<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR35816_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WIJ 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Boekel &amp; Venhorst, d.d. 20-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WIJ 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0026054&amp;artikel=12">Wet investeren in jongeren, artikel 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0026054&amp;artikel=41">Wet investeren in jongeren, artikel 41</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/011573 AB/004752</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WIJ 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 september
                        2010</al><al>gelet op: de Gemeentewet, artikel 147 eerste lid en de artikelen 8 van de
                        Wet werk en bijstand en de artikelen 12, eerste lid onderdeel b en 41,
                        eerste lid van de Wet investeren in jongeren;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de Afstemmingsverordening WIJ 2011</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel><vet>Algemene bepalingen</vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, de WIJ en
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening en de bijbehorende toelichting wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: Het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Boekel;</al></li><li nr="b."><al>raad: De gemeenteraad van de gemeente Boekel;</al></li><li nr="c."><al>WWB: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="d."><al>WIJ: Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="e."><al>wet: De Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="f."><al>bijzondere bijstand: De bijstand als bedoeld in artikel 35,
                                        eerste lid van de WWB;</al></li><li nr="g."><al>afstemming: De verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ;</al></li><li nr="h."><al>WIJ-norm: De op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging.</al></li><li nr="i."><al>zeer ernstige misdragingen: Het op een dusdanige wijze
                                        benaderen of bejegenen van het college, dan wel personen die
                                        in opdracht van het college de wet uitvoeren, dat deze zich
                                        op een fysieke of psychische wijze dan wel een combinatie
                                        van beide, bedreigd voelen;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voorvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verlaagt het bedrag van de aan de jongere toegekende
                                inkomensvoorziening rekening houdend met:</al><lijst><li nr="-"><al> De ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al> De mate waarin de jongere de gedraging verweten kan
                                        worden;</al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke omstandigheden van de jongere.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De afstemming wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing
                                zijnde WIJ-norm;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan afstemming ook worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al> Aan de jongere bijzondere bijstand wordt verleend als
                                        aanvulling op de norm, of:</al></li><li nr="b."><al>De verwijtbare gedraging van de jongere, in relatie met zijn
                                        recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de jongere binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte gedraging zich opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie wordt de
                                duur van de afstemming vastgesteld op twee maanden;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de jongere binnen 12 maanden na de tweede als verwijtbaar
                                aangemerkte gedraging voor de derde maal schuldig maakt aan dezelfde
                                of een ernstiger verwijtbare gedraging, wordt het percentage van de
                                categorie waarin de (ernstiger) verwijtbare gedraging is omschreven
                                verdubbeld voor de duur van twee maanden en wordt de duur van de
                                afstemming vastgesteld op vier maanden;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een besluit tot afstemming wordt uitgevoerd, en ten gevolge
                                van recidive in dezelfde periode een besluit tot afstemming
                                uitgevoerd dient te worden wordt, in afwijking van artikel 9, eerste
                                lid, dit besluit uitgevoerd in aansluiting op de periode waarin het
                                voorliggende besluit tot afstemming wordt uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heroverweegt de in artikel 13 of 15 van deze verordening
                                bedoelde afstemming, of de afstemming die (na een eerder
                                heroverweging) voor een periode langer dan drie maanden is
                                voortgezet, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de
                                datum van het besluit tot afstemming of voortzetting van de
                                afstemming;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van de jongere aanleiding geven te besluiten tot herziening,
                                beëindiging of voortzetting van de afstemming;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de afstemming
                                het percentage van de afstemming verdubbelen, rekening houdend met
                                de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                persoonlijke omstandigheden van de jongere.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het besluit tot afstemming </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In het besluit tot afstemming worden in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="-"><al> De reden van de afstemming;</al></li><li nr="-"><al>De datum van aanvang van de afstemming;</al></li><li nr="-"><al> De duur van de afstemming;</al></li><li nr="-"><al> Het percentage waarmee de inkomensvoorziening wordt
                                        verlaagd;</al></li><li nr="-"><al> Het financiële gevolg van de afstemming;</al></li><li nr="-"><al> Indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                        afstemming conform artikel 13 of 15 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="-"><al>De zienswijze van de jongere of de reden dat daarvan is
                                        afgezien conform artikel 7 van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met een besluit tot afstemming wordt gelijkgesteld het besluit om
                                daarvan af te zien op grond van dringende redenen conform artikel 8,
                                eerste lid onder b van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Horen van de jongere</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat afstemming plaatsvindt, wordt de jongere in de gelegenheid
                                gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de jongere kan achterwege gelaten worden, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> De jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="b."><al> De vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="c."><al> De jongere niet voldaan heeft aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid van de wet, werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet; of,</al></li><li nr="d."><al>Het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Afzien van afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid van de wet, ziet het college af
                                van afstemming, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al> het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of;
                                    </al></li><li nr="c."><al>indien er sprake is van verloop van een periode van één jaar
                                        na constatering van de gedraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van afstemming op grond van dringende
                                redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling
                                gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering, ingangsdatum en tijdvak afstemming
                                </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het besluit tot afstemming wordt uitgevoerd met ingang van de eerste
                                dag van de maand volgend op de maand waarin de afstemming per
                                beschikking is meegedeeld. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                                maand geldende WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de afstemming van het recht op
                                bijstand met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de
                                bijstand (inclusief de aanspraak op vakantiegeld) nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Cumulatie </titel></kop><al/><al>Indien een jongere zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende
                            verwijtbare gedragingen worden de daarvoor geïndiceerde afstemmingen elk
                            afzonderlijk opgelegd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of niet voldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 44 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet nakomen van de verplichting niet heeft geleid
                                    tot teveel of ten onrechte verstrekte inkomensvoorziening</al><lijst><li nr="a."><al> Wordt een schriftelijke waarschuwing wordt gegeven,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>Vindt afstemming van 5% plaats indien binnen een periode
                                            van twee jaar wederom de verplichting niet of niet
                                            tijdig is nagekomen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Eerste categorie</vet>: </al><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, voor
                                    zover dit heeft geleid tot het ten onrechte ontvangen van een
                                    inkomensvoorziening tot een bedrag van minder dan €
                                    1.000,--.</al></li><li nr="3."><al><vet>Tweede categorie:</vet></al><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, voor
                                    zover dit heeft geleid tot het ten onrechte ontvangen van een
                                    inkomensvoorziening van een bedrag van vanaf € 1.000,-- tot €
                                    3.000,--. </al></li><li nr="4."><al><vet>Derde categorie:</vet></al><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, voor
                                    zover dit heeft geleid tot het ten onrechte ontvangen van een
                                    inkomensvoorziening van een bedrag van vanaf € 3.000,-- tot €
                                    6.000,--.</al></li><li nr="5."><al><vet>Vierde categorie:</vet></al><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, voor
                                    zover dit heeft geleid tot het ten onrechte ontvangen van een
                                    inkomensvoorziening van een bedrag van vanaf € 6.000,--.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het niet nakomen van de overige verplichtingen</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of niet voldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of onvoldoende, op verzoek of uit eigen
                                            beweging, melden van alle feiten en omstandigheden,
                                            waarvan het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet
                                            zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>Het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die
                                            het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid belemmeren;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
                                            scholing of opleiding;</al></li><li nr="b."><al>Het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>Het door de inburgeringsplichtige niet dan wel niet
                                            tijdig voldoen aan een oproep om gegevens te verstrekken
                                            en die medewerking te verlenen die voor diens
                                            inburgeringsplicht van belang zijn;</al></li><li nr="d."><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of In onvoldoende mate meewerken aan een
                                            traject gericht op een voor de inschakeling in de arbeid
                                            noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan
                                            andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige
                                            bestaansvoorziening bevorderen;</al></li><li nr="b."><al>Het weigeren van een passend aanbod voor kinderopvang,
                                            dat noodzakelijk is voor de deelname aan het traject
                                            gericht op arbeidsinschakeling, waaronder mede begrepen
                                            wordt inburgering als onderdeel van de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>Het in strijd handelen door de inburgeringsplichtige met
                                            artikel 23, eerste lid van de Wet inburgering of de
                                            krachtens artikel 23, derde lid, gestelde regels van de
                                            Wet inburgering;</al></li><li nr="d."><al>Het niet naleven van de uit artikel 7, eerste lid, van
                                            de Wet inburgering voortvloeiende verplichting door de
                                            inburgeringsplichtige tot het verwerven van mondelinge
                                            en schriftelijke vaardigheden van de Nederlandse taal en
                                            kennis van de Nederlandse samenleving binnen de in de
                                            Wet inburgering vastgestelde periode.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al> Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b, en artikel 10, eerste lid, van de WWB,
                                            waaronder begrepen wordt het weigeren mee te werken aan
                                            of gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                            traject, gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>Het door de inburgeringsplichtige niet behalen van het
                                            inburgeringsexamen binnen de bij of krachtens de
                                            artikelen 32 en 33 van de Wet inburgering gestelde
                                            termijnen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De hoogte en duur van de afstemming </titel></kop><al/><al>Onverminderd artikel 2 lid 1 van deze verordening, wordt de afstemming
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>10%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>eerste</vet> categorie;</al></li><li nr="b."><al><vet>20%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>tweede</vet> categorie;</al></li><li nr="c."><al><vet>40%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>derde</vet> categorie; </al></li><li nr="d."><al><vet>100%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>vierde</vet> categorie; </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel><vet>Zeer ernstige misdragingen</vet></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Indeling zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Zeer ernstige misdragingen jegens het college, dan wel van personen die
                            in opdracht van het college de wet uitvoeren, als bedoeld in artikel 41,
                            eerste lid van de wet, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste categorie: </vet>Discriminatie</al></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie: </vet>Verbaal geweld</al></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie: </vet> Intimidatie</al></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie:</vet> Zaakgericht