<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR358326_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nadere regels individuele inkomenstoeslag Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-12616.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAlle%26spd%3d20160330%26epd%3d20160330%26jgp%3d2015%26nrp%3d12616%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad Jaargang 2015Nr. 12616</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nadere regels Individuele Inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=36">Artikel 36 Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>620141</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nadere regels individuele inkomenstoeslag Participatiewet </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den
                        IJssel;</al><al>overwegende dat het wenselijk is het beleid omtrent de individuele
                        inkomenstoeslag vast te leggen in nadere regels;</al><al>gezien het advies van de Clientenraad van 10 december 2014;</al><al>gelet op artikel 36, eerste en tweede lid, van de Participatiewet alsmede
                        artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende nadere regels:</al><al><vet>Nadere regels individuele inkomenstoeslag Participatiewet </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze nadere regels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Capelle aan den IJssel;</al></li><li nr="b."><al>peildatum: de datum waartegen een persoon individuele
                                        inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="c."><al>referteperiode:</al><lijst><li nr="1°"><al> een aaneengesloten periode van 36 maanden
                                                voorafgaand aan de peildatum als de belanghebbende
                                                op de peildatum 21 jaar is;</al></li><li nr="2°"><al> een aaneengesloten periode van 48 maanden
                                                voorafgaand aan de peildatum als de belanghebbende
                                                op de peildatum 22 jaar is;</al></li><li nr="3°"><al> een aaneengesloten periode van 60 maanden
                                                voorafgaand aan de peildatum als de belanghebbende
                                                op de peildatum 23 jaar of ouder is;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>WSF2000: Wet Studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="f."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Geen uitzicht op inkomensverbetering</titel></kop><al>Aan de in artikel 36, eerste en tweede lid, van de wet gestelde voorwaarde
                        met betrekking tot het geen uitzicht hebben op inkomensverbetering, gelet op
                        de omstandigheden van die persoon, wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien op de uitkering van de belanghebbende gedurende een periode
                                van 12 maanden vóór de peildatum <onderstreept>geen</onderstreept>
                                verlaging op grond van artikel 18, vierde lid van de wet, artikel
                                18b, tiende of elfde lid, van de wet, of artikel 10, tweede of derde
                                lid, artikel 13, eerste lid of artikel 14, eerste lid van de
                                Afstemmingsverordening Participatiewet Capelle aan den IJssel 2015
                                of artikel 10, tweede of derde lid of artikel 12, eerste lid, van de
                                Afstemmingsverordening Ioaw en Ioaz Capelle aan den IJssel 2011 is
                                toegepast; en</al></li><li nr="b."><al>indien de belanghebbende gedurende (een deel van) de referteperiode
                                    <onderstreept>geen</onderstreept> opleiding of studie heeft
                                gevolgd dan wel volgt als bedoeld in de WTOS of de WSF 2000; en</al></li><li nr="c."><al>indien naar het oordeel van het college de krachten en bekwaamheden
                                van de belanghebbende dusdanig zijn dat aannemelijk is dat in een
                                periode van 12 maanden vanaf de peildatum
                                    <onderstreept>geen</onderstreept> uitzicht op
                                inkomensverbetering bestaat; en</al></li><li nr="d."><al>indien de belanghebbende op de peildatum
                                    <onderstreept>geen</onderstreept> persoon is jonger dan 27 jaar,
                                tenzij:</al><lijst><li nr="i."><al>artikel 9, vijfde lid, van de wet, op de peildatum op de
                                        belanghebbende van toepassing is; of</al></li><li nr="ii."><al>de belanghebbende op de peildatum een Wajong-uitkering
                                        ontvangt en geen arbeidsvermogen heeft; of</al></li><li nr="iii."><al>op de belanghebbende onderdeel c van toepassing is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vermogen</titel></kop><al>Het in artikel 36, eerste lid van de wet genoemde criterium “in aanmerking
                        te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34” wordt beoordeeld op de
                        peildatum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze nadere regels worden aangehaald als “Nadere regels individuele
                        inkomenstoeslag Participatiewet”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De nadere regels treden in werking met ingang van de dag volgend op
