeltelijk) over te nemen
                                        en </al></li><li nr="-"><al>de cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een
                                        aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing
                                        bieden. </al></li></lijst><al>Gedurende de afwezigheid van de mantelzorger is de respijtzorg
                                noodzakelijk. Zodra de mantelzorger weer beschikbaar en in staat is,
                                neemt hij/ zij de ondersteuning weer op zich. </al><al/><lijst><li nr="a."><al>De tijdelijke respijtzorg in de vorm van hulp bij het
                                        huishouden kan via een korte procedure voor maximaal 4 weken
                                        afgegeven worden. De cliënt kan gedurende deze periode
                                        gebruik maken van een vast persoonsvolgend budget voor
                                        persoonlijke dienstverlening, te besteden aan diensten in en
                                        om het huis, te betrekken via het onafhankelijke platform
                                        BAR-dichtbij. Dit persoonsvolgend budget wordt uitbetaald
                                        aan BAR-dichtbij. </al><al>Het persoonsvolgend budget is eenmaal per kalenderjaar
                                        mogelijk en kan gedurende vier weken worden gebruikt. Het
                                        persoonsvolgend budget hiervoor is vastgesteld in het
                                        Besluit Wmo 2015.</al><al> Gaat het om een periode die langer duurt dan vier weken of
                                        blijkt deze tijdelijke periode niet voldoende te zijn, dan
                                        beoordeelt de klantmanager of in deze situatie de algemene
                                        schoonmaakvoorziening adequaat is. Is dit geen adequate
                                        oplossing dat start de reguliere melding Wmo met een
                                        volledig onderzoek. </al></li><li nr="b."><al>Over deze tijdelijke respijtzorg voor hulp bij het
                                        huishouden is <onderstreept>geen</onderstreept> eigen
                                        bijdrage verschuldigd. </al></li><li nr="c."><al>De tijdelijke respijtzorg dagbesteding en kortdurend
                                        verblijf</al><al>De tijdelijke respijtzorg in de vorm van dagbesteding en
                                        kortdurend verblijf kan via een korte procedure voor
                                        maximaal 4 weken afgegeven worden. De cliënt kan gedurende
                                        deze periode gebruik maken van de diensten begeleiding en
                                        verblijf kortdurend van een gecontracteerde zorgaanbieder. </al><al>Deze respijtzorg wordt uitsluitend in natura verstrekt.
                                    </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Onvoorzienbaar (spoedprocedure</onderstreept>)</al><lijst><li nr="1."><al>Bij onvoorzienbaar gaat het om onverwachte situaties.
                                        Bijvoorbeeld de mantelzorger wordt ziek, moet plotseling in
                                        het ziekenhuis opgenomen worden of het geheel wordt ineens
                                        allemaal teveel en </al><lijst><li nr="-"><al>er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal
                                                netwerk om de ondersteuning direct (gedeeltelijk)
                                                over te nemen en </al></li><li nr="-"><al>de cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een
                                                aanvullende ziektekostenverzekering die een
                                                oplossing bieden. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Spoedprocedure </titel></kop><al>In een acute situatie wordt de spoedprocedure gehanteerd, waarbij
                                gedurende twee weken ondersteuning ingezet kan worden zonder
                                indicatie. Het gaat dan om:</al><lijst><li nr="-"><al>een plotselinge wijziging in de gezondheidssituatie van een
                                        cliënt (aandoeningen, stoornissen, beperkingen) of van de
                                        informele hulp (wegvallen mantelzorg),</al></li><li nr="-"><al>die leidt tot een substantieel andere inhoud en omvang van
                                        de benodigde zorg,</al></li><li nr="-"><al>waarbij het noodzakelijk is om de zorg binnen 24 tot 48 uur
                                        in te zetten om onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor de
                                        cliënt en/of zijn gezin te voorkomen.</al></li></lijst><al/><al>Spoedzorg is altijd een maatwerkvoorziening <onderstreept>in
                                    natura.</onderstreept></al><al>In die twee weken heeft de klantmanager de gelegenheid om het
                                onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden, de geleverde
                                mantelzorg en de ondersteuningsvraag uit te voeren. Samen met de
                                cliënt en de mantelzorger kan dan besproken worden wat de
                                mantelzorger nog wel kan doen en voor welk deel een andere oplossing
                                gezocht moet worden. </al><al/><al>Voor hulp bij het huishouden gaat het alleen om de niet uitstelbare
                                taken, zoals zorgen voor eten en drinken en zorg voor jonge
                                kinderen. Eerst wordt getoetst of gebruikelijke hulp, het eigen
                                netwerk en voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden.
                                BAR-Dichtbij is als onafhankelijk platform verantwoordelijk voor
                                deze toetsing en de bemiddeling. </al><al/><al>Voor situaties waarin sprake is van crisis en de cliënt afhankelijk
                                is van 24 uur per dag toezicht dat normalerwijs door de mantelzorger
                                wordt geleverd, is een crisisbed beschikbaar. Ook hier geldt de
                                spoedprocedure waarbij gedurende twee weken verblijf kortdurend
                                ingezet kan worden zonder indicatie. In deze twee weken moet een
                                indicatie voor de Wlz aangevraagd worden. Dit zijn situaties waarin
                                de huisarts de verwijzende rol heeft en de zorgaanbieder toetst of
                                er:</al><lijst><li nr="-"><al>sprake is van een acute verandering. (dus geen geleidelijke
                                        verslechtering van de situatie) en </al></li><li nr="-"><al>een gevaar criterium aanwezig is waardoor toezicht nodig is
                                        en </al></li><li nr="-"><al>cliënt beschikt niet over een Wlz indicatie</al></li></lijst><al/><al>Voor situaties waarin het toezicht in de avonduren en de nacht door
                                familie of het sociale netwerk opgelost kan worden, is via de
                                spoedprocedure dagbesteding voor maximaal 10 dagdelen per week
                                mogelijk, gedurende twee weken. In deze twee weken moet beoordeeld
                                worden of er sprake is van zorg, ondersteuning en toezicht die onder
                                de Wlz valt of dat er andere oplossingen binnen de Wmo gevonden
                                moeten worden. De spoedinzet van dagbesteding wordt door de
                                zorgaanbieder getoetst op de criteria:</al><lijst><li nr="-"><al>sprake is van een acute verandering. (dus geen geleidelijke
                                        verslechtering van de situatie); </al></li><li nr="-"><al>een gevaar criterium aanwezig is waardoor toezicht nodig
                                        is;</al></li><li nr="-"><al>cliënt beschikt niet over een Wlz indicatie.</al></li></lijst><al/><al>Als de zorgaanbieder niet geïndiceerde (spoed)zorg levert aan een
                                cliënt, die niet voldoet aan de gestelde criteria, verleent de
                                zorgaanbieder deze zorg voor eigen rekening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Kwaliteitseisen </titel></kop><al>Kwaliteitsnormen zijn onderdeel van een kwaliteitssysteem. In een
                                kwaliteitssysteem zijn afspraken over normen, toezicht, handhaving
                                en klant ervaringsonderzoek vastgelegd. Er wordt jaarlijks een klant
                                ervaringsonderzoek gedaan, de eerste keer in 2016. In 2015 blijft de
                                verplichtring gelden van een klanttevredenheidsonderzoek. De
                                gemeente stelt zelf een toezichthouder aan voor de kwaliteit van de
                                ingekochte maatschappelijke ondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Diensten </titel></kop><al>De gemeente eist een Verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor
                                werknemers en vrijwilligers die direct met kwetsbare cliënten
                                omgaan. Aanbieders passen bij het uitvoeren van het maatwerk de
                                wettelijke eisen inzake kwaliteit toe. </al><al/><al>Bewijsvoering vakbekwaamheidseisen: </al><al>De dienstverlener moet aantonen dat hij aan kwaliteitseisen voldoet,
                                door het insturen van:</al><lijst><li nr="a."><al>een op basis van de wet voor zijn branche geldend
                                        kwaliteitsborgingscertificaat, in ieder geval betrekking
                                        hebbende op zorg, maatschappelijke en/of aanpalende
                                        dienstverlening (bijv. Implementatie Normen verantwoorde
                                        zorg). Of</al></li><li nr="b."><al>bewijs waaruit blijkt dat de dienstverlener zich inzet voor
                                        kwaliteitsborging van dienstverlening aan burgers en daarbij
                                        horende administratieve processen. Een eigen
                                        kwaliteitshandboek, toetsingskader, protocol, beschrijving
                                        van gevolgde opleidingen van betrokken personeel of ervaring
                                        van betrokken personeel volstaat. De gemeente kan om
                                        additionele waarborgen vragen. </al></li></lijst><al/><al>In de overeenkomsten met dienstverleners/ zorgaanbieders zijn nadere
                                specifieke kwaliteitseisen voor specifieke diensten vastgelegd. De
                                volgende kwaliteitseisen zijn van toepassing:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanbieder is bekend met de werkwijze van integrale
                                        dienstverlening van de gemeente en gaat hiermee
                                        akkoord.</al></li><li nr="2."><al>De aanbieder draagt zorg voor monitoring van de processen op
                                        diverse aspecten zoals doorlooptijd van het
                                        ondersteuningstraject, de betrokkenheid van de cliënt en
                                        zijn sociale omgeving, de kosten, het afgesproken resultaat
                                        en de tevredenheid van de cliënt. De afhandeling van
                                        eventuele klachten is onderdeel van de monitoring van
                                        klanttevredenheid.</al></li><li nr="3."><al>De aanbieder zet de cliënt centraal in de ondersteuning en
                                        laat de regie over de ondersteuning zoveel mogelijk bij de
                                        cliënt. Daarnaast bevordert de aanbieder de inzet van eigen
                                        netwerkoplossingen. De ondersteuning is gericht op blijvende
                                        participatie en stimulering van de zelfredzaamheid
                                        (regie).</al></li><li nr="4."><al>De aanbieder werkt systeemgericht / integraal en heeft
                                        daarbij aandacht, tijd, ruimte en vertrouwen voor de cliënt
                                        en de sociale omgeving bij het aanpakken en oplossen van het
                                        probleem.</al></li><li nr="5."><al>De aanbieder sluit aan bij het uitgangspunt ‘één huishouden,
                                        één plan, één regisseur’, draagt bij aan de ontwikkeling van
                                        het integraal, dan wel ondersteuningsplan van de cliënt en
                                        sluit met zijn ondersteuningsplan aan op dit integrale
                                        plan.</al></li><li nr="6."><al>De aanbieder heeft voldoende kennis van de lokale sociale
                                        kaart en is continu op de hoogte van de beschikbare
                                        informele zorg, algemene voorzieningen en basiszorg die voor
                                        de uitvoering van zijn dienstverlening van belang is.</al></li><li nr="7."><al>De aanbieder spant zicht in om de samenwerking en afstemming
                                        tussen professionele en niet-professionele
                                        (basis)ondersteuning rondom de cliënt en zijn of haar het
                                        huishouden optimaal te laten functioneren</al></li><li nr="8."><al>De aanbieder innoveert in afschalen van ondersteuning, dit
                                        wil zeggen verkorten van duur of verminderen van zwaarte
                                        door zwaardere ondersteuning geleidelijk te vervangen door
                                        lichtere ondersteuning of informele zorg.</al></li><li nr="9."><al>De aanbieder levert maatwerk gebaseerd op de ondersteuning
                                        die nodig is en biedt zo nodig een alternatief gedurende een
                                        overbruggingsperiode.</al></li><li nr="10."><al>De aanbieder is verplicht zijn informatievoorziening aan
                                        cliënten up to date te houden en daar waar van toepassing
                                        via lokale digitale toepassing (webportal / digitale sociale
                                        kaart) beschikbaar te stellen.</al></li><li nr="11."><al>De aanbieder waarborgt de professionaliteit van medewerkers
                                        die de ondersteuning bieden(scholing, intervisie, etc.) en
                                        zorgt voor passende arbeidsvoorwaarden bij de voor de
                                        dienstverlening vereiste deskundigheid, vaardigheden en
                                        activiteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Woningaanpassingen</titel></kop><al>Alle woningaanpassingen dienen te voldoen aan de gestelde bouw- en
                                kwaliteitseisen, zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en voor
                                oudere woningen het Bouwbesluit behorend bij de datering van de
                                woning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Hulpmiddelen</titel></kop><al>Alle voorzieningen dienen te voldoen aan de gestelde kwaliteit- en
                                bruikbaarheidseisen. Binnen de Europese Unie moeten hulpmiddelen een
                                CE-markering hebben. Hiermee voldoen zij aan de Europese regelgeving
                                en aan de eisen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieu en
                                consumentenbescherming. Deze markering is geen kwaliteitskeurmerk.
                                Daarnaast moeten de producten aan het GQ-keurmerk te voldoen. De
                                stichting Kwaliteit- en Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen
                                voor gehandicapten en ouderen (KBOH) geeft dit keurmerk uit.
                                Hiervoor test een onafhankelijke keuringsinstantie de veiligheid,
                                duurzaamheid en bruikbaarheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Melding calamiteiten en geweld </titel></kop><al>Aanbieders moeten iedere calamiteit, ieder geweldsincident zo snel
                                mogelijk melden aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend
                                ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten
                                en adviseert het college over de aanpak en hoe we herhaling kunnen
                                voorkomen. </al><al>Met de Wmo-adviesraad wordt overlegd hoe de functie van de
                                toezichthoudend ambtenaar binnen de wettelijke kaders op dit punt
                                wordt ingevuld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling
                                    (AMHK)</titel></kop><al>Per 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk om op
                                bovenlokaal niveau een Veilig Thuis, Advies- en Meldpunt Huiselijk
                                Geweld en Kindermishandeling te organiseren. Hierin zijn het huidige
                                AMK en de (A)SHG’s geïntegreerd. Eenieder die te maken heeft met, of
                                een vermoeden heeft van geweld binnen afhankelijkheidssituaties, kan
                                hiervoor terecht bij Veilig Thuis Rijnmond.</al><al/><al>Het Advies- en Meldpunt is de centrale toegang van Veilig Thuis voor
                                alle meldingen en adviesvragen van de burger, de professional en
                                specifiek de medische sector en politie/justitie. Het Advies- en
                                Meldpunt van Veilig Thuis is 24 uur per dag, 7 dagen per week
                                bereikbaar via telefoonnummer 010-4438444 Daarnaast kan de cliënt
                                fysiek terecht bij de balie en kunnen er digitale (zorg)meldingen
                                gedaan worden op mailadres info@huiselijkgeweld.rotterdam.nl.</al><al/><al><onderstreept>Melding</onderstreept></al><al>Meldingen kunnen per telefoon, fax, digitaal en in persoonlijk
                                contact of tijdens een casusoverleg binnenkomen. De melding kan
                                gedaan worden door een burger of een professional. De melding wordt
                                integraal en systeemgericht beoordeeld door de medewerkers van het
                                Advies- en Meldpunt. Na beoordeling van de melding zijn er twee
                                mogelijkheden:</al><lijst><li nr="1."><al>De melding wordt in ontvangst genomen en doorgezet naar het
                                        proces triage;</al></li><li nr="2."><al>De melding wordt omgezet naar een advies of
                                        ondersteuningstraject.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Triage</titel></kop><al>Binnen de triage wordt de melding gescreend en beoordeeld op aard,
                                ernst van de problematiek en de risico’s worden in kaart gebracht.
                                De screening gebeurt zorgvuldig door de professional met
                                ondersteuning van een gedragsdeskundige en indien nodig en
                                noodzakelijk een vertrouwensarts. Het doel van de triage is dat
                                Veilig Thuis Rijnmond op basis van de inhoud van de melding en op
                                basis van een integrale risicotaxatie tot een besluit komt over de
                                noodzakelijke vervolgstappen naar aanleiding van de melding. Er zijn
                                drie uitkomsten na de triage mogelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>De melding wordt alsnog omgezet naar een advies of
                                        ondersteuningstraject;</al></li><li nr="b."><al>De melding wordt afgesloten;</al></li><li nr="c."><al>De melding wordt overgedragen aan het gebiedsteam waarmee
                                        wordt overlegd over de uitvoering van de vervolgstappen,
                                        bijvoorbeeld het doen van uitgebreid onderzoek of inzetten
                                        van lokale of specialistische hulp. </al></li></lijst><al>De vervolgstappen die door medewerkers van het gebiedsteam gezet
                                kunnen worden, zijn wettelijk vastgelegd en nader uitgewerkt in het
                                landelijk handelingsprotocol. Voor de uitvoering van deze
                                vervolgstappen hebben de medewerkers van Veilig Thuis wettelijke
                                bevoegdheden tot hun beschikking Het Advies- en Meldpunt heeft de
                                verantwoordelijkheid om na triage een terugkoppeling te geven aan de
                                melder over wat er met de melding is gedaan. </al><al/><al><onderstreept>De gebiedsteams Veilig Thuis </onderstreept></al><al>Het Advies- en Meldpunt is de centrale toegang van Veilig Thuis
                                Rijnmond. Echter, de cliënt heeft ook de mogelijkheid om binnen te
                                lopen bij een gebiedsteam met vragen, zorgen of behoefte aan
                                bepaalde ondersteuning. Veilig Thuis Rijnmond is laagdrempelig voor
                                de cliënt . Mocht het contact leiden tot een officiële melding, dan
                                vindt er overleg plaats tussen het Advies- en Meldpunt en het
                                gebiedsteam.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Opvolging meldingen en ondersteuningstrajecten</titel></kop><al>De opvolging van de meldingen waarop triage heeft plaatsgevonden,
                                vindt plaats in de gebiedsteams. De redenen hiervoor zijn dat het
                                gebiedsteam dichterbij de cliënt zit, verbonden is met de lokale
                                aanpak in het sociale domein en bekend is met het netwerk. Net als
                                het Advies- en Meldpunt geldt dat in de gebiedsteams sprake is van
                                een integrale werkwijze en dat de medewerkers belast zijn met de
                                uitvoering van de wettelijke taken en bevoegdheden. Hierdoor mogen
                                zij, in tegenstelling tot andere professionals, bijvoorbeeld zonder
                                toestemming van betrokkenen informatie opvragen. </al><al>Binnen de opvolging van meldingen en ondersteuningstrajecten zijn
                                verschillende vervolgprocessen mogelijk. Bij de inrichting van de
                                gebiedsteams zullen deze processen nader uitgewerkt worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><al>De gemeente Ridderkerk kan niet zonder inwoners, die zich
                                medeverantwoordelijk voelen voor de beleidsbepaling en uitvoering
                                van de zorg en ondersteuning. </al><al>Belangrijk is dat de nieuwe doelgroepen van de decentralisatie zoals
                                mensen met een verstandelijke beperking en met GGZ-problematiek hier
                                ook bij betrokken worden.</al><al>In de verordening nemen wij op hoe wij aan deze betrokkenheid
                                invulling geven. De gemeente initieert periodiek overleg, stelt in
                                overleg met inwoners de agenda samen, voorziet ruimhartig en tijdig
                                in de benodigde informatie en ondersteuning. Ook op andere wijze
                                wordt de inbreng van inwoners en contactgroepen actief bevorderd.
                                Hierbij wordt een combinatie gezocht met andere instrumenten die de
                                mening van cliënten naar boven brengen zoals het klant
                                ervaringsonderzoek. Bijvoorbeeld via cliëntenraden van organisaties
                                en sociale teams die in contact staan met de inwoners in het
                                algemeen en de kwetsbare inwoners in het bijzonder. De gemeente
                                betrekt de inwoners ook via de reguliere lokale communicatiekanalen. </al><al>Verwacht wordt dat betrokkenheid steeds vaker via wijkbladen en
                                digitale middelen (sociale media) zal worden gezocht. Daarnaast
                                stimuleert de gemeente haar inwoners om via de daarvoor geëigende
                                politieke en bestuurlijke kanalen op eigen initiatief niet alleen
                                vragen te stellen maar ook antwoorden te geven.</al><al>In Ridderkerk geeft het Wmo-burgerplatform gevraagd en ongevraagd
                                advies aan het gemeentebestuur bij het initiëren, ontwikkelen en
                                uitvoeren van plannen voor de Ridderkerkse samenleving. Naast het
                                Wmo-burgerplatform is er het Burgerplatform voor de Minima.</al><al/><al>Samenwerking tussen de burgerplatforms van de 3 gemeenten gebeurt
                                door uitwisseling van uitgebrachte adviezen en informatie over de
                                opvolging daarvan door het bestuur waarbij de eigenheid van de
                                lokale samenleving de rode draad vormt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Klachtenprocedure</titel></kop><al>Wanneer er een klacht binnenkomt met betrekking tot een sociaal
                                wijkteam, inclusief jeugd treedt de klachtenprocedure in werking
                                .</al><al>Deze klachtenprocedure geldt voor klachten over de sociale wijkteams
                                en de jeugd &amp; gezinsteams die gerelateerd zijn aan een
                                gezamenlijke product- of ketenaanpak binnen de sociale wijkteams en
                                jeugd &amp; gezinsteams van de gemeente Ridderkerk.</al><al>Het college van B&amp;W en de partners van de sociale wijkteams en
                                de jeugd &amp; gezinsteams hebben afgesproken dat deze klachten
                                worden afgehandeld volgens de klachtenregeling BAR-organisatie. </al><al>De 3 D Klachtenregeling BAR organisatie en een 3 D Privacy convenant
                                worden separaat door het college vastgesteld,</al><al/><al>Bejegeningsklachten over medewerkers van de dienstverlener worden
                                behandeld door de dienstverlener op grond van zijn interne
                                klachtenregeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.1</nr><titel>Wijze van indienen klacht</titel></kop><al>Klachten worden bij voorkeur digitaal of schriftelijk ingediend bij
                                de gemeente Ridderkerk,ter attentie van de domeindirecteur
                                Maatschappij van de BAR-organisatie, met als adres Koningsplein 1,
                                2981 EA te Ridderkerk of postbus 271, 2980 AG te Ridderkerk. </al><al/><al>Klachten kunnen mondeling ingediend worden bij de procesregisseur
                                van het sociale wijkteam en het jeugd en gezinsteam of het
                                klantencontactcentrum van de gemeente.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.2</nr><titel>Procedure wanneer een klacht zich voordoet</titel></kop><al>De procedure is gebaseerd op bepalingen van de Algemene wet
                                bestuursrecht en nader uitgewerkt in de klachtenregeling
                                BAR-organisatie van 2 juli 2014. Hierover nog het volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>De domeindirecteur Maatschappij van de BAR-organisatie heeft
                                        de bevoegdheid om een besluit te nemen op klachten namens
                                        het college van Burgemeester en Wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De domeindirecteur Maatschappij wijst een
                                        klachtenbehandelaar aan als de klacht binnenkomt. In de
                                        regel is dit de procesregisseur van het sociale
                                        wijkteam.</al></li><li nr="3."><al>Bejegeningsklachten over medewerkers van de partners worden
                                        door de klachtenbehandelaar doorgestuurd naar de partner. De
                                        partner informeert de klachtenbehandelaar over het besluit
                                        op de klacht.</al></li><li nr="4."><al>Bij belangenverstrengeling of indien de domeindirecteur
                                        Maatschappij daarvoor kiest, kan de domeindirecteur
                                        Maatschappij een andere klachtenbehandelaar aanwijzen. De
                                        klachtenbehandelaar hoort de werkgever van de medewerker van
                                        de partner voor zover nodig.</al></li><li nr="5."><al>De klachtenbehandelaar dient zich te houden aan de
                                        bepalingen m.b.t. de procedure en termijnen zoals deze in de
                                        klachtenregeling BAR-organisatie zijn opgenomen. </al></li><li nr="6."><al>De klachtenbehandelaar zorgt voor een ontvangstbevestiging
                                        (artikel 6 van de klachtenregeling), een mededeling aan
                                        aangeklaagde (artikel 9),het horen van klager en indien van
                                        toepassing degene op wiens gedraging de klacht betrekking
                                        heeft (artikel 9). Van het horen van klager maakt de
                                        klachtenbehandelaar een verslag. </al></li><li nr="7."><al>De klachtenbehandelaar kan ook als bemiddelaar
                                        optreden.</al></li><li nr="8."><al>In uitzonderingsgevallen, als het bijvoorbeeld een
                                        ingewikkelde of politiek gevoelige klacht is, voorziet de
                                        klachtenregeling ook nog in de mogelijkheid dat de
                                        klachtencoördinator een derde of een externe deskundige
                                        ingeschakeld (artikel 8, derde lid). Uit de afdoeningsbrief
                                        moet vervolgens duidelijk worden wat met dit advies is/wordt
                                        gedaan. </al></li><li nr="9."><al>De klachtenbehandelaar geef middels een concept
                                        afdoeningsbrief een advies aan de domeindirecteur
                                        Maatschappij, die namens het college van B en W een besluit
                                        neemt. Afdoening van een klaagschrift gebeurt conform
                                        artikel 10. </al></li><li nr="10."><al>Indien de klager niet tevreden is, kan hij nog een
                                        schriftelijk verzoek indienen bij de nationale ombudsman
                                        (artikel 11 eerste lid). Deze mogelijkheid moet ook in de
                                        afdoeningsbrief worden vermeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>In de verordening is gesteld het gevoerde beleid eenmaal per twee
                                jaar te evalueren. </al><al>In de eerste jaren van dit voor de gemeente nieuwe beleidsveld
                                zullen we jaarlijks evalueren. Het college zendt hiertoe aan de
                                gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
                                het beleid in de praktijk.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>5.</nr><titel>Verstrekking van maatwerkvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Beleid van gemeente</onderstreept></al><al>Een Wmo-klantmanager die tot taak heeft te adviseren welke
                                voorziening de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vormt voor de
                                behoefte van de cliënt, zal naast het belang van de cliënt kijken
                                naar het beleidskader van de gemeente Ridderkerk. Dit neemt niet weg
                                dat binnen dit kader de Wmo-klantmanager op basis van zijn of haar
                                deskundigheid de vastgelegde criteria objectief toepast. Het
                                adviseren binnen een bepaald kader doet niet af aan de
                                professionaliteit en objectiviteit van een advies.</al><al/><al><onderstreept>Gemotiveerd afwijken </onderstreept></al><al>In bijzondere gevallen kan in het voordeel van de cliënt worden
                                afgeweken van de bepalingen van de Verordening en de Beleidsregels.
                                Dit kan wanneer het toepassen van de Verordening en de Beleidsregels
                                tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Het maatwerk in de
                                Wmo is leidend en dat betekent dat er op grond van de bijzondere
                                persoonskenmerken en behoeften van deze specifieke cliënt op
                                inhoudelijke argumenten afwijken van de Verordening en de
                                Beleidsregels tot de mogelijkheid behoort. Een dergelijke afwijking
                                van de verordening zal altijd in een multidisciplinair team met de
                                senior en het afdelingshoofd besproken moeten worden.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Wijze van verstrekken</titel></kop><al>Als voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen en ook
                                algemene voorziening geen oplossing is, kan de gemeente een adequate
                                maatwerkvoorziening verstrekken.</al><al>Een maatwerkvoorziening kan verstrekt worden in natura of met een
                                persoonsgebonden budget (pgb).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Soorten maatwerkvoorziening</titel></kop><al>De individuele verstrekkingen in producten, zoals hulp bij het
                                huishouden, vervoers-, rolstoel en woonvoorzieningen zijn in de Wmo
                                2015 vervangen door maatwerkvoorzieningen.</al><al>De volgende maatwerkvoorzieningen zijn mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>Diensten: hierbij gaat het om: hulp bij het huishouden,
                                        begeleiding en verblijf kortdurend</al></li><li nr="2."><al>Woningaanpassingen: hierbij gaat het om nagelvaste
                                        aanpassingen:</al></li><li nr="3."><al>Hulpmiddelen hierbij gaat het om roerende voorzieningen :
                                        vervoersvoorzieningen, rolstoelen, roerende
                                        woonvoorzieningen, sportvoorzieningen en overige
                                        voorzieningen</al></li><li nr="4."><al>Andere maatregelen hierbij gaat het om beschermd wonen,
                                        maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>maatwerkvoorziening in natura</titel></kop><al>Als de cliënt de geïndiceerde maatwerkvoorziening in natura wenst te
                                ontvangen zorgt de klantmanager er voor dat de aanbieder van
                                diensten en/of de leverancier van hulpmiddelen en/of de aannemer een
                                bericht ontvangt met de opdracht de geïndiceerde maatwerkvoorziening
                                te leveren. De gemeente heeft met aanbieders van diensten,
                                hulpmiddelenleveranciers en aannemers contractafspraken
                                gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Maatwerkvoorzieningen met een pgb </titel></kop><al>Mensen die een maatwerkvoorziening nodig hebben, kunnen kiezen voor
                                een persoonsgebonden budget. Dit is een geldbedrag voor het
                                bekostigen van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening die is
                                afgestemd op iemands persoonlijke situatie. De cliënt moet met dit
                                budget zelf de geïndiceerde maatwerkvoorziening(en) inkopen.
                                Hiervoor gelden een aantal criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>De budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet
                                        motiveren waarom hij de voorziening in de vorm van een pgb
                                        wil krijgen. Van belang zijn hierbij o.a. de volgende
                                        criteria:</al><lijst><li nr="-"><al>de zekerheid van een vaste hulpverlener, die zich
                                                voor langere tijd aan de cliënt verbindt</al></li><li nr="-"><al>de zorgvrager heeft ondersteuning nodig die slecht
                                                in te plannen valt</al></li><li nr="-"><al>de zorgvrager heeft ondersteuning nodig op
                                                verschillende tijdstippen per etmaal</al></li><li nr="-"><al>er is ondersteuning nodig op verschillende locaties
                                            </al></li><li nr="-"><al>er is ondersteuning nodig op veel, korte momenten
                                                per dag</al></li><li nr="-"><al>er is ondersteuning nodig op ongebruikelijke tijden,
                                                bijvoorbeeld van 23.00 uur tot 7.00 uur</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheid om een zorgverlener te kiezen die
                                                past bij de persoonlijke levenssfeer en overtuiging
                                                van de cliënt. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet
                                        een ondersteuningsplan overleggen waaruit minimaal het
                                        volgende blijkt: </al><lijst><li nr="a."><al>inzicht in de problematiek van de
                                                ondersteuningsvrager; </al></li><li nr="b."><al>de duur en wijze van de ondersteuning; </al></li><li nr="c."><al>het resultaat van het te behalen doel van de
                                                ondersteuning; </al></li><li nr="d."><al>welke evaluatiemomenten gedurende de duur van de
                                                ondersteuning. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De budgethouder of diens (wettelijk) vertegenwoordiger moet
                                        in staat zijn om de voorziening zelf te organiseren. </al></li><li nr="4."><al>Hij moet aantonen dat het budget besteed wordt aan een
                                        maatwerkvoorziening die veilig, doeltreffend en
                                        cliëntgericht is.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ondersteuning wordt geboden door een niet
                                        professioneel persoon uit de sociale omgeving, niet zijnde
                                        een aanbieder die woningaanpassingen en hulpmiddelen levert,
                                        dient bij het te overleggen ondersteuningsplan een
                                        Verklaring omtrent gedrag (Vog) van deze persoon gevoegd te
                                        zijn. Deze Vog mag niet ouder dan drie maanden zijn. Deze
                                        termijn is opgenomen in de wet.</al></li><li nr="6."><al>De budgethouder deelt het college op diens verzoek of
                                        onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
                                        mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                                        van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Eisen aan het Ondersteuningsplan</onderstreept></al><al>Het pgb dient te worden besteed aan het vooraf omschreven doel van
                                zelfredzaamheid en participatie en/of zo lang mogelijk in de eigen
                                leefomgeving kunnen wonen. De grondslag hiervoor wordt gevormd door
                                de indicatie. Om volstrekt duidelijk te maken wat met het pgb moet
                                worden aangeschaft, wordt een zo nauwkeurig mogelijk
                                ondersteuningsplan waaraan de voorziening moet voldoen bij de
                                beschikking gevoegd. De cliënt mag het pgb naar eigen keuze besteden
                                aan het vooraf vastgesteld doel op basis van dit ondersteuningsplan. </al><al>Als de cliënt een maatwerkvoorziening aanschaft en/of dienst betrekt
                                die niet het vastgestelde doel dient, dan heeft de hij/ zij
                                gehandeld in strijd met de beschikking. Dit vormt een reden om het
                                pgb (gedeeltelijk) terug te vorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Artikel Diensten in pgb</titel></kop><al>Het tarief voor geïndiceerde diensten is vastgelegd in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning 2015.</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de dienst Hulp bij het huishouden wordt onderscheid
                                        gemaakt tussen een tarief te besteden bij een zorgaanbieder
                                        en het tarief te besteden bij een
                                        belangenbehartigingsorganisatie. </al></li><li nr="2."><al>Voor de dienst Begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen
                                        een tarief te besteden bij een professional en het tarief te
                                        besteden bij informele zorg. </al></li><li nr="3."><al>Voor de dienst Kortdurend verblijf wordt onderscheid gemaakt
                                        tussen een tarief te besteden bij een professional en het
                                        tarief te besteden bij informele zorg. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verplichtingen pgb Hulp bij het huishouden </titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats
                                        met toepassing van artikel 5.4 onder de voorwaarden dat de
                                        aanvrager of diens vertegenwoordiger: </al><lijst><li nr="1."><al>kan bepalen door wie, wanneer, waar en hoe de
                                                benodigde hulp wordt verleend; </al></li><li nr="2."><al>personeel kan werven; en</al></li><li nr="3."><al>een administratie kan bijhouden; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>De budgethouder sluit een schriftelijke overeenkomst met de
                                        persoon of instantie bij wie hulp bij het huishouden wordt
                                        betrokken.</al></li><li nr="c."><al>Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te
                                        worden voor de betaling van hulp bij het huishouden en de
                                        daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of
                                        persoonlijke belangbehartigers worden niet uit het pgb
                                            betaald<cursief>.</cursief> Persoonlijke
                                        belangenbehartigers zijn niet aangesloten bij een
                                        belangenbehartigersorganisatie voor zelfstandige
                                        professionals.</al></li><li nr="d."><al>Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan
                                        adequate hulp bij het huishouden en kwalitatief verantwoorde
                                        dienstverlening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.2</nr><titel>Verplichtingen pgb Begeleiding </titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats
                                        met toepassing van artikel 5.2 onder de voorwaarden dat de
                                        aanvrager of diens vertegenwoordiger kan aantonen dat de
                                        aanbieder van begeleiding tot methodisch handelen in staat
                                        is.</al></li><li nr="b."><al>Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te
                                        worden voor de betaling van begeleiding en de daarmee
                                        noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of
                                        belangbehartigers worden niet uit het pgb
                                            betaald<cursief>.</cursief></al></li><li nr="c."><al>Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan
                                        adequate begeleiding en kwalitatief verantwoorde
                                        dienstverlening.</al></li><li nr="d."><al>De onder lid a, b en c genoemde voorwaarden zijn ook van
                                        toepassing wanneer het de maatwerkvoorziening Ondersteuning
                                        bij Persoonlijke Verzorging betreft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.3</nr><titel>Verplichtingen pgb Verblijf Kortdurend ter ontlasting van
                                    mantelzorger</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats
                                        met toepassing van artikel 5.2 </al></li><li nr="b."><al>Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te
                                        worden voor de betaling van het kortdurend verblijf en de
                                        daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of
                                        belangbehartigers worden niet uit het pgb
                                            betaald<cursief>.</cursief></al></li><li nr="c."><al>Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan
                                        adequaat kortdurend verblijf en kwalitatief verantwoorde
                                        dienstverlening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.4</nr><titel>Betaling en verantwoording diensten in pgb</titel></kop><al>Als de dienstverlening in pgb wordt verstrekt geldt het zogenaamde
                                trekkingsrecht. De gemeente maakt het geld niet over aan de
                                budgethouder, maar aan de Sociale Verzekerings Bank (SVB)</al><al>Budgethouders moeten de SVB opdracht geven voor betalingen aan hun
                                dienstverleners of instelling. Na verschillende controles betaalt de
                                SVB de facturen van de dienstverlener of instelling. Betaling
                                contant, per week of vierwekelijks is niet meer mogelijk.