                                die van de bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>De beleidsregels langdurigheidstoeslag 2009, zoals deze bij besluit
                                van 20 mei 2009 zijn vastgesteld, worden ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Capelle aan den IJssel, 3 februari 2015.</ondertekening><ondertekening>Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>G.Kruijt. J.F. Koen.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING NADERE REGELS INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG PARTICIPATIEWET
                    </titel></kop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Met de komst van de Participatiewet per 1 januari 2015, vervangt de individuele
                    inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag uit de Wet werk en bijstand (WWB). De
                    individuele inkomenstoeslag is een door gemeenten jaarlijks uit te keren bedrag
                    aan personen die langdurig zijn aangewezen op een minimuminkomen en geen
                    uitzicht op inkomensverbetering hebben. </al><al>Vanaf 1 januari 2015 is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid
                    meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit is het gevolg van het woordje
                    'kan' in artikel 36, eerste lid, van de wet. </al><al>Dit betekent dat het college kan afzien van het toekennen van een individuele
                    inkomenstoeslag, ook al voldoet de aanvrager wel aan de voorwaarden voor de
                    toeslag, zoals die zijn opgenomen in artikel 36, van de wet en in de Verordening
                    individuele inkomenstoeslag Capelle aan den IJssel 2015.</al><al>Het college heeft geen mogelijkheid om in nadere regels te bepalen dat nooit een
                    individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt. Wel kan het college in nadere
                    regels vastleggen welke groepen niet in aanmerking komen voor een individuele
                    inkomenstoeslag en in welke gevallen personen geen uitzicht hebben op
                    inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen bij
                    wie in de referteperiode een verlaging van de bijstand is toegepast vanwege een
                    schending van de arbeidsverplichtingen of aan personen die studeren. Opgemerkt
                    wordt dat deze twee groepen ook uitgesloten waren van het recht op
                    langdurigheidstoeslag.</al><al>De regering is van mening dat de beoordeling of er sprake is van geen uitzicht
                    op inkomensverbetering aan de hand van de individuele omstandigheden moet worden
                    beoordeeld. De eerdere mogelijkheid tot het categoriaal benaderen van de
                    doelgroep van de langdurigheidstoeslag en daarmee het risico dat de
                    inkomensondersteuning tot een ongerichte verstrekking leidt, wil de regering
                    voorkomen. Net als bij de verlening van bijzondere bijstand, beoogt de regering
                    ook bij deze vorm van aanvullende inkomensondersteuning individueel maatwerk als
                    uitgangspunt te laten gelden zodat de individuele inkomenstoeslag terecht komt
                    bij de mensen die het echt nodig hebben.</al><al>Met het nieuwe artikel 36 van de wet wordt daarom de mogelijkheid van een
                    categoriale benadering van de individuele inkomenstoeslag afgeschaft. De
                    categoriale langdurigheidstoeslag wordt hiermee veranderd in een individuele
                    inkomenstoeslag voor personen tot de AOW gerechtigde leeftijd die langdurig van
                    een laag inkomen rond moeten komen en gelet op hun individuele omstandigheden
                    geen uitzicht hebben op inkomensverbetering.</al><al>In de Verordening individuele inkomenstoeslag Capelle aan den IJssel 2015 is
                    bepaald dat het college nadere regels vaststelt.</al><al>De onderhavige nadere regels geven een invulling aan de bevoegdheden van het
                    college. De bestaande ‘Beleidsregels langdurigheidstoeslag 2009” worden
                    ingetrokken.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>In dit artikel is een aantal begrippen gedefinieerd. De begrippen “peildatum” en
                    “referteperiode” zijn gelijk aan die in de verordening.</al><al>Wanneer in de nadere regels een begrip niet is gedefinieerd, dient te worden
                    teruggevallen op hetgeen hieronder in de wet en de Algemene wet bestuursrecht
                    wordt verstaan.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Voor de langdurigheidstoeslag onder de WWB was invulling gegeven aan het begrip
                    “geen uitzicht hebben op inkomensverbetering”. Hieraan was voldaan als:</al><lijst><li nr="a."><al>op de uitkering van de belanghebbende gedurende een periode van 12
                            maanden vóór de peildatum geen verlaging op grond van artikel 9, derde
                            of vierde lid of artikel 15, eerste lid, onderdeel a van de
                            Afstemmingsverordening WWB 2009 was toegepast; en</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende gedurende (een deel van) de referteperiode geen
                            opleiding of studie had gevolgd dan wel volgde als bedoeld in de WTOS of
                            de WSF 2000.</al></li></lijst><al>Er moest enig causaal verband zijn tussen de schending van de
                    arbeidsverplichtingen en een verspeeld perspectief op inkomensverbetering.
                    Daarom was bepaald dat bij schending van de ‘zwaarste’ arbeidsverplichtingen in
                    de periode van 12 maanden vóór de peildatum geen langdurigheidstoeslag werd
                    toegekend. Gesteld werd, dat als de belanghebbende dergelijke verwijtbare
                    gedragingen niet had gepleegd, hij uitzicht op inkomensverbetering zou hebben
                    gehad. Dergelijk verwijtbaar gedrag mocht niet beloond worden met een
                    langdurigheidstoeslag.</al><al>Daarnaast waren studenten uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag.
                    Studenten werden niet tot de doelgroep van de langdurigheidstoeslag gerekend. De
                    overweging hierbij was dat van studenten niet kan worden gezegd dat zij geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering.</al><tussenkop>Voorwaarden individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Onder de Participatiewet kan het college een individuele inkomenstoeslag
                    toekennen indien een persoon gelet <onderstreept>op zijn
                        omstandigheden</onderstreept> geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
                    Het college zal hierbij in ieder geval de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende moeten betrekken. Het betreft:</al><lijst><li nr="·"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon; en</al></li><li nr="·"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><al>Het college is vrij om het criterium 'gelet op de omstandigheden van die
                    persoon' zelf in te vullen. Het feit dat de toeslag individueel beoordeeld moet
                    worden, maakt de uitvoering ervan lastig. Er zal dus een praktische keuze
                    gemaakt moeten worden waarbij het individuele belang en de gelijke behandeling
                    van rechthebbenden voorop staat, en waarbij de ruimte in de wet maximaal wordt
                    benut. Vandaar dat in dit artikel hiervoor een beleidsregel wordt vastgesteld.
                    De in dit artikel genoemde onderdelen a tot en met d moeten in samenhang worden
                    bezien. Het enkele feit dat aan de belanghebbende in de periode van 12 maanden
                    vóór de peildatum geen verlaging van de uitkering is opgelegd, vooronderstelt
                    niet dat de belanghebbende wel uitzicht op inkomensverbetering zou hebben gehad.
                    Dit is mogelijk wel het geval indien belanghebbende een (goede) baan heeft laten
                    lopen, maar als hij enkel onvoldoende heeft meegewerkt aan een
                    re-integratieactiviteit, hoeft geen sprake te zijn van geen zicht op
                    inkomstenverbetering (zie ook CRvB 17-12-2013, nr. 12/83 WWB,
                    ECLI:NL:CRVB:2013:2842 en Rechtbank Rotterdam 20-06-2013, nr. ROT 12/520,
                    ECLI:NL:RBROT:2013:CA3895). Daarom moet dit telkens individueel worden
                    beoordeeld. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de voorwaarden van dit
                    artikel op beide partners van toepassing zijn.</al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Beoordeeld moet worden welke inspanningen die persoon heeft verricht om te komen
                    tot inkomensverbetering. Het mag niet zo zijn dat een schending van de
                    ‘zwaarste’ arbeids- en re-integratieverplichtingen ‘beloond’ wordt met een extra
                    toeslag. Er moet wel enig causaal verband zijn tussen de schending en een
                    verspeeld perspectief op inkomensverbetering. Die relatie is niet altijd
                    aanwezig. Zo is het causale verband tussen een niet tijdige verlenging van de
                    inschrijving bij het UWV en het ontbrekend uitzicht op inkomensverbetering niet
                    sterk. Daarom wordt in dit onderdeel geregeld dat als er
                        <onderstreept>geen</onderstreept> sprake is van een verlaging van de
                    uitkering in verband met schending van de ‘zwaarste’ arbeids- en
                    re-integratieverplichtingen de mogelijkheid bestaat om de toeslag toe te
                    kennen.</al><al>Onder schending van de ‘zwaarste’ arbeids- en re-integratieverplichtingen wordt
                    het volgende verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 18, vierde lid, van de wet (geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen);</al></li><li nr="-"><al>artikel 18b, tiende of elfde lid, van de wet (tweede en derde verwijt
                            inzake het niet of niet in voldoende mate beheersen van de Nederlandse
                            taal, noodzakelijk voor het verkrijgen, het aanvaarden en het behouden
                            van algemeen geaccepteerde arbeid);</al></li><li nr="-"><al>artikel 10, tweede of derde lid van de Afstemmingsverordening