                                Dienstverleners worden (vooralsnog) maandelijks uitbetaald, op basis
                                van urenbriefjes of facturen. </al><al/><al>Zowel de budgethouder als de gemeente krijgt inzicht in de besteding
                                van het pgb en ontvangen overzichten, waarin duidelijk wordt hoeveel
                                van het pgb waaraan is besteed en wat er nog over is. Niet bestede
                                bedragen worden teruggestort aan de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.5</nr><titel>de hoogte van het pgb</titel></kop><al>De hoogte van de pgb tarieven en de wijze waarop deze zijn
                                vastgesteld zijn nader vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Verplichtingen pgb overige maatwerkvoorzieningen </titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats
                                        met toepassing van artikel 5.2 onder de voorwaarden dat de
                                        aanvrager of diens vertegenwoordiger: </al><lijst><li nr="1."><al>in staat is om een maatwerkvoorziening te selecteren
                                                op basis van een door de klantmanager opgesteld
                                                programma van eisen en; </al></li><li nr="2."><al>in staat is de maatwerkvoorziening te onderhouden;
                                            </al></li><li nr="3."><al>de budgethouder dient over een nota/factuur en
                                                betalingsbewijs van de aangeschafte
                                                maatwerkvoorziening te beschikken. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Het persoonsgebonden budget dient uitsluitend gebruikt te
                                        worden voor betaling van een maatwerkvoorziening en de
                                        daarmee noodzakelijk verbonden kosten. Tussenpersonen of
                                        belangbehartigers worden niet uit het pgb
                                            betaald<cursief>.</cursief></al></li><li nr="c."><al>Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan een
                                        adequate voorziening </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Woningaanpassingen in pgb</titel></kop><al>Het tarief voor geïndiceerde woningaanpassingen is vastgelegd in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015.</al><al/><al>In de beschikking is opgenomen welk doel bereikt moet worden met de
                                woningaanpassing en het daarvoor vereiste programma van eisen is
                                toegevoegd. </al><al>De gemeente vraagt een offerte op bij de gecontracteerde aannemer.
                                Het door de klantmanager opgestelde programma van eisen, toegespitst
                                op de persoonlijke kenmerken en beperkingen is daarbij leidend. De
                                cliënt vraagt zelf twee offertes op basis van het gestelde programma
                                van eisen op bij aannemers van eigen voorkeur. De goedkoopst
                                adequate offerte bepaalt de hoogte van het pgb. Indien van
                                toepassing houdt de gemeente rekening met onderhoud en
                                verzekering.</al><al>De cliënt moet naast de realisatie van de aanpassing met dit
                                geldbedrag de voorziening beheren, onderhouden en verzekeren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Hulpmiddelen in pgb</titel></kop><al>Het tarief voor geïndiceerde hulpmiddelen is vastgelegd in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015.</al><al/><al>In de beschikking is opgenomen welk doel bereikt moet worden met het
                                hulpmiddel en het daarvoor vereiste programma van eisen is
                                toegevoegd. </al><al>De gemeente huurt of koopt de hulpmiddelen van de
                                hulpmiddelenleverancier. Het door de klantmanager opgestelde
                                programma van eisen, toegespitst op de persoonlijke kenmerken en
                                beperkingen is daarbij leidend. De klantmanager vraagt bij de
                                gecontracteerde hulpmiddelenleverancier een offerte op basis van het
                                programma van eisen op. </al><al>De gemeente betaalt bij huur een maandelijks bedrag zolang de
                                voorziening gebruikt wordt en bij koop de kostprijs van het
                                hulpmiddel. Dit kan dus ook een hulpmiddel uit het depot voor her
                                verstrekking zijn.</al><al>De gemeente beoordeelt de kostprijs van een hulpmiddel die de
                                aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura
                                zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands
                                voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een
                                looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is
                                afgeschreven. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening
                                betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd. In de kostprijs wordt
                                rekening gehouden met eventueel door de gemeente te ontvangen
                                korting en wordt ook rekening gehouden met onderhoud en
                                verzekering.</al><al/><al>De cliënt moet met dit geldbedrag de voorziening beheren,
                                onderhouden en verzekeren. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Betaling en verantwoording woningaanpassingen en hulpmiddelen
                                    in pgb</titel></kop><al>De SVB heeft de gemeente gemandateerd om de betaling en budgetbeheer
                                uit te voeren voor die maatwerkvoorzieningen waarbij een eenmalige
                                uitbetaling en controle aan de orde is. </al><al>Dit is aan de orde wanneer het gaat om een pgb voor een
                                woningaanpassing of een hulpmiddel dat eenmalig verstrekt wordt op
                                grond van de afgegeven beschikking voor een maatwerkvoorziening. </al><al>De gemeente wil voorkomen dat het pgb anders besteed wordt dan
                                bedoeld en daarvoor zijn de onderstaande regels en procedures
                                vastgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat het pgb geheel of
                                gedeeltelijk teruggevorderd moet worden. </al><al>Bij opzet in het niet naleven van deze regels kan de gemeente de
                                waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag
                                dat voor terugvordering in aanmerking komt. </al><al/><al>Hierbij gelden de volgende regels:</al><lijst><li nr="a."><al>De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger moet de
                                        besteding van het pgb verantwoorden.</al></li><li nr="b."><al>Als de kosten van de voorziening het pgb overschrijden, dan
                                        zijn deze meerkosten voor rekening van de cliënt. </al></li><li nr="c."><al>Indien fabrieksaanpassingen, accessoires of individueel te
                                        vervaardigen aanpassingen nodig zijn, dan wordt het pgb
                                        verhoogd met de prijs die de gemeente Ridderkerk voor deze
                                        aanpassingen zou betalen als deze voorziening in natura zou
                                        zijn toegekend.</al></li><li nr="d."><al>De door de cliënt gekozen leverancier moet bereid zijn om
                                        het hulpmiddel of lift gedurende zeven jaar te onderhouden,
                                        te repareren en te verzekeren. In de offerte van de
                                        leverancier moet dit ook tot uitdrukking komen. Bij het
                                        bepalen van het pgb bedrag worden immers de offertes
                                        opgevraagd inclusief deze kosten. Hiervoor moet tussen de
                                        cliënt en de leverancier een contract worden afgesloten. Het
                                        contract wordt bij aanschaf van de voorziening afgesloten
                                        voor zeven jaar. Het onderhoudscontract voor een voorziening
                                        omvat de volgende kosten:</al><al>1. Reparaties inclusief onderdelen.</al><al>2. Voorrijdkosten en arbeidsloon.</al><al>3. 24-uurservice.</al><al>4. Gelijkwaardige leenvoorziening indien de voorziening niet
                                        binnen een redelijke termijn</al><al> gerepareerd kan worden.</al><al>5. Jaarlijks onderhoud met keuring (alleen bij trapliften en
                                        tilliften).</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>De voorziening heeft een technische afschrijving. Bij
                                        gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen
                                        deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige
                                        voorziening.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Procedure: cliënt betaalt eerst
                                zelf</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Na aanschaf van de voorziening moet de cliënt de nota en het
                                        betalingsbewijs overleggen.</al></li><li nr="2."><al>Aan de hand van de nota en eventueel een huisbezoek wordt
                                        gecontroleerd of de aangeschafte voorziening conform het
                                        opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel
                                        daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt
                                        het pgb niet uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Bij akkoord van de nota en het betalingsbewijs wordt het pgb
                                        rechtstreeks naar de bankrekening van de cliënt of diens
                                        wettelijk vertegenwoordiger overgemaakt.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Procedure: gemeente betaalt leverancier of aannemer
                                    als de cliënt het bedrag niet kan
                                voorschieten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De cliënt moet de offerte van de aan te schaffen voorziening
                                        overleggen.</al></li><li nr="2."><al>Aan de hand van de offerte en eventueel een huisbezoek wordt
                                        gecontroleerd of de geoffreerde voorziening conform het
                                        opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel
                                        daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt
                                        het pgb niet uitbetaald. Zo nodig moet de cliënt een nieuwe
                                        offerte opvragen die wel aan de vereisten voldoet. </al></li><li nr="3."><al>Na levering van de voorziening of gereedmelding van de
                                        woningaanpassing moet de cliënt de nota overleggen.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Bij akkoord van de nota wordt het pgb rechtstreeks naar de
                                        bankrekening van de leverancier of aannemer
                                        overgemaakt.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>6</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><structuurtekst><al>De Verordening Wmo 2015 en het Besluit Wmo 2015 regelen voor welke
                                voorzieningen een eigen bijdrage betaald moet worden. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Bijdrage van cliënt aan algemene voorzieningen</titel></kop><al>Personen met een ondersteuningsvraag die geholpen zijn met een
                                algemene voorziening komen niet in aanmerking voor een
                                maatwerkvoorziening. Zij betalen de voorziening zelf. </al><al>Het mag niet zo zijn dat een laag inkomen betekent dat de algemene
                                voorziening niet toegankelijk is, omdat men deze voorziening niet
                                kan betalen. Inwoners die als gevolg van een beperking adequaat
                                geholpen zijn met de algemene voorziening maar aannemelijk kunnen
                                maken dat zij de kosten van deze ondersteuning financieel niet
                                kunnen dragen, komen in aanmerking voor financieel maatwerk. </al><al>De norm om vast te stellen of de cliënt een algemene voorziening kan
                                betalen is bepaald op 130% van de bijstandsnorm. Dit wordt getoetst
                                door de klantmanager Inkomen. Cliënten met een inkomen boven 130%
                                van de bijstandsnorm zijn de volledige kostprijs verschuldigd. </al><al/><al><onderstreept>Geen eigen bijdrage is verschuldigd
                                    voor:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al> onafhankelijke cliëntondersteuning</al></li><li nr="b."><al> de entree tot een inloopvoorziening dan wel dagbesteding
                                        dan wel voorziening op wijkniveau met laag intensieve
                                        ondersteuning. Het kan wel zijn dat voor koffie, thee en
                                        materiaalkosten een bijdrage gevraagd wordt</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Financieel maatwerk</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Cliënten met een inkomen tot en met 130% van de
                                        bijstandsnorm komen in aanmerking voor financieel maatwerk.
                                        Zij kunnen via de bijzondere bijstand een aanvraag doen voor
                                        een persoonsvolgend budget. </al></li><li nr="2."><al>Cliënten met bij een inkomen boven 130% van de
                                        bijstandsnorm, betalen de kostprijs van de
                                        schoonmaakvoorziening per uur. Door het Rijk zijn gelden
                                        beschikbaar gesteld die het voor deze cliënten mogelijk
                                        maakt de algemene voorziening hulp bij het huishouden met
                                        korting af te nemen tot 1 januari 2017. Deze korting kan
                                        alleen verkregen worden wanneer de cliënt gebruik maakt van
                                        de, binnen de Wmo georganiseerde algemene voorziening via
                                        het onafhankelijk platform BAR-dichtbij. </al></li><li nr="3."><al>Cliënten met bij een inkomen boven 130% van de
                                        bijstandsnorm, betalen de kostprijs van de algemene
                                        verhuisservice, die wordt uitgevoerd via het onafhankelijk
                                        platform BAR-dichtbij. Deze bijdrage wordt geïnd door
                                        BAR-dichtbij.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Eigen bijdrage van de cliënt aan
                                    maatwerkvoorzieningen</titel></kop><al>In hoofdstuk 3 van het landelijk Uitvoeringsbesluit maatschappelijke
                                ondersteuning 2015 is de uitvoering en systematiek vastgelegd van de
                                eigen bijdrage voor de maatwerkvoorzieningen. In hoofdstuk 2 van het
                                Besluit Wmo 2015 van de gemeente Ridderkerk is dit nader
                                uitgewerkt.</al><al>Bij maatwerkvoorzieningen, zowel in natura als in pgb is een eigen
                                bijdrage verschuldigd. Dit is een wijziging ten opzichte van de
                                voorgaande Wmo.</al><al>Een uitzondering hierop vormen de maatwerkvoorzieningen in de vorm
                                van een Regiotaxipas, een rolstoelvoorziening en het pgb in de vorm
                                van een kilometervergoeding, zoals vastgesteld in het Besluit voor
                                individueel taxi- en rolstoelvervoer. Voor maatwerkvoorzieningen
                                voor kinderen jonger dan 18 jaar mag alleen een eigen bijdrage
                                worden geheven voor woningaanpassingen.</al><al>De eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening, zowel in natura als
                                pgb wordt berekend, vastgesteld en geïnd door het Centraal
                                Administratie Kantoor (CAK). </al><al>In de Wmo beschikking wordt opgenomen dat er een eigen bijdrage
                                verschuldigd is en wordt verder verwezen naar de taak van het
                                CAK.</al><al/><al>De eigen bijdrage is verschuldigd zolang de voorziening gebruikt
                                wordt en technisch niet is afgeschreven.</al><al/><al>Indien de cliënt een maatwerkvoorziening in pgb verstrekt heeft
                                gekregen is het noodzakelijk een termijn in te voeren hoe lang de
                                cliënt de eigen bijdrage moet betalen.</al><al/><al>Deze termijn is voor:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Soort voorziening</vet></al></entry><entry><al><vet>Aantal jaren</vet></al></entry></row><row><entry><al>Vervoersvoorzieningen</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Roerende woonhulpmiddelen</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>Woningaanpassing, niet zijnde een aanbouw</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>Woningaanpassing in de vorm van een aanbouw</al></entry><entry><al>15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Bij een laag bedrag is het reëel om het aantal perioden naar beneden
                                bij te stellen, omdat de cliënt anders jarenlang iedere 4 weken een
                                factuur met een kruimelbedrag van bijvoorbeeld € 2,- krijgt, als
                                hij/zij geen andere Wmo voorziening heeft:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Tot € 100,- </al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>Van € 100,- tot € 200,-</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>Van € 200,- tot € 750,-</al></entry><entry><al>3</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen en het vermogen van
                                de cliënt en zijn of haar partner, leeftijd en gezinssamenstelling.
                                De hoogte van de eigen bijdrage bedraagt niet meer dan de kostprijs
                                van de voorziening. Voor het bepalen van de eigen bijdrage is het
                                verzamelinkomen van belang uit het peiljaar, dat twee jaar voor het
                                lopende jaar ligt. </al><al/><al>Huishoudens met een laag inkomen (het sociaal minimum) betalen voor
                                de Wmo maatwerkvoorzieningen een minimale eigen bijdrage, ongeacht
                                het aantal voorzieningen en de kosten van de voorzieningen. </al><al>Huishoudens met een inkomen onder 130% van het bijstandsniveau
                                kunnen hun eigen bijdrage vergoed krijgen uit de collectieve
                                ziektekostenverzekering (CZM) die de gemeente voor hen heeft
                                afgesloten.</al><al/><al>Indien de cliënt en de echtgenoot allebei een eigen bijdrage moeten
                                betalen, bijvoorbeeld de één voor de Wlz en de ander voor de Wmo,
                                wordt dit door het CAK tezamen beoordeeld, zodat de thuiswonende
                                persoon niet onder het bestaansminimum komt.. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>Toelichting en nadere uitwerking van diensten, woningaanpassingen,
                            hulpmiddelen en andere maatregelen.</titel></kop><afdeling><kop><nr>7.</nr><titel>Hulp bij het huishouden (HH)</titel></kop><structuurtekst><al>Inwoners van Ridderkerk kunnen via de gemeente ondersteuning bij het
                                huishouden aanvragen. Als er een ondersteuningsvraag bij het
                                huishouden binnenkomt bij de gemeente, worden eerst voorliggende
                                oplossingen geïnventariseerd. Deze oplossingen kunnen in de eigen
                                mogelijkheden liggen, gebruikelijke hulp, in het sociale netwerk, in
                                voorliggende, gebruikelijke en algemene voorzieningen, maar ook in
                                behandeling uit de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.
                                Als deze oplossingen adequaat en beschikbaar zijn is er geen
                                noodzaak voor een maatwerkvoorziening HH.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Gebruikelijke hulp</titel></kop><al>Het is van belang de mogelijkheden van gebruikelijke hulp goed te
                                onderzoeken. Gebruikelijke hulp is de algemeen aanvaarde hulp die in
                                redelijkheid verwacht mag worden van partners, ouders, inwonende
                                kinderen of andere huisgenoten . Voor een ondersteuningsvraag bij
                                het huishouden betekent dit dat, als de hulpvrager huisgenoten heeft
                                in staat worden geacht het huishoudelijke werk over te kunnen nemen,
                                zij verondersteld worden dit ook te doen, eventueel door een
                                herverdeling van taken. </al><al/><al>Uitgangspunt is dat iedere volwassene een huishouden kan voeren, ook
                                mensen met een volledige baan of opleiding. Dit wordt gebruikelijke
                                hulp genoemd en de Centrale Raad van Beroep heeft sinds de wijziging
                                in de Wmo in 2010 bepaald dat hierbij uitgegaan mag worden van een
                                meerderjarige.</al><al>Gebruikelijke hulp gaat vóór andere activiteiten van
                                huisgenoten.</al><al/><al>De gemeente gaat na of de huisgenoot (huisgenoten) ook in staat zijn
                                om gebruikelijke hulp te bieden en of er sprake is van (dreigende)
                                overbelasting van deze persoon (personen).</al><al/><al>Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt om aan te geven of er
                                sprake is van (dreigende) overbelasting van degene die geacht wordt
                                de gebruikelijke hulp te verlenen. </al><al>Wanneer er geen sprake is van gebruikelijke hulp, dient te worden
                                bekeken of en in hoeverre het sociale netwerk dan wel algemene en
                                voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden. Bepaald moet
                                worden op welke resultaatgebieden aanvullende ondersteuning nodig
                                is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen.
                                Mantelzorg is die zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                                beroep wordt geboden aan een persoon met beperkingen. Mantelzorg
                                wordt gegeven door personen uit de directe omgeving van de cliënt
                                waarbij de zorg of hulpverlening direct voortvloeit uit de sociale
                                relatie. Bij mantelzorg wordt de normale, gebruikelijke hulp in
                                zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden.
                                Mantelzorg is gratis, vrijwillig en niet afdwingbaar. Dat wil zeggen
                                dat de mantelzorger bereid en in staat is deze zorg te leveren. De
                                aanwezigheid van een mantelzorger wordt wel meegewogen bij het
                                indicatiebesluit. </al><al/><al><onderstreept>Definitie mantelzorg</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>Meer dan 8 uur per week ondersteuning aan de persoon met
                                        beperkingen: </al></li><li nr="-"><al>Voor minimaal drie maanden aaneengesloten:</al></li><li nr="-"><al>De ondersteuning wordt gratis geboden op basis van de
                                        sociale relatie tussen mantelzorger en de persoon met
                                        beperkingen:</al></li><li nr="-"><al>Zonder deze ondersteuning zou de persoon met beperkingen een
                                        (groter) beroep moeten doen op professionele ondersteuning
                                    </al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>Op het moment dat de mantelzorger de zorg
                                                  verleent in het kader van een pgb dat verstrekt is
                                                  op grond</al><al>van de Wlz is hij/zij geen mantelzorger meer.
                                                  Hij/zij verricht de zorgtaken dan immers betaald.
                                                  De respijtzorg moet dan uit dit pgb betaald
                                                  worden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om aan te geven welke
                                voorzieningen mogelijk zijn in het kader van de Wmo en (dreigende)
                                overbelasting van de mantelzorger te onderzoeken en zo mogelijk te
                                voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Voorliggende voorzieningen</titel></kop><al>Bij de indicatiestelling gaat de gemeente uit van de beschikbaarheid
                                van voorliggende voorzieningen.</al><al>Voorbeelden van voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, gastouderopvang,
                                        buitenschoolse opvang);</al></li><li nr="-"><al>oppascentrale;</al></li><li nr="-"><al>alarmering;</al></li><li nr="-"><al>financieel-administratieve ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>vrijwilligershulp;</al></li><li nr="-"><al>maaltijddienst;</al></li><li nr="-"><al>honden uitlaatservice;</al></li><li nr="-"><al>klussenteam;</al></li><li nr="-"><al>boodschappendienst;</al></li><li nr="-"><al>technische hulpmiddelen, algemeen gebruikelijke
                                        huishoudelijke apparatuur;</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheid van de eerstelijns ergotherapie voor
                                        ergonomische consultatie bij het leren omgaan met
                                        hulpmiddelen/het reorganiseren van het huishouden.</al></li><li nr="-"><al>specifieke hulpmiddelen worden verstrekt vanuit de regeling
                                        hulpmiddelen. </al></li></lijst><al/><al>Hierbij moet wel steeds nagegaan worden of de persoon met
                                beperkingen ook concreet gebruik kan maken van deze voorzieningen.
                                Is dat niet het geval, dan is er ook geen sprake van een
                                voorliggende voorziening. Niet relevant is of men gebruik wil maken
                                van een voorliggende voorziening. Wel dient rekening gehouden te
                                worden met de vraag of de persoon met beperkingen deze voorzieningen
                                kan betalen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Algemene schoonmaakvoorziening</titel></kop><al>De algemene schoonmaakvoorziening wordt georganiseerd en geborgd
                                binnen een infrastructuur van allerlei zorg– en welzijnsdiensten.
                                Deze diensten zijn gericht op het zo lang mogelijk zelfstandig
                                blijven wonen. Het gaat om o.a. diensten die mensen ondersteunen
                                omdat zij bepaalde activiteiten zelf niet goed meer kunnen uitvoeren
                                of omdat men op zoek is naar gemak. Het gaat om huishoudelijk werk,
                                klussen in en om het huis, tuinonderhoud, boodschappendienst,
                                maaltijdvoorziening etc. Het diensten- en vrijwilligersaanbod van de
                                lokale welzijnsorganisaties kan hier ook onderdeel van uitmaken. Het
                                resultaat van de inzet van de diensten is dat het huishouden 'op
                                orde 'is, het effect is dat mensen (langer) hun zelfredzaamheid
                                kunnen behouden. </al><al/><al>Deze algemeen toegankelijke voorzieningen voor zorg- gemaks- en
                                welzijnsdiensten staan open voor alle inwoners van de gemeente en
                                wordt door mensen zelf betaald. Door het op deze manier te regelen
                                worden relatief goedkope oplossingen voor een brede doelgroep
                                bereikbaar. </al><al/><al>Voor cliënten met een inkomen lager dan 130% van de bijstandsnorm is
                                financieel maatwerk mogelijk via het minimabeleid (Bijzondere
                                bijstand). De klantmanager Wmo bespreekt dit met de cliënt. De
                                klantmanager Inkomen toetst of de cliënt aan de inkomensnorm
                                voldoet. </al><al/><al>Voor deze cliënten is bepaald dat de maximale vergoeding volstaat
                                voor 2,5 uur huishoudelijke hulp en zo nodig de vergoeding voor de
                                goedkoopste was- en strijkservice. De uitbetaling wordt rechtstreeks
                                aan BAR-Dichtbij gedaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Beoordeling adequate algemene voorziening of noodzaak
                                    maatwerkvoorziening</titel></kop><al>In het gesprek na de melding moet duidelijk worden wat de ervaren
                                problemen zijn in het voeren van het huishouden. Alle voorliggende
                                oplossingen van eigen mogelijkheden, inzet sociale netwerk,
                                vrijwilligers en gebruik van voorliggende gemaksdiensten worden
                                besproken. Als blijkt dat er sprake is van problemen in het
                                schoonmaken en/ of de wasverzorging moet beoordeeld worden of in
                                deze situatie de algemene schoonmaakvoorziening adequaat is.</al><al/><al>De algemene schoonmaakvoorziening is bedoeld voor de
                                resultaten:</al><lijst><li nr="-"><al>wonen in een schoon en leefbaar huis; </al></li><li nr="-"><al>kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                        kleding;</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Chronisch zieken en gehandicapten</onderstreept></al><al>Voor veel mensen met een verstandelijke, psychische of zintuigelijke
                                handicap zal op inhoudelijke gronden geen algemene
                                schoonmaakvoorziening maar de maatwerkvoorziening Persoonlijke
                                Dienstverlening geïndiceerd worden. Hun problemen met regievermogen
                                en/of niet kunnen zien zijn daarvoor leidend. Vooral de sociale
                                redzaamheid is belangrijk. Bij sociale redzaamheid is de cliënt in
                                staat tot: </al><lijst><li nr="-"><al>Dagelijkse routine regelen en dagelijkse bezigheden</al></li><li nr="-"><al>Initiëren en uitvoeren eenvoudige en complexe taken</al></li><li nr="-"><al>Problemen oplossen en besluiten nemen</al></li><li nr="-"><al>Kunnen lezen, schrijven en rekenen</al></li><li nr="-"><al>Zelf geld beheren en zelf administratieve zaken
                                        afhandelen</al></li><li nr="-"><al>Zich redden in winkels en het openbaar vervoer</al></li><li nr="-"><al>Begrijpen wat anderen zeggen en zichzelf begrijpelijk
                                        maken</al></li><li nr="-"><al>Een gesprek voeren, communicatiehulpmiddelen gebruiken</al></li></lijst><al/><al>Voor personen met lichamelijke problemen ligt de problematiek
                                meestal niet zozeer op het regievermogen, maar door het chronische
                                karakter van hun ziekte of aandoening kan het geheel aan problemen
                                groter zijn dan de som van alle delen. Oftewel, de problemen kunnen
                                elkaar zodanig versterken dat op inhoudelijke gronden geconcludeerd
                                kan worden dat 2,5 uur voor schoonmaken en/of een was- en
                                strijkservice niet volstaat. Daarmee komt ook deze chronisch zieke
                                cliënt in aanmerking voor maatwerk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Wel een algemene schoonmaakvoorziening</titel></kop><al>Beoordeeld moet worden of de cliënt met (tijdelijke) beperkingen in
                                staat is zelf de regie te voeren over het huishouden en/ of er geen
                                jonge kinderen tot het gezin behoren. In die situatie is de algemene
                                voorziening adequaat als het gaat om het schoonmaken van de woning
                                en /of de wasverzorging.</al><al>De cliënt kan zich melden bij het onafhankelijke platform
                                BAR-dichtbij, die de algemene schoonmaakvoorziening uitvoert. De
                                cliënt betaalt zelf de kosten die aan de huishoudelijke hulp
                                verbonden zijn, tenzij hij/zij deze kosten niet kan betalen. </al><al>Het wel of niet zelf kunnen betalen moet door de klantmanager
                                besproken worden.</al><al/><al><onderstreept>Client die de schoonmaakvoorziening wel kan betalen en
                                    gebruik wil maken van een tijdelijke kortingsregeling vanuit het
                                    Rijk</onderstreept></al><al>De cliënt ontvangt bij het onderzoeksrapport een besluitbrief,
                                waarin is opgenomen dat er geen reden is voor een aanvraagprocedure,
                                omdat hun problemen in het huishouden opgelost kunnen worden met de
                                algemene schoonmaakvoorziening via het onafhankelijke platform
                                BAR-dichtbij. In deze brief is opgenomen dat er een tijdelijke
                                financiële regeling is tot 1 jan 2017, die een korting op het tarief
                                voor schoonmaakvoorziening mogelijk maakt.</al><lijst><li nr="-"><al>de korting kan ingezet worden voor een schoon huis en/of de
                                        was- en strijkservice;</al></li><li nr="-"><al>in 2015 en 2016 geeft de brief recht op een gereduceerd
                                        uurtarief van € 10,00 per afgenomen uur en/of dienst; </al></li><li nr="-"><al>de korting is gemaximeerd tot 130 uur
                                        dienstverlening/jaar;</al></li><li nr="-"><al>aan dit maximum per jaar kunnen geen rechten worden
                                        ontleend.</al></li><li nr="-"><al>de brief een geldigheid heeft tot 1 januari 2017
                                        </al></li><li nr="-"><al>de toekenning is alleen mogelijk binnen het totale budget
                                        dat hiertoe door het rijk beschikbaar is gesteld. Wanneer
                                        dit budget overschreden wordt, gaat de toekenning in per het
                                        volgende kalenderjaar.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Procedure voor cliënt die de kosten niet kan
                                    betalen</onderstreept></al><al>Het mag niet zo zijn dat een laag inkomen betekent dat de algemene
                                voorziening niet toegankelijk is, omdat men deze voorziening niet
                                kan betalen. Inwoners die als gevolg van een beperking adequaat
                                geholpen zijn met de algemene voorziening maar aannemelijk kunnen
                                maken dat zij de kosten van deze ondersteuning financieel niet
                                kunnen dragen, komen in aanmerking voor financieel maatwerk. Zij
                                kunnen krijgen via de Bijzondere bijstand een persoonsvolgend budget
                                (pvb) aanvragen. </al><al/><al>Taak klantmanager Wmo:</al><lijst><li nr="-"><al>Voor de cliënt die aangeeft de algemene voorziening niet te
                                        kunnen betalen geeft de klantmanager tijdens het huisbezoek
                                        een aanvraagformulier voor Bijzondere bijstand aan de
                                        cliënt. De cliënt kan dit formulier na invulling naar de
                                        gemeente sturen. </al></li><li nr="-"><al>In het onderzoeksverslag vermeldt de klantmanager de
                                        uitkomst van een algemene schoonmaakvoorziening en het te
                                        behalen resultaat en het achterlaten van het
                                        aanvraagformulier bijzondere bijstand. </al></li><li nr="-"><al>De klantmanager meldt de cliënt voorlopig aan bij het
                                        onafhankelijke platform BAR-dichtbij met de daarvoor
                                        bestemde brief. In deze brief wordt vermeld voor welk
                                        resultaat door de cliënt een persoonsvolgend budget kan
                                        worden aangevraagd. </al></li><li nr="-"><al>De klantmanager vult in het GWS systeem een document in:
                                        Verwijzing pvb ten behoeve van HH. </al></li></lijst><al/><al>Taak klantmanager Inkomen:</al><lijst><li nr="-"><al>toetsen van het inkomen;</al></li><li nr="-"><al>bericht naar het onafhankelijke platform BAR-dichtbij over
                                        de uitkomst van de toets: toekenning van een persoonsvolgend
                                        budget voor 1 jaar OF afwijzing. </al></li></lijst><al/><al>Taak BAR-dichtbij:</al><lijst><li nr="-"><al>bewaakt de (voorlopige) meldingen in een systeem dat
                                        separaat is van de maatwerkopdrachten vanuit de Wmo;</al></li><li nr="-"><al>bemiddelt voor de huishoudelijke hulp bij een toekenning van
                                        het persoonsvolgend budget;</al></li><li nr="-"><al>bewaakt de termijn van het persoonsvolgend budget en
                                        attendeert de cliënt op tijdig opnieuw aanmelden bij de
                                        Wmo;</al></li><li nr="-"><al>bespreekt bij een afwijzing voor het pvb met de cliënt de
                                        wensen t.a.v. de resultaten en hun mogelijke bemiddeling
                                        voor de huishoudelijke hulp.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.2</nr><titel>Maatwerkvoorziening HH Persoonlijke Dienstverlening</titel></kop><al>Een maatwerkvoorziening HH is aan de orde als een cliënt niet de
                                regie over het dagelijkse leven kan voeren en/ of er jonge kinderen
                                tot het gezin behoren. </al><lijst><li nr="-"><al>Onder jonge kinderen worden kinderen t/m 12 jaar verstaan.
                                    </al></li><li nr="-"><al>Regieproblemen en het structureren van het dagelijkse leven
                                        is aan de orde als er problemen zijn in de sociale
                                        redzaamheid. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Bij sociale redzaamheid is de cliënt in staat tot:
                                    </onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>Dagelijkse routine regelen en dagelijkse bezigheden</al></li><li nr="-"><al>Initiëren en uitvoeren eenvoudige en complexe taken</al></li><li nr="-"><al>Problemen oplossen en besluiten nemen</al></li><li nr="-"><al>Kunnen lezen, schrijven en rekenen</al></li><li nr="-"><al>Zelf geld beheren en zelf administratieve zaken
                                        afhandelen</al></li><li nr="-"><al>Zich redden in winkels en het openbaar vervoer</al></li><li nr="-"><al>Begrijpen wat anderen zeggen en zichzelf begrijpelijk
                                        maken</al></li><li nr="-"><al>Een gesprek voeren, communicatiehulpmiddelen gebruiken</al></li></lijst><al/><al>Met name bij ouderen zien we vaak dat bijvoorbeeld de administratie
                                wordt overgenomen door de familie of het netwerk. Als een cliënt op
                                meerdere punten problemen heeft in de sociale redzaamheid is de
                                algemene schoonmaakvoorziening meestal geen adequate oplossing voor
                                het schoonmaakwerk en/of de wasverzorging. De klantmanager moet goed
                                doorvragen of met name de regievoering wordt overgenomen door
                                anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Resultaten</titel></kop><al>De resultaten die behaalt moeten worden in het huishouden van de
                                cliënt hangt af van de persoonskenmerken en persoonlijke
                                omstandigheden. Bij ieder te behalen resultaat beoordeelt de
                                klantmanager of een voorliggende oplossing voor het probleem
                                adequaat en beschikbaar is.</al><al>De maatwerkvoorziening HH kan afhankelijk van het maatwerk leiden
                                tot de volgende resultaten:</al><al/><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Een schoon en leefbaar
                                            huis</onderstreept><onderstreept>. </onderstreept></al></li></lijst><al>Het gaat hierbij om het stofzuigen van de woning, het soppen van
                                badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het
                                schoonhouden van de ruimten die onder de essentiële hygiëne vallen.
                                Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een
                                woonkamer, de aanwezige gebruikte slaapkamers, de keuken en de
                                sanitaire ruimten. Ook een balkon of eventuele berging die
                                daadwerkelijk in gebruik is, zal meegenomen worden. Meer specifiek:
                                die ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Het gaat
                                hierbij om het droog, nat, schoon en stofvrij maken en houden van de
                                woning. Het reinigen van de ramen aan de buitenkant valt niet onder
                                de ondersteuningsplicht, omdat daarvoor een algemeen gebruikelijke
                                voorziening bestaat: de glazenwasser. Uitgangspunt is de omvang van
                                een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Dit uitgangspunt is
                                niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te stellen naar boven of
                                naar beneden wanneer persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk
                                maken hiervan af te wijken (maatwerk). Denk bijvoorbeeld aan een
                                cliënt die afhankelijk is van een binnen-buitenrolstoel en de woning
                                daardoor meer vervuilt door het binnenrijden van vuil en blad. Denk
                                bijvoorbeeld aan een cliënt met ernstige incontinentie waarbij
                                incontinentiemateriaal niet volstaat en het toilet vaker gereinigd
                                moet worden. Een cliënt kan met een (sterk) afwijkende vraag ten
                                aanzien van het onderdeel omvang sociale woningbouw geen extra hulp
                                afdwingen voor het meerdere boven het niveau sociale
                                woningbouw.</al><al/><lijst><li nr="2."><al><onderstreept>Beschikken over goederen voor primaire
                                            levensbehoeften</onderstreept></al></li></lijst><al>Een boodschappenservice die leidt tot het te bereiken resultaat is
                                voorliggend op een maatwerkvoorziening HH. Ook hoeven de
                                boodschappen niet perse door de cliënt zelf met hulp te worden
                                gedaan. Het gaat er om dat de boodschappen in huis komen. Voor het
                                in huis halen van de boodschappen is in de gemeente zowel een
                                boodschappenservice van de reguliere handel als een
                                vrijwilligersdienst beschikbaar. Als de cliënt of diens
                                vertegenwoordiger kan aantonen dat deze oplossingen niet adequaat
                                zijn kan het doen van de boodschappen een onderdeel zijn van de
                                maatwerkvoorziening HH, waarbij het uitgangspunt is: één maal in de
                                week boodschappen doen.</al><al>Ook het bereiden van maaltijden kan onder dit resultaat vallen. De
                                cliënt moet over de verschillende maaltijden door de dag heen kunnen
                                beschikken. Daarbij dient rekening te worden gehouden met medische
                                geïndiceerde diëten. Een maaltijdvoorziening (een kant- en klaar
                                maaltijd valt hier ook onder) is voorliggend op een
                                maatwerkvoorziening. Om te bepalen of een maaltijdvoorziening
                                adequaat is, zal ook gekeken moeten worden naar de
                                gezinssamenstelling. </al><al/><lijst><li nr="3."><al><onderstreept>Beschikken over schone, draagbare en
                                            doelmatige kleding</onderstreept></al></li></lijst><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn die tot het resultaat leiden,
                                is er geen ruimte voor een maatwerkvoorziening HH. Hierbij wordt
                                uiteraard gekeken of er wel sprake is van maatwerk. We spreken hier
                                uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het
                                uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden
                                (Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens,
                                theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken). Wat betreft de
                                kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten
                                aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te
                                worden gestreken. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee
                                worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal
                                gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke -
                                moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Voor
                                begeleiding bij het kopen van kleding kunnen vrijwilligers
                                ingeschakeld worden. </al><al/><lijst><li nr="4."><al><onderstreept>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot
                                            het gezin behoren</onderstreept></al></li></lijst><al>Het gaat hierbij om de dagelijkse zorg van kinderen die tot het
                                gezin behoren als een ouder met beperkingen dat zelf niet kan. Het
                                zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere
                                oplossingen gezocht moeten worden.</al><al>Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen,
                                bijvoorbeeld familie, sociale netwerk en alle vormen van opvang.