                            Participatiewet Capelle aan den IJssel 2015 (tweede en derde categorie
                            verwijtbare gedragingen van de niet-geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen);</al></li><li nr="-"><al>artikel 13, eerste lid of artikel 14, eerste lid van de
                            Afstemmingsverordening Participatiewet Capelle aan den IJssel 2015
                            (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de zelfstandige
                            voorziening in het bestaan).</al></li><li nr="-"><al>artikel 10, tweede of derde lid, van de Afstemmingsverordening Ioaw en
                            Ioaz Capelle aan den IJssel 2011;</al></li><li nr="-"><al>artikel 12, eerste lid, van de Afstemmingsverordening Ioaw en Ioaz
                            Capelle aan den IJssel 2011.</al></li></lijst><al>Gesteld wordt dat als de belanghebbende dergelijke verwijtbare gedragingen niet
                    had gepleegd de persoon (op termijn) uitzicht op inkomensverbetering zou hebben
                    gehad. </al><al>Op Ioaw- en Ioaz-uitkeringen is de Afstemmingsverordening Participatiewet niet
                    van toepassing. Voor deze regelingen geldt de Afstemmingsverordening Ioaw en
                    Ioaz. Aan de gestelde voorwaarde van geen uitzicht hebben op inkomensverbetering
                    is bij deze uitkeringen voldaan als op de uitkering van de belanghebbende geen
                    verlaging van gelijke strekking is toegepast.</al><al>Bij de beoordeling of er al dan niet een verlaging op de uitkering is toegepast
                    wordt een periode van 12 maanden vóór de peildatum in ogenschouw genomen. Deze
                    periode gold ook bij de langdurigheidstoeslag. Voorkomen moet worden dat de
                    gevolgen van een verlaging over een te lange periode effect hebben op het al of
                    niet recht hebben op een individuele inkomenstoeslag. Dit zou ook in strijd zijn
                    met het principe van de wetgever om langdurige minima extra te ondersteunen.
                    Draagkracht en reserveringsmogelijkheden nemen immers af als men langer van een
                    minimuminkomen leeft.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Dit onderdeel sluit net als onder de langdurigheidstoeslag studerenden uit van
                    het recht op een individuele inkomenstoeslag. In de Memorie van Toelichting bij
                    het wetsontwerp van de langdurigheidstoeslag gaf de wetgever expliciet aan dat
                    studenten niet gerekend worden tot de doelgroep van de langdurigheidstoeslag.
                    Achterliggende reden hiervan is dat van studenten niet kan worden gezegd dat zij
                    geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Dit is ook van toepassing bij de
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>De wetgever is van mening dat de beoordeling of geen sprake is van uitzicht op
                    inkomensverbetering mede dient te worden gebaseerd op de krachten en
                    bekwaamheden van de belanghebbende. Of een belanghebbende (ooit) uitzicht heeft
                    op inkomensverbetering, is voor een langere termijn lastig vast te stellen. De
                    individuele inkomenstoeslag heeft betrekking op een periode van 12 maanden.
                    Nadien kan de toeslag opnieuw worden aangevraagd. Het is redelijk om het
                    betreffende criterium te toetsen over een periode van 12 maanden vanaf de
                    peildatum.</al><al>Zoals hiervoor is beschreven bij de toelichting op dit artikel moeten de
                    onderdelen van dit artikel in samenhang worden gezien. Er zal een individuele
                    afweging gemaakt moeten worden of het aannemelijk is dat de belanghebbende in de
                    periode van 12 maanden na de peildatum geen uitzicht op inkomensverbetering
                    heeft. Het ligt voor de hand deze beoordeling mede te baseren op de inhoud van
                    het plan van aanpak dat voor de klant is opgesteld. Zo mag bijvoorbeeld bij een
                    belanghebbende die volgens zijn plan van aanpak intensief moet solliciteren (bij
                    uitzendbureaus), omdat zijn opleidingsniveau en persoonlijke capaciteiten op een
                    dusdanig voldoende niveau zijn, verwacht worden dat hij wel uitzicht heeft op
                    inkomensverbetering. Bij een persoon die nog een (langdurige) opleiding moet
                    volgen voor het verkrijgen van werk, of zelfs nog niet toe is aan het volgen van
                    een opleiding, ligt dit anders.</al><al>Zo nodig kan aanvullende informatie worden ingewonnen bij de casemanager Werk
                    &amp; Uitstroom of de casemanager Activering &amp; Zorg. </al><al>Bij personen die geen uitkering voor levensonderhoud van Sociale Zaken ontvangen
                    is deze beoordeling lastiger te maken. Bij personen die een uitkering van een
                    andere instantie ontvangen kan aan de belanghebbende gevraagd worden aan te
                    tonen welke activiteiten hij heeft ondernomen om werk te krijgen. Zo nodig dient
                    hierover bij de uitkeringsinstantie informatie te worden ingewonnen. </al><al>Bij personen met een parttime baan zou verondersteld kunnen worden dat zij kans
                    hebben om hun inkomen op termijn te verbeteren. Dit ligt anders als door een
                    medisch adviseur is vastgesteld dat uitbreiding van een parttime baan niet
                    mogelijk is. </al><al>Dit onderdeel vergt dus een individuele beoordeling.</al><tussenkop>Onderdeel d</tussenkop><al>In de WWB is uitgangspunt van de wetgever dat jongeren tot 27 jaar in principe
                    geen uitkering behoren te ontvangen, maar dienen te werken dan wel een studie of
                    opleiding volgen. In de wet is daarom opgenomen dat jongeren tot 27 jaar,
                    alvorens een beroep op bijstand te kunnen doen, eerst vier weken zelf naar werk
                    moeten zoeken en moeten nagaan of zij een opleiding of studie kunnen volgen. Als
                    dat nog niet mogelijk is, kan een uitkering worden verleend.</al><al>Jongeren die wel onderwijs kunnen volgen, maar dit niet doen of de
                    arbeidsverplichtingen van de wet niet na willen komen, worden uitgesloten van
                    het recht op bijstand.</al><al>Voornoemde opvatting van de wetgever is aanleiding om deze ook door te laten
                    werken bij het recht op een individuele inkomenstoeslag. Dit betekent dat
                    jongeren tot 27 jaar in beginsel geen recht hebben op een individuele
                    inkomenstoeslag. </al><al>In dit onderdeel is expliciet opgenomen dat het vorenstaande niet van toepassing
                    is als de jongere op de peildatum:</al><lijst><li nr="-"><al>op grond van artikel 9, vijfde lid, van de wet, volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is verklaard; of</al></li><li nr="-"><al>een Wajong-uitkering ontvangt en geen arbeidsvermogen heeft; of</al></li><li nr="-"><al>onderdeel c van dit artikel op hem van toepassing is.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot jongeren die een Wajong-uitkering ontvangen wordt het
                    volgende opgemerkt. </al><al>Per 1 januari 2015 komt de Wajong te vervallen voor nieuwe aanvragers die
                    arbeidsvermogen hebben. Dan is het alleen nog mogelijk een Wajong-uitkering te
                    verkrijgen als de jongere volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht. </al><al>Bestaande Wajongers behouden hun uitkering. Zij worden wel herkeurd. Uit deze
                    herkeuring kan volgen dat de jongere “geen arbeidsvermogen” heeft. Hij behoudt
                    zijn huidige Wajong van 75% van het minimumloon. De andere groep krijgt vanaf
                    2018 een uitkering van 70%. Zolang een jongere niet is herkeurd wordt aangenomen
                    dat hij geen arbeidsvermogen heeft.</al><al>Is er sprake van een echtpaar, waarbij één van de partners 27 jaar of ouder is,
                    en de jongere partner wordt uitgesloten op grond van dit onderdeel, dan is –
                    naar analogie van artikel 5, tweede lid, van de Verordening individuele
                    inkomenstoeslag – op de rechthebbende partner de hoogte van de toeslag van
                    toepassing die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
                    gelden.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Evenals onder de langdurigheidstoeslag bestaat er geen recht op de toeslag als
                    de belanghebbende over een vermogen beschikt dat uitstijgt boven de
                    vermogensgrens, als bedoeld in artikel 34, van de wet. Hoewel de tekst van
                    artikel 36, eerste lid, van de wet, suggereert dat dit slechts op de peildatum
                    is vereist, geldt deze voorwaarde ook voor aanwezig vermogen tijdens de
                    referteperiode. De vermogenstoets geldt dus voor de gehele referteperiode.</al><al>Vanwege de uitvoeringstechnische complicaties om vast te stellen wat het
                    vermogen is geweest tijdens de gehele referteperiode heeft de staatssecretaris
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid destijds bij de langdurigheidstoeslag er
                    mee ingestemd dat alleen wordt vastgesteld wat het vermogen is geweest op de
                    peildatum. Deze beleidsregel kan derhalve ook worden toegepast bij de
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 4 en 5</tussenkop><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>