                                Voor hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers bestaat
                                er de ‘Home start B.A.R.”-voorziening. Voor- tussen- en naschoolse
                                Voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere
                                opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de cliënt
                                kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem, maken het
                                verstrekken van een maatwerkvoorziening HH onnodig. </al><al>De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de
                                ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken.
                                Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht
                                kan worden naar een permanente oplossing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Revalideren</titel></kop><al>Wanneer de aandoening en de beperkingen in het huishouden naar de
                                mening van de klantmanager onvoldoende duidelijk zijn moet
                                beoordeeld worden of er nog behandelmogelijkheden zijn. Ook is van
                                belang of de inzet van hulp bij het huishouden een anti revaliderend
                                effect kan hebben. Hiervoor is een medisch advies nodig omdat een
                                klantmanager geen medische gegevens mag opvragen en interpreteren.
                                De medisch adviseur vraagt informatie van de behandelaar en
                                beoordeelt een mogelijk anti revaliderend effect. </al><al>Als het medisch advies luidt dat hulp bij het huishouden
                                noodzakelijk is om deelname aan het behandeltraject mogelijk te
                                maken kan in principe een tijdelijke indicatie met korte
                                geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het revalidatietraject,
                                afgegeven worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Verstrekking Persoonlijke Dienstverlening in natura</titel></kop><al>Indien persoonlijke dienstverlening voorziening nodig blijkt, wordt
                                de cliënt aangemeld bij de intermediair BAR-Dichtbij. De cliënt en
                                de intermediair/dienstverlener bepalen samen de benodigde
                                activiteiten om het resultaat te bereiken en de wijze waarop deze
                                activiteiten worden uitgevoerd. De zorgaanbieder/dienstverlener
                                bepaalt de benodigde inzet, op basis van de eigen mogelijkheden van
                                de burger (en zijn omgeving), en/of collectieve of technologische
                                voorzieningen en/of inzet van de dienstverlener wordt de
                                ondersteuning gerealiseerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>Verstrekking Persoonlijke Dienstverlening in persoonsgebonden
                                    budget</titel></kop><al>Ook bij een pgb wordt de indicatie voor de hulp bij het huishouden
                                op resultaat gesteld. De klantmanager bepaalt de benodigde inzet op
                                basis van normtijden per resultaat. </al><al>De in bijlage 3 aangegeven normtijden worden gehanteerd bij de
                                vaststelling van de resultaatgerichte inzet. Deze normtijden zijn
                                een afgeleide van de gemiddelde daadwerkelijk geleverde uren door
                                zorgaanbieders in natura <onderstreept>voor</onderstreept> invoering
                                van de resultaatgerichte indicering. Normering door de gemeente bij
                                de vaststelling van een pgb is nodig om een uitgangspunt te hebben
                                en lange discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor
                                bepaalde activiteiten.</al><al>De regels voor verstrekking maatwerkvoorziening HH in pgb zijn nader
                                uitgeschreven in artikel 5 van deze Beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.10</nr><titel>Geldigheid indicatie maatwerkvoorziening persoonlijke
                                    dienstverlening</titel></kop><al>Een indicatie voor persoonlijke dienstverlening wordt afgegeven voor
                                maximaal vijf jaar. De periode is afhankelijk van de situatie van de
                                persoon met beperkingen. Is de termijn verstreken en is er nog wel
                                hulp nodig, dan kan opnieuw een ondersteuningsvraag worden
                                ingediend. Dit is de verantwoordelijkheid van de cliënt of diens
                                vertegenwoordiger. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.11</nr><titel>Respijtzorg</titel></kop><al>De mantelzorg van de cliënt wordt meegenomen bij de indicatie van de
                                hulp bij het huishouden. Mantelzorg is niet verplicht en als de
                                mantelzorger aangeeft niet meer in staat te zijn om (tijdelijk) de
                                hulp te verlenen wordt beoordeeld welke situatie van toepassing
                                is:</al><al>Respijtzorg en spoed is nader uitgewerkt in artikel 4.2, 4.3 en in
                                het Besluit 2015</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.12</nr><titel>Het aanleren van de huishoudelijke activiteiten</titel></kop><al>Eerst wordt beoordeeld of er sprake is van gebruikelijke hulp of
                                oplossingen in het sociale netwerk en of de algemene
                                schoonmaakvoorziening een adequate oplossing biedt voor het probleem
                                in het huishouden. </al><al>Als ook de algemene schoonmaakvoorziening geen oplossing is, dan
                                moet de klantmanager duidelijk krijgen of de cliënt of de huisgenoot
                                de huishoudelijke taak kan aanleren. Eerst wordt gekeken of het
                                aanleren van huishoudelijke taken door personen uit het netwerk of
                                door vrijwilligers kan worden gedaan. Zijn deze personen niet bereid
                                en beschikbaar dan is een periode van zes weken voldoende om de
                                activiteiten aan te leren. Bij het aanleren van huishoudelijke taken
                                kan gebruik gemaakt worden van beeldschermcommunicatie. Als dit geen
                                adequate instructie biedt kan een indicatie voor Reguliere
                                Individuele Begeleiding afgegeven worden voor maximaal drie keer 30
                                minuten per week. Behoort ook het aanleren niet meer tot de
                                mogelijkheden, dan is een indicatie voor persoonlijke
                                dienstverlening mogelijk.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.13</nr><titel>Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Tijdelijke opname in een ziekenhuis of
                                            instelling </onderstreept></al></li></lijst><al>Is de cliënt tijdelijk opgenomen, dan wordt de huishoudelijke hulp
                                tijdelijk stopgezet zodra de cliënt is opgenomen. Ook bij tijdelijk
                                verblijf buiten Ridderkerk wordt de verstrekking tijdelijk
                                stopgezet. De indicatie blijft wel van kracht.</al><al/><lijst><li nr="2."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp bij CARA/COPD
                                        </onderstreept></al></li></lijst><al>Eerst wordt beoordeeld of de algemene schoonmaakvoorziening een
                                adequate oplossing biedt voor het probleem in het huishouden. Als
                                dit niet zo is dan is de eerste vraag bij CARA/COPD : is de woning
                                gesaneerd? Dit is een voorwaarde voor indicatie. Is de woning nog
                                niet gesaneerd, dan kan soms een kortdurende indicatie voor
                                persoonlijke dienstverlening worden gegeven, totdat een structurele
                                oplossing middels sanering is gevonden. </al><al/><lijst><li nr="3."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp bij korte
                                            levensverwachting</onderstreept></al></li></lijst><al>Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken
                                worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te
                                ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht.</al><al/><lijst><li nr="4."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp na overlijden van cliënt
                                            met achterblijvende partner</onderstreept></al></li></lijst><al>Als de cliënt op wiens naam de indicatie voor hulp bij het
                                huishouden is afgegeven en er is een achterblijvende partner, loopt
                                de geldende indicatie nog maximaal zes weken door. Het zal dan gaan
                                om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot
                                gebruikelijke hulp en mede op basis daarvan de overleden cliënt hulp
                                bij het huishouden heeft ontvangen. In die zes weken tijd kan de
                                melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden
                                om te beoordelen wat de ondersteuningsvraag van hem/ haar is. </al><al/><lijst><li nr="5."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp bij reorganisatie van een
                                            huishouding</onderstreept></al></li></lijst><al>Bij een acute crisis kan kortdurende persoonlijke dienstverlening
                                worden geïndiceerd. Dit is mogelijk als gebruikelijke hulp of het
                                inschakelen van algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen
                                een te grote belasting zijn. Bij een crisis kunnen we denken aan: </al><lijst><li nr="-"><al>acute praktische problemen, er moet
                                            <onderstreept>nu</onderstreept> iets gebeuren</al></li><li nr="-"><al>dreigende verwaarlozing van afhankelijke kinderen</al></li><li nr="-"><al>grote emotionele belasting, slechte prognose</al></li><li nr="-"><al>geen voorliggende of algemene voorzieningen feitelijk
                                        beschikbaar</al></li><li nr="-"><al>alternatieven zijn benoemd geprobeerd en niet
                                        beschikbaar</al></li></lijst><al>Meestal is ondersteuning gedurende een periode van zes weken
                                voldoende. Het ‘niet gewend zijn of niet willen’ is geen reden voor
                                voortzetting van een indicatie of voor herindicatie. </al><al/><lijst><li nr="6."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp in een gezin met een
                                            gehandicapt kind</onderstreept></al></li></lijst><al>Bij een melding voor ondersteuning van de verzorgende ouder(s) van
                                een gezin met een gehandicapt kind geldt, dat geïnventariseerd wordt
                                wat tot de gebruikelijke hulp behoort en of de algemene
                                schoonmaakvoorziening een oplossing kan bieden. Van belang is of op
                                naam van het gehandicapte kind een Wlz indicatie is afgegeven of kan
                                worden afgegeven, waarmee de ouders met gebruik van een Wlz
                                persoonsgebonden budget hulp kunnen inkopen. Als het kind zou kunnen
                                beschikken over een Wlz indicatie, vallen daar alle zorg en
                                hulp(middelen) voor het kind onder. Dan is er geen noodzaak voor
                                hulp bij het huishouden vanuit de Wmo. Bij overbelasting van de
                                verzorgende ouder(s), als zij mantelzorg verlenen moet altijd worden
                                besproken hoe de belasting teruggebracht kan worden en respijtzorg
                                mogelijk een tijdelijke oplossing biedt. </al><al/><lijst><li nr="7."><al><onderstreept>Ouderlijke zorgplicht bij
                                            echtscheiding</onderstreept></al></li></lijst><al>Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de
                                gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden. De
                                zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de
                                verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de
                                mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende
                                ouder. </al><al/><lijst><li nr="8."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp in een Wlz
                                            woonvorm</onderstreept></al></li></lijst><al>Alle huishoudelijke hulp voor personen die in een erkende Wlz
                                instelling wonen, bijvoorbeeld verpleeghuis of instelling voor
                                verstandelijk gehandicapten wordt gefinancierd vanuit de Wlz. Dit
                                geldt ook als de cliënt niet in een erkende Wlz instelling, maar in
                                een zogenoemd kleinschalige woonvorm woont. Deze kleinschalige
                                woonvorm wordt gefinancierd met een pgb van de Wlz.</al><al/><lijst><li nr="9."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp in een GGZ
                                            instelling</onderstreept></al></li></lijst><al>Alle huishoudelijke hulp voor personen die in een erkende GGZ
                                instelling behandeld worden, wordt gefinancierd vanuit de Zvw.</al><al/><lijst><li nr="10."><al><onderstreept>Huishoudelijke hulp in een Beschermd Wonen of
                                            maatschappelijke opvang</onderstreept></al></li></lijst><al>De gemeente is verantwoordelijk voor Beschermd Wonen en Opvang voor
                                personen met psychische problemen en/of gevaar voor veiligheid, die
                                zich (tijdelijk) niet kunnen handhaven in de samenleving</al><al>Centrumgemeente Rotterdam voert deze maatregelen uit voor de
                                gemeente Ridderkerk. Alle huishoudelijke hulp voor personen die
                                tijdelijk in deze woonvorm of opvang wonen, wordt door het Rijk
                                betaald aan de Centrumgemeente.</al><lijst><li nr="11."><al><onderstreept>Aanvullend Huishoudelijke hulp op basis van
                                            persoonlijke wensen</onderstreept></al></li></lijst><al>Cliënten met een geldende indicatie voor de maatwerkvoorziening HH
                                kunnen op basis van specifieke persoonlijke wensen, die buiten de
                                reikwijdte van de ondersteuningsplicht vallen, gebruik maken van een
                                tijdelijke kortingsregeling vanuit het Rijk.</al><al>Het gaat hier om de mogelijkheid om tegen een gereduceerd tarief
                                extra uren hulp van de algemene voorziening voor het huishouden in
                                te kopen in aanvulling op de afgesproken ondersteuning die de cliënt
                                ontvangt in het kader van de maatwerkvoorziening HH.</al><al>Cliënten die dat wensen kunnen zich met een geldende HH indicatie
                                via het onafhankelijke platform BAR-dichtbij wenden tot een
                                thuiszorgaanbieder van de algemene schoonmaakvoorziening. Het gaat
                                hier om een tijdelijke financiële regeling tot 1 jan 2017, die een
                                korting op het tarief voor schoonmaakvoorziening mogelijk
                                maakt.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>De korting kan ingezet worden voor huishoudelijke
                                                diensten in en om het huis;</al></li><li nr="-"><al>In aanvulling op de afgesproken ondersteuning kan
                                                tegen een gereduceerd tarief extra hulp worden
                                                ingekocht gericht op specifieke persoonlijke wensen.
                                                Het gaat hier om een gereduceerd tarief van € 6,50
                                                per afgenomen uur en/of dienst;</al></li><li nr="-"><al>De korting is gemaximeerd tot 52 uur
                                                dienstverlening/jaar;</al></li><li nr="-"><al>Aan dit maximum per jaar kunnen geen rechten worden
                                                ontleend;</al></li><li nr="-"><al>Het gereduceerde tarief van € 6,50 voor klanten met
                                                een HH indicatie, heeft vooralsnog een geldigheid
                                                tot 1 januari 2016;</al></li><li nr="-"><al>De toekenning is alleen mogelijk binnen het totale
                                                budget dat hiertoe door het Rijk beschikbaar is
                                                gesteld. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.14</nr><titel>Borging van de hulp bij het huishouden voor bestaande
                                    cliënten in 2015 en daarna</titel></kop><al>Vanaf 1 juli 2014 zijn alle huidige cliënten resultaatgericht
                                geïndiceerd, zowel voor de schoonmaakvoorziening als de persoonlijke
                                dienstverlening. De geldigheid van deze indicaties zijn in de
                                beschikking over het algemeen afgegeven voor een periode van 1 tot 5
                                jaar. Cliënten met indicaties die afgegeven zijn vóór 1 januari 2015
                                houden hun rechten op basis van dit besluit gedurende de periode van
                                geldigheid van de indicatie. Bij het verlopen van de huidige
                                indicatie en/ of het aanvragen van een herindicatie geldt de Wmo
                                2015 en het gemeentelijk beleid van 2015.</al><al>De nieuwe regels zijn direct van toepassing voor nieuwe cliënten.
                            </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>8.</nr><titel>Begeleiding (BG)</titel></kop><structuurtekst><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor
                                de begeleiding van personen die
                                    <onderstreept>extramuraa</onderstreept>l wonen. </al><al>Extramuraal betekent wonen in de eigen leefomgeving, al dan niet in
                                gezinsverband. Dit kunnen ook de zogenoemde zorgmijders zijn. </al><al/><al>Het gaat om begeleiding van personen die beperkingen hebben in de
                                regievoering en het structureren van het dagelijkse leven en
                                daardoor een tekort hebben in zelfredzaamheid en participatie.</al><al>Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de doelgroep, die
                                zich niet zelfstandig kan handhaven in de samenleving, hetzij door
                                psychische en/of psychosociale problemen, hetzij door geweld en in
                                verband met hun veiligheid. Zij maken gebruik van instellingen voor
                                Beschermd Wonen, Maatschappelijke opvang en Vrouwenopvang. Deze
                                begeleiding vindt plaats in de opvanginstellingen in de
                                Centrumgemeente Rotterdam. (zie verder artikel 15)</al><al/><al>Intramuraal betekent wonen in een instelling die gefinancierd wordt
                                onder de Wet langdurige zorg (Wlz) zoals een verpleeghuis of
                                instelling voor verstandelijk- of lichamelijk gehandicapten. Het kan
                                ook gaan om een instelling die gefinancierd wordt onder de
                                Zorgverzekeringswet (Zvw), zoals een psychiatrisch ziekenhuis of een
                                revalidatiecentrum. </al><al/><al>De cliëntondersteuner of leden van het sociale wijkteam bekijken
                                samen met de cliënt of de benodigde begeleiding binnen het eigen
                                netwerk opgevangen kan worden. Als dat niet het geval is wordt
                                bekeken of er binnen de gemeente inloop- dan wel
                                welzijnsvoorzieningen zijn, die een adequate oplossing bieden. Als
                                voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen er niet of in
                                onvoldoende mate adequaat zijn wordt er een Wmo melding gedaan.
                            </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Doelgroep voor Begeleiding </titel></kop><al>Het gaat om cliënten met beperkingen op het terrein van:</al><lijst><li nr="-"><al>de sociale redzaamheid;</al></li><li nr="-"><al>het bewegen en verplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het psychisch functioneren;</al></li><li nr="-"><al>het geheugen en de oriëntatie, of;</al></li><li nr="-"><al>die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.</al></li></lijst><al/><al>Het betreft cliënten waarbij het niet mogelijk is de beperkingen te
                                genezen of te verbeteren, en het ook niet mogelijk is de cliënt zo
                                met de gevolgen van die beperkingen om te leren gaan dat hij
                                zelfstandig kan functioneren. Het gaat daarbij om het overnemen van
                                verloren functionaliteit.</al><al/><al>De oorzaak van de problematiek kan gelegen zijn in alle grondslagen,
                                nl met een ziekte, lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke
                                handicap, psychogeriatrische of psychiatrische of een
                                multi-probleemsituatie </al><al/><al>Bij multi-probleem situaties is sprake van ontregeling op meerdere
                                gebieden, namelijk ADL, huishouden, sociale contacten,
                                opvoedingsondersteuning, financiën en/of dagbesteding. Bij
                                multi-probleem situaties zien we combinatie van meerdere factoren
                                zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>problemen met inkomensbesteding en administratie;</al></li><li nr="-"><al>problemen met handelingen in het dagelijks leven, dagelijkse
                                        routine;</al></li><li nr="-"><al>opvoedingsproblemen;</al></li><li nr="-"><al>psychiatrische- , psychogeriatrische problemen of
                                        verstandelijke beperking;</al></li><li nr="-"><al>verslavingsproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(relatie) problemen binnen of buiten het gezin (bijvoorbeeld
                                        een echtscheiding of huiselijk geweld).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Mate van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie
                                </titel></kop><al>De mate van beperkingen van de cliënt worden beoordeeld met behulp
                                van de Zelfredzaamheid Matrix (ZRM). Dit hulpmiddel is ondersteunend
                                om te kunnen beoordelen of de cliënt gezien zijn/ haar beperkingen
                                een oplossing kan vinden in voorliggende en algemene voorzieningen
                                of dat er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. </al><al>We kennen onderscheid in lichte, matig en zware beperkingen.</al><al/><al><onderstreept>Lichte beperkingen</onderstreept>houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de
                                dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere
                                activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat
                                zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en
                                zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van
                                sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk,
                                is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk
                                en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en
                                er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.</al><al/><al>Om die reden zijn voorliggende voorzieningen, zoals welzijnswerk,
                                MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk,
                                mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc.
                                meestal adequaat om deze personen een steuntje in de rug te geven
                                waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving. </al><al/><al><onderstreept>Matige beperkingen</onderstreept>houden in dat het oplossen van problemen, het
                                zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse
                                bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme)
                                voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe
                                zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp.</al><al>De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet
                                goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet
                                voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van BG kan
                                leiden tot verwaarlozing/opname.</al><al/><al><onderstreept>Zware beperkingen</onderstreept>houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten
                                worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en
                                communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen
                                oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten
                                zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor
                                de dag structuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk
                                van de hulp van anderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Problematiek </titel></kop><al><onderstreept>Aspecten van sociale redzaamheid::
                                </onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>Dagelijkse routine regelen en dagelijkse bezigheden</al></li><li nr="-"><al>Initiëren en uitvoeren eenvoudige en complexe taken</al></li><li nr="-"><al>Problemen oplossen en besluiten nemen</al></li><li nr="-"><al>Kunnen lezen, schrijven en rekenen</al></li><li nr="-"><al>Zelf geld beheren en zelf administratieve zaken
                                        afhandelen</al></li><li nr="-"><al>Zich redden in winkels en het openbaar vervoer</al></li><li nr="-"><al>Begrijpen wat anderen zeggen en zichzelf begrijpelijk
                                        maken</al></li><li nr="-"><al>Een gesprek voeren, communicatiehulpmiddelen gebruiken</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Aspecten psychisch functioneren</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>concentratie;</al></li><li nr="-"><al>geheugen en denken;</al></li><li nr="-"><al>oriëntatie in persoon;</al></li><li nr="-"><al>oriëntatie in ruimte;</al></li><li nr="-"><al>oriëntatie in tijd;</al></li><li nr="-"><al>oriëntatie naar plaats.</al></li><li nr="-"><al>perceptie van omgeving.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Aspecten Probleemgedrag</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander,
                                        zowel letterlijk als figuurlijk);</al></li><li nr="-"><al>dwangmatig gedrag;</al></li><li nr="-"><al>lichamelijk agressief gedrag;</al></li><li nr="-"><al>manipulatief gedrag;</al></li><li nr="-"><al>verbaal agressief gedrag;</al></li><li nr="-"><al>zelf verwondend of zelf beschadigend gedrag;</al></li><li nr="-"><al>grensoverschrijdend seksueel gedrag.</al></li></lijst><al>De objectivering van ernstige gedragsproblematiek vindt plaats op
                                basis van informatie van ter zake deskundige behandelaars en/of
                                begeleiders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Doel van begeleiding </titel></kop><al>De activiteiten zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie
                                van de zelfredzaamheid en participatie en heeft ook tot doel opname
                                in een instelling of verwaarlozing van de cliënt te voorkomen</al><al>De activiteiten kunnen bestaan uit het:</al><lijst><li nr="-"><al>ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen;
                                        en/of</al></li><li nr="-"><al>ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur
                                        of het voeren van regie, en/of</al></li><li nr="-"><al>overnemen van toezicht op de cliënt</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Ondersteunen bij of oefenen </titel></kop><al>Begeleiding moet methodisch en doelmatig aan de cliënt geboden
                                worden. In het geval van het oefenen van activiteiten die de
                                zelfredzaamheid en participatie bevorderen moet de cliënt dus
                                gemotiveerd zijn om te oefenen en hij/ zij moet leerbaar zijn.</al><al>Als de cliënt zelf niet aan deze voorwaarden kan voldoen, kan ook de
                                mantelzorg in de directe omgeving en/of de gebruikelijke zorger van
                                de cliënt aan die motiveringseis voldoen. Begeleiding kan ook tot
                                doel hebben dat de mantelzorger of gebruikelijke zorger beter in
                                staat is de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te
                                bevorderen.</al><al/><al>Oefenen is aan de orde in de zin van ‘inslijten’ van
                                vaardigheden/handelingen en gedrag al wel zijn aangeleerd maar nog
                                niet geautomatiseerd zijn. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van
                                beeldschermcommunicatie. Oefenen kan ook aan de orde zijn wanneer de
                                beperkingen als een gegeven worden beschouwd en ‘onderhoud’
                                noodzakelijk is van praktische vaardigheden en gedrag. Het gaat dan
                                bijvoorbeeld om personen met beperkingen die vertraagd leren,
                                waarvoor om die reden zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing
                                biedt. Er kan geen indicatie voor ‘oefenen’ worden gesteld wanneer
                                het oefenen deel uitmaakt van een Zvw-behandeltraject en/of tot de
                                gebruikelijke hulp behoort</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.2</nr><titel>Overnemen van toezicht </titel></kop><al>Toezicht op de cliënt kan worden overgenomen als het gaat om het
                                aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis; thuis of
                                bijvoorbeeld tijdens de dagbesteding. Toezicht kan ook aan de orde
                                zijn als tijdig in gegrepen moet kunnen worden bij bijvoorbeeld
                                gevaar voor de cliënt of diens omgeving.</al><al>Toezicht in de vorm van Begeleiding bij kinderen is toezicht dat
                                nodig is vanwege de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van het
                                kind en is altijd aanvullend op gebruikelijk ouderlijk
                                toezicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Vormen van Begeleiding </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Reguliere Individuele begeleiding.</al></li><li nr="2."><al>Begeleiding en/of instructie bij persoonlijke
                                        verzorging</al></li><li nr="3."><al>Gespecialiseerde Individuele begeleiding</al></li><li nr="4."><al>Reguliere Dagbesteding Groep</al></li><li nr="5."><al>Gespecialiseerde Dagbesteding Groep</al></li></lijst><al/><al>Of de cliënt is aangewezen op individuele begeleiding of
                                dagbesteding groep wordt bepaald door het resultaat dat bereikt moet
                                worden. Als het doel van beide vormen van begeleiding
                                zorginhoudelijk hetzelfde is, wordt gekeken wat het meest doelmatig
                                is. Als hetzelfde doel wordt beoogd wordt is dagbesteding
                                voorliggend op individuele begeleiding. Bijvoorbeeld als het gaat om
                                het bieden van dagstructuur en of toezicht is dagbesteding
                                goedkoopst adequaat. </al><al/><al>Of de cliënt is aangewezen op reguliere of gespecialiseerde
                                begeleiding of gespecialiseerde dagbesteding wordt bepaald door met
                                name de complexiteit van de cliënt kenmerken of een specifieke
                                doelgroep. Cliënten met niet aangeboren hersenletsel (NAH), personen
                                met ernstige gedragsproblematiek en bijvoorbeeld de doelgroep blind
                                en slechtziend zullen in een gespecialiseerde setting adequater
                                ondersteund kunnen worden.</al><al/><al>Combinatie is mogelijk. Op basis van het zorgdoel kan ook een
                                combinatie van Individuele begeleiding en Dagbesteding Groep voor de
                                cliënt noodzakelijk zijn Bij de indicatiestelling wordt er rekening
                                mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van
                                de dag kunnen plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.1</nr><titel>Reguliere Individuele begeleiding </titel></kop><al>Het gaat hierbij om begeleiding die in de thuissituatie wordt
                                geboden, als de ondersteuningsbehoefte bijvoorbeeld bestaat uit een
                                of meerdere keren per week ondersteuning bij het doornemen van de
                                dag- of weekstructuur; organisatie en planning. Bezien kan worden of
                                beeldschermcommunicatie een adequate vorm is. Begeleiding van de
                                mantelzorger om de geleverde zorg adequaat te kunnen bieden, zoals
                                bij de zorg om een thuiswonend verstandelijk gehandicapt kind. </al><al>Ook als er medische contra-indicatie is voor dagbesteding Groep,
                                zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen kunnen er
                                activiteiten in de vorm van individuele begeleiding worden
                                geïndiceerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.2</nr><titel>Begeleiding en/of instructie bij persoonlijke verzorging
                                </titel></kop><al>De persoonlijke verzorging die lijfgebonden is, valt onder de
                                Zorgverzekering. Het gaat hier om daadwerkelijke hulp bij wassen,
                                aankleden, tand en haar verzorging en persoonlijke hygiëne bij
                                toiletbezoek. Oftewel: handen aan de cliënt. </al><al>Om in aanmerking voor ondersteuning bij persoonlijke verzorging
                                vanuit de Wmo in aanmerking te komen is het van belang dat de
                                ondersteuner de handen “ op de rug heeft”. De cliënt kan fysiek
                                gezien zelf de handelingen verrichten, maar heeft mondelinge
                                aansturing nodig in bijvoorbeeld de volgorde van handelingen of het
                                aantrekken van doelmatige kleding. Hier kan beelschermcommunicatie
                                een adequate vorm bieden, bijvoorbeeld bij het oefenen van de eerder
                                aangeleerde handelingen. Ook kan het gaan om het aanleren van de
                                handelingen en de cliënt na de instructieperiode in staat is zich
                                zelf te redden bij de persoonlijke verzorging. In deze laatste
                                situatie zal altijd sprake zijn van een tijdelijke indicatie,
                                waarbij het tempo waarin de cliënt kan leren leidend zal zijn. Om
                                dit te kunnen beoordelen is vaak informatie van de sociale omgeving
                                of professionals nodig. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.3</nr><titel>Gespecialiseerde Individuele begeleiding </titel></kop><al>Het gaat hierbij om begeleiding die in de thuissituatie wordt
                                geboden, als de ondersteuningsbehoefte bijvoorbeeld bestaat uit een
                                of meerdere keren per week ondersteuning bij het doornemen van de
                                dag- of weekstructuur; organisatie en planning. Het gaat dan om
                                cliënten met problematiek waarvoor specifieke deskundigheid nodig
                                is. Hierbij valt te denken aan cliënten met ernstige
                                gedragsproblemen, zogenaamde zorgmijders en cliënten met niet
                                aangeboren hersenletsel (NAH). </al><al>Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het
                                college de landelijke raamovereenkomst voor de grondslag
                                zintuiglijke handicap aangenomen. Deze specialistische individuele
                                begeleiding wordt uitsluitend in natura verstrekt. </al><al>Ook als er medische contra-indicatie zoals infectiegevaar of
                                ernstige energetische beperkingen. is voor Dagbesteding Groep,
                                kunnen er activiteiten in de vorm van gespecialiseerde individuele
                                begeleiding worden geïndiceerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.4</nr><titel>Reguliere Dagbesteding Groep </titel></kop><al>Hierbij gaat het met name om het bieden van dagstructuur aan de
                                cliënt. Het zorgdoel is leidend voor de begeleiding en de omvang van
                                de begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. </al><al>De dagactiviteiten in groepsverband moeten programmatisch/
                                methodisch zijn. Ze zijn gericht op het structureren van de dag, op
                                praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de
                                zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt een structurele
                                tijdsbesteding in met een welomschreven doel waarbij de cliënt
                                actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent.</al><al/><al><onderstreept>Vervanging van school of werk</onderstreept></al><al>Het kan gaan om het bieden van een dagprogramma met als doel werk of
                                school te vervangen gedurende maximaal negen dagdelen per week. Het
                                gaat dan om de cliënten voor wie school of werk in de brede zin van
                                het woord niet mogelijk is. Hierbij moet aansluiting op de
                                Participatiewet worden gezocht. Als de cliënt op grond van de
                                Participatiewet kan deelnemen aan werk, vrijwilligerswerk en/ of
                                participatietrajecten en zo kan deelnemen aan de samenleving gaat
                                dit voor op een Wmo maatwerkvoorziening. </al><al>Is deelnemen aan de maatschappij op grond van de Participatiewet
                                niet mogelijk dan moet het aantal dagdelen dagbesteding vastgesteld
                                worden. In de AWBZ werd veelal een omvang van 9 dagdelen per week
                                geïndiceerd voor deze doelgroep. In de Wmo is maatwerk van belang.
                                De behoeften en kenmerken van de cliënt en de mogelijkheden van het
                                sociale netwerk om dagdelen op te vangen zijn leidend voor de omvang
                                van de dagbesteding. Als er geen andere mogelijkheden zijn is het
                                maximum 9 dagdelen. </al><al/><al><onderstreept>Dagbesteding voor ouderen</onderstreept></al><al>Dagbesteding voor ouderen wordt vaak aangevraagd vanuit eenzaamheid,
                                een beginfase van dementie en een gebrek aan mobiliteit. </al><al>Het sociale wijkteam heeft hierin een belangrijke rol. Zij kunnen
                                actief op zoek gaan naar de ouderen in de wijk en samen met hen
                                bespreken wat hun behoefte is om deze problemen op te lossen.
                                Besproken wordt of zij gebruik kunnen maken van voorliggende
                                voorzieningen of algemene voorzieningen. Denk hierbij aan
                                activiteiten op wijkniveau, buurthuiswerk, inloopcentra etc. Als dit
                                geen oplossing kan bieden is Reguliere Dagbesteding Groep mogelijk
                                voor 1 of 2 dagdelen per week.</al><al/><al><onderstreept>Dagbesteding als Respijtzorg</onderstreept></al><al>Respijtzorg en spoed is nader uitgewerkt in artikel 4.2 en 4.3.</al><al>Tijdelijke voorzienbare respijtzorg is mogelijk voor maximaal vier
                                weken en wordt alleen in natura verstrekt.</al><al>Langdurende respijtzorg: voor de cliënt en de mantelzorger is het
                                van groot belang dat de zorg voor de persoon met regie- en
                                structuurproblemen volgehouden kan worden. Met name voortdurend
                                toezicht houden op de partner of het familielid vraagt het uiterste
                                van de mantelzorger. De mantelzorger kan altijd een beroep doen op
                                mantelzorgondersteuning. Het sociale wijkteam heeft hierin ook een
                                belangrijke rol. Zij kunnen actief op zoek gaan naar mantelzorgers
                                in de wijk en samen met hen bespreken wat hij/ zij wel goed kunnen
                                volhouden en welke ondersteuning hieraan kan bijdragen. Belangrijk
                                is om te onderzoeken of een algemene voorziening een oplossing kan
                                bieden. Zo niet, dan kan reguliere dagbesteding een mogelijkheid
                                zijn, om de belasting van de mantelzorger te verminderen. </al><al/><al>Op het moment dat de mantelzorger de zorg verleent in het kader van
                                een pgb dat verstrekt is op grond</al><al>van de Wlz is hij/zij geen mantelzorger meer. Hij/zij verricht de
                                zorgtaken dan immers betaald.</al><al>De respijtzorg moet dan uit dit pgb betaald worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.5</nr><titel>Gespecialiseerde Dagbesteding Groep </titel></kop><al>Hierbij gaat het om het bieden van dagstructuur en/ of toezicht aan
                                de cliënt, waarvoor een specifieke deskundigheid is vereist. Ook
                                hierbij is het zorgdoel leidend voor de begeleiding en de omvang van
                                de gespecialiseerde begeleiding die op de dagbesteding wordt
                                geboden. Hierbij valt te denken aan cliënten met ernstige
                                gedragsproblemen, complexe fysieke beperkingen en cliënten met niet
                                aangeboren hersenletsel (NAH).</al><al>Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het
                                college de landelijke raamovereenkomst voor de grondslag
                                zintuiglijke handicap aangenomen. Deze specialistische dagbesteding
                                groep wordt uitsluitend in natura verstrekt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Onderscheid Dagbesteding Groep en Verblijf Kortdurend
                                </titel></kop><al>In die situaties waarbij een indicatie wordt gevraagd voor meer dan
                                twee dagdelen per etmaal, omdat de cliënt een langere periode,
                                bijvoorbeeld ook de nacht in de instelling wordt opgevangen (de
                                cliënt komt in de middag aan en vertrekt in de loop van de volgende
                                ochtend), dan is een etmaal Kortdurend Verblijf aangewezen. Dit kan
                                m.n. aan de orde zijn als vorm van respijtzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.7</nr><titel>Verstrekking Begeleiding in natura </titel></kop><al>De gemeente heeft met zorgaanbieders contracten afgesloten voor het
                                leveren van begeleiding individueel en dagbesteding groep, zowel
                                regulier als gespecialiseerd en ondersteuning bij persoonlijke
                                verzorging. Bij een positieve indicatie voor de maatwerkvoorziening
                                Begeleiding meldt de klantmanager de cliënt aan bij de zorgaanbieder
                                naar keuze van de cliënt. In deze melding worden naast de NAW
                                gegevens opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>grondslag voor de begeleiding</al></li><li nr="-"><al>soort begeleiding</al></li><li nr="-"><al>omvang in uren of dagdelen</al></li><li nr="-"><al>ingangsdatum besluit</al></li><li nr="-"><al>einddatum geldigheid indicatie</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.8</nr><titel>Verstrekking Begeleiding in pgb </titel></kop><al>De regels voor verstrekking maatwerkvoorziening BG in pgb zijn nader
                                uitgeschreven in artikel 5 van deze Beleidsregels. Het ligt niet
                                voor de hand dat een pgb voor personen met regieproblematiek,
                                problemen in het organiseren en plannen een adequate wijze van
                                verstrekking is. Vaak zal dan ook de <onderstreept>wettelijk
                                </onderstreept>vertegenwoordiger van de cliënt in de verplichtingen
                                rond een pgb een belangrijke rol in spelen. Met het pgb kan de
                                begeleiding, zowel individueel als dagbesteding ingekocht worden bij
                                een zorgaanbieder. Uitgangspunt is dat voor begeleiding voor de
                                doelgroepen die binnen de Wmo vallen een bepaalde mate van
                                deskundigheid is vereist. </al><al>In bijzondere gevallen kan het pgb ook besteed worden aan informele
                                zorg. Dan gaat het om situaties waarin op niet planbare momenten
                                begeleiding nodig is en niet gewacht kan worden tot de medewerker
                                van de zorgaanbieder aanwezig kan zijn. Het gaat dan om begeleiding
                                die gedurende 24 uur per dag niet planbaar is. Dit moet duidelijk
                                gemotiveerd in het ondersteuningsplan opgenomen zijn.</al><al/><al>Wat wel een aandachtspunt hierbij is om te onderzoeken of deze
                                cliënt ook beschikt of zou kunnen beschikken over een Wlz indicatie.
                                Als dat zo is dan is die zorg voorliggend en is er geen noodzaak
                                voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Alle begeleiding
                                kan dan met het Wlz pgb worden ingekocht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.9</nr><titel>Overgangsrecht voor bestaande cliënten AWBZ </titel></kop><al>Om cliënten en gemeenten tegemoet te komen heeft de Rijksoverheid
                                een overgangsrecht bepaald voor bestaande cliënten met een
                                AWBZ-indicatie die doorloopt na 31 december 2014 </al><lijst><li nr="-"><al>Cliënten waarvan de AWBZ indicatie BG na 31 december 2014 en
                                        tot na 1 januari 2016 doorloopt, houden hun begeleiding tot
                                        1 januari 2016, tenzij de gemeente de cliënt voor die tijd
                                        een gelijkwaardig arrangement kan bieden. In de loop van
                                        2015 wordt een heronderzoek uitgevoerd voor de cliënten.
                                    </al></li><li nr="-"><al>Cliënten waarvan de AWBZ indicatie BG in 2015 afloopt,
                                        houden hun begeleiding tot de datum van de geldigheid van
                                        hun huidige indicatie in 2015. Het heronderzoek wordt
                                        uitgevoerd vóór de datum waarop de AWBZ-indicatie afloopt.
                                        Op het moment van herindicatie worden zij geïndiceerd
                                        volgens de Wmo 2015 en het beleid 2015 van de gemeente
                                        Ridderkerk;</al></li></lijst><al>Een uitzondering geldt voor de indicaties die vóór 1 maart 2015
                                aflopen. Voor deze cliënten loopt de indicatie door tot 1 maart en
                                zal voor die datum een heronderzoek plaatsvinden.</al><al/><al>Voor nieuwe cliënten na 31 december 2014 geldt de Wmo 2015 en het
                                beleid 2015 van de gemeente Ridderkerk </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.10</nr><titel>Vervoer van en naar dagbesteding </titel></kop><al>Als de cliënt dagbesteding op een andere locatie dan zijn woonadres
                                ontvangt of zal ontvangen moet beoordeeld worden of de cliënt in
                                staat is op eigen kracht naar deze dagbesteding te gaan.
                                Bijvoorbeeld met het openbaar vervoer, met de fiets, de bromfiets of
                                scooter, met hulp van huisgenoten of het sociale netwerk. </al><al>Als de cliënt in staat is om te leren met het openbaar vervoer te
                                gaan, kan dit aanleren onder de noemer individuele begeleiding
                                geboden worden voor een beperkte tijd. Wel wordt eerst onderzocht of
                                personen uit het sociale netwerk de cliënt dit kunnen leren. Als er
                                geen mogelijkheid is tot zelfredzaamheid in het vervoer naar de
                                dagbesteding kan vervoer een onderdeel zijn van de Wmo
                                maatwerkvoorziening Dagbesteding Groep.</al><al>Het vervoer van en naar de dagbesteding wordt vergoed conform de
                                bedragen die opgenomen zijn in het Besluit 2015. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>9</nr><titel>Verblijf Kortdurend (VK)</titel></kop><structuurtekst><al>Verblijf was tot 1 januari 2015 een functie die onder de AWBZ
                                geregeld was. Met ingang van die datum is het langdurige en het
                                kortdurende verblijf ondergebracht in meerdere wetten. </al><al>· Langdurend verblijf valt onder de Wet langdurige zorg (Wlz); </al><al>· Verblijf dat gekoppeld is aan behandeling onder de
                                Zorgverzekeringswet (Zvw)</al><al> · Verblijf kortdurend, gericht op toezicht, begeleiding en
                                respijtzorg valt onder de Wmo. </al><al/><al>Verblijf wordt altijd in etmalen geïndiceerd en zo nodig kan ook het
                                vervoer naar en van het kortverblijfadres een onderdeel zijn van de
                                indicatie.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Indicatiecriteria </titel></kop><al>Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf vanuit de Wmo
                                moet worden voldaan aan <onderstreept>alle</onderstreept> hieronder
                                genoemde voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische,
                                        psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke
                                        aandoening of handicap;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt is aangewezen op zorg en ondersteuning die gepaard
                                        gaat met permanent toezicht;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een
                                        indicatie op grond van de Wlz of de Zvw;</al></li><li nr="d."><al>ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of
                                        mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Permanent toezicht </titel></kop><al>Het gaat hierbij om cliënten waarbij actieve observatie van de
                                hulpverlener noodzakelijk is om tijdig zorg, hulp en ondersteuning
                                te kunnen bieden en daarmee gevaar voor de cliënt en/of diens
                                omgeving te voorkomen. </al><al/><al><onderstreept>Op lichamelijke gronden</onderstreept></al><al>Als er hulp geboden moet worden, moet dat ook direct gebeuren
                                vanwege gevaar voor de cliënt als hij/zij zonder toezicht is.
                                Bijvoorbeeld een cliënt met niet goed instelbare epilepsie met een
                                risico om in het epileptisch insult te blijven steken (status
                                epilepticus); cliënten met ernstige longaandoeningen waarbij
                                zuurstoftekort dreigt; een kind waarbij de ouders actief de vitale
                                lichaamsfuncties van het kind moeten controleren. De dementerende
                                die wil gaan lopen en vergeten is dat hij dat fysiek gezien niet
                                meer kan. Het kan ook gaan om een cliënt die vanwege zijn
                                lichamelijke handicap dermate zware fysieke beperkingen heeft, dat
                                hij frequent hulp en begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van
                                allerlei dagelijkse activiteiten en niet zelf of met hulpmiddelen in
                                staat is om hulp in te roepen. Bij afwijkingen moet direct worden
                                ingegrepen </al><al>Dit zijn handelingen die in het dagelijkse leven door de
                                mantelzorger worden gedaan en die bij respijtzorg overgenomen moeten
                                worden. </al><al/><al><onderstreept>Op mentale gronden</onderstreept></al><al>Er bestaat een noodzaak om direct in te kunnen grijpen om gevaar
                                voor de cliënt of diens omgeving te voorkomen. Het gaat hierbij om
                                cliënten die geen regie of regieverlies hebben. Denk hierbij aan
                                cliënten met een verstandelijke handicap, een psychisch en/of
                                psychogeriatrisch probleem die niet zelf om hulp of zorg (kunnen)
                                vragen. De hulpverlener moet actief observeren, continu sturing en
                                structuur. Het kan ook gaan om het uitleggen van niet goed begrepen
                                situaties, zodat de cliënt hiermee kan omgaan. </al><al>Er zijn dan zowel beperkingen in de sociale redzaamheid als
                                stoornissen in de psychosociale functies zoals geheugen en denken,
                                concentratie, perceptie van de omgeving, motivatie of
                                probleemgedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Logeeropvang vanuit de Zorgverzekeringswet en of Wet
                                    langdurige zorg </titel></kop><al>Respijtzorg en spoed is nader uitgewerkt in artikel 4.2 en 4.3.</al><al>Veel ziektekostenverzekeringen hebben in hun (extra) aanvullende
                                verzekeringspolissen opgenomen dat er een maximaal bedrag per jaar
                                wordt vergoed aan respijtzorg. Dit wordt Vervangende mantelzorg in
                                huis genoemd. De aanvullende verzekering valt niet onder de
                                Zorgverzekeringswet en is hiermee ook geen wettelijk voorliggende
                                voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of
                                niet. </al><al>De klantmanager Wmo onderzoekt of de cliënt een dergelijke
                                ziektekostenpolis heeft en bespreekt of de vergoeding hieruit
                                volstaat voor de persoonskenmerken en behoeften. </al><al>De Collectieve Ziektekostenverzekering (CZM) die voor de minima in
                                de gemeente bij CZ is afgesloten bevat in de extra uitgebreid polis. </al><al>Op het moment dat de mantelzorger de zorg verleent in het kader van
                                een pgb dat verstrekt is op grond</al><al>van de Wlz is hij/zij geen mantelzorger meer. Hij/zij verricht de
                                zorgtaken dan immers betaald.</al><al>De respijtzorg moet dan uit dit pgb betaald worden.</al><al/><al>Tijdelijke voorzienbare respijtzorg in de Wmo is maximaal vier weken
                                mogelijk als maatwerkvoorziening en wordt alleen in natura
                                verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Verstrekking Verblijf Kortdurend in natura </titel></kop><al>De gemeente heeft met zorgaanbieders contracten afgesloten voor het
                                leveren van verblijf kortdurend. Bij een positieve indicatie voor de
                                maatwerkvoorziening Verblijf Kortdurend meldt de klantmanager de
                                cliënt aan bij de zorgaanbieder naar keuze van de cliënt. In deze
                                melding worden naast de NAW gegevens opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>grondslag voor het verblijf kortdurend </al></li><li nr="-"><al>omvang in etmalen per week of per maand</al></li><li nr="-"><al>ingangsdatum besluit</al></li><li nr="-"><al>einddatum geldigheid indicatie</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Verstrekking Verblijf Kortdurend in pgb </titel></kop><al>De regels voor verstrekking maatwerkvoorziening VK in pgb zijn nader
                                uitgeschreven in artikel 5 van deze Beleidsregels. Met het pgb kan
                                de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger zelf de logeeropvang
                                inkopen bij een zorginstelling. Uitgangspunt is dat voor Verblijf
                                    Kortdurendvoor de doelgroepen die binnen de Wmo
                                vallen een bepaalde mate van deskundigheid is vereist. </al><al>In bijzondere gevallen waarin de cliënt of diens wettelijk
                                vertegenwoordiger kan aantonen dat de noodzakelijk zorg en toezicht
                                niet door een gecontracteerde zorginstelling geboden kan worden, is
                                een pgb mogelijk voor verblijf kortdurend, anders dan in een
                                gecontracteerde instelling.</al><al/><al>Wat wel een aandachtspunt hierbij is om te onderzoeken of deze
                                cliënt ook beschikt of zou kunnen beschikken over een Wlz indicatie.
                                Als dat zo is, dan is die zorg voorliggend en is er geen noodzaak
                                voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ook verblijf
                                kortdurend kan dan met het Wlz pgb worden ingekocht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Vervoer van en naar adres Verblijf Kortdurend </titel></kop><al>Als de cliënt in verband met respijtzorg in aanmerking komt voor
                                logeeropvang moet beoordeeld worden of de mantelzorger of het eigen
                                netwerk in staat is om de cliënt naar het logeeradres te brengen en
                                ook weer op te halen. Als er geen mogelijkheid is tot
                                zelfredzaamheid in het vervoer naar het logeeradres kan vervoer een
                                onderdeel zijn van de Wmo maatwerkvoorziening Verblijf Kortdurend. </al><al>Het vervoer van en naar het logeeradres wordt vergoed conform de
                                bedragen die opgenomen zijn in het Besluit 2015. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>10</nr><titel>Woningaanpassingen </titel></kop><structuurtekst><al>Een persoon met beperkingen kan in zijn/haar woning belemmeringen
                                ervaren die voortvloeien uit zijn/haar beperkingen. Deze
                                belemmeringen kunnen zodanig zijn dat er geen sprake meer is van het
                                normaal kunnen gebruiken van de woning. De Wmo biedt inwoners van
                                Ridderkerk de mogelijkheid om na de melding en het onderzoek een
                                woningaanpassing aan te vragen. Een gedegen onderzoek naar alle
                                omstandigheden en (on) mogelijkheden van de cliënt is belangrijk om
                                te kunnen beoordelen of er voorliggend andere oplossingen, waaronder
                                verhuizen mogelijk en adequaat zijn. Als een woningaanpassing vanuit
                                de Wmo noodzakelijk is, kunnen de belemmeringen verminderd of
                                opgeheven worden.</al><al/><al>Ook bij een ondersteuningsvraag voor een woningaanpassing wordt
                                beoordeeld of de aanpassing van de woning vermijdbaar was. Ook zal
                                steeds beoordeeld moeten worden of de problemen in het normale
                                gebruik van de woning opgelost kunnen worden met gebruikelijke hulp,
                                het eigen netwerk, vrijwilligers, een algemeen gebruikelijke
                                voorziening of een algemene voorziening. Als dit niet mogelijk is
                                wordt de regel dat de gemeente de goedkoopst adequate voorziening
                                verstrekt toegepast. Er moet wel altijd een afweging worden gemaakt
                                waarbij alle relevante factoren, in onderling verband, worden
                                gewogen. </al><al/><al>Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of blijven wonen in de
                                huidige woning, al dan niet met aanpassingen of verhuizen een
                                oplossing is voor de ervaren belemmeringen in het gebruik van de
                                woning. </al><al/><al>De persoon met beperkingen moet medewerking verlenen aan het
                                bezoeken van de woning, als onderdeel van het indicatieproces. </al><al>Een weigering van een woningaanpassing is alleen mogelijk na een
                                onderzoek naar alle omstandigheden van de cliënt. Het kan zijn dat
                                in de specifieke situatie van de cliënt zwaarwegende redenen zijn om
                                af te wijken van de criteria. In dat geval moet er voorafgaand aan
                                het besluit overleg zijn met de senior Wmo en het afdelingshoofd. </al><al/><al>Roerende woonvoorzieningen vallen binnen de Wmo 2015 onder de
                                Hulpmiddelen. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 11.3.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Uitgangspunten </titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Iedere burger is verantwoordelijk voor het kunnen beschikken
                                        over woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>Er moet sprake zijn van aantoonbare beperkingen, die een
                                        causaal verband hebben met de ervaren belemmeringen in het
                                        normale gebruik van de woning;</al></li><li nr="c."><al>Van burgers mag verwacht worden dat zij in de verschillende
                                        levensfases hun woonsituatie aanpassen aan de vereisten in
                                        een bepaalde levensfase. Ook gezonde burgers verhuizen in de
                                        loop van hun leven een of meerdere keren omdat zij
                                        zelfstandig gaan wonen, gaan samenwonen, een gezin stichten
                                        of als de kinderen de deur uit zijn; </al></li><li nr="d."><al>Verwacht mag worden dat de woonkeuzes aansluiten bij de
                                        persoonlijke omstandigheden. Ook bij gezonde burgers spelen
                                        behalve de levensfase ook persoonlijke omstandigheden,
                                        wensen en financiële mogelijkheden een rol in hun woonkeuze;
                                    </al></li><li nr="e."><al>Van burgers mag verwacht worden dat zij bij het zoeken naar
                                        een andere woning uitkijken naar een woning die niet alleen
                                        op dat moment geschikt is maar ook op langere termijn; </al></li><li nr="f."><al>Het gezegde: “de ouderdom komt met gebreken” is bekend. Van
                                        burgers mag verwacht worden dat zij met die verwachting
                                        rekening houden en op eigen initiatief verhuizen naar een
                                        woning die geschikt is voor die levensfase en niet wachten
                                        tot de beperkingen zodanig zijn dat er direct verhuisd moet
                                        worden; </al></li><li nr="g."><al>Bij een verhuizing die te voorzien is op basis van wijziging
                                        van de persoonlijke leefsituatie, zoals bij ouderdom, gaat
                                        het om een algemeen gebruikelijk verhuizing. Deze verhuizing
                                        is voor eigen rekening waarbij van de burger verwacht wordt
                                        dat hij/ zij hiervoor tijdig financieel reserveert. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Wanneer worden woningaanpassingen niet verstrekt? </titel></kop><al>Een woningaanpassing wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woning waaraan de voorziening wordt getroffen niet
                                        behoort tot het grondgebied van de gemeente Ridderkerk;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak tot de woningaanpassing voor de cliënt
                                        redelijkerwijs voorzienbaar en vermijdbaar was;</al></li><li nr="c."><al>de noodzaak tot het treffen van de woningaanpassing het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen
                                        aanleiding bestond en geen belangrijke reden aanwezig
                                        was;</al></li><li nr="d."><al>de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor
                                        zijn beperkingen en levensfase op dat moment beschikbare en
                                        meest geschikte woning, tenzij het college vooraf
                                        schriftelijk toestemming heeft verleend voor de
                                        verhuizing;</al></li><li nr="e."><al>de woningaanpassing niet de goedkoopst adequate oplossing is
                                        voor het ervaren woonprobleem;</al></li><li nr="f."><al>de persoon met beperkingen verhuisd is vanuit of naar een
                                        woonruimte die niet geschikt of bedoeld is om het gehele
                                        jaar door bewoond te worden zoals hotels, pensions,
                                        verhuurde kamers, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede,
                                        vakantie en/of recreatiewoningen; </al></li><li nr="g."><al>de persoon met beperkingen niet zijn hoofdverblijf zal
                                        hebben in de woning waaraan de aanpassing voorziening wordt
                                        getroffen, met uitzondering van het bezoekbaar maken van de
                                        woning;</al></li><li nr="h."><al>het op personen met beperkingen en ouderen gerichte
                                        woongebouwen betreft voor wat betreft voorzieningen in
                                        gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
                                        nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                                        meegenomen kunnen worden;</al></li><li nr="i."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten, tenzij sprake is van voorzieningen genoemd in
                                        artikel 10.12;</al></li><li nr="j."><al>deze betrekking hebben op een Wlz gefinancierde instelling,
                                        die voorzieningen dient te hebben of te verstrekken die de
                                        zorg garanderen die in de algemene doelstelling van de
                                        instelling verwoord wordt. Dit kan ook een kleinschalige
                                        woonvorm zijn die met een pgb vanuit de Wlz gefinancierd
                                        wordt;</al></li><li nr="k."><al>de voorzieningen een behandeldoel dienen, waaronder zit- en
                                        ligbaden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Verhuizen </titel></kop><al>Van belang is of de woningaanpassing voorkomen had kunnen worden
                                door tijdig te verhuizen naar een adequate woning of zelf de woning
                                tijdig aan te passen aan de levensfase en vereisten van de tijd. Het
                                kan zijn dat de aanpassing ook in bijvoorbeeld een gelijkvloerse
                                woning noodzakelijk zou zijn.</al><al>Sommige voorzieningen behoren volgens het Bouwbesluit niet tot de
                                vereiste standaarden. Denk bijvoorbeeld aan het zittend kunnen
                                douchen op een douchezitje, bevestigd aan de muur als een losse
                                douchestoel niet adequaat is. Een verhuizing is geen oplossing voor
                                dit probleem want ook in een andere woning bestaat dit probleem. Een
                                douchezitje bevestigen lost het woonprobleem wel op. </al><al/><al>Anders ligt het voor de vraag om een traplift om de verdieping te
                                kunnen bereiken. Als de cliënt rekening had kunnen houden met
                                toenemende beperkingen of ouderdom was een tijdige verhuizing naar
                                een gelijkvloerse woning die met lift of zonder trap is te bereiken
                                is, een eigen oplossing geweest, waardoor de woningaanpassing
                                vermijdbaar was. </al><al>Denk bijvoorbeeld ook aan de situatie dat de cliënt een lig- of
                                zitbad in de natte cel heeft aangebracht of laten aanbrengen, waarin
                                hij/ zij ook moet douchen. Een bad is boven het niveau van sociale
                                woningbouw. Bij toenemende beperkingen in mobiliteit of ouderdom was
                                het tijdig verwijderen van dit bad een eigen oplossing geweest. Of
                                bij hoge kosten voor deze eigen aanpassing kan verhuizen naar een
                                geschikte woning een alternatief zijn. </al><al/><al>1. <onderstreept>Algemeen gebruikelijke verhuizing</onderstreept>
                                Verhuizen is niet specifiek bedoeld voor personen met beperkingen.
                                Ook gezonde burgers verhuizen in de loop van hun leven één of
                                meerdere keren als hun persoonlijke en financiële omstandigheden
                                wijzigen of als dat past bij een volgende levensfase. Dat is een
                                algemeen gebruikelijke verhuizing die past bij het zelf
                                verantwoordelijkheid dragen voor de keuzes in het eigen leven. Voor
                                cliënten die ouder worden met de bijbehorende leeftijd gerelateerde
                                beperkingen in mobiliteit is dat niet anders. De Wmo 2015 doet meer
                                dan voorheen een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de
                                burger en ouder worden is een voorzienbare levensfase. Met deze
                                voorzienbaarheid kan de cliënt rekening houden door tijdig te
                                verhuizen naar een met lift of zonder trap bereikbare, geschikte en
                                gelijkvloerse woning. Hierdoor kan een woningaanpassing vermeden
                                worden. </al><al>Ook cliënten die niet tot de doelgroep ouderen behoren kunnen te
                                maken hebben met toenemende beperkingen die het normale gebruik van
                                de woning vroeg of laat (gaan) belemmeren. Ook van hen wordt
                                verwacht dat zij tijdig maatregelen nemen en op zoek gaan naar een
                                woning die past bij hun huidige en toekomstige beperkingen. </al><al>Een algemeen gebruikelijke verhuizing is voor eigen rekening van de
                                cliënt. De cliënt kan ook op eigen kosten gebruik maken van de
                                algemene verhuisvoorziening, die in de gemeente beschikbaar is. Als
                                een cliënt deze verhuizing niet kan betalen kan hij/ zij een beroep
                                doen op de Bijzondere bijstand. </al><al/><al>De cliënt kan er voor kiezen om niet te verhuizen. Als de cliënt
                                geen gebruik wenst te maken van een algemeen gebruikelijke
                                voorziening betekent dat echter niet dat de gemeente de woning dan
                                gaat aanpassen. </al><al/><al>2. <onderstreept>Niet voorzienbare verhuizing</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Van cliënten waarbij geen sprake is van voorzienbaarheid kan
                                        in redelijkheid niet verwacht worden dat zij tijdig
                                        anticiperen op plotseling gewijzigde omstandigheden. Hierbij
                                        moet gedacht worden aan situaties waarbij de cliënt
                                        plotseling geconfronteerd wordt met beperkingen door
                                        specifieke gebeurtenissen. Bijvoorbeeld een gezonde persoon,
                                        nog volop actief in de maatschappij, wordt getroffen door
                                        een hersenbloeding; een gezonde persoon krijgt een ernstig
                                        auto ongeluk. Het gaat er steeds om: er is iets gebeurd dat
                                            <onderstreept>direct</onderstreept> gevolgen heeft voor
                                        het dagelijks functioneren en behandeling en revalidatie
                                        hebben niet het effect dat de beperkingen worden opgeheven
                                        of zodanig verminderd dat het normale gebruik van de woning
                                        mogelijk is. </al></li><li nr="b."><al>Ook kan het gaan om een cliënt van wie redelijkerwijs niet
                                        verwacht kon worden dat hij/ zij tijdig maatregelen had
                                        kunnen treffen waardoor een aanvraag voor een
                                        woningaanpassing niet noodzakelijk zou zijn. Hierbij gaat
                                        het meestal om een optelsom van persoonlijke en sociale
                                        factoren die deze eigen verantwoordelijkheid in de weg
                                        staan. </al></li></lijst><al/><al>Als in de niet-voorzienbare situaties verhuizen de goedkoopst
                                adequate oplossing is, gaat dat voor op een woningaanpassing. Indien
                                een Wmo verhuisadvies is afgegeven, kan de persoon met beperkingen
                                voor het aanbodsysteem van woningen een medische urgentie aanvragen. </al><al/><al><onderstreept>Een algemene verhuisservice in plaats van een
                                    verhuiskostenvergoeding</onderstreept></al><al>Voorheen had de gemeente voor de situaties als onder a en b de
                                bevoegdheid een verhuiskostenvergoeding te verstrekken als Wmo
                                voorziening. De Wmo 2015 biedt echter geen ruimte meer tot het
                                verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                verhuizen en inrichting. Een maatwerkvoorziening kan alleen maar in
                                natura of in een pgb. </al><al/><al>Voor deze cliënten heeft de gemeente Ridderkerk wel de Algemene
                                verhuisvoorziening beschikbaar. Deze verhuisservice wordt uitgevoerd
                                door het onafhankelijke platform BAR-dichtbij. BAR-dichtbij zoekt
                                hiervoor aansluiting bij de vrijwilligersorganisaties. De cliënt kan
                                zich voor deze verhuisservice bij BAR-dichtbij aanmelden. </al><al>De cliënt betaalt zelf de kosten die aan de verhuizing en inrichting
                                verbonden zijn, tenzij hij/zij deze kosten niet kan betalen. Het wel
                                of niet zelf kunnen betalen moet door de klantmanager besproken
                                worden.</al><al/><al/><al>3. <onderstreept>Procedure voor cliënt die de kosten niet kan
                                    betalen</onderstreept></al><al>Het mag niet zo zijn dat een laag inkomen betekent dat de algemene
                                verhuisvoorziening niet toegankelijk is, omdat men deze voorziening
                                niet kan betalen. Inwoners die als gevolg van een beperking adequaat
                                geholpen zijn met de algemene voorziening maar aannemelijk kunnen
                                maken dat zij de kosten van deze ondersteuning financieel niet
                                kunnen dragen, komen in aanmerking voor financieel maatwerk. Dit
                                geldt voor cliënten die een inkomen hebben tot en met 130% van de
                                bijstandsnorm. </al><al>Als de cliënt voldoet aan de voorwaarden kan hij/zij via de
                                Bijzondere bijstand in aanmerking komen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>een persoonsvolgend budget voor het opknappen van de woning
                                        en</al></li><li nr="-"><al>een persoonsvolgend budget voor de verhuiskosten en</al></li><li nr="-"><al>een lening voor de stoffering van de woning op basis van de
                                        Nibud tabel, gebaseerd op het aantal personen in de
                                        leefeenheid. </al></li></lijst><al/><al>Taak klantmanager Wmo:</al><lijst><li nr="-"><al>Voor de cliënt die aangeeft de algemene voorziening niet te
                                        kunnen betalen geeft de klantmanager tijdens het huisbezoek
                                        een aanvraagformulier voor Bijzondere bijstand aan de
                                        cliënt. De cliënt kan dit formulier na invulling naar de
                                        gemeente sturen. </al></li><li nr="-"><al>In het onderzoeksverslag vermeldt de klantmanager de
                                        uitkomst van een algemene verhuisvoorziening en het
                                        achterlaten van het aanvraagformulier bijzondere bijstand.
                                    </al></li><li nr="-"><al>De klantmanager vult in het GWS systeem een document in:
                                        Verwijzing pvb ten behoeve van Verhuizen </al></li></lijst><al/><al>Taak BAR-dichtbij:</al><lijst><li nr="-"><al>bemiddelt voor de verhuizing</al></li><li nr="-"><al>bespreekt bij een afwijzing voor het pvb met de cliënt de
                                        wensen t.a.v. de resultaten en hun mogelijke bemiddeling
                                        voor de verhuisservice.</al></li></lijst><al/><al>De cliënt kan ervoor kiezen om niet te verhuizen. Het college kan
                                dan niet worden verweten dat zij niet aan de plicht heeft voldaan om
                                algemene voorzieningen toegankelijk voor burgers te maken. Zij heeft
                                immers een adequate algemene voorziening geboden, die echter niet
                                door de cliënt is/wordt geaccepteerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Verhuizen of een woningaanpassing? </titel></kop><al>Om te kunnen bepalen of de situaties zoals onder 10.3. a en b
                                verhuizen of een woningaanpassing noodzakelijk is, moet niet alleen
                                gekeken worden naar de huidige, maar ook naar de in de toekomst te
                                verwachten noodzakelijke aanpassingen. Daarnaast zijn een aantal
                                factoren van belang die een rol spelen in deze afweging: </al><lijst><li nr="-"><al>Tijdelijke oplossingen met hulpmiddelen of leenartikelen
                                        bieden geen oplossing.</al></li><li nr="-"><al>Soort aanpassing van de woning: moeten in de nieuw te
                                        betrekken woning (bijna) dezelfde soort woningaanpassingen
                                        uitgevoerd worden? Zie voorbeeld artikel 10.3.</al></li><li nr="-"><al>Kosten: Wat is goedkoopst adequaat. Een vergelijking van de
                                        aanpassingskosten huidige woonruimte versus
                                        aanpassingskosten nieuwe woonruimte. Indien de kosten gelijk
                                        of minder zijn worden de noodzakelijke woningaanpassingen
                                        als maatwerkvoorziening in de huidige woning verstrekt, mits
                                        aan de overige voorwaarden wordt voldaan.</al></li><li nr="-"><al>De snelheid waarmee het probleem moet worden opgelost:
                                        indien binnen een medisch verantwoorde periode geen
                                        geschikte woning vrijkomt of wordt gevonden dan wel wordt
                                        aangeboden, dan kan de cliënt alsnog voor een
                                        woningaanpassing in aanmerking komen. Het moet wel
                                        aantoonbaar zijn dat er geen geschikte woning is geweest en
                                        dat de cliënt voldoende inspanning heeft verricht om een
                                        geschikte woning te vinden dan wel te accepteren. Wat een
                                        verantwoorde periode is, zal in grote mate afhankelijk zijn
                                        van de beperkingen die de cliënt ondervindt en de prognose
                                        van zijn/haar functioneren in zelfredzaamheid en
                                        participatie. Hiervoor is meestal een medisch advies nodig.
                                    </al></li><li nr="-"><al>Sociale factoren: hierbij wordt gekeken naar binding met de
                                        huidige woonwijk en de nabijheid van belangrijke
                                        voorzieningen. Mantelzorg en aanwezigheid van kennissen en
                                        familie worden in de afweging meegenomen als die zodanig is
                                        dat daardoor opname in een instelling of intensieve
                                        ondersteuning vanuit de Wmo kan worden voorkomen. Ook de
                                        wensen voor een bepaalde woonplaats spelen mee in relatie
                                        tot de plek van de beoogde nieuwe woning. Als de cliënt zijn
                                        werk aan huis heeft (eigen bedrijf) of in de directe
                                        omgeving werkt, moeten de consequenties van een verhuizing
                                        ook vanuit de bedrijfsmatige kant worden meegewogen. </al></li><li nr="-"><al>Woonlasten: woonlasten zijn afhankelijk van
                                        huursubsidiemogelijkheden. Een verhuizing mag niet dusdanig
                                        hoge woonlasten met zich meebrengen dat deze niet op te
                                        brengen zijn voor de cliënt .</al></li><li nr="-"><al>De medische prognose: indien vaststaat dat iemands toestand
                                        zodanig zal verslechteren, en dat als gevolg daarvan de
                                        aanpassing slechts voor beperkte tijd zal volstaan, speelt
                                        dat gegeven een rol in de afweging om de woning al dan niet
                                        aan te passen. De voorziening moet adequaat zijn en voor
                                        lange tijd volstaan. </al></li><li nr="-"><al>De mogelijke gebruiksduur van de aanpassingen: een aan te
                                        passen koopwoning heeft naar alle waarschijnlijkheid minder
                                        kans om voor hergebruik in aanmerking te komen dan een
                                        huurwoning van een woningcorporatie. Consequentie hiervan is
                                        dat de eigen woning meestal voor een cliënt aangepast wordt.
                                        Aangepaste huurwoningen kunnen opnieuw ingezet worden voor
                                        mensen met een beperking, waardoor de gebruiksduur verlengd
                                        wordt. </al></li><li nr="-"><al>Hypotheekruimte bij koopwoning</al></li></lijst><al>Als de cliënt zijn huidige koopwoning (grotendeels) hypotheekvrij
                                heeft, kan een beroep gedaan worden op de ruimte die de financiering
                                van de woningaanpassing binnen de hypotheek mogelijk maakt. Dit
                                behoort dan tot de eigen oplossingen van de cliënt voor het ervaren
                                woonprobleem. </al><al/><al>Woningaanpassingen kunnen bestaan uit </al><lijst><li nr="-"><al>bouwkundige aanpassingen van de woning;</al></li><li nr="-"><al>onderhoud, keuring, en reparatie van verstrekte
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting i.v.m. een woningaanpassing;</al></li><li nr="-"><al>uitraaskamer;</al></li><li nr="-"><al>huurderving i.v.m. tijdelijk beschikbaar houden aangepaste
                                        woning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Bouwkundige woningaanpassingen </titel></kop><al>Artikel 10.5 Bouwkundige woningaanpassingen De meest voorkomende
                                bouwkundige woningaanpassingen zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>Drempelhulpen, waterpasplateau, opritjes, verwijderen
                                        drempels. Deze worden gebruikt als de persoon met
                                        beperkingen niet in staat is om drempels te overbruggen, al
                                        dan niet met een loophulpmiddel of rolstoel. Deze
                                        voorzieningen worden gebruikt om de persoon met beperkingen
                                        extra steun te geven bij het maken van transfers of bij het
                                        bewaren van het evenwicht;</al></li><li nr="b."><al>Deurontgrendeling en deuropeners. Voor personen met
                                        beperkingen die niet in staat zijn om op de gebruikelijke
                                        wijze de deuren te openen of te sluiten;</al></li><li nr="c."><al>Douchezitje of brancard aan de muur voor personen met
                                        beperkingen die niet staande kunnen douchen. Eerst wordt
                                        gekeken of een losse douchestoel een adequate oplossing
                                        biedt. Losse douchestoelen en douchekrukken zijn in de
                                        reguliere handel te koop;</al></li><li nr="d."><al>Traplift voor personen met een beperking die meer dan twee
                                        keer per dag de trap moeten gebruiken en een extra
                                        trapleuning of beugels geen oplossing bieden. Een traplift
                                        wordt alleen verstrekt als het gebruik noodzakelijk is om de
                                        natte cel en/ of slaapkamer te kunnen bereiken; </al></li><li nr="e."><al>Plafondlift voor cliënten die passieve transfers moeten
                                        maken op meerdere plaatsen in de woning of de
                                        gebruiksruimte. Het kan ook zijn dat de belastbaarheid van
                                        de mantelzorger bij het verrijden van een mobiele lift een
                                        bepalende factor is; </al></li><li nr="f."><al>Onderrijdbare keuken voor personen die rolstoelafhankelijk
                                        zijn en er in onvoldoende mate sprake is van gebruikelijke
                                        hulp. Meegewogen wordt wat de leeftijd van de huidige keuken
                                        is en deze naar de eisen van de tijd gerenoveerd zou moeten
                                        worden. De renovatie is dan voor rekening van de eigenaar en
                                        de meerkosten van de onderrijdbaarheid kunnen vanuit de Wmo
                                        als pgb verstrekt worden; </al></li><li nr="g."><al>Verwijderen bad of douchebak vanwege belemmeringen bij het
                                        in- en uitstappen en creëren van een douchevloer op afschot.
                                        Voorwaarde is dat andere goedkopere oplossingen, zoals
                                        algemeen gebruikelijke wandbeugels of een badplank, niet
                                        geschikt zijn. Ook mag de inrichting van de natte cel niet
                                        ouder zijn dan 15 jaar. Volgens jurisprudentie van de CRvB
                                        is de afschrijvingstermijn conform de richtlijnen van
                                        woningcorporaties en is na deze termijn de natte cel aan
                                        renovatie toe. </al><al>Het secretariaat van de Huurcommissies in Den Haag (tel
                                        0800-4887243) heeft een lijstje met afschrijvingstermijnen.
                                        Hieruit kan bijvoorbeeld vastgesteld worden of een keuken of
                                        toiletruimte al aan renovatie toe was. </al></li></lijst><al/><al>Voor aspecten van woonverbetering worden geen kosten door de
                                gemeente vergoed. De cliënt wordt hiervoor verwezen naar de
                                verhuurder/eigenaar van de woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Woningaanpassingen in natura </titel></kop><al><onderstreept>Bepaling van de kosten</onderstreept></al><al>De woningaanpassingen die in natura zijn verstrekt, zijn eigendom
                                van de gemeente. Als woningaanpassingen periodiek onderhoud nodig
                                hebben, zoals trapliften, sluit de gemeente onderhouds- en
                                reparatiecontracten af. Als de voorzieningen niet meer nodig zijn,
                                worden ze weer verwijderd en zo mogelijk herverstrekt. Bij aanvragen
                                voor woningaanpassingen (zoals trapliften) moet duidelijk worden
                                gemaakt dat de totale beoordeling en uitvoering van het advies een
                                verantwoordelijkheid is van de gemeente. Op basis van het advies van
                                de Wmo-klantmanager wordt een offerte uitgebracht. Bij de aanpassing
                                sluiten we aan bij de eisen uit het Bouwbesluit.</al><al>Voor het aanbrengen van standaard woningaanpassingen is een
                                overeenkomst met een trapliften leverancier en een aannemer
                                gesloten. Overige woningaanpassingen worden in pgb verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.7</nr><titel>Woningaanpassingen in Pgb </titel></kop><al>Wanneer er geen sprake is van een standaard woningaanpassing of de
                                kosten overstijgen de € 3.000,-- worden minimaal twee offertes
                                ingediend. Bij het uitbrengen van de offerten moet in ieder geval: </al><lijst><li nr="-"><al>uitgegaan worden van een sobere en doelmatige uitvoering op
                                        het niveau van sociale woningbouw;</al></li><li nr="-"><al>de offerte alleen bestaan uit de te treffen aanpassingen
                                        zoals concreet zijn genoemd in het programma van eisen dat
                                        is opgesteld door de Wmo-klantmanager of een door de
                                        gemeente aangewezen externe adviesinstantie;</al></li><li nr="-"><al>de ramingen zijn opgesteld door een (bouwkundig)
                                        deskundige;</al></li><li nr="-"><al>de onderdelen worden gespecificeerd (incl. merk en type).
                                        Dit betekent dat hoeveelheden, eenheidsprijzen,
                                        materiaalkosten en arbeidsloon moeten zijn aangegeven;</al></li><li nr="-"><al>het bedrag van de btw en eventuele administratie- en
                                        toezicht kosten, alsook renteverliezen apart worden
                                        vermeld;</al></li><li nr="-"><al>een kopie van eventueel door gespecialiseerde bedrijven
                                        uitgebrachte offertes waarnaar in de totale offerte wordt
                                        verwezen, worden bijgevoegd. </al></li></lijst><al>Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd
                                conform het programma van eisen en dat daarmee een adequate
                                aanpassing wordt verstrekt, is een aantal voorwaarden gesteld om het
                                toegekende pgb ook daadwerkelijk uit te betalen. De voorwaarden
                                moeten ook in de beschikking aan de persoon met beperkingen en
                                eventueel aan de woningeigenaar (als deze niet de persoon met
                                beperkingen is) worden bekend gemaakt. Het zijn immers de
                                voorwaarden waaraan het besluit is gebonden.</al><al>De volgende voorwaarden zijn van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin
                                        worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop
                                        het pgb betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke
                                        toestemming van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>aan een door de gemeente aangewezen persoon wordt door de
                                        eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar
                                        de woningaanpassing wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de door de gemeente aangewezen personen wordt inzicht
                                        geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben
                                        op de woningaanpassing;</al></li><li nr="-"><al>direct na voltooiing van de werkzaamheden verklaart de
                                        gerechtigde van de vergoeding aan het college dat de
                                        bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma
                                        van eisen;</al></li><li nr="-"><al>de gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                        uitbetaling van het pgb;</al></li><li nr="-"><al>de gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij
                                        het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden
                                        waaronder het pgb is verleend alle rekeningen en
                                        betalingsbewijzen worden bijgevoegd;</al></li><li nr="-"><al>de gerechtigde moet indien het college dit wenst,
                                        medewerking verlenen aan een anti-speculatiebeding.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Uitbetaling pgb</onderstreept></al><al>Dit is nader uitgewerkt in artikel 5.6.3</al><al>Als er sprake is van verstrekking van een pgb voor een
                                woningaanpassing zoals een traplift of douchezit, dan kan de
                                gemeente de voorziening terugvorderen op het moment dat de
                                voorziening niet meer nodig is. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn
                                als de persoon met beperkingen binnen een redelijke termijn na de
                                toekenning overlijdt of opgenomen wordt in een Wlz instelling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.8</nr><titel>Woonsanering in verband met COPD en longklachten door
                                    allergie </titel></kop><al>Een persoon met beperkingen als gevolg van COPD of een allergie kan
                                in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor her-stofferen
                                van noodzakelijke ruimte in de woning.</al><al>De Wmo-klantmanager bespreekt de leeftijd van de te vervangen
                                materialen en de eigen mogelijkheden van de cliënt om in de
                                reguliere handel of op de tweedehandsmarkt zelf in een oplossing te
                                voorzien. </al><al>De klantmanager bespreekt ook de mogelijkheid om via de huisarts of
                                longspecialist een beroep te doen op een long-verpleegkundige. Het
                                adviesrapport van de long-verpleegkundige wordt meegewogen bij de
                                uiteindelijke beslissing. </al><al>Long- en allergieklachten, die verband houden met huisstofmijt,
                                huidschilfers, haren, jute etc., kunnen verminderen als in de
                                directe omgeving het contact met stof zo gering mogelijk is. Dit kan
                                enerzijds worden bereikt door de omgeving schoon en stofvrij te
                                houden en anderzijds bij de inrichting van de woning rekening te
                                houden met gladde en synthetische materialen. Voorzieningen, zoals
                                allergeenvrij kussens en matrashoezen, vallen niet onder de
                                Wmo.</al><al>Er wordt rekening gehouden met het bewonersgedrag, in de zin dat het
                                naleven van leefregels die door de long-verpleegkundige zijn
                                geadviseerd nageleefd worden. Denk aan bijvoorbeeld het extra
                                stofzuigen en dweilen van de ruimten, het nat afnemen van de
                                inrichtingselementen in plaats van afstoffen, temperatuurregulatie
                                en ventilatie. </al><al>In het kader van de Wmo gaat het bij woningsanering als gevolg van
                                COPD, astma en allergieën specifiek om de volgende stoffering:
                                tapijt en gordijnen in de slaapkamer. Een uitzondering wordt gemaakt
                                voor kinderen tot vier jaar, in die zin, dat het ook mogelijk is de
                                woonkamer te saneren omdat een kind vann die leeftijd niet naar
                                school gaat en ook overdag in de woonkamer verblijft. </al><al>De in verband met een allergie noodzakelijk aan te schaffen
                                vervangende stoffering is vrijwel altijd algemeen gebruikelijk.
                                Alleen wanneer dergelijke artikelen voortijdig moeten worden
                                vervangen, omdat men pas bekend is met de allergie, kan niet meer
                                gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening.</al><al/><al>Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor de
                                maatwerkvoorziening passen we een afschrijvingstermijn toe.
                                Uitgangspunt hierbij is dat de vloerbedekking altijd voor een
                                beperkte duur meegaat. De cliënt dient dus voor de vervanging van de
                                vloerbedekking geld te reserveren. Indien een artikel is
                                afgeschreven (veelal na acht jaar) wordt niet opnieuw een
                                maatwerkvoorziening met hetzelfde doel verstrekt.</al><al>De werkelijke kosten komen in aanmerking voor het vast te stellen
                                pgb. Ook hierbij is het uitgangspunt goedkoopst adequaat. Materialen
                                gekocht bij een bouw- of woonmarkt gaan voor op de materialen uit
                                een woningspeciaalzaak.</al><al>Er is wel een afschrijvingspercentage huidige
                                    stofferingvan
                                    toepassing.Leeftijd stoffering:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwer dan 2 jaar: 100% pgb</al></li><li nr="-"><al>tussen 2 en 4 jaar: 75% pgb</al></li><li nr="-"><al>tussen 4 en 6 jaar: 50% pgb</al></li><li nr="-"><al>tussen 6 en 8 jaar: 25% pgb</al></li><li nr="-"><al>ouder dan 8 jaar : geen pgb</al></li></lijst><al/><al>Bij de aanschaf van nieuwe materialen moet de persoon met
                                beperkingen zich houden aan het programma van eisen, zoals gladde
                                vloerbedekking (zeil of goedkoop laminaat) en gladde raambedekking
                                (rolgordijn, kunststof lamelgordijn). </al><al>Het kan uit medisch oogpunt gewenst zijn om de hele woning stofvrij
                                te maken, terwijl alleen sanering van de slaapkamer urgent is.
                                Alleen de artikelen die urgent zijn komen in aanmerking voor
                                vergoeding. De rest kan geleidelijk aan, passend binnen het normale
                                uitgavenpatroon, vervangen worden </al><al/><al><onderstreept>Rolstoeltapijt</onderstreept></al><al>Vervanging van vloerbedekking door rolstoeltapijt komt alleen voor
                                een maatwerkvoorziening in pgb in aanmerking als de vervanging niet
                                te voorzien was, bijvoorbeeld als de cliënt als gevolg van een
                                ongeluk plotseling rolstoelafhankelijk is geworden. Bij een
                                geleidelijke achteruitgang in het functioneren waardoor de cliënt
                                rolstoelafhankelijk is geworden is geen maatwerkvoorziening
                                mogelijk. Er is dan sprake van voorzienbaarheid en vermijdbaarheid,
                                waarvoor de cliënt tijdig had kunnen reserveren. Bij de hoogte van
                                het pgb wordt dezelfde afschrijvingstermijn en percentage toegepast
                                als bij de woningsanering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.9</nr><titel>Onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte
                                    woningaanpassingen </titel></kop><al>De woningaanpassing moet op grond van de Wmo en beleidsregels zijn
                                verstrekt. Tijdens het onderhoud, keuring of de reparatie moet de
                                cliënt de woonruimte als hoofdverblijf bewonen. In het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning worden de maximale vergoedingen van
                                onderhoud en reparatie genoemd. Meer dan deze maximale bedragen
                                worden in principe niet vergoed. Als een klant dit wel nodig zegt te
                                hebben, moet er deugdelijk onderzoek door de klantmanager of een
                                ander door de gemeente aangewezen deskundige plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.10</nr><titel>Uitraaskamer </titel></kop><al>Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woningaanpassing in de
                                vorm van een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare
                                beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag
                                als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen
                                afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan
                                komen. In deze gevallen moet altijd een extern medisch en/ of
                                gedragsdeskundigen advies worden gevraagd door de klantmanager. Van
                                belang is om vast te stellen dat het niet gaat om gedrag op grond
                                van pedagogisch vermogen of gedrag dat medisch gezien beïnvloed kan
                                worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.11</nr><titel>Medewerking woningeigenaar </titel></kop><al>Met toepassing van Wmo Artikel 2.3.7. Het college dan wel de cliënt,
                                is bevoegd om zonder toestemming van de eigenaar de
                                maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing aan te
                                brengen of te doen aanbrengen in de woning. Voordat dit gebeurt
                                heeft de eigenaar van de woning de gelegenheid zijn/ haar zienswijze
                                naar voren te brengen. Dat betekent dat ook zonder toestemming van
                                de woningeigenaar de geïndiceerde woningaanpassing gerealiseerd kan
                                worden. Natuurlijk verdient het de voorkeur om waar het kan
                                overeenstemming hierover te hebben. </al><al>De eigenaar moet een medewerker van de gemeente toegang verschaffen
                                tot de woning, zodat de klantmanager of een andere door de gemeente
                                aangewezen deskundige een oordeel kan vormen over de woonsituatie.
                                Zo nodig kan artikel 16 van de Woningwet worden toegepast.</al><al>De gemeente dan wel de cliënt is niet gehouden de woningaanpassing
                                weer ongedaan te maken, indien de cliënt niet langer gebruik maakt
                                van de woning. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.12</nr><titel>Aanpassing gemeenschappelijke ruimten </titel></kop><al>Het college kan een pgb of zorg in natura verstrekking verlenen voor
                                het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte,
                                indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de cliënt
                                met beperkingen. Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden
                                verstrekt voor:</al><lijst><li nr="-"><al>het verbreden van toegangsdeuren;</al></li><li nr="-"><al>het aanbrengen van elektrische deuropeners;</al></li><li nr="-"><al>aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de
                                        toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw
                                        te bereiken zijn met een rolstoel;</al></li><li nr="-"><al>drempelhulpen of vlonders;</al></li><li nr="-"><al>het aanbrengen van een extra trapleuning bij een
                                        portiekwoning.</al></li></lijst><al/><al>Een pgb of natura verstrekking wordt slechts toegekend indien de
                                Vereniging van eigenaren of de eigenaar van de gemeenschappelijke
                                ruimte de helft van de kosten voor zijn rekening neemt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.13</nr><titel>Bezoekbaar maken van een woning </titel></kop><al>Indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz inrichting
                                en regelmatig een bepaalde woning bezoekt, kan het college een
                                maatwerkvoorziening verlenen voor het bezoekbaar maken van die
                                woning. Hieronder wordt verstaan dat de aanvrager de woning, de
                                woonkamer en één toilet kan bereiken.</al><al>Voorheen had de gemeente de bevoegdheid een financiële
                                tegemoetkoming te verstrekken voor het bezoekbaar maken van de
                                woning. De Wmo 2015 biedt echter geen ruimte meer tot het
                                verstrekken van een financiële tegemoetkoming en daarmee wordt het
                                bezoekbaar maken van de woning in natura of in een pgb verstrekt.
                                Steeds moet beoordeeld worden of voorzieningen hierbij zoals
                                drempelhulpen door eigen inzet, vrijwilligers, het eigen netwerk of
                                een klussendienst opgelost kan worden. Wat betreft de
                                toiletvoorziening is het uitgangspunt een losse toiletstoel, die ook
                                in een andere ruimte dan de toiletruimte geplaatst kan worden,
                                eventueel met gebruik van een kamerscherm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.14</nr><titel>Tijdelijke huisvesting </titel></kop><al>Het kan voorkomen, dat een persoon met beperkingen als gevolg van
                                het aanpassen van zijn woning op grond van de Wmo dubbele woonlasten
                                heeft. In zulke gevallen kan een tegemoetkoming worden verleend,
                                maar hier gelden beperkingen.</al><al>Er wordt geen vergoeding verleend wanneer de dubbele woonlasten
                                redelijkerwijs voorkomen hadden kunnen worden, of wanneer de dubbele
                                woonlasten doorgaans gebruikelijk zijn, bijvoorbeeld bij een
                                verhuizing. De vergoeding wordt maximaal voor een periode van zes
                                maanden verleend. Er zijn twee mogelijkheden:</al><lijst><li nr="-"><al>het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en
                                        het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte
                                        (de werkelijke kosten worden vergoed met een maximum van de
                                        grens zoals bepaald in de Wet op de huurtoeslag);</al></li><li nr="-"><al>het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte
                                        (de maximale tegemoetkoming is € 300,-- per maand).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.15</nr><titel>Huurderving </titel></kop><al>Na beëindiging van de huur van een aangepaste woning kan aan de
                                wooneigenaar een vergoeding worden verleend. De leegstand moet het
                                gevolg zijn van de aanwezigheid van aanpassingen in de woning die op
                                grond van de Wmo verstrekt zijn. De huurderving van de eerste maand
                                komt niet in aanmerking voor een vergoeding. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.16</nr><titel>Overige zaken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Termijn waarbinnen aanpassingen gerealiseerd
                                            moeten zijn</onderstreept></al></li></lijst><al>De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger is zelf
                                verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van een
                                woningaanpassing. Indien binnen een half jaar na dagtekening van de
                                toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt
                                het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende
                                aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken. </al><al/><lijst><li nr="2."><al><onderstreept>Aanvang werkzaamheden en
                                            controle</onderstreept></al></li></lijst><al>Met aanpassingswerkzaamheden mag de cliënt of diens wettelijk
                                vertegenwoordiger niet eerder beginnen voordat de
                                maatwerkvoorziening is beschikt. Op dat moment zijn immers alle
                                gegevens beoordeeld en is op grond daarvan bepaald welke
                                aanpassingen nodig zijn en voor verstrekking uit de Wmo in
                                aanmerking komen. Hiermee wordt voorkomen dat een te vroeg
                                aangebrachte aanpassing niet de goedkoopst adequate is. Er kunnen
                                immers ook factoren meegewogen worden die buiten de woonruimte
                                gelegen zijn. Bijvoorbeeld een beschikbare aangepaste woning elders,
                                waardoor een woningaanpassing niet noodzakelijk is.</al><al/><lijst><li nr="3."><al><onderstreept>Hergebruik vrijkomende aangepaste
                                            woningen</onderstreept></al></li></lijst><al>Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst
                                aan andere personen met een beperking toegewezen worden. Alle
                                aangepaste woningen worden opgenomen in een
                                woningregistratiesysteem. Wanneer achterblijvende gezinsleden van
                                een persoon met beperkingen, deze woning als huurwoning vrijmaken
                                voor een andere persoon met beperkingen, kan een vergoeding voor
                                verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.17</nr><titel>Aanpassingen aan woonwagens en woonschepen </titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip als:</al><lijst><li nr="1."><al>de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip
                                        nog minstens 5 jaar is;</al></li><li nr="2."><al>de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor
                                        opheffing in aanmerking komt;</al></li><li nr="3."><al>het woonschip nog minimaal 5 jaar op de ligplaats mag
                                        blijven liggen.</al></li><li nr="4."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                        een woonvoorziening bij de gemeente Ridderkerk op de
                                        standplaats stond;</al></li><li nr="5."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                        bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Hulpmiddelen</titel></kop><al>In de Wmo gaat het om hulpmiddelen in de categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>Hulpmiddelen ten behoeve van vervoer</al></li><li nr="2."><al>Hulpmiddelen ten behoeve van zittend verplaatsen</al></li><li nr="3."><al>Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de
                                        woning</al></li><li nr="4."><al>Hulpmiddelen ten behoeve sportbeoefening</al></li><li nr="5."><al>Hulpmiddelen waarin ad 1 t/m 4 niet volstaan</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Hulpmiddelen ten behoeve van vervoer </titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente Ridderkerk biedt vervoersvoorzieningen aan mensen met
                                mobiliteitsbeperkingen.</al><al>Hiermee kunnen zij zich in en om het huis verplaatsen en buitenshuis
                                afstanden afleggen. Hierdoor kunnen zij deelnemen aan de
                                maatschappij.</al><al>Een aangepaste fiets of een scootmobiel op vakantie meenemen naar
                                het buitenland is toegestaan. Wel moet dit vooraf worden gemeld in
                                verband met verzekeringen en wettelijke aansprakelijkheid.</al><al/><al>Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld voor verplaatsingen in de
                                directe woon- en leefomgeving en de regio. Een cliënt kan voor een
                                vervoersvoorziening in aanmerking komen als hij/zij aantoonbare
                                beperkingen heeft waardoor hij/zij het openbaar vervoer niet kan
                                bereiken of gebruiken en als hij/ zij niet in staat is gangbare en
                                gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter, fiets
                                etc. te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en
                                in de regio. </al><al/><al><onderstreept>Gebruikelijke hulp</onderstreept></al><al>Het is van belang de mogelijkheden van gebruikelijke hulp goed te
                                onderzoeken. Gebruikelijke hulp is de algemeen aanvaarde hulp die in
                                redelijkheid verwacht mag worden van partners, ouders, inwonende
                                kinderen of andere huisgenoten. Voor een ondersteuningsvraag bij het
                                vervoer in de directe woonomgeving en in de regio betekent dit dat,
                                als de hulpvrager huisgenoten heeft in staat worden geacht voor dit
                                vervoer te kunnen voorzien zij verondersteld worden dit ook te doen. </al><al/><al>Personen met beperkingen die met begeleiding met het openbaar
                                vervoer kunnen reizen, moeten zelf voor een begeleider te zorgen. </al><al/><al>Het gaat bij vervoersvoorzieningen om de vervoersbehoefte in het
                                leven van alledag en is bedoeld om een sociaal isolement te
                                voorkomen. Dit betekent niet, dat elke wens kan worden gehonoreerd.
                                Steeds zal</al><al>de afweging plaatsvinden tussen de vervoersbehoefte en de goedkoopst
                                adequate maatwerkvoorziening. </al><al/><al>Onder de Wmo worden geen vervoersvoorzieningen verstrekt die voor
                                een persoon met beperkingen algemeen gebruikelijk zijn. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Vervoersvoorzieningen op grond van andere wettelijke
                                    regelingen </titel></kop><al>Personen met beperkingen kunnen ook op grond van andere regelingen
                                in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening. Dat zijn
                                voorliggende voorzieningen. In dat geval heeft de persoon met
                                beperkingen</al><al>geen recht op een Wmo-vervoersvoorziening. Alvorens over te gaan tot
                                advisering van een Wmo-vervoersvoorziening moet het helder zijn dat
                                er geen andere wettelijke regeling van toepassing is of kan zijn.
                                Daarom kan de cliënt gevraagd worden om de beschikking van de
                                verstrekking van een vervoersvoorziening/of afwijzing van een andere
                                wettelijke regeling te overleggen. </al><al>Denk hierbij aan de cliënt die een Wlz indicatie heeft en die
                                verzilvert ineen pgb. Vervoer van en naar de dagbesteding en logeren
                                valt dan onder de kosten die uit dat pgb betaald moeten worden. </al><al>Denk aan de kosten die de zorgverzekering vergoed voor kosten voor
                                medische ritten. </al><al>Vervolgens kan de gemeente beoordelen of deze reeds verstrekte
                                vervoersvoorziening gezien alle omstandigheden minimaal volstaan om
                                aan de samenleving te kunnen deelnemen of dat een aanvullende
                                Wmo-vervoersvoorziening moet worden verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Vijf afwegingen </titel></kop><al>Als het openbaar vervoer onvoldoende bereikbaar en bruikbaar is voor
                                mensen met beperkingen en als hij/ zij niet in staat is gangbare en
                                gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter en
                                fiets te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving
                                en in de regio, kan de gemeente alternatieven aanbieden. Eerst wordt
                                gekeken naar een collectieve vervoersvoorziening, zoals de
                                regiotaxi. Is die niet adequaat , dan kan de gemeente een
                                maatwerkvoorziening in natura of pgb verstrekken Hierbij worden de
                                volgende afwegingen gemaakt:</al><lijst><li nr="1."><al>Gaat het om deelname aan het leven van alledag?</al><al>De Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld om te kunnen
                                        deelnemen aan het leven van alledag. Een vervoersvoorziening
                                        is gericht op het opheffen of verminderen van belemmeringen
                                        die een persoon met beperkingen bij het vervoer buitenshuis
                                        ondervindt.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Wat is de vervoersbehoefte?</al><al>Welke verplaatsingen zijn voor de persoon met beperkingen
                                        van belang om maatschappelijk te kunnen participeren? En hoe
                                        ver ligt deze bestemming? Aan de hand daarvan kan worden
                                        bepaald wat de vervoersbehoefte is. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Wat is het verplaatsingsmotief?</al><al>De voorziening is bedoeld om deel te nemen aan het leven van
                                        alledag. Bij de Wmo gaat het om maatschappelijk verkeer, het
                                        vervoer per vervoermiddel dat nodig is voor het leven van
                                        alledag. Uitgangspunt is niet de gewoonten die de cliënt
                                        heeft, maar wat de invloed van de beperkingen van de cliënt
                                        zijn op zijn eigen mogelijkheden om in zijn vervoersbehoefte
                                        te voorzien.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Wat is de frequentie van vervoer?</al><al>Om de vervoersbehoefte te kunnen bepalen, gaat het om de
                                        vraag: hoe vaak moet een persoon met beperkingen naar een
                                        bepaalde bestemming om maatschappelijk te kunnen
                                        participeren? Dus om deel te nemen aan het ‘leven van alle
                                        dag’ en om de sociale contacten te onderhouden? </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Primaat van het collectief vervoer (Wmo vervoer Regiotaxi
                                    BAR) </titel></kop><al>Collectief vervoer is bedoeld voor vervoer in de regio. Indien het
                                collectief vervoer niet adequaat is of niet volstaat, dan wordt
                                gekeken of en welke maatwerkvoorziening een oplossing voor het
                                vervoersprobleem is. Een combinatie van vervoersvoorzieningen is –
                                in uitzonderlijke gevallen – ook mogelijk. Zo verstrekt de gemeente
                                een vervoersvoorziening op maat.</al><al/><al>De gemeente hanteert het primaat van het collectief vervoer vanuit
                                het uitgangspunt <cursief>‘collectief als het kan, individueel als
                                    het moet’.</cursief> Zowel onder de Wet voorziening
                                gehandicapten (Wvg) als onder de Wmo 2007 is dit primaat in ruime
                                mate juridisch getoetst door de CRvB. Onder de Wvg hield deze regel
                                stand. Onder de Wmo 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat ook bij
                                collectief vervoer de persoonskenmerken en behoeften van de
                                belanghebbende moeten meewegen en dat collectief vervoer daarmee een
                                individuele voorziening is. Er gaat immers een indicatieprocedure
                                aan vooraf. </al><al/><al>Omdat de cliënt alleen op indicatie van een Wmo-klantmanager gebruik
                                kan maken van het collectief vervoer, is het collectief vervoer een
                                maatwerkvoorziening. Deze maatwerkvoorziening wordt echter
                                collectief uitgevoerd vanuit het uitgangspunt: goedkoopst adequaat.
                                Hierbij is het volgende van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in
                                        natura in de vorm van een taxipas. Een pgb is hiervoor niet
                                        mogelijk. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om
                                        maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de
                                        regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.</al></li><li nr="b."><al>Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer
                                        ook vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening in natura of pgb
                                        is verstrekt, ten behoeve van de verplaatsingen in de
                                        directe woon- en leefomgeving, wordt een maximum van 1000
                                        km. verstrekt.</al></li><li nr="c."><al>Indien de cliënt aangeeft dat het aantal kilometers zoals
                                        bedoeld onder a en b niet volstaat doet de klantmanager
                                        onderzoek naar de onderliggende oorzaken hiervoor. Als het
                                        gaat om veel medische ritten die aantoonbaar gemaakt moeten
                                        worden kan een groter aantal kilometers worden verstrekt.
                                        Voorwaarde hierbij is wel dat de cliënt geen gebruik kan
                                        maken van de extra vergoeding voor medische ritten uit de
                                        aanvullende polis van de zorgverzekeraar. </al></li><li nr="d."><al>De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de
                                        tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling
                                        van het openbaar vervoer uitgangspunt is.</al></li><li nr="e."><al>De gemeente Ridderkerk gaat er vanuit dat 5 zones (zones van
                                        het openbaar vervoer) voldoende zijn voor lokale
                                        verplaatsingen. Dit standpunt heeft sinds de Wvg in de
                                        jurisprudentie stand gehouden. </al><al>Het collectief vervoer rijdt in geheel Ridderkerk
                                        (instapzone) plus 5 OV- zones rond Ridderkerk. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Begeleiding tijdens vervoer</onderstreept></al><al>Een persoon met verstandelijke beperkingen komt alleen in aanmerking
                                voor een vervoersvoorziening wanneer hij langdurig geen gebruik kan
                                maken van het openbaar vervoer. Dit kan aan de orde zijn vanwege
                                lichamelijke beperkingen en een gedragsstoornis.</al><al>Personen met verstandelijke beperkingen en/of een psychische
                                stoornis die in aanmerking komen voor collectief vervoer moeten zelf
                                voor een begeleider zorgen.</al><al/><al>Om voor de aantekening ‘medische begeleiding’ op de vervoerspas in
                                aanmerking te komen, is een indicatie door de Wmo-klantmanager of
                                externe adviseur nodig.</al><al>Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan een begeleiderindicatie
                                voor een vervoersvoorziening worden toegekend als:</al><lijst><li nr="-"><al>de persoon met beperkingen agressief gedrag vertoont;</al></li><li nr="-"><al>de persoon met beperkingen dwaalgedrag vertoont;</al></li><li nr="-"><al>de persoon met beperkingen een zware vorm van incontinentie
                                        heeft, waarvoor adequaat incontinentiemateriaal niet voor
                                        volstaat;</al></li><li nr="-"><al>de persoon met beperkingen afhankelijk is van medische
                                        handelingen tijdens de rit.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Client wenst geen gebruik te maken van de
                                    regiotaxipas</onderstreept></al><al>Voorheen had de gemeente de bevoegdheid een financiële vergoeding te
                                verstrekken als tegenwaarde van de regiotaxipas, zodat de cliënt dit
                                bedrag kon besteden voor een aanpassing van de auto of een
                                gehandicaptenvoertuig. Hiermee kocht de gemeente voor de duur van
                                zes jaar een recht op een vervoersvoorziening af. De Wmo 2015 biedt
                                echter geen ruimte meer tot het verstrekken van een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van vervoer. </al><al/><al><onderstreept>Client die geen gebruik kan maken van de
                                    regiotaxi</onderstreept></al><al>Als een cliënt aangeeft geen gebruik te kunnen maken van de
                                regiotaxi moet de klantmanager onderzoeken wat hiervoor de
                                onderliggende oorzaken zijn. Dit gebeurt alleen als andere
                                voorzieningen op medische- en/ of gedraggerelateerde gronden niet
                                geschikt zijn en er sprake is van geïndiceerd individueel vervoer.
                                Om dit te kunnen beoordelen is een medisch en/of gedragsdeskundige
                                advies noodzakelijk.</al><al/><al><onderstreept>Collectief vervoer buiten de regio</onderstreept></al><al>Het collectief vervoer op grond van de Wmo moet aansluiting hebben
                                op bovenregionale vervoerssystemen. Een bovenregionaal
                                vervoerssysteem specifiek voor personen met beperkingen is Valys.
                                Cliënten die een regiotaxipas hebben en/of rolstoelafhankelijk zijn,
                                kunnen een aanvraag hiervoor bij het landelijke uitgiftekantoor in
                                Utrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Maatwerkvoorziening in natura of pgb </titel></kop><al>Het kan zijn dat collectief vervoer niet volstaat omdat het niet
                                voorziet in de vervoersbehoefte in de directe woon- en leefomgeving.
                                Onder de directe woonomgeving wordt een straal van 1,5 km verstaan.
                                Hierbij moet men denken aan het binnen de directe woonomgeving zelf
                                boodschappen doen, de huisarts bezoeken, familie bezoeken etc. Voor
                                deze verplaatsingen is het over het algemeen niet adequaat of zelfs
                                onmogelijk gebruik te maken van het collectieve vervoerssysteem of
                                van een taxi. </al><al>Jurisprudentie van de CRvB heeft bepaald dat de gemeente bij een
                                maximale loopafstand van 100 meter van de cliënt , die niet het
                                openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken, indien adequaat een
                                aanvullende individuele voorziening moet verstrekken. </al><al>Het lijkt niet adequaat als de cliënt voor iedere afstand verder dan
                                100 meter en binnen 1,5 km een taxi voor collectief vervoer zou
                                moeten bellen. Het bevorderen van de zelfstandigheid binnen de
                                directe woonomgeving is meestal de reden dat er aanvullend op het
                                regiotaxivervoer een maatwerkvoorziening voor deze gebruiksdoelen
                                onder bepaalde voorwaarden een maatwerkvoorziening in natura of pgb
                                mogelijk is. Denk hierbij aan een:</al><lijst><li nr="a."><al>een open elektrische buitenwagen (scootmobiel), </al></li><li nr="b."><al>op de beperkingen van de persoon aangepast fiets;</al></li><li nr="c."><al>een handbike, pendel</al></li><li nr="d."><al>gesloten buitenwagen</al></li><li nr="e."><al>overige vervoersmiddelen.</al></li></lijst><al/><al>Het maximale aantal kilometers voor gebruik van de regiotaxi wordt
                                dan wel teruggebracht naar 1000 km per jaar, aangezien in een flink
                                deel van de vervoersbehoefte kan worden voorzien met de aanvullende
                                maatwerkvoorziening. </al><al/><al>De Wmo klantmanager stelt het programma van eisen op waaraan de
                                maatwerkvoorziening in natura of pgb moet voldoen om het
                                gebruiksdoel mogelijk te maken. </al><al/><al><vet>a. </vet><vet>Een open elektrische buitenwagen
                                    (scootmobiel)</vet></al><al>Naast de criteria om in aanmerking te komen voor een
                                maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel, beoordeelt de
                                Wmo-klantmanager ook of de verwachting is dat de cliënt in staat is
                                een scootmobiel te besturen en of hij/ zij in staat is veilig aan
                                het verkeer deel te nemen. </al><al>Redenen tot afwijzing kunnen zijn: onvoldoende geestelijke
                                gesteldheid, slechtziendheid, medicijngebruik, gebrek aan
                                verkeersinzicht. Er moet met name goed gekeken worden naar de
                                rijvaardigheid van mensen, die in het verleden een hersenbloeding
                                hebben gehad. Bij een persoon met beperkingen met epilepsie moet
                                worden bekeken hoe lang betrokkene al aanvalsvrij is. </al><al>Indien twijfels bestaan over rijvaardigheid en veiligheid kunnen
                                rijvaardigheidslessen een onderdeel van de toekenningsprocedure
                                vormen. </al><al/><al><onderstreept>Vaardigheidstraining
                                scootmobielgebruik</onderstreept></al><al>Er zijn twee mogelijkheden: proeflessen of gewenningslessen:</al><lijst><li nr="1."><al>Proeflessen worden gegeven als de cliënt tijdens het
                                        aanmeten van de scootmobiel niet rijvaardig is gebleken. De
                                        cliënt moet eerst maximaal vijf lessen volgen om zijn
                                        rijvaardigheid te verbeteren. Bij de laatste les wordt
                                        beoordeeld of de persoon met beperkingen voldoende
                                        rijvaardig is voor toekenning van de scootmobiel. Een
                                        scootmobiel bij twijfel op proef geven wordt uit
                                        veiligheidsoverwegingen niet gedaan. De proeflessen worden
                                        bij een eerstelijns ergotherapeut afgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Gewenningslessen worden gegeven als tijdens het aanmeten
                                        blijkt dat de cliënt voldoende vaardigheden heeft, dan
                                        kunnen maximaal drie gewenningslessen worden gevolgd om
                                        vertrouwd te raken met de scootmobiel en er veilig mee om te
                                        kunnen gaan. De scootmobiel wordt toegekend en geleverd en
                                        de training wordt met de toegekende scootmobiel gegeven.
                                        Meestal gaat het bij gewenningslessen om specifieke
                                        manoeuvres die getraind moeten worden. Bijvoorbeeld: het
                                        gebruik van de toegang tot een winkel of op- en afritjes van
                                        het trottoir veilig nemen. De gewenningslessen worden
                                        verzorgd door de leverancier van de te verstrekken
                                        scootmobiel. </al></li></lijst><al/><al>Criteria voor het verstrekken van een scootmobiel</al><lijst><li nr="1."><al>Er kan niet op een andere wijze worden voorzien in de
                                        noodzakelijke vervoersbehoefte voor het leven van alledag
                                        zoals via een fiets met lage instap, fiets met klein frame,
                                        elektrische fiets etc. </al></li><li nr="2."><al>Het collectief vervoer alleen kan niet in de
                                        vervoersbehoefte voorzien.</al></li><li nr="3."><al>Er is een medisch/ergonomische noodzaak tot het verstrekken
                                        van een scootmobiel.</al></li><li nr="4."><al>Het lopen of staan is zodanig beperkt, dat de persoon met
                                        beperkingen na een taxi- of andere autorit zijn
                                        bestemmingsdoel niet kan bereiken. Hierbij moet gedacht
                                        worden aan een loopafstand tot 100 meter en niet langer
                                        kunnen staan dan ± 15 minuten. Zelfstandig boodschappen doen
                                        of de bank of postkantoor bezoeken is in deze situatie al
                                        een probleem.</al></li><li nr="5."><al>De persoon met beperkingen moet een goede zitbalans
                                        hebben.</al></li><li nr="6."><al>Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als er sprake is van
                                        een zekere sta- en loopfunctie. De cliënt moet in staat zijn
                                        zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen want de
                                        scootmobiel kan niet bij alle winkels, woningen en openbare
                                        gebouwen naar binnen. </al></li><li nr="7."><al>De persoon met beperkingen heeft een substantiële
                                        vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning
                                        binnen de gemeente of woonkern. De vervoersbehoefte betreft
                                        een gebied in de directe woonomgeving, waarvoor taxivervoer
                                        niet adequaat is. Bijvoorbeeld vanwege de geringe afstanden,
                                        zoals bij winkelbezoek , bezoeken huisarts,
                                        verenigingsactiviteiten en onderhouden van het sociale
                                        netwerk. </al></li><li nr="8."><al>De beperkingen zijn langdurend van aard en de
                                        vervoersbehoefte is vrijwel dagelijks.</al></li><li nr="9."><al>Er moet een stallingsruimte, voorzien van een geaard
                                        stopcontact van 220 volt aanwezig zijn of gecreëerd kunnen
                                        worden. Hiertoe kan een woonvoorziening nodig zijn.
                                        Voorbeelden van een geschikte stallingsruimte: afsluitbare
                                        berging, schuurtje, overdekte en afgesloten galerij, gang
                                        van een verzorgingshuis (dit laatste met toestemming van het
                                        tehuis). Gemeenschappelijke stalling, gemeenschappelijke
                                        bergingen en niet afgesloten galerijen zijn ongeschikt.
                                        Stroom: alleen een geaard stopcontact voldoet. Voor het
                                        opladen is maximaal 8 uur nodig.</al></li><li nr="10."><al>De scootmobiel dient niet ter vervanging van een auto.
                                        Iemand die een auto heeft gehad, maar hier geen gebruik meer
                                        van maakt en het rijbewijs laat verlopen, kan de scootmobiel
                                        ook als vervanging van de auto zelf aanschaffen. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Type scootmobiel</onderstreept></al><al>De laatste jaren bestaat de trend om steeds zwaardere en snellere
                                scootmobielen aan te vragen, onder andere vanwege de grote
                                actieradius. De scootmobiel is echter primair bedoeld voor
                                verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en niet voor
                                afstanden daarbuiten. Voor de grote actieradius is het collectief
                                vervoer adequaat. Dat betekent dat een scootmobiel met een snelheid
                                van 8 of 10 km per uur volstaat die gemiddeld een actieradius heeft
                                van ongeveer 15 km op één accu. In bijzondere omstandigheden kan
                                hier van afgeweken worden. Als de cliënt een zwaardere en snellere
                                scootmobiel wenst kan hij/ zij ervoor kiezen de meerkosten zelf te
                                betalen. </al><al/><al><onderstreept>Verzekering</onderstreept></al><al>Elektrische rolstoelen en buitenwagens moeten verzekerd zijn als zij
                                op de openbare weg worden gebruikt.</al><al/><al><onderstreept>Opvouwbare scootmobiel</onderstreept></al><al>De gemeente verstrekt geen opvouwbare scootmobielen. De scootmobiel
                                is namelijk bedoeld voor het vervoer over korte en middellange
                                afstand in de directe woon- en leefomgeving. De opvouwbare
                                scootmobielen zijn bovendien in technisch opzicht niet geschikt voor
                                het eigenlijke doel van de open buitenwagen. De bodemplaat is zeer
                                laag en een goede vering ontbreekt. Hierdoor is het nemen van de
                                kleinste oneffenheden in het wegdek al lastig.</al><al/><al><onderstreept>Accessoires</onderstreept></al><al>Cliënten aan wie een scootmobiel is verstrekt doen nogal eens een
                                aanvraag voor accessoires zoals:</al><lijst><li nr="1."><al>een extra boodschappenmand</al><al>Een extra boodschappenmand is voor eigen rekening. De cliënt
                                        kan er ook voor kiezen om vaker een kleine hoeveelheid
                                        boodschappen te halen.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>een schootskleed</al><al>Als uitgangspunt wordt van iedereen die zich met een niet
                                        gesloten vervoermiddel aan het verkeer deelneemt verwacht
                                        dat die zich kleedt naar de weersomstandigheden. Dat is voor
                                        een persoon met beperkingen niet anders. In heel
                                        uitzonderlijke gevallen kan een schootskleed verstrekt
                                        worden op medische gronden. Het gaat dan om omstandigheden
                                        die met de gangbare beschermende kleding, regencape en deken
                                        niet ondervangen kunnen worden. Hiervoor is een medisch
                                        advies noodzakelijk. </al></li><li nr="3."><al>Een extra zitkussen</al><al>Extra (zachte) kussens worden niet verstrekt. De cliënt kan
                                        er voor kiezen om een eigen hoofdkussen of een ander kussen
                                        naar eigen inzicht op de zitting te leggen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>b. </vet><vet>Op de beperkingen van de persoon aangepaste
                                    fiets</vet></al><al>Het is gebruikelijk dat mensen in de loop van hun leven meerdere
                                fietsen aanschaffen die passen bij hun levensfase, persoonlijke
                                behoeften en hun financiële mogelijkheden. Voor personen met
                                beperkingen is dat niet anders en daarmee wordt eerst gekeken of er
                                een andere wijze kan worden voorzien in de noodzakelijke
                                vervoersbehoefte voor het leven van alledag zoals bijvoorbeeld met
                                een fiets met lage instap, fiets met klein frame, elektrische fiets,
                                aanhaakfiets, tandem etc. </al><al>We zien de afgelopen jaren grote ontwikkelingen in soorten fietsen
                                en hun mogelijkheden, die ook door gezonde burgers worden gebruikt.
                                Denk hierbij aan de grote toename van elektrische fietsen,
                                aanhaakfietsen voor jonge kinderen, bakfietsen, fietskarren en
                                tandems waar een kind aan de voorzijde kan zitten en moet meetrappen
                                en sturen. Het gaat om door spierkracht voortbewogen
                                hulpmiddelen.</al><al/><al>Bij een zelfstandige vervoersbehoefte van de cliënt die een
                                aangepaste fiets vraagt om zich in de directe woon- en leefomgeving
                                te kunnen verplaatsen, beoordeelt de Wmo-klantmanager of de
                                verwachting is dat de cliënt in staat is een fiets te besturen en of
                                hij/ zij in staat is veilig aan het verkeer deel te nemen. </al><al>Redenen tot afwijzing kunnen zijn: onvoldoende geestelijke
                                gesteldheid, slechtziendheid, medicijngebruik, gebrek aan
                                verkeersinzicht. Er moet met name goed gekeken worden naar de
                                rijvaardigheid van mensen, die in het verleden een hersenbloeding
                                hebben gehad. Bij een persoon met beperkingen met epilepsie moet
                                worden bekeken hoe lang betrokkene al aanvalsvrij is. </al><al>Indien twijfels bestaan over rijvaardigheid en veiligheid kunnen
                                rijvaardigheidslessen een onderdeel van de toekenningsprocedure
                                vormen. De lessen kunnen worden verzorgd door de leverancier van de
                                te verstrekken aangepaste fiets of door een eerstelijns
                                ergotherapeut. Een aangepaste fiets bij twijfel op proef geven wordt
                                uit veiligheidsoverwegingen niet gedaan.</al><al/><al><onderstreept>Kinderen en vervoer</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voor autovervoer kan een aangepaste kinderstoel verstrekt
                                        worden als dit de enige manier is om een kind in de auto te
                                        vervoeren. In de reguliere handel zijn inmiddels al
                                        draaibare stoeltjes te verkrijgen waardoor het kind zonder
                                        belastende draaibeweging van de ouder/ verzorgende in en uit
                                        de auto getild kan worden. </al></li><li nr="2."><al>Tot vier jaar is een driewieler algemeen gebruikelijk,
                                        tenzij er een speciale uitvoering noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Voor kinderen van 4 tot en met 16 jaar wordt de
                                        driewielfiets gezien als een mobiliteitsvoorziening.</al></li><li nr="4."><al>De verlengde fiets wordt verstrekt in verband met een kind
                                        met beperkingen. Het heeft een verlengd frame. De grotere
                                        ruimte achter de zadelbuis en de verlaagde achterinstap
                                        maken het gemakkelijker om het kind in een stoeltje te
                                        verplaatsen. Dit type fiets is met name geschikt voor het
                                        meenemen van grotere kinderen met beperkingen.</al></li><li nr="5."><al>Boven 16 jaar is conform jurisprudentie een elektrische
                                        fiets algemeen gebruikelijk</al></li></lijst><al/><al>Tot de leeftijd van 18 jaar blijft de voorziening in de regel
                                eigendom van de gemeente en wordt deze in bruikleen aan de persoon
                                met beperkingen verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>Niet zelfstandig vervoer</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De duofiets is een variant op de tandem. De achterste plaats
                                        is bedoeld voor de begeleider, voorop zit het kind/ de
                                        cliënt . De hoogte van het zadel en stuur kunnen variabel op
                                        de individuele wensen van de berijder worden ingesteld. Het
                                        kind/ de cliënt kan zich alleen onder begeleiding in het
                                        verkeer begeven en kan of mag uit veiligheidsoverwegingen
                                        niet meetrappen en/of meesturen. Het is noodzakelijk dat de
                                        begeleider toezicht houdt op het kind.</al></li><li nr="2."><al>De rolstoelfiets is vergelijkbaar met een bakfiets. Voorop
                                        de fiets is een plateau aangebracht, waarop een rolstoel kan
                                        worden gereden. Deze kan worden vastgezet en iets omhoog
                                        worden gebracht tussen de twee voorwielen van de fiets. Het
                                        plateau kan met een mechanische of elektrische bediening
                                        worden uitgevoerd. Criterium is dat de cliënt niet vervoerd
                                        kan worden zonder dat hij/zij in de rolstoel zit.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Elektrische aandrijving</onderstreept></al><al>Een fiets met elektrische aandrijving is een algemeen gebruikelijke
                                voorziening. Alleen wanneer de elektrische aandrijving noodzakelijk
                                is op een aangepast vervoermiddel dat verstrekt is of wordt op grond
                                van de Wmo, komt deze aandrijving in aanmerking als een Wmo
                                verstrekking. Dit kan aan de orde zijn wanneer de gezondheid en
                                belastbaarheid van degene die de spierkracht moet leveren om de
                                fiets voort te bewegen niet dit onmogelijk maakt. </al><al/><al><vet>c. </vet><vet>Handbike</vet></al><al>De handbike is een vervoersvoorziening die in principe aan en
                                vast-frame rolstoel kan worden bevestigd en waarmee de cliënt zich
                                met gebruik van de handen/ armen kan voortbewegen. Het is de
                                vervanging van een fiets, als de cliënt niet in staat is zich met
                                beenkracht en beencoördinatie voort te bewegen en ook een aangepaste
                                fiets niet adequaat is. De criteria hiervoor zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>cliënt is aangewezen op een rolstoel;</al></li><li nr="-"><al>cliënt heeft het vermogen zich te verplaatsen met behulp van
                                        een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand
                                        (1,5 km) binnen redelijke tijd overbruggen (te denken valt
                                        aan circa een half uur)</al></li><li nr="-"><al>heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke
                                        verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins
                                        kan worden opgelost. </al></li><li nr="-"><al>er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de
                                        handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of
                                        voor grotere afstanden wordt verstrekt.</al></li><li nr="-"><al>aanpassingen die nodig zijn om de handbike aan de rolstoel
                                        te kunnen bevestigen, vallen onder de
                                        rolstoelaanpassingen.</al></li></lijst><al/><al><vet>d. </vet><vet>de gesloten buitenwagen</vet></al><al/><al>Het begrip gesloten buitenwagen kan in tweeën worden onderverdeeld.
                                Ten eerste wordt hieronder verstaan een specifiek invalidenvoertuig
                                en ten tweede de vierwielige bromfiets of zogeheten brommobiel. De
                                brommobiel kan als algemeen gebruikelijke voorziening beschouwd
                                worden, omdat deze in de gewone handel verkrijgbaar is. Zie hiervoor
                                de richtlijnen bij de beoordeling van de algemeen gebruikelijke
                                voorziening. </al><al>Deze (kostbare) voorzieningen kunnen bij hoge uitzondering worden
                                toegekend. Als gebleken is dat alle andere voorzieningen niet
                                adequaat zijn. Door de rangorde van vervoersvoorzieningen zal (net
                                als bij de bruikleenauto) verstrekking van een gesloten buitenwagen
                                (brommobiel) niet vaak voorkomen.</al><al/><al><vet>e. </vet><vet>overige vervoersmiddelen</vet></al><al>Onder a t/m d zijn de meest voorkomende vervoersmiddelen voor
                                personen met beperkingen opgenomen. Dit is geen limitatieve lijst.
                                Voor specifieke vervoersmiddelen en zeker als deze buiten het
                                kernassortiment vallen zal de klantmanager steeds beoordelen of de
                                gangbare hulpmiddelen gezien de persoonskenmerken en behoeften
                                adequaat zijn of niet. Alleen indien dit niet het geval is is een
                                ander hulpmiddel mogelijk, waarbij het goedkoopst adequate
                                vervoermiddel wordt verstrekt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.5</nr><titel>Verstrekking vervoersvoorziening in natura </titel></kop><al>Als er een indicatie is voor een regiotaxipas voor collectief
                                vraagafhankelijk vervoer, meldt de klantmanager de cliënt aan bij de
                                gecontracteerde vervoerder. Hierbij vermeldt de klantmanager of het
                                gaat om regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer en of er sprake is
                                van de noodzaak tot begeleiding tijdens de rit. </al><al>Als er sprake is van een indicatie voor een andere
                                vervoersvoorziening in natura verstuurt de klantmanager een opdracht
                                tot levering van de vervoersvoorziening met vermelding van het van
                                toepassing zijnde programma van eisen. De hulpmiddelenleverancier
                                neemt contact op met de cliënt en maakt nadere afspraken voor
                                passing en levering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.6</nr><titel>Verstrekking in pgb </titel></kop><al>De klantmanager stelt t.b.v.de cliënt het programma van eisen op
                                waaraan de vervoersvoorziening moet voldoen om adequaat te zijn voor
                                de te bereiken doelstelling . Nadere bepalingen omtrent de criteria
                                en eisen van het pgb zijn opgenomen in artikel 5 van deze
                                Beleidsregels en in het Besluit 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.7</nr><titel>Gebruik eigen auto, taxi of rolstoeltaxi </titel></kop><al>Voorheen had de gemeente de bevoegdheid een financiële
                                tegemoetkoming te verstrekken als de cliënt niet in staat was of
                                geen gebruik wenste te maken van het collectief vervoer met de
                                regiotaxi. Dit werd uitgedrukt in een vast bedrag per jaar. De Wmo
                                2015 biedt echter geen ruimte meer tot het verstrekken van een
                                financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer. Een
                                maatwerkvoorziening kan alleen maar in natura of in een pgb. </al><al/><al>Een pgb voor gebruik van eigen van eigen auto, van een taxi of het
                                gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt
                                medisch en/ of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van
                                het collectief vervoer met de regiotaxi. Hiervoor is een
                                onderbouwing met een advies van een arts of gedragsdeskundige
                                noodzakelijk. </al><al>Iedereen, dus ook valide personen hebben vervoerskosten en dat
                                betekent dat de Wmo slechts voorziet in de meerkosten die gepaard
                                gaan bij het vervoer van de cliënt op grond van zijn/ haar
                                beperkingen. Dit impliceert dat niet alle vervoerskosten worden
                                vergoed. </al><al>Net als bij het collectief vervoer worden de maximale
                                kilometerregels gehanteerd, zoals die volgens jurisprudentie
                                toegepast kunnen worden om personen met beperkingen deel te kunnen
                                laten aan het sociale leven. </al><al>Voor regulier taxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd
                                zoals die algemeen maatschappelijk wordt toegepast door de
                                belastingdienst. </al><al>Voor rolstoeltaxivervoer wordt de kilometervergoeding gehanteerd
                                zoals die wordt toegepast door de zorgverzekeraars voor medische
                                ritten. De maximale bedragen zijn vastgelegd in het Besluit
                                2015.</al><al>Indien de cliënt aangeeft zeer veel medische ritten te moeten maken
                                en dat daarmee 2000 km niet volstaat, moet er eerst een beroep
                                gedaan worden op de kilometervergoeding die door de zorgverzekeraar
                                wordt betaald. De klantmanager vraagt medisch advies om de
                                aangegeven extra medische ritten te onderbouwen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.8</nr><titel>Aanpassing van een eigen auto </titel></kop><al>Dit is in uitzonderlijke situaties mogelijk als de cliënt om
                                    <onderstreept>medische </onderstreept>redenen aangewezen is op
                                het gebruik van eigen auto. Dit is slechts aan de orde als alle
                                andere vervoersvoorzieningen niet adequaat zijn. Pas wanneer de
                                voorliggende Wmo oplossingen zoals collectief vervoer en individuele
                                taxi of rolstoeltaxi niet voldoen, kan de gemeente beslissen een
                                autoaanpassing te verstrekken. </al><al>De aard van de beperking kan bepalen dat iemand geen gebruik kan
                                maken van een taxi maar zich wel in een eigen auto kan verplaatsen.
                                Als de beperking daartoe direct aanleiding geeft, dan ligt een
                                aanpassing van deze auto in de rede. De klantmanager vraagt een
                                medisch advies voor de objectivering van de aangegeven beperkingen. </al><al>Sommige autoaanpassingen zijn algemeen gebruikelijk (zoals stuur- en
                                rembekrachtiging, de automatische versnelling, auto met hoge
                                instap). Autoaanpassingen zijn die aanpassingen, die het algemeen
                                gebruikelijke karakter van de auto te boven gaan. </al><al>Het is ook mogelijk om een auto aan te passen als dit noodzakelijk
                                is voor kind(eren) met beperkingen. </al><al/><al><onderstreept>Leeftijd auto is van invloed</onderstreept></al><al>Is een auto ouder dan vijf jaar dan is een flinke aanpassing meestal
                                niet meer verantwoord. Een technische keuring van de auto door een
                                onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) is nodig om te
                                kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op
                                de technische staat en de verwachte levensduur van de auto. Bij een
                                flinke aanpassing moet de auto nog zeven jaar veilig kunnen rijden.
                                Let op: houd daarbij de geldigheidsduur van het rijbewijs in
                                ogenschouw.</al><al/><al>Als de autoaanpassingen de technische besturing van de auto
                                betreffen, is het noodzakelijk hiervan een aantekening op het
                                rijbewijs te laten zetten bij de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.9</nr><titel>De bruikleenauto </titel></kop><al>De bruikleenauto is, gelet op de vele voorliggende
                                vervoersvoorzieningen, slechts in heel specifieke gevallen mogelijk.
                                Deze voorziening kan worden toegekend als alle andere voorziening
                                niet toereikend zijn om in de vervoersbehoefte te voorzien en voor
                                de beperking in het lokaal verplaatsen geen enkele andere
                                maatwerkvoorziening adequaat is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.10</nr><titel>Afwijzing hulpmiddelen in Wlz-instelling of met Wlz pgb
                                    gefinancierde zorg </titel></kop><al>Bij een verblijf in een Wlz instelling, ook een kleinschalige
                                woonvorm die met Wlz pgb wordt gefinancierd, vallen alle
                                hulpmiddelen onder de Wlz. Het kan ook zijn dat de cliënt met een
                                Wlz indicatie ervoor gekozen heeft om thuis te blijven wonen met het
                                verzilveren van deze indicatie in een pgb.</al><al>Cliënten die beschikken of hadden kunnen beschikken over een Wlz
                                indicatie zijn voor al hun hulpmiddelen aangewezen op de Wlz. Dit
                                betekent dat de klantmanager moet onderzoeken of de cliënt beschikt
                                over een Wlz indicatie of op grond van de wet had kunnen beschikken
                                over een Wlz indicatie, maar dit weigert aan te vragen of
                                medewerking daaraan te verlenen. </al><al/><al><vet>Wlz vervoer </vet></al><al>De bewoners van Wlz instellingen, waaronder ook de met pgb
                                gefinancierde kleinschalige woonvormen vallen voor al hun
                                voorzieningen en hulpmiddelen permanent onder de werkingssfeer van
                                de Wlz</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.11</nr><titel>De regelingen Gehandicapten Parkeervoorzieningen valt buiten
                                    de werkingssfeer van de Wmo </titel></kop><al>Deze regeling wordt echter wel door Wmo klantmanagers uitgevoerd </al><al>Volgens de wet is voor de gehandicapten parkeerkaart/plaats een
                                medische indicatie vereist. De gemeente betrekt deze adviezen van
                                Argonaut Advies. Een gehandicaptenparkeerkaart kan een bestuurders-
                                of een passagierskaart zijn. De passagierskaart wordt afgegeven voor
                                de belanghebbende die aan alle voorwaarden voldoet, maar zelf niet
                                in staat is om een auto te besturen. </al><al/><al>Om voor een van deze kaarten in aanmerking te komen, moet worden
                                voldaan aan de volgende voorwaarden voor een </al><al><vet>1. </vet><vet>Bestuurderskaart</vet></al><lijst><li nr="-"><al>de persoon met beperkingen is in het bezit van een rijbewijs
                                        en is bestuurder van een motorvoertuig.</al></li><li nr="-"><al>een aantoonbare beperking van langdurige aard (tenminste zes
                                        maanden), waardoor de persoon met beperkingen, ook met de
                                        gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.)
                                        niet in staat is om meer dan 100 meter aan één stuk te voet
                                        te lopen of; permanent rolstoelgebonden of; een ernstige
                                        beperking niet zijnde een loopbeperking.</al></li></lijst><al/><al><vet>2. </vet><vet>Passagierskaart</vet></al><lijst><li nr="-"><al>een aantoonbare beperking van langdurige aard (tenminste zes
                                        maanden), waardoor de persoon met beperkingen, ook met de
                                        gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.)
                                        niet in staat is om meer dan 100 meter aan één stuk te voet
                                        te lopen of; permanent rolstoelgebonden of; een ernstige
                                        beperking niet zijnde een loopbeperking.</al></li><li nr="-"><al>deze persoon met beperkingen is voor het vervoer van deur
                                        tot deur afhankelijk van de bestuurder. </al></li></lijst><al/><al><vet>3. </vet><vet>Gehandicaptenparkeerplaats</vet></al><lijst><li nr="-"><al>een aantoonbare langdurige loopbeperking hebben waardoor ook
                                        met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken,
                                        krukken e.d.) niet in staat bent om zelfstandig een afstand
                                        van meer dan 50 meter aan één stuk te voet te
                                        overbruggen.</al></li><li nr="-"><al>heeft een auto waar hij/ zij in rijdt.</al></li><li nr="-"><al>heeft geen eigen parkeerruimte bij de woning en/of
                                        werkadres.</al></li><li nr="-"><al>In de directe omgeving is geen openbare parkeerruimte
                                        beschikbaar.</al></li><li nr="-"><al>beoordeling van de parkeerdruk in de directe woonomgeving
                                        binnen de voor de cliënt vastgestelde maximale loopafstand.
                                    </al></li><li nr="-"><al>beoordeling of de verkeersveiligheid en het doelmatig
                                        gebruik van de weg niet verstoord worden door de aanleg van
                                        een gehandicaptenparkeerplaats.</al></li></lijst><al/><al>De gemeente vergoedt geen kosten voor het verstrekken van een
                                invalidenparkeerkaart of- plaats. De verschuldigde legeskosten
                                worden door de cliënt zelf betaald.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>12</nr><titel>Hulpmiddelen ten behoeve van zittend verplaatsen </titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente Ridderkerk biedt rolstoelvoorzieningen aan mensen met
                                mobiliteitsbeperkingen, die langdurig zijn aangewezen op zittend
                                verplaatsen. </al><al/><al>Het is een hulpmiddel voor mensen die zich niet (goed) lopend kunnen
                                verplaatsen of die geen langere afstanden meer kunnen afleggen. Er
                                zijn veel verschillende soorten rolstoelen, afgestemd op het
                                gebruiksdoel en de beperkingen. Sommige rolstoelen zijn voor gebruik
                                binnenshuis, anderen voor binnen en buiten. </al><al>De Wmo-klantmanager onderzoekt wat de goedkoopst adequate
                                rolstoelvoorziening is, waarmee het verplaatsingsprobleem
                                doeltreffend opgelost kan worden. </al><al/><al>Van belang is dat loophulpmiddelen zoals een stok, rollator, looprek
                                etc. voorgaan op een Wmo rolstoelvoorziening</al><al>Een rolstoel op vakantie meenemen naar het buitenland is toegestaan.
                                Wel moet dit vooraf worden gemeld in verband met verzekeringen en
                                wettelijke aansprakelijkheid.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Programma van eisen voor een rolstoel </titel></kop><al>Het selecteren van een rolstoel is maatwerk. De gekozen rolstoel
                                moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg
                                kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving van de
                                gebruiker en voor de activiteiten die de gebruiker onderneemt.
                                Hiervoor stelt de klantmanager een programma van eisen op dat
                                voorziet in de functionele gebruiksdoelen van de cliënt en
                                selecteert vervolgens de goedkoopst adequate rolstoel die aan deze
                                eisen voldoet.</al><al/><al>Hierbij zijn de volgende factoren van belang:</al><lijst><li nr="a."><al>de fysieke en mentale mogelijkheden van de cliënt en de
                                        prognose hiervan</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de aandrijving;</al></li><li nr="c."><al>de gebruiksduur, frequentie en gebruiksdoel</al></li><li nr="d."><al>het gebruiksgebied;</al></li><li nr="e."><al>de zithouding;</al></li><li nr="f."><al>de meeneembaarheid;</al></li><li nr="g."><al>antropometrische gegevens (maatvoering).</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="a."><al>Fysieke en mentale mogelijkheden van de cliënt</al></li></lijst><al>Beoordeeld wordt of de cliënt met de rolstoel zelfredzaam kan zijn
                                of worden of dat hij niet in staat is zelfstandig met de rolstoel
                                verplaatsingen te doen. Dit is van belang om de juiste aandrijving
                                te kunnen kiezen. Heeft de cliënt voldoende fysieke mogelijkheden
                                zoals arm- en handfunctie en balans om de rolstoel handmatig voort
                                te bewegen? En zo niet, heeft de cliënt dan voldoende mentale
                                mogelijkheden om een elektrisch aangedreven rolstoel zelfstandig te
                                bedienen en indien het een buitenrolstoel betreft ook voldoende
                                inzicht om aan het verkeer deel te kunnen nemen?</al><al>Een rolstoel wordt verstrekt voor langdurend adequaat gebruik. Als
                                de verwachting is dat de gezondheid en het functioneren van de
                                cliënt snel progressief achteruit gaan, houdt de klantmanager met
                                deze factor rekening. Een dure rolstoel verstrekken voor een paar
                                maanden kan kapitaalvernietiging zijn als de rolstoel niet vanuit
                                het kernassortiment verstrekt kan worden.</al><al/><lijst><li nr="b."><al>Aandrijving</al></li></lijst><al>De aandrijving kan op vier verschillende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>door het voortduwen door een begeleider.</al></li><li nr="-"><al>door het eigen lichaam (trippelen/hoepelen);</al></li><li nr="-"><al>door het bedienen van een elektrische aandrijving, door
                                        voorwiel of achterwielaandrijving</al></li><li nr="-"><al>elektrische ondersteuning t.b.v. degene die duwt </al></li></lijst><al>De keuze hangt af van de fysieke en verstandelijke vermogens van de
                                klant en de begeleider.</al><al/><lijst><li nr="c."><al>Gebruiksduur, frequentie en gebruiksdoel</al></li></lijst><al>Als er een rolstoel wordt geselecteerd, kijkt de Wmo- klantmanager
                                naar de gebruiksduur, gebruiksfrequentie en het gebruiksdoel. </al><al>Een rolstoel waar de cliënt permanent of meer dan 8 uur per dag in
                                moet zitten, omdat hij/ zij niet in een gewone stoel kan zitten moet
                                aan heel andere comforteisen voldoen dan een rolstoel die één tot
                                twee uur per dag gebruikt wordt. Als de cliënt (met hulp) kan
                                overstappen op een gewone stoel wordt verwacht dat hij dit ook doet
                                en niet voor het gemak in de rolstoel wil blijven zitten. </al><al>Om de frequentie van het gebruik te bepalen onderzoekt de
                                klantmanager hoe vaak de rolstoel zal worden gebruikt. Is dit
                                dagelijks, meerdere keren per week of incidenteel ( 1 keer per week) </al><al>Waarvoor wordt de rolstoel gebruikt? Gaat het alleen om verplaatsen
                                binnen en/ of buiten, moeten er activiteiten door de cliënt vanuit
                                de rolstoel uitgevoerd worden, is de rolstoel nodig om persoonlijke
                                zorg mogelijk te maken, zoals zelfstandig naar het toilet kunnen
                                gaan? </al><al>Als een rolstoel voor meerdere doeleinden wordt gebruikt, kan het
                                zijn dat er concessies gedaan moeten worden omdat niet alles in één
                                rolstoel verenigbaar is. Van belang is dan dat de klantmanager met
                                de cliënt of diens vertegenwoordiger bespreekt welke factoren voor
                                hen het zwaarste wegen.</al><al/><al><onderstreept>Tijdelijk of incidenteel gebruik</onderstreept></al><al>Rolstoelen die tijdelijk nodig zijn, kunnen worden geleend bij de
                                thuiszorgorganisatie. Denk hierbij aan de situatie dat er
                                behandeling plaatsvindt en er verbetering in het verplaatsen wordt
                                verwacht. Dit is niet gekoppeld aan een vast aantal maanden, zoals
                                voorheen in de Wvg. Van belang is of er sprake is van een
                                eindsituatie. </al><al>Ook voor incidenteel gebruik kan een rolstoel geleend worden. De
                                gemeente is voornemens om voor incidenteel gebruik een zgn.
                                ‘rolstoelpool’ te ontwikkelen.</al><al/><lijst><li nr="d."><al>Gebruiksgebied</al></li></lijst><al>Een rolstoel kan binnen en/ of buiten gebruikt worden. Een
                                elektrische rolstoel voor binnen stelt andere eisen aan de
                                aandrijving dan voor buiten. Bij een vraag om een elektrische
                                rolstoel is het van belang of de cliënt vanuit een handbewogen
                                rolstoel, die binnenshuis gebruikt wordt kan overstappen op een
                                ander vervoermiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel als goedkoopst
                                adequate oplossing. </al><al/><al><onderstreept>Gebruik in Wlz-instelling of met Wlz
                                    pgb</onderstreept></al><al>Bij een verblijf in een Wlz instelling, ook een kleinschalige
                                woonvorm die met Wlz pgb wordt gefinancierd, vallen alle
                                hulpmiddelen onder de Wlz. </al><al/><lijst><li nr="e."><al>Zithouding</al></li></lijst><al>Mensen die het grootste deel van de dag in de rolstoel zitten,
                                hebben belang bij een goede zithouding. Daar is geen standaard voor.
                                Een goede zithouding verschilt per gebruiker en wordt soms ook
                                bepaald door diens beperkingen en de activiteiten die vanuit de
                                rolstoel worden gedaan. In het algemeen geldt dat de onderdelen van
                                de rolstoel die het lichaam raken goed dienen aan te sluiten op de
                                lichaamsmaten van de gebruiker, om vergroeiingen en drukplekken te
                                voorkomen.</al><al/><lijst><li nr="f."><al>Meeneembaarheid</al></li></lijst><al>Moet de rolstoel meegenomen kunnen worden in de auto? </al><lijst><li nr="-"><al>In een personenauto of taxi is het belangrijk dat de
                                        rolstoel door de gebruiker of begeleider kan worden
                                        opgevouwen of gedemonteerd.</al></li><li nr="-"><al>In geval de cliënt niet kan overstappen op een
                                        passagiersstoel en dus tijdens het vervoer in de rolstoel
                                        moet blijven zitten, moet de rolstoel voorzien zijn van
                                        bevestigingspunten voor de spanbande, waarmee de rolstoel in
                                        de taxibus gefixeerd kan worden. De spanbanden horen in de
                                        rolstoeltaxi aanwezig te zijn en de vervoerder moet zorgen
                                        voor een driepuntsgordel die voor het bovenlichaam van de
                                        cliënt loopt, net zoals passagiers in iedere auto. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="g."><al>Antropometrische gegevens</al></li></lijst><al>Een goed passende rolstoel wordt aangemeten aan de lichaamsmaten van
                                de gebruiker. Met name bij een( bijna) permanent rolstoel is dit van
                                groot belang voor het zitcomfort en het optimaal gebruik van de
                                rolstoel. Bij voorbeeld: de stoel moet de goede zithoogte hebben, in
                                huis de gewenste draaicirkel hebben en werken aan een tafelblad
                                mogelijk maken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Soorten rolstoelen </titel></kop><al>Rolstoelen zijn meestal modulair opgebouwd en de modulen zijn te
                                groeperen in een houdingsgedeelte, een verplaatsingsgedeelte en een
                                besturingsgedeelte. Deze opbouwelementen vinden we in de
                                verschillende typen terug. Als typen worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="-"><al>de duwwandelwagen; </al></li><li nr="-"><al>de handbewogen rolstoel voor kortdurend gebruik; </al></li><li nr="-"><al>de handbewogen rolstoel voor continu gebruik; </al></li><li nr="-"><al>de elektrische binnen/buiten rolstoel. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Duwwagen </onderstreept></al><al>De duwwagen kan zowel kortdurend als (bijna)
                                permanent gebruikt worden. Bij kortdurend wordt de rolstoel gebruikt
                                over een beperkte tijdsduur op een dag. Deze personen kunnen
                                overstappen naar een stoel en de rolstoel dient alleen voor het
                                transport van de klant.</al><al>Bij langdurend gebruik zit de cliënt de hele dag in de rolstoel en
                                kan niet overstappen op een gewonen stoel. Denk hierbij aan cliënten
                                met ernstige dementie en ernstige verstandelijke beperkingen. </al><al>De rolstoel wordt geduwd door derden.</al><al/><al><onderstreept>Handbewogen rolstoel voor kortdurend
                                    gebruik</onderstreept></al><al>Deze rolstoel wordt gebruikt over een beperkte tijdsduur op een dag.
                                De klant is niet gebonden aan de rolstoel. Deze rolstoel wordt
                                ingezet voor mensen die wel rolstoelafhankelijk zijn, maar niet
                                rolstoelgebonden. Deze personen kunnen overstappen naar een stoel.
                                De rolstoel wordt steeds kort gebruikt en dient alleen voor het
                                transport van de cliënt. De rolstoel wordt door de cliënt zelf
                                voortbewogen met behulp van hoepels. Het zelfstandig voortbewegen en
                                besturen vereist een goede arm- en handfunctie en een redelijk
                                uithoudingsvermogen bij de cliënt.</al><al/><al><onderstreept>Handbewogen rolstoel voor continu
                                    gebruik</onderstreept></al><al>Deze rolstoel wordt over de gehele dag gebruikt. De cliënt is niet
                                meer in staat om zich zelfstandig lopend te verplaatsen. De rolstoel
                                wordt door de cliënt zelf voortbewogen met behulp van hoepels. Het
                                zelfstandig voortbewegen en besturen vereisen een goede arm- en
                                handfunctie en een redelijk uithoudingsvermogen bij de persoon met
                                beperkingen. In dit geval spelen de ondersteuningselementen van de
                                rolstoel een belangrijke rol. </al><al/><al><onderstreept>Elektrische rolstoel</onderstreept></al><al>Elektrische rolstoelen worden met behulp van een elektromotor
                                aangedreven en de ondersteuning van verschillende lichaamshoudingen
                                kan eveneens met behulp van de motor worden ingesteld. De stoelen
                                worden meestal bestuurd met een joystick. Elektrische rolstoelen
                                kunnen worden onderscheiden voor gebruik binnenshuis, gebruik
                                buitenshuis en gebruik binnen- en buitenshuis. </al><al>De criteria zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de cliënt heeft medisch aantoonbare beperkingen die
                                        dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning
                                        noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf
                                        gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet
                                        verstrekt worden niet volstaan;</al></li><li nr="2."><al>de cliënt kan zich, met of zonder loophulpmiddel, minder dan
                                        100 meter verplaatsen vanwege energetische problemen,
                                        problemen met de arm- of handfunctie en/of problemen met de
                                        zitbalans;</al><al>Energetisch probleem: de cliënt die meer dan 100 meter kan
                                        lopen, moet over voldoende reserve beschikken om de
                                        dagelijkse activiteiten op te pakken. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>de cliënt kan veilig deelnemen aan het verkeer;</al></li><li nr="4."><al>de woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en
                                        rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden
                                        aangepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Kinderrolstoel </titel></kop><al>Zowel vanwege de kleinere lichaamsmaten, de groei en het ontwikkelen
                                van activiteiten in de loop van de jaren zijn er speciale
                                kinderrolstoelen. De functionele eisen en soorten rolstoelen
                                volgende de elementen van 12.1 en 12.2 die in het onderzoek naar een
                                rolstoel voor een volwassene aan de orde zijn. </al><al>Door de groei van een kind zal de rolstoel vaker vervangen moeten
                                worden dan bij een volwassen cliënt, ook al zijn er de zgn.
                                meegroeistoelen. Dat is dan ook de reden dat een kinderrolstoel
                                alleen in bruikleen wordt verstrekt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Rolstoelaanpassingen </titel></kop><al>Als uitgangspunt wordt een rolstoel geselecteerd uit het zogenaamde
                                kernassortiment. Dat kan alleen als die rolstoel adequaat is voor
                                het doel waarvoor hij gebruikt moet worden. Dat kan betekenen dat er
                                aanpassingen nodig zijn om een rolstoel uit het kernassortiment
                                adequaat te maken gezien de persoonskenmerken van de cliënt. Bij de
                                eerste verstrekking, maar ook later, is het mogelijk om door middel
                                van aanpassingen te bereiken dat een rolstoel een werkelijk passende
                                voorziening is.</al><al>Als de aanpassingen voor therapeutisch doel een vast onderdeel zijn
                                van de rolstoel, dan worden ze wel vergoed (zoals zit- en
                                rugortheses).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Accessoires </titel></kop><al>Cliënten aan wie een rolstoel is verstrekt doen nogal eens een
                                aanvraag voor accessoires zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>Een extra zacht zitkussen </al><al>Extra (zachte) kussens worden niet verstrekt. De cliënt kan
                                        er voor kiezen om een eigen hoofdkussen of een ander kussen
                                        naar eigen inzicht op de zitting te leggen. Is er sprake van
                                        terugkerende decubitus dan is een speciaal
                                        anti-decubituskussen mogelijk. Dit is altijd een
                                        verstrekking op medische gronden. Heeft de cliënt al een
                                        anti-decubituskussen vanuit de zorgverzekering voor gebruik
                                        in een gewone stoel dan wordt de cliënt geacht dit bij
                                        rolstoelgebruik op de zitting van de rolstoel te leggen voor
                                        gebruik </al></li><li nr="-"><al>een schootskleed</al><al>Als uitgangspunt wordt van iedereen die zich met een niet
                                        gesloten vervoermiddel aan het verkeer deelneemt verwacht
                                        dat die zich kleedt naar de weersomstandigheden. Dat is voor
                                        een persoon met beperkingen niet anders. In heel
                                        uitzonderlijke gevallen kan een schootskleed verstrekt
                                        worden op medische gronden. Het gaat dan om omstandigheden
                                        die met de gangbare beschermende kleding, regencape en deken
                                        niet ondervangen kunnen worden. Hiervoor is een medisch
                                        advies noodzakelijk. </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>een stokhouder zal met name bij ouderen vaak noodzakelijk
                                        zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Selectie van de rolstoel </titel></kop><al>De Wmo-klantmanager doet de selectie van de specifieke rolstoel op
                                basis van het functionele programma van eisen in samenspraak met de
                                passingsconsulent van de leverancier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Vaardigheidstraining rolstoelgebruik </titel></kop><al>Er zijn twee mogelijkheden: proeflessen of gewenningslessen:</al><lijst><li nr="1."><al>Proeflessen worden gegeven als de cliënt tijdens het
                                        aanmeten van het middel niet rijvaardig is gebleken. De
                                        cliënt moet eerst maximaal vijf lessen volgen om zijn
                                        rijvaardigheid te verbeteren. Bij de laatste les wordt
                                        beoordeeld of de persoon met beperkingen voldoende
                                        rijvaardig is voor toekenning van de rolstoel. Een
                                        elektrische rolstoel bij twijfel op proef geven wordt uit
                                        veiligheidsoverwegingen niet gedaan. De proeflessen worden
                                        bij een eerstelijns ergotherapeut afgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Gewenningslessen worden gegeven als tijdens het aanmeten
                                        blijkt dat de cliënt voldoende vaardigheden heeft, dan
                                        kunnen maximaal drie gewenningslessen worden gevolgd om
                                        vertrouwd te raken met de rolstoel en er veilig mee om te
                                        kunnen gaan. De rolstoel wordt toegekend en geleverd en de
                                        training wordt met de toegekende rolstoel gegeven. Meestal
                                        gaat het bij gewenningslessen om specifieke manoeuvres die
                                        getraind moeten worden. De gewenningslessen worden verzorgd
                                        door de leverancier van de te verstrekken rolstoel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.8</nr><titel>Verstrekking rolstoelvoorziening in natura </titel></kop><al>De klantmanager verstuurt een opdracht tot levering van de
                                rolstoelvoorziening met vermelding van het van toepassing zijnde
                                programma van eisen. De hulpmiddelenleverancier neemt contact op met
                                de cliënt en maakt nadere afspraken voor passing en levering.
                                Rolstoelen worden bij voorkeur in natura en in bruikleen
                                verstrekt.</al><al>Voor onderhoud en reparatie heeft de gemeente een onderhoudscontract
                                met de leverancier gesloten. Doordat de stoel in bruikleen wordt
                                verstrekt door de gemeente betekent een verhuizing naar een andere
                                gemeente het einde van de bruikleenovereenkomst. Als er sprake is
                                van permanent gebruik en de cliënt zich zonder rolstoel niet kan
                                verplaatsen kan de klantmanager contact opnemen met de gemeente
                                waarheen de cliënt heen is verhuisd om te bespreken hoe een
                                overgangsperiode geregeld en gefinancierd kan worden. Als
                                uitgangspunt is de cliënt verantwoordelijk om zich voor Wmo
                                voorzieningen tijdig aan te melden bij zijn nieuwe gemeente. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9</nr><titel>Verstrekking rolstoelvoorziening in pgb </titel></kop><al>De klantmanager stelt t.b.v. de cliënt het programma van eisen op
                                waaraan de rolstoelvoorziening moet voldoen om adequaat te zijn voor
                                de te bereiken doelstelling. Nadere bepalingen omtrent de criteria
                                en eisen van het pgb zijn opgenomen in artikel 5 van deze
                                Beleidsregels en in het Besluit 2015</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10</nr><titel>Afwijzing hulpmiddelen in Wlz-instelling of met Wlz pgb
                                    gefinancierde zorg </titel></kop><al>Bij een verblijf in een Wlz instelling, ook een kleinschalige
                                woonvorm die met Wlz pgb wordt gefinancierd, vallen alle
                                hulpmiddelen onder de Wlz. </al><al>Het kan ook zijn dat de cliënt met een Wlz indicatie ervoor gekozen
                                heeft om thuis te blijven wonen met het verzilveren van deze
                                indicatie in een pgb.</al><al>Cliënten die beschikken of hadden kunnen beschikken over een Wlz
                                indicatie zijn voor al hun hulpmiddelen aangewezen op de Wlz. Dit
                                betekent dat de klantmanager moet onderzoeken of de cliënt beschikt
                                over een Wlz indicatie of op grond van de wet had kunnen beschikken
                                over een Wlz indicatie, maar dit weigert aan te vragen of
                                medewerking daaraan te verlenen. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>13</nr><titel>Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de woning
                            </titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente Ridderkerk biedt roerende woonvoorzieningen aan mensen
                                met belemmeringen in het normale gebruik van de woning en die met
                                deze hulpmiddelen een oplossing voor hun woonprobleem kunnen
                                bereiken. </al><al/><al>Bij hulpmiddelen gaat het altijd om roerende voorzieningen en is er
                                geen sprake van bouwkundige (nagelvaste) woonvoorzieningen. Deze
                                laatste staan beschreven bij het hoofdstuk Woningaanpassingen.</al><al/><al><onderstreept>Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van
                                    de woning zijn:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Toiletstoel. Deze stoel is voor mensen met beperkingen die
                                        niet gebruik kunnen maken van het toilet. Denk hierbij niet
                                        alleen aan toiletgebruik op de begane grond, maar ook aan
                                        het ontbreken van een toilet op de verdieping , waar de
                                        slaapkamer zich bevindt en de cliënt niet in staat is ’s
                                        nachts naar het toilet op de begane grond te gaan. In de
                                        sociale woningbouw is niet een tweede toilet opgenomen.
                                        Toiletstoelen worden vanwege de hygiëne in eigendom
                                        verstrekt. Hergebruik van deze middelen is niet aan de
                                        orde.</al></li><li nr="b."><al>Douchekruk of douchestoel. Deze kruk of stoel is voor mensen
                                        met beperkingen die niet staand kunnen douchen. De standaard
                                        uitvoeringen die in de reguliere handel en ook tweedehands
                                        in ruime mate te koop zijn worden beschouwd als algemeen
                                        gebruikelijk. Veel ouderen kiezen er voor om gezien hun
                                        leeftijd om zittend te gaan douchen. De douchestoel wordt
                                        wel vanuit de Wmo verstrekt als er specifieke eisen gesteld
                                        worden aan de uitvoering, die afgestemd zijn op de
                                        persoonlijke kenmerken en behoeften van de cliënt. Denk aan
                                        een douchestoel met kantelverstelling, een douchstoel met
                                        hoog-laag functie, een kinderdouchestoel, een douchestoel
                                        met fixatie elementen etc. Douchehulpmiddelen voor
                                        volwassenen worden over het algemeen, vanwege de hygiëne, in
                                        eigendom verstrekt. Hergebruik van deze middelen is niet aan
                                        de orde.</al></li><li nr="c."><al>Douchebrancard. Deze brancard is voor mensen met een
                                        beperking die niet staand en zittend kunnen douchen. </al></li><li nr="d."><al>Transferhulpen (draaischijven, planken). Dit zijn
                                        hulpmiddelen die bedoeld zijn voor mensen met beperkingen
                                        die niet zonder hulpmiddel de transfers van bed naar stoel
                                        naar toilet en vice versa kunnen maken.</al></li><li nr="e."><al>Tillift (passief en actief). Deze liften zijn bedoeld voor
                                        mensen die niet zelfstandig transfers kunnen maken en
                                        waarbij een draaischijf of transferplank niet adequaat zijn.
                                        Tilliften komen voor verstrekking vanuit de Wmo in
                                        aanmerking als zij nodig zijn ter ondersteuning van de reeds
                                        bestaande mantelzorg (zorg door familie en/of vrienden)</al><al>Als het om professionele hulpverleners gaat dient er goed
                                        gekeken te worden naar datgene wat nodig is om deze hulp
                                        goed te kunnen verlenen. </al><lijst><li nr="-"><al>Staliften zijn er voor mensen die nog enige
                                                sta-functie hebben, maar niet voldoende voor
                                                zelfstandige transfers of transfers met persoonlijke
                                                ondersteuning. </al></li><li nr="-"><al>Passieve tilliften zijn er voor mensen die geen
                                                sta-functie hebben. Zij worden getild via een
                                                tilband.</al></li></lijst><al>Plafondliften behoren niet tot de hulpmiddelen maar tot de
                                        nagelvaste woningaanpassingen. </al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.1</nr><titel>Afwijzing hulpmiddelen in Wlz-instelling of met Wlz pgb
                                    gefinancierde zorg</titel></kop><al>Bij een verblijf in een Wlz instelling, ook een kleinschalige
                                woonvorm die met Wlz pgb wordt gefinancierd, vallen alle
                                hulpmiddelen onder de Wlz. Het kan ook zijn dat de cliënt met een
                                Wlz indicatie ervoor gekozen heeft om thuis te blijven wonen met het
                                verzilveren van deze indicatie in een pgb.</al><al>Cliënten die beschikken of hadden kunnen beschikken over een Wlz
                                indicatie zijn voor al hun hulpmiddelen aangewezen op de Wlz. Dit
                                betekent dat de klantmanager moet onderzoeken of de cliënt beschikt
                                over een Wlz indicatie of op grond van de wet had kunnen beschikken
                                over een Wlz indicatie, maar dit weigert aan te vragen of
                                medewerking daaraan te verlenen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.2</nr><titel>Verstrekking woonhulpmiddel in natura </titel></kop><al>De klantmanager verstuurt een opdracht tot levering van het
                                hulpmiddel ten behoeve van wonen met vermelding van het van
                                toepassing zijnde programma van eisen. De hulpmiddelenleverancier
                                neemt contact op met de cliënt en maakt nadere afspraken voor
                                passing en levering. Douche en toiletstoelen worden bij voorkeur in
                                natura en in eigendom verstrekt.</al><al>Voor onderhoud en reparatie heeft de gemeente een onderhoudscontract
                                met de leverancier gesloten. </al><al/><al>Als de douche-en/of toiletstoel in eigendom wordt verstrekt door de
                                gemeente betekent een verhuizing naar een andere gemeente dat de
                                stoel meegenomen kan worden naar de nieuwe woonplaats. </al><al>Als de hulpmiddelen in bruikleen zijn verstrekt door de gemeente
                                betekent een verhuizing naar een andere gemeente het einde van de
                                bruikleenovereenkomst en wordt de douchestoel door de gemeente
                                ingenomen. De cliënt is zelf verantwoordelijk om zich voor Wmo
                                voorzieningen tijdig aan te melden bij zijn nieuwe gemeente. In
                                geval van onvoorzienbaarheid kan ook in de nieuwe woonplaats een
                                tijdelijk hulpmiddel geleend of gehuurd worden bij een
                                thuiszorgwinkel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.3</nr><titel>Verstrekking woonhulpmiddel in pgb</titel></kop><al>De klantmanager stelt t.b.v. de cliënt het programma van eisen op
                                waaraan het hulpmiddel ten behoeve van wonen moet voldoen om
                                adequaat te zijn voor de te bereiken doelstelling . Nadere
                                bepalingen omtrent de criteria en eisen van het pgb zijn opgenomen
                                in artikel 5 van deze Beleidsregels en in het Besluit
                                2015.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>14</nr><titel>Hulpmiddelen ten behoeve van sportbeoefening en overige
                                hulpmiddelen</titel></kop><structuurtekst><al>Sporten wordt gezien als gebruikelijke deelname aan de samenleving.
                                Voor personen met beperkingen is verstrekking van een
                                sportvoorziening onder voorwaarden mogelijk als zonder de
                                voorziening geen deelname mogelijk is aan sport. </al><al>De meest gangbare voorziening die verstrekt wordt om sportbeoefening
                                mogelijk te maken is de sportrolstoel. Het is echter ook mogelijk
                                dat een andere voorziening dan een rolstoel de sportbeoefening
                                mogelijk maakt. Daarom spreken we van een sportvoorziening. </al><al/><al><onderstreept>Criteria voor een sportvoorziening
                                    zijn:</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>cliënt maakt ook in het dagelijks leven gebruik van een
                                        loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel;</al></li><li nr="2."><al>cliënt is zonder sportvoorziening niet in staat tot
                                        sportbeoefening; </al></li><li nr="3."><al>beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met
                                        een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een
                                        andere wijze mogelijk;</al></li><li nr="4."><al>overleggen van een bewijs van lidmaatschap van een
                                        sportvereniging is vereist.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Sportrolstoel</onderstreept></al><al>Voor deelname aan sporten zijn de sportrolstoelen ontwikkeld. Voor
                                diverse rolstoelsporten zijn verschillende rolstoelen ontwikkeld.
                                Een kenmerk is de scheefstand (camberhoek) van de grote wielen. Een
                                sportrolstoel is meestal een handbewogen rolstoel.</al><al>Een sportrolstoel is meestal een vaste framerolstoel, omdat die het
                                sterkste is en het snelste rijdt en draait. Sportrolstoelen kunnen
                                op maat worden gemaakt, aangepast aan de gebruiker en aan een
                                bepaalde sport. </al><al/><al>Gezien de krachten die tijdens het sporten op een rolstoel worden
                                uitgeoefend, kan eens per drie jaar een sportrolstoel verstrekt
                                worden. Spaakbeschermers, anti-kiepvoorziening en een heupgordel
                                zijn standaardaccessoires op een sportrolstoel.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.1</nr><titel>Overige hulpmiddelen</titel></kop><al>Onder hoofdstuk 11 t/m 13 zijn de meest voorkomende hulpmiddelen
                                voor personen met beperkingen opgenomen. Dit is geen limitatieve
                                opsomming. Voor specifieke hulpmiddelen en zeker als deze buiten het
                                kernassortiment vallen zal de klantmanager steeds beoordelen of de
                                gangbare hulpmiddelen gezien de persoonskenmerken en behoeften
                                adequaat zijn of niet. Alleen indien dit niet het geval is, is een
                                ander hulpmiddel mogelijk, waarbij het goedkoopst adequate
                                hulpmiddel wordt verstrekt. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><nr>15</nr><titel>Beschermd Wonen (BW) en Maatschappelijke Opvang (MO en
                                VO)</titel></kop><structuurtekst><al>Op grond van de Wmo artikel 1.2.1 kan de gemeente Ridderkerk aan een
                                persoon die in verband met psychische of psychosociale problemen
                                niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                                mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                te handhaven in de samenleving beschermd wonen bieden , dan wel
                                opvang te verstrekken indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al
                                dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van
                                huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met
                                gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen
                                uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.1</nr><titel>Centrumgemeente Rotterdam</titel></kop><al>Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang is gebonden aan
                                landelijke toegankelijkheid en wordt regionaal door de
                                centrumgemeenten uitgevoerd. Voor de gemeente Ridderkerk is de
                                centrumgemeente Rotterdam. Het college heeft bevoegdheden
                                gemandateerd voor wat betreft de maatwerkvoorzieningen Beschermd
                                Wonen.</al><al>De gemeente Rotterdam is in haar rol van centrumgemeente
                                verantwoordelijk voor het gehele klantproces inzake cliënten
                                Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. Het proces van toegang /
                                Wmo-melding tot en met het besluit op de indicatiestelling. De
                                indicatiebeschikking aan cliënt en de leveringsopdracht aan de
                                gecontracteerde zorgaanbieder wordt vanuit de back office van de
                                gemeente Rotterdam geregeld. </al><al/><al>Indien een deel van het proces (melding, onderzoek,
                                informatieverstrekking) reeds in Ridderkerk heeft plaatsgevonden,
                                draagt de gemeente de verzamelde gegevens hiervan over aan
                                Rotterdam, teneinde dubbelingen en vertragingen in het proces te
                                voorkomen. De gemeente draagt tevens zorg voor een adequate
                                informatievoorziening aan de cliënt hierover en bewaakt een warme
                                overdracht van de gegevens.</al><al/><al>Rotterdam informeert de gemeente Ridderkerk over de genomen
                                beslissing en verstrekt indien gewenst een afschrift van verleende
                                beschikkingen die op grond van de gemandateerde bevoegdheden zijn
                                genomen. Rotterdam draagt tevens zorg voor het monitoren van de
                                doorlooptijden in dit proces.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.2</nr><titel>Beschermd wonen (BW)</titel></kop><al>Beschermd wonen is een maatwerkvoorziening en is in de Wmo 2015 als
                                volgt omschreven: “wonen in een accommodatie van een instelling met
                                daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen
                                van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal
                                functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het
                                voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het
                                afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen”. Hiervoor is
                                specifieke deskundigheid vereist. Beschermd Wonen maakt onderdeel
                                uit van een breder palet aan Wmo-voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.2.1</nr><titel>Doelgroep BW</titel></kop><al>Beschermd Wonen is bedoeld voor kwetsbare mensen (18+) met ernstige
                                beperkingen in het persoonlijk, sociaal en maatschappelijk
                                functioneren, die daardoor niet of nog niet in staat zijn zonder
                                begeleiding zelfstandig te wonen. Er is sprake van een beschermde
                                woonomgeving met 24 uurs begeleiding en toezicht. Vanuit de AWBZ
                                diende er sprake te zijn van een GGZ c indicatie. </al><al>Er kan daarbij een overlap zijn met de zogeheten OGGZ doelgroep
                                (Openbare Geestelijke Gezondheid Zorg) Tot de (O)GGZ doelgroep
                                behoren mensen met problemen op meerdere levensgebieden, waarvoor
                                geen voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn en die (nog) niet
                                in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;
                                en de afwezigheid van een adequate hulpvraag .</al><al/><al>De volgende kenmerken zijn van toepassing op de doelgroep
                                (O)GGZ:</al><lijst><li nr="-"><al> Dak- en of thuisloos of op de drempel van dakloosheid;</al></li><li nr="-"><al> waarbij sprake is van psychische stoornissen (waaronder
                                        verslavingsproblemen), of ernstige psychosociale
                                        problemen;</al></li><li nr="-"><al> en waar tegelijkertijd aanwezigheid van meerdere problemen
                                        op andere leefgebieden speelt;</al></li><li nr="-"><al> die onvoldoende in staat zijn om in de eigen
                                        bestaansvoorwaarden te voorzien (huisvesting, inkomen,
                                        sociale contacten, zelfverzorging, etc.);</al></li><li nr="-"><al> gebrek aan mogelijkheden hebben om de problemen op te
                                        lossen;</al></li><li nr="-"><al> en waar een adequate hulpvraag door afwezig is.e cliënt
                                    </al></li></lijst><al>Voor personen tot 18 jaar is de Jeugdwet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.2.2</nr><titel>Procedure BW</titel></kop><al>Voordat beschermd wonen in beeld komt, moet er door de gemeente goed
                                geïnventariseerd zijn of iemand niet ambulant ondersteund kan worden
                                in de gemeente Ridderkerk. Tevens moet er gekeken te worden naar
                                andersoortige voorzieningen zoals de Wet Langdurige zorg of de
                                zorgverzekeringswet. Het verdient de voorkeur dat alle meldingen
                                zoveel mogelijk via de Wmo van de gemeente Ridderkerk lopen. </al><al/><al><onderstreept>A Uitgangspunten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Inzet eigen kracht en sociaal netwerk van de burger staan
                                        centraal. Professionele ondersteuning is aanvullend op de
                                        mogelijkheden die cliënten zelf, al dan niet met behulp van
                                        hun sociaal netwerk en naaste omgeving, hebben. Er wordt
                                        voor aanvullende ondersteuning zoveel mogelijk aansluiting
                                        gezocht en gemaakt met het wijknetwerk;</al></li><li nr="2."><al>De samenwerkende gemeenten willen ontwikkeling en beweging
                                        richting zelfredzaamheid van de cliënt realiseren waar dat
                                        mogelijk is. Uiteindelijk doel is zo veel mogelijk
                                        zelfredzame inwoners, die zonder of met lichtere vormen van
                                        ondersteuning van de overheid zelfstandig kunnen blijven
                                        wonen of weer zelfstandig gaan wonen. Voor wie dat niet
                                        mogelijk is, is (aanvullend) professionele ondersteuning
                                        beschikbaar;</al></li><li nr="3."><al>Eén gezin, één plan, één regisseur. De ondersteuning aan een
                                        cliënt is integraal vormgegeven en wordt vanuit één
                                        aanbieder (of in sommige gevallen door het wijkteam)
                                        gecoördineerd. Basis voor de ondersteuning is het
                                        ondersteuningsplan.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>B Inschatting</onderstreept></al><al>Er wordt een eerste inschatting gemaakt op basis van de volgende
                                criteria:: </al><lijst><li nr="-"><al>Leeftijd 18+;</al></li><li nr="-"><al>Nederlander of een status gelijkgesteld daaraan;</al></li><li nr="-"><al>Regiobinding;</al></li><li nr="-"><al>Geen alternatieve voorzieningen die vanuit andere
                                        financieringsbronnen (bijv. WLz en Zvw) beschikbaar is en
                                        beter passend bij de aard van de problematiek van de cliënt;
                                        </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Problematiek (GGZ) zodanig dat intramurale begeleiding
                                        noodzakelijk is. Verblijf wordt geïndiceerd als de
                                        ondersteuning voor de cliënt noodzakelijkerwijs samen gaat
                                        met een beschermde woonomgeving en/of een therapeutisch
                                        leefklimaat en/of permanent toezicht. Het betreft hier
                                        psychische en/of psychiatrische problematiek, waar mogelijk
                                        onderbouwd met een formele DSM diagnose. </al></li></lijst><al/><al>Als een persoon dan aangewezen blijkt op beschermd wonen, kan hij/
                                zij door middel van een formulier “melding nieuwe aanvraag Wmo 2015”
                                aangemeld worden bij het stedelijk loket van de gemeente Rotterdam
                                die het Wmo onderzoek verder zullen voortzetten en indiceren.</al><al>Doorverwijzingen vanuit de gezondheidszorg (GGZ, eerste lijn) spelen
                                bij Beschermd Wonen een grote rol.</al><al/><al><onderstreept>C Intake / melding </onderstreept></al><al>Voor cliënten BW is er de mogelijkheid dat zij vanuit de Wmo van de
                                gemeente Ridderkerk direct worden doorverwezen voor
                                vraagverheldering en indicatiestelling. De stedelijke toegang
                                Centraal Onthaal Volwassenen en Centraal Onthaal Jongeren (COV en
                                COJ) in Rotterdam is er voor de Maatschappelijke Opvang (MO), maar
                                zal ook als een soort “vindplaats” gaan fungeren voor cliënten
                                BW.</al><lijst><li nr="-"><al>Verzoeken voor plaatsing in BW zullen voornamelijk
                                        plaatsvinden via huisarts, klinieken, vraagwijzers en Wmo
                                        loketten;</al></li><li nr="-"><al>Aanvragen voor Beschermd Wonen kunnen (op verzoek van de
                                        burger) alleen ingediend worden door erkende verwijzers uit
                                        centrum- en regiogemeenten. Dit zijn: (a) aanbieders
                                        gespecialiseerde GGz, inclusief PAAZ, (b) Aanbieders RIBW
                                        (inclusief MO instellingen die BW aanbieden), (c) GGD, dwz
                                        hulpverleners van de geïntegreerde voorzieningen en (d)
                                        beroepsbeoefenaren basis- of gespecialiseerde GGz via de
                                        gemeentelijke WMO lokette;</al></li></lijst><al>Het proces is zoveel mogelijk afgestemd op de uniforme werkwijze van
                                MO </al><al>De gemeente Rotterdam, i.c. de afdeling Stedelijke Zorg waar ook
                                Centraal Onthaal onder valt, organiseert de administratieve intake
                                van al deze vragen, verzoeken, aanmeldingen. </al><al>De start van de onderzoek / melding fase in de Wmo is maximaal 6
                                weken. Dit benadrukt de noodzaak van snelle doorverwijzing.
                                Doorverwijzing vindt plaats via een contactformulier / format op
                                grond van vastgestelde criteria. </al><al>Wel moet vooraf duidelijk worden gesteld dat de cliënt dient mee te
                                werken aan de brede vraagverheldering. De ZRM
                                (zelfredzaamheidsmatrix) is hierin één van de instrumenten. </al><al/><al><onderstreept>D Indicatiestelling </onderstreept></al><al>De uitkomst van de vraagverheldering leidt binnen 6 weken tot een
                                ondersteuningsplan en aanvraag voor indicatiestelling. De Wmo geeft
                                dan 2 weken de tijd om tot een indicatiebesluit te komen. Hierbij
                                wordt gebruik gemaakt van een indicatieprotocol inzake de
                                2<sup>e</sup> lijns ondersteuningsarrangementen Wmo.</al><al>Om te komen tot een goed inhoudelijk indicatieadvies, is er soms een
                                multidisciplinaire bespreking van het concept ondersteuningsplan met
                                relevante zorginstellingen, gezien hun inhoudelijke expertise </al><al/><al><onderstreept>E Besluitvorming</onderstreept></al><al>De daadwerkelijke besluitvorming op de indicatiestellingen is apart
                                gesteld. Er komt daarmee een scherpe scheiding tussen de
                                inhoudelijke bespreking van het ondersteuningsplan en het formele
                                besluit voor de indicatie voor een integraal
                                ondersteuningsarrangement. De gemeente neemt het formele besluit qua
                                indicatie, onafhankelijk van de marktpartijen. </al><al>De cliënt krijgt een indicatiebeschikking voor diens 2<sup>e</sup>
                                lijns integrale ondersteunings-arrangement, waarin inzichtelijk is
                                op de zeven resultaatgebieden wat is beoogd. De resultaatgebieden
                                waarvoor een indicatie afgegeven kan worden, zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Sociaal en persoonlijk functioneren cliënt</al></li><li nr="2."><al>Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden
                                    </al></li><li nr="3."><al>Financiën</al></li><li nr="4."><al>Dagbesteding</al></li><li nr="5."><al>Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid</al></li><li nr="6."><al>Huisvesting</al></li><li nr="7."><al>Mantelzorgondersteuning waarbij verblijf aan de orde is</al></li></lijst><al>Een kopie van het indicatiebesluit van cliënten BW wordt naar de
                                gemeente Ridderkerk gestuurd. Dit kan binnen de huidige privacy
                                wetgeving. </al><al/><al><onderstreept>F Opdracht tot levering arrangement en betalen
                                </onderstreept></al><al>Tegelijkertijd met de beschikking aan de cliënt, krijgt de
                                zorginstelling een leveringsopdracht om de zorg en ondersteuning te
                                gaan leveren. De betaling van deze zorg vindt ook door de gemeente
                                Rotterdam plaats, want zij krijgt de middelen van het Rijk m
                                betalingen te doen.</al><al/><al><onderstreept>G Overbruggingszorg</onderstreept></al><al>Gezien de beperkte capaciteit is intramurale zorg helaas niet altijd
                                direct voorhanden op het moment van indicatie. De indicatiestelling
                                beziet alleen welke ondersteuning er nodig is, en houdt geen
                                rekening met de vraag of de benodigde ondersteuning aanwezig is of
                                niet. </al><al/><al>Als de intramurale zorg niet beschikbaar is, wordt door de gemeente
                                Rotterdam als indicatiesteller met de cliënt en zorgaanbieder (die
                                is aangewezen voor de intramurale zorg) besproken hoe de wachttijd
                                verantwoord te overbruggen. De zorg die de cliënt dan krijgt, heet
                                'overbruggingszorg'. Deze overbruggingszorg kan worden aangeboden
                                door de eerder genoemde zorgaanbieder of bij een andere
                                zorgaanbieder. In veel gevallen betreft de overbruggingszorg
                                extramurale zorg. De financiering van de overbruggingszorg valt dan
                                ook onder de verantwoordelijkheid van de centrumgemeente aangezien
                                het overbruggingszorg betreft. </al><al/><al><onderstreept>H Forensische plekken BW</onderstreept></al><al>Centrumgemeenten kopen plekken BW in en de Dienst Justitie en
                                Veiligheid koopt ook plekken BW in, specifiek voor forensische zorg.
                                Echter de titel forensiche zorg kan zeer snel vervallen en dan moet
                                de forensische plek BW worden omgezet naar een gemeentelijke plek
                                BW. Dit gaat buiten eventuele gemeentelijke wachtlijsten om.
                                Hiervoor wordt in overleg met de VNG een procedure ontwikkeld.</al><al/><al><onderstreept>I Werkwijze bij
                                bezwaarprocedure</onderstreept></al><al>Bezwaar tegen advies en zorgtoewijzing is niet mogelijk. Tegen de
                                beschikking toegang BW is bezwaar te maken Deze
                                bevoegdheid blijft bij de gemeente Ridderkerk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.3</nr><titel>Maatschappelijke Opvang (MO) en Vrouwen Opvang (VO) </titel></kop><al>Personen die maatschappelijke opvang behoeven zijn mensen die door
                                een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben
                                verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht, met
                                gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen
                                uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. </al><al/><al>De melding kan door henzelf bij de Wmo worden gedaan, maar ook door
                                erkende verwijzers, zijnde de huisarts, aanbieders gespecialiseerde
                                GGZ, beroepsbeoefenaren basis en gespecialiseerde GGZ en
                                Maatschappelijke Opvang instellingen.</al><al/><al><onderstreept>Toegang: </onderstreept></al><al>De toegang tot MO en VO loopt via Centraal Onthaal Volwassenen. </al><al>Personen tussen de 18 en 23 jaar worden verwezen naar Centraal
                                Onthaal Jongeren (Jongerenloket). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.3.1</nr><titel>Criteria Centraal Onthaal Volwassenen </titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Leeftijd: 23 jaar of ouder; </al></li><li nr="b."><al>Rechtmatig verblijf in Nederland hebben: om tot de MO te
                                        worden toegelaten dient men Nederlander te zijn of een
                                        verblijfsvergunning te hebben op grond waarvan aanspraak
                                        gemaakt kan worden op voorzieningen, verstrekkingen en
                                        uitkeringen (koppelingsbeginsel). Indien een persoon de
                                        nationaliteit heeft van een lidstaat van de Europese Unie en
                                        korter dan drie maanden in Nederland verblijft, kan deze
                                        persoon geen gebruik maken van de MO. Deze persoon verblijft
                                        wel rechtmatig in Nederland, maar kan onder toepassing van
                                        artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG geen
                                        aanspraak maken op bijstand of maatschappelijke opvang. Bij
                                        verblijf langer dan drie maanden is (gemeentelijk) onderzoek
                                        naar de rechtmatigheid van verblijf nodig. Van rechtmatig
                                        verblijf is meestal geen sprake als betrokkene, tijdens zijn
                                        verblijf in Nederland geen of onvoldoende economische
                                        activiteit (heeft) verricht; </al></li><li nr="c."><al>Regiobinding: Een cliënt heeft regiobinding als hij
                                        gedurende de laatste drie jaar minimaal twee jaar
                                        aantoonbaar in Rotterdam of in de regio, waar Rotterdam
                                        centrumgemeente voor is, zijn hoofdverblijf heeft gehad. Dit
                                        moet blijken uit inschrijving bij de burgerlijke stand, of
                                        uit bekendheid (en registratie daarvan) bij de
                                        zorginstellingen in deze regio; </al></li><li nr="d."><al>Noodzakelijkheidcriterium: Personen kunnen alleen gebruik
                                        maken van de maatschappelijke opvang indien zij behoren tot
                                        de doelgroep zoals beschreven in artikel 1, eerste lid,
                                        onder c, van de Wmo: "… personen die, door een of meer
                                        problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben
                                        verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te
                                        handhaven in de samenleving"; </al></li><li nr="e."><al>OGGz-problematiek: De cliënt voldoet aan het criterium
                                        OGGz-problematiek, dat omschreven is als “een vermoeden van
                                        beperkte zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-,
                                        psychisch of psychosociaal probleem dan wel een combinatie
                                        van deze problemen”. Er moet met andere woorden een
                                        duidelijke zorgvraag aanwezig zijn, naast de opvangvraag, de
                                        zorgvraag is hierbij leidend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.3.2</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>In de procedure worden de volgende stappen gemaakt:</al><al/><al>A <onderstreept>Aanmelding:</onderstreept></al><al>Iemand die (naar zijn oordeel) is aangewezen op de MO kan zich
                                hiervoor melden bij de intake Centraal Onthaal (CO). Ook derden,
                                zoals veldwerkers of cliëntvertegenwoordigers, kunnen iemand
                                aanmelden. Zorginstellingen hebben altijd het recht om een klant tot
                                de eerstvolgende werkdag een bed te geven (het zogeheten crisisbed),
                                indien zij dat in die specifieke situatie noodzakelijk achten. Deze
                                klant dient de volgende werkdag zich te melden cq. te worden
                                aangemeld bij CO.</al><al/><al>B <onderstreept>Toestemming</onderstreept></al><al>Om toegelaten te kunnen worden tot de voorzieningen van de MO dient
                                een cliënt te voldoen aan de criteria. Daarnaast is er een zogeheten
                                “hardheidsclausule”. In bijzondere gevallen kan een beroep worden
                                gedaan op de hardheidsclausule. CO kan, in afwijking van de
                                toelatingscriteria a, c en d van artikel 15.3.1 toegang tot de MO
                                verlenen, als dat gelet op alle omstandigheden voor betrokkene
                                (zeer) dringend noodzakelijk is.</al><al/><al>C <onderstreept>Vraagverheldering</onderstreept></al><al>Zorgvraagverduidelijking: Na toelating tot de keten MO, krijgt de
                                cliënt een CO en beschikking (voor de toelating). Daarna wordt door
                                de zorginstelling binnen vier tot zes weken de
                                zorgvraagverduidelijking van die cliënt gemaakt en wordt een
                                integraal trajectvoorstel opgesteld. Dit trajectvoorstel behelst de
                                leefgebieden: huisvesting, inkomen, financiën (schulden), sociaal
                                functioneren, psychisch functioneren, praktisch functioneren,
                                lichamelijk functioneren, verslaving en activering / dagbesteding
                                (het leefgebied zingeving is facultatief). </al><al/><al>D <onderstreept>Trajectplan: </onderstreept></al><al>Dit trajectvoorstel wordt aangeleverd bij CO en wordt besproken in
                                de Traject Toewijzings Commissie (TTC). De TTC staat onder
                                voorzitterschap van de gemeente Rotterdam en bestaat uit
                                gemandateerde vertegenwoordigers van de GGZ-, VZ- en
                                MO-instellingen; en een “kwaliteitszetel” voor
                                cliëntvertegenwoordiging. In de TTC worden per leefgebied afspraken
                                vastgelegd over de tijdsduur van het voor de cliënt benodigde
                                traject en de daaruit voortvloeiende verplichtingen zowel voor de
                                cliënt als de begeleidende instelling. Op die manier leidt het
                                trajectvoorstel tot een vastgesteld trajectplan, dat meetelt voor de
                                targets van het Plan van Aanpak MO. De cliënt wordt aan een
                                instelling toegewezen, de zogenaamde hoofddossierhouder. Bij de
                                toewijzing van een hoofddossierhouder is huisvesting vaak leidend.
                                Deze hoofddossierhouder wijst binnen zijn eigen organisatie een
                                cliëntmanager aan.</al><al/><al>E <onderstreept>Trajectregie: </onderstreept></al><al>De trajectvoortgang van de cliënt is neergelegd bij de
                                hoofddossierhouder, welke een cliëntmanager aanstelt. De monitoring
                                van die voortgang is neergelegd bij de trajectregisseur. De
                                trajectregisseur werkt bij de gemeente. De hoofddossierhouder is
                                verantwoordelijk voor het organiseren, informeren en betrekken van
                                derden die nodig zijn bij het traject van de cliënt. De
                                hoofddossierhouder / cliëntmanager en trajectregisseur evalueren in
                                hoeverre de doelstellingen (m.b.t. een cliënt) zijn gehaald en of er
                                een aangepast traject kan worden vastgesteld of dat continuering of
                                bijstelling van de doelstellingen nodig is. Doel is, indien
                                mogelijk, een continue doorstroom en ontwikkeling van de cliënt naar
                                een maximaal niveau van zelfredzaamheid. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw)</titel></kop><al>Beide wetgevingen staan in relatie tot de Wmo en hebben een voorliggende functie
                    ten aanzien van een aantal ondersteuningsvragen.</al><al/><al><vet>1 Wet langdurige zorg </vet></al><al>Op 1 januari 2015 wordt de Wet langdurige zorg (Wlz) van kracht. Deze wet
                    vervangt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) </al><al>De Wlz is louter en alleen bedoeld voor zorg aan kwetsbare ouderen en
                    verstandelijk, lichamelijk en zintuiglijk gehandicapten die permanent toezicht
                    of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. </al><al/><al>Cliënten met een lichte tot matige zorg- en ondersteuningsvraag die voorheen nog
                    naar een AWBZ instelling konden, krijgen nu geen indicatie meer. Zij blijven
                    thuis wonen met ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Denk
                    hierbij aan ouderen die voorheen naar een verzorgingshuis gingen en ook aan
                    cliënten met lichte verstandelijke beperkingen </al><al/><al>Als een cliënt een indicatie heeft voor opname in een Wlz- instelling zijn er
                    drie mogelijkheden om die indicatie te verzilveren:</al><lijst><li nr="1."><al>De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger kiest voor opname in een
                            Wlz-instelling. Dit is zorg in natura.</al></li><li nr="2."><al>De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger kiest voor opname in een
                            kleinschalige woonvorm. Denk hierbij aan woonvormen zoals een Thomas
                            huis, de Herbergier of andere particuliere kleinschalige woonvorm. De
                            indicatie wordt in pgb verzilverd</al></li><li nr="3."><al>De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger kiest voor thuis blijven
                            wonen waarbij de toezichttaak overgenomen wordt door het netwerk. De
                            indicatie wordt in pgb verzilverd</al></li></lijst><al/><al><vet>1.1 Wlz is voorliggend op Wmo </vet></al><al>Wmo artikel 2.3.5 lid 6 stelt: Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren
                    indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in
                    een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat
                    de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het
                    verkrijgen van een besluit dienaangaande. </al><al/><al>Er is een duidelijke scheiding aangebracht tussen de Wmo en de Wet langdurige
                    zorg (Wlz). Waar voorheen een grijs gebied bestond, die leidde tot dubbele
                    financiering van met name hulp bij het huishouden en rolstoelen, is nu in de wet
                    opgenomen dat cliënten die een beroep kunnen doen op de Wlz of hadden kunnen
                    doen niet in aanmerking kunnen worden gebracht voor een Wmo voorziening.
                    Personen met een Wlz indicatie kunnen opgenomen worden in een instelling of
                    ervoor kiezen om alle zorg, ondersteuning en hulpmiddelen thuis te ontvangen in
                    de vorm van een pgb. </al><al>Zeker bij onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden in een complexe
                    ondersteuningsvraag vraagt dit aandacht van de klantmanager. Onderzocht moet
                    worden of er een Wlz indicatie afgegeven is voor de cliënt, of er een aanvraag
                    voor een Wlz indicatie is gedaan of dat de cliënt dit niet wenst. </al><al>De meest voorkomende oorzaak dat de cliënt geen indicatie voor de Wlz wenst, is
                    de angst dat er dan ook daadwerkelijk een opname in een instelling geeist wordt.
                    Het is ook aan de klantmanager om goed uit te leggen dat bij de Wlz indicatie
                    het ook mogelijk blijft om te kiezen om alle ondersteuning, zorg en hulpmiddelen
                    thuis te verzilveren met een pgb. Dat pgb kan ook bij de vertrouwde
                    zorgaanbieder besteed worden. </al><al/><al><vet>1.2 Overgangsjaar 2015</vet></al><al>2015 is een overgangsjaar voor wat betreft de verstrekking van hulpmiddelen,
                    rolstoelen, woningaanpassingen én huishoudelijke hulp aan thuiswonende cliënten
                    met een Wlz indicatie. Dat betekent dat de gemeente in 2015 deze zaken nog moet
                    blijven verstrekken, zoals dat tot nu toe zo was. Vanaf 2016 is de verwachting
                    dat cliënten met een Wlz indicatie al hun voorzieningen uit de Wlz krijgen. </al><al>De indicaties voor Wlz en Wmo kunnen niet naast elkaar afgegeven worden. Het
                    zijn elkaar uitsluitende indicaties, dus óf de cliënt heeft een Wlz indicatie óf
                    de cliënt heeft een Wmo indicatie</al><al/><al><vet>2 Zorgverzekeringswet </vet></al><al>Delen van de AWBZ zijn per 1 januari 2015 overgeheveld naar de
                    Zorgverzekeringswet.</al><al>Centraal hierin is het medische-, gezondheid beïnvloedende-, verbeter en
                    behandeldoel. Het gaat hierbij om de voorheen AWBZ functies:</al><lijst><li nr="a."><al>Verpleging</al></li><li nr="b."><al>Persoonlijke Verzorging. , waarbij verzorgende handelingen overgenomen
                            worden door de zorgverlener.</al></li><li nr="c."><al>Behandeling, al dan niet met kortdurend verblijf zoals in
                            revalidatiecentra of GGZ instelling</al><al/></li></lijst><al><vet>2.1 Zvw is voorliggend op de Wmo </vet></al><al>Voor de ondersteuningsvragen in relatie tot a, b en c kunnen geen indicaties Zvw
                    en Wmo naast elkaar afgegeven worden. Het zijn voor deze doelstellingen elkaar
                    uitsluitende indicaties, dus óf de cliënt heeft een Zvw indicatie óf de cliënt
                    heeft een Wmo indicatie.</al><al/><al>Waar het gaat om persoonlijke verzorging si het van belang dat de klantmanager
                    onderzoekt of de cliënt als uitgangspunt in staat is zelf de handelingen uit te
                    voeren of niet. </al><lijst><li nr="a."><al>Kan de cliënt de handelingen <onderstreept>niet</onderstreept> uitvoeren
                            en moeten deze door de zorgverlener overgenomen worden, dan valt de zorg
                            onder de Zvw. </al></li><li nr="b."><al>Kan de cliënt de handelingen <onderstreept>wel</onderstreept> uitvoeren,
                            maar is er instructie en/ of aansturing nodig dan valt dit onder de Wmo.
                            Het gaat dan in de Wmo over de dienst Begeleiding. Denk hierbij aan het
                            kiezen van doelmatige kleding, aansturing bij het correct en in de
                            juiste volgorde aantrekken van kledingstukken; aansturing bij de juiste
                            handelingen in de persoonlijke hygiëne bij de toiletgang; aansturing bij
                            haren- en nagelverzorging. Leidend is dat de ondersteuner de
                            ondersteuning bij de persoonlijke verzorging kan bieden “met de handen
                            op de rug”. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Zvw is ook complementair aan Wmo </vet></al><al>Voor een aantal zaken kan de cliënt een beroep doen op de zorgverzekeringswet.
                    Denk hierbij aan medisch vervoer. Als een cliënt veel medische ritten moet maken
                    als gevolg van ziekte of gebrek kan hij eerst een beroep doen op de Zvw en is
                    aanvullend ondersteuning vanuit de Wmo mogelijk. </al><al/><al>Een aanvullende ziektekostenpolis maakt geen onderdeel uit van de Zvw. Een
                    aanvullende polis afsluiten is niet afdwingbaar. De gemenete heeft voor minima
                    een collectieve ziektekostenverzekering (CZM) afgesloten waarbij een aanvullen
                    pakket Extra Uitgebreid is afgesloten. </al><al/><al>Vergoedingen vanuit de aanvullende polis kunnen bijvoorbeeld zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangende mantelzorg</al></li><li nr="-"><al>Huishoudelijke hulp thuis bij ziekenhuisopname </al></li><li nr="-"><al>Logeeropvang</al></li></lijst><al/><al>Deze vergoedingen zijn aan een jaarlijks maximum gebonden en dan kan er een
                    noodzaak zijn om aanvullend vanuit de Wmo ondersteuning te bieden. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Gebruikelijke hulp</titel></kop><al>In 2005 is in de AWBZ voor het eerst het Protocol Gebruikelijke Zorg
                    vastgesteld. Dit protocol is sindsdien juridisch vele malen getoetst en in 2010
                    is in de Wmo de norm voor gebruikelijk zorg op meerderjarig gesteld. In de Wmo
                    2015 is het begrip Gebruikelijke Hulp opgenomen. Hieronder verstaan we: hulp die
                    naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                    echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Van belang is dan
                    wat we verstaan onder algemeen aanvaarde opvattingen. Hier gaan we op in met
                    toepassing van het Protocol Gebruikelijke Zorg en jurisprudentie. </al><al/><al><vet>Gebruikelijke hulp en mantelzorg</vet></al><al>Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Zie voor de
                    definitie mantelzorg artikel 4 van deze Beleidsregels. </al><al>Wat gebruikelijke hulp in het huishouden inhoudt, is beschreven onder ‘opvang en
                    verzorging van kinderen bij uitval van een van de ouders,’, ‘bijdrage van
                    kinderen aan het huishouden’, ‘persoonlijke verzorging volwassenen onderling’ en
                    ‘gebruikelijke zorg voor kinderen per levensfase’. </al><al/><al><vet>Op welke levensdomeinen is er sprake van gebruikelijke hulp? </vet></al><al><onderstreept>1. Huishouden</onderstreept></al><al>De personen die behoren tot het huishouden van een persoon die een beroep doet
                    op de Wmo blijven altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het
                    huishouden. Dat betekent dat van alle meerderjarige personen binnen dat
                    huishouden wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van dat
                    huishouden, gestreefd wordt naar herverdeling van de huishoudelijke taken.</al><al>Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare
                    taken. Niet-uitstelbare taken zijn: maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen,
                    afwassen en opruimen.</al><al>Wel-uitstelbare taken zijn: boodschappen doen, wasverzorging, bed verschonen en
                    schoonmaken </al><al/><lijst><li nr="a."><al>Gebruikelijke zorg en een fulltime baan</al></li></lijst><al>Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of
                    opleiding een huishouden te kunnen voeren. Bij een meerpersoonshuishouden staat
                    het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding het leveren van
                    gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat vóór op andere
                    activiteiten van personen binnen één huishouden in het kader van hun
                    maatschappelijke participatie. Bij fulltime werk (en twee uur reistijd per dag)
                    wordt als norm gehanteerd dat de partner op werkdagen twee uur per dag aan
                    niet-uitstelbare taken besteedt. In de weekenden kunnen de uitstelbare taken
                    worden verricht. </al><al>Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn of haar werk fysiek niet
                    aanwezig is, wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening
                    gehouden wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen
                    gaat.</al><al>De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en
                    inherent zijn aan diens werk. Denk hierbij aan off-shore werk, internationaal
                    vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden
                    van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake
                    van een eenpersoonshuishouden en kan geen gebruikelijke hulp worden
                    geleverd.</al><al>Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen of kunnen
                    verrichten’ zijn geen reden voor een indicatie voor het overnemen van
                    huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een
                    indicatie worden gesteld voor zes weken hulp voor het aanleren van
                    huishoudelijke taken en het leren organiseren van het huishouden.</al><al/><lijst><li nr="b."><al>Opvang en verzorging van kinderen</al></li></lijst><al>Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor
                    hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van
                    hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles).
                    Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en
                    opvoeding die een ouder (of verzorger) normaal gesproken geeft aan een kind,
                    onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het
                    kind. Dit is inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de
                    ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over.</al><al>Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een
                    verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van
                    het kind.</al><al>Eigen oplossingen gaan voor. Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de
                    voor hem of haar geldende regeling voor zorgverlof. De klantmanager onderzoekt,
                    in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan
                    worden opgevangen. Is dit niet mogelijk, dan dient de ouder gebruik te maken van
                    (een combinatie van) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder
                    et cetera, dus de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen.
                    Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is
                    redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Opvang is niet
                    structureel een Wmo-zorg. </al><al/><al>Ook als er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide
                    ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, dan
                    wordt eerst nagegaan wat de mantelzorgers opvangen en wat vrijwilligers als
                    vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen kunnen opvangen.</al><al>Oppas en opvang van gezonde kinderen zijn in principe geen Wmo voorziening.
                    Daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen
                    voorhanden. Wel is er een indicatie mogelijk voor de verzorging van de kinderen
                    conform hun leeftijd. Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende
                    voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot vijf dagen per week is
                    redelijk. </al><al>Indien de klantmanager zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn
                    uitgeput, dan is bij uitval van de ouder in een eenoudergezin afhankelijk van de
                    leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor huishoudelijke hulp
                    mogelijk tot maximaal 40 uur per week voor oppas en opvang van gezonde kinderen.
                    Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 6 weken), de
                    periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden. Het gaat dan met name
                    om het voorkomen van een crisis of verwaarlozing van jonge kinderen. </al><al/><lijst><li nr="c."><al>Bijdrage van kinderen aan het huishouden</al></li></lijst><al>Als de aanvrager thuiswonende kinderen heeft, dan gaat de klantmanager er vanuit
                    dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een
                    bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.</al><lijst><li nr="-"><al>Kinderen tot 12 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Veel
                            kinderen tussen 5 en 12 jaar “helpen” met tafeldekken, speelgoed
                            opruimen, afwassen etc. De omvang van deze kleine activiteiten is niet
                            van invloed op de omvang van de indicatie voor hulp bij het huishouden.
                        </al></li><li nr="-"><al>Kinderen tussen de 13 en 18 jaar kunnen worden betrokken bij lichte
                            huishoudelijke werkzaamheden, zoals opruimen, tafel dekken/afruimen,
                            afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Zij
                            worden ook in staat geacht om hun eigen kamer op orde te houden, dus
                            rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.* </al></li><li nr="-"><al>Van een meerderjarige, (18+) gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze
                            de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.
                        </al></li></lijst><al>Steeds moet onderzocht worden of de gebruikelijke helper ook in staat is deze
                    taken uit te voeren. Het is van belang om alert te blijven op overbelasting van
                    kinderen tussen de 13 en 18 jaar wiens ouders een chronische beperking hebben,
                    omdat zij vaak ongezien ook een deel van de verzorging op zich. </al><al/><al><onderstreept>2. Persoonlijke verzorging</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Kortdurende zorg.</al></li></lijst><al>Van partners wordt verwacht dat zij naar vermogen elkaar persoonlijke verzorging
                    kunnen bieden in kortdurende zorgsituaties (tot drie maanden) met uitzicht op
                    herstel. Als een partner langer dan drie maanden zorg zal gaan verlenen, komt
                    persoonlijke verzorging ten laste van de Zorgverzekeringswet.</al><al>Persoonlijke verzorging van huisgenoten, anders dan partners, is geen
                    gebruikelijke zorg. Deze zorg komt ten laste van de Zorgverzekeringswet. </al><al/><lijst><li nr="b."><al>Gebruikelijke zorg voor kinderen van 0 tot 5 jaar</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;</al></li><li nr="-"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische
                            ontwikkeling;</al></li><li nr="-"><al>zijn tot vier jaar niet zindelijk;</al></li><li nr="-"><al>moeten volledig verzorgd worden: aan- en uitkleden, eten, wassen;</al></li><li nr="-"><al>hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel/vrijetijdsbesteding;</al></li><li nr="-"><al>sport- en hobbyactiviteiten niet in verenigingsverband;</al></li><li nr="-"><al>zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te
                            begeven.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="c."><al>Gebruikelijke zorg voor kinderen van 5-12 jaar</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>hebben een reguliere dagbesteding op school;</al></li><li nr="-"><al>kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;</al></li><li nr="-"><al>hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke
                            verzorging;</al></li><li nr="-"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische
                            ontwikkeling;</al></li><li nr="-"><al>zijn overdag zindelijk, ‘s nachts merendeels ook;</al></li><li nr="-"><al>hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het
                            verkeer wanneer zij van en naar hun activiteiten gaan;</al></li><li nr="-"><al>hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur
                            per week;</al></li><li nr="-"><al>hebben sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, ongeveer twee
                            maal per week.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="d."><al>Gebruikelijke zorg voor kinderen van 12-18 jaar</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>hebben niet voortdurend toezicht nodig van volwassenen;</al></li><li nr="-"><al>kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;</al></li><li nr="-"><al>kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;</al></li><li nr="-"><al>hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht
                            nodig;</al></li><li nr="-"><al>hebben geen begeleiding nodig van en naar hun
                            vrijetijdsactiviteiten;</al></li><li nr="-"><al>hebben sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, een onbekend
                            aantal keren per week;</al></li><li nr="-"><al>hebben tot 16 jaar een reguliere dagbesteding op school;</al></li><li nr="-"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling
                            (zoals huiswerk).</al></li></lijst><al>Voor de activiteiten die een kind zonder beperkingen niet zelfstandig uitvoert,
                    geldt een zorgplicht van ouders. Het betreft hier dus gebruikelijke zorg van
                    ouders voor kinderen.</al><al/><al>3 <onderstreept>Verpleging</onderstreept></al><al>Kortdurende zorg en verpleging van zieke kinderen thuis behoort ook tot de
                    gebruikelijke zorg van ouders</al><al>voor hun kinderen. Ouders leren in het ziekenhuis wel hoe zij eenvoudige
                    verpleegkundige handelingen kunnen uitvoeren. Specifieke verpleging van een
                    (chronisch) ziek kind is geen gebruikelijke zorg. Indien het kind is aangewezen
                    op voortdurend nabij toezicht is dat (conform de leeftijd) wel gebruikelijke
                    zorg.</al><al/><al>4 <onderstreept>Begeleiding </onderstreept></al><al>Bij volwassenen onderling kan van partners en andere volwassen huisgenoten ten
                    opzichte van elkaar worden verondersteld dat een groot deel van het sociaal
                    verkeer gezamenlijk plaatsvindt, en begeleiding onderling dus gebruikelijk is.
                    Inwonende volwassenen waaronder partner, huisgenoot of volwassen</al><al>kinderen (&gt; 18 jaar) worden verondersteld de praktische, ondersteunende
                    begeleiding in het normale maatschappelijke verkeer te verzorgen.</al><al>Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Binnen de begeleiding spitst de
                    vraag van ouders van kinderen met beperkingen zich toe op oppasvoorziening,
                    begeleiding bij onderwijs en vrije tijdsactiviteiten en ondersteuning
                    mantelzorg. Dit zijn domeinen, waarbij de afweging van wat gebruikelijke zorg en
                    wat extra zorg is, aan de orde is. Desalniettemin zal eventuele overbelasting
                    altijd onderzocht en eventueel meegewogen moeten. </al><al/><al>5 <onderstreept>Vervoer</onderstreept></al><al>Bij volwassenen onderling kan van partners en andere volwassen
                    huisgenoten ten opzichte van elkaar worden verondersteld dat een groot deel van
                    het sociaal verkeer gezamenlijk plaatsvindt. Indien de cliënt niet in staat is
                    zelfstandig gebruik te maken van vervoersvoorzieningen die algemeen gebruikelijk
                    zijn, mag van partners en andere volwassen huisgenoten verwacht worden dat zij
                    voorzien in het vervoer van de cliënt met gebruik van auto, een daarvoor
                    geschikt vervoermiddel dan wel begeleiding in het openbaar vervoer.
                    </al><al/><al><vet>Onderzoek naar overbelasting van degene die de gebruikelijke hulp dient te
                        verrichten. </vet></al><al>De klantmanager onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden
                    afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele situatie af te
                    wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt,
                    overbelast dreigt te raken. Overbelasting is: meer belasten dan het
                    prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het (on)evenwicht
                    tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan
                    veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of
                    psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.</al><al/><al>Factoren die van invloed zijn op de draagkracht:</al><lijst><li nr="-"><al>lichamelijke conditie zorgverlener;</al></li><li nr="-"><al>geestelijke conditie zorgverlener;</al></li><li nr="-"><al>wijze van omgaan met problemen (coping);</al></li><li nr="-"><al>motivatie voor zorgtaak;</al></li><li nr="-"><al>sociaal netwerk.</al></li></lijst><al/><al>Factoren die van invloed zijn op de draaglast:</al><lijst><li nr="-"><al>omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;</al></li><li nr="-"><al>ziektebeeld en prognose;</al></li><li nr="-"><al>inzicht van zorgverlener in ziektebeeld van de zorgvrager;</al></li><li nr="-"><al>woonsituatie;</al></li><li nr="-"><al>bijkomende sociale problemen;</al></li><li nr="-"><al>bijkomende emotionele problemen;</al></li><li nr="-"><al>bijkomende relationele problemen.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Onderzoek naar de draaglast en draagkracht</onderstreept></al><al>Het kan soms heel duidelijk zijn dat de gebruikelijke zorger/helper overbelast
                    is. Is dit minder duidelijk, dan moet dit worden beoordeeld door een arts. </al><al/><al>Onderzoeksvragen die de indicatiesteller zouden kunnen helpen bij het verkrijgen
                    van een indruk over de eventuele overbelasting van de zorgverlener:</al><lijst><li nr="-"><al>Wat zegt de gebruikelijke zorger/helper er zelf over, hoe ervaart hij of
                            zij het zorgen/ helpen?</al></li><li nr="-"><al>Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de gebruikelijke
                            zorger/helper?</al></li><li nr="-"><al>Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?</al></li><li nr="-"><al>Heeft de gebruikelijke zorger/helper de mogelijkheid om activiteiten
                            buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie
                            of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de gebruikelijke
                            zorger/helper even op adem kan komen?</al></li><li nr="-"><al>Hoe is de relatie tussen de gebruikelijke zorger/helper en de cliënt?
                            Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de
                            gebruikelijke zorger/helper grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er
                            irritatie tussen de zorgverlener en de cliënt ?</al></li><li nr="-"><al>Heeft de gebruikelijke zorger/helper inzicht in de ziekte van de cliënt
                            ? (Kennis dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het
                            gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren.)</al></li><li nr="-"><al>Hoeveel tijd heeft de gebruikelijke zorger/helper Heeft iemand een baan,
                            een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? </al></li><li nr="-"><al>Is de zorg te plannen of is er continu controle en toezicht nodig?</al></li><li nr="-"><al>Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een
                            situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.)</al></li><li nr="-"><al>Wat zijn de knelpunten in de zorg?</al></li><li nr="-"><al>Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift
                            zodat de cliënt en de gebruikelijke zorger/helper zorgverlener min of
                            meer samen opgesloten zitten. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Symptomen die zouden kunnen wijzen op
                    overbelasting</onderstreept></al><al>Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate
                    waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast
                    dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat
                    die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom
                    de beoordeling hiervan bij een medisch adviseur moet worden neergelegd. Het
                    bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden
                    opgevat.</al><al/><al>Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug.</al></li><li nr="-"><al>Hoge bloeddruk.</al></li><li nr="-"><al>Gewrichtspijn.</al></li><li nr="-"><al>Gevoelens van slapte.</al></li><li nr="-"><al>Slapeloosheid.</al></li><li nr="-"><al>Migraine, duizeligheid.</al></li><li nr="-"><al>Spierkrampen.</al></li><li nr="-"><al>Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid.</al></li><li nr="-"><al>Opvliegingen.</al></li><li nr="-"><al>Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.</al></li><li nr="-"><al>Plotseling hevig zweten.</al></li><li nr="-"><al>Gevoelens van beklemming in de hals.</al></li><li nr="-"><al>Spiertrekkingen in het gezicht.</al></li><li nr="-"><al>Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie,
                            zwijgen.</al></li><li nr="-"><al>Ongeduld.</al></li><li nr="-"><al>Vaak huilen.</al></li><li nr="-"><al>Neerslachtigheid.</al></li><li nr="-"><al>Isolering.</al></li><li nr="-"><al>Verbittering.</al></li><li nr="-"><al>Concentratieproblemen.</al></li><li nr="-"><al>Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen.</al></li><li nr="-"><al>Rusteloosheid.</al></li><li nr="-"><al>Perfectionisme.</al></li><li nr="-"><al>Geen beslissingen kunnen nemen.</al></li><li nr="-"><al>Denkblokkades.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr></kop><al><vet>Normen voor huishoudelijke hulp op basis van resultaat</vet></al><al>De onderstaande resultaten zijn gebaseerd op de normafspraken met de
                    zorgaanbieders die persoonlijke dienstverlening in natura bieden. Deze
                    normtijden zijn vastgesteld op basis van de werkelijk door de zorgaanbieders
                    geleverde uren voor de te bereiken resultaten in de afgelopen jaren. De
                    zorgaanbieder worden op basis van lumpsum financiering betaald.</al><al>Toepassing van onderstaande normtijden is noodzakelijk bij de toekenning van
                    Hulp bij het huishouden in de vorm van Persoonlijke Dienstverlening in
                    persoonsgebonden budget (pgb).</al><al/><al><vet>Noodzakelijk voor het te behalen resultaat in een eenpersoonshuishouden
                    </vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Resultaat</al></entry><entry><al>minuten per week</al></entry></row><row><entry><al>Schoon en leefbaar huis in een eengezinswoning </al></entry><entry><al>150 minuten </al></entry></row><row><entry><al>Schoon en leefbaar huis in een etagewoning </al></entry><entry><al>90 minuten </al></entry></row><row><entry><al>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding</al></entry><entry><al>60 minuten</al></entry></row><row><entry><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften</al></entry><entry><al>60 minuten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Noodzakelijk voor het te behalen resultaat in een
                        twee-/meerpersoonshuishouden </vet></al><al><vet>(woonsituatie niet van belang)</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Resultaat</al></entry><entry><al>minuten per week</al></entry></row><row><entry><al>Schoon en leefbaar huis</al></entry><entry><al>150 minuten </al></entry></row><row><entry><al>Beschikken over schone en draagbare kleding</al></entry><entry><al> 90 minuten</al></entry></row><row><entry><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoefte</al></entry><entry><al> 90 minuten</al></entry></row><row><entry><al>Kunnen zorgen voor thuiswonende kinderen</al></entry><entry><al>Conform richtlijn CIZ Huishoudelijke Verzorging</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Factoren meer/minder hulp </vet></al><al/><al><onderstreept>Deelactiviteit:</onderstreept><onderstreept>Indicatie:</onderstreept></al><al>Boodschappen in de kasten zetten 10 minuten</al><al>Broodmaaltijd als uitgangspunt 1 keer per dag</al><al>Maaltijd opwarmen in magnetron 10 minuten </al><al>Afstoffen: boven schouder- en onder heuphoogte 10 minuten</al><al>Volledig afstoffen, tafel afnemen 20 minuten (1 persoonshuishouden)</al><al>Volledig afstoffen, tafel afnemen 30 minuten (&gt;1 persoonshuishouden)</al><al>Was in/uit machine 15 minuten</al><al>Was ophangen/drogen 15 minuten</al><al>Strijken 30 minuten (1 persoonshuishouden)</al><al>Strijken 45 minuten (&gt;1 persoonshuishouden)</al><al>Vervuiling ( b.v. bij elektrische bi-bui rolstoel) plus 30 minuten </al><al>COPD eisen stofzuigen en dweilen plus 60 minuten (1 persoonshuishouden)</al><al>COPD eisen stofzuigen en dweilen plus 90 minuten (&gt;1 persoonshuishouden)</al><al/><al>Inmiddels is er jurisprudentie beschikbaar over inzet van hulpmiddelen in het
                    huishouden die algemeen gebruikelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Vaatwasser</al></li><li nr="-"><al>Wasdroger</al></li><li nr="-"><al>Magnetron</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="1."><al>Licht huishoudelijk werk bestaat met name uit afwassen (vaatwasser is
                            voorliggend)</al></li><li nr="2."><al>Een deel van de wasverzorging is toebedeeld aan was ophangen (droger is
                            voorliggend)</al></li><li nr="3."><al>Organisatie van het huishouden wordt ondervangen door inzet van
                            persoonlijke dienstverlening met de component begeleiding in plaats van
                            schoonmaakvoorziening.</al></li><li nr="4."><al>Kunnen zorgen voor thuiswonende kinderen wordt ondervangen door inzet
                            van persoonlijke dienstverlening met de component begeleiding in plaats
                            van schoonmaakvoorziening.</al></li><li nr="5."><al>Beschikken over goederen voor primaire levensbehoefte is voor het
                            grootste deel ondervangen door een breed aanbod van diensten als
                            boodschappenservice, maaltijdservice etc. Moet wel passend zijn. Ook het
                            bereiden van bijvoorbeeld broodmaaltijd kan hier onder vallen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Advies t.a.v. de grootte van de woning:</vet></al><al>De woning niet beoordelen op het aantal aanwezige kamers maar op het aantal
                    kamers dat dagelijks gebruikt wordt. </al><al/><al><vet> Normering activiteiten ten behoeve van de verzorging van kinderen
                    </vet></al><al>De normtijden zijn ontleend aan de Richtlijn Wmo indicatieadvisering voor Hulp
                    bij het Huishouden ( CIZ 2006)</al><al>Deze normtijden worden gebruikt bij het berekenen van de totale benodigde tijd
                    voor de activiteiten met betrekking tot kinderen. Hiervoor wordt de normtijd
                    vermenigvuldigd met het aantal keer per dag en het aantal keer per week. Dit
                    levert dan de totaaltijd op van de activiteiten met betrekking tot
                    kinderen.</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Naar bed brengen</al></entry><entry><al>10 min per keer per kind</al></entry></row><row><entry><al>Uit bed halen</al></entry><entry><al>10 min per keer per kind</al></entry></row><row><entry><al>Wassen en kleden</al></entry><entry><al>30 min per dag per kind</al></entry></row><row><entry><al>Eten en/of drinken geven</al></entry><entry><al>20 min per maaltijd</al></entry></row><row><entry><al>Babyvoeding (flesje/potje)</al></entry><entry><al>10 min per keer per kind</al></entry></row><row><entry><al>School/crèche brengen/halen</al></entry><entry><al>15 min per keer per gezin</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Het is hierbij mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde
                    tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is
                    gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.</al><al>Deze normering is als uitgangspunt bedoeld voor kinderen tot en met vijf jaar.
                    Gezonde kinderen die ouder zijn worden geacht zich zelf te kunnen wassen, aan-
                    en uitkleden en zelf te eten. Vanwege de veiligheid in het verkeer kan halen en
                    brengen naar school nog wel aan de orde zijn bij een kind dat ouder is dan 5
                    jaar.</al><al>Het is mogelijk om van deze normtijden af te wijken als dit vanwege de
                    persoonskenmerken en behoeften van het kind noodzakelijk is (maatwerk). </al></bijlage></regeling></body></cvdr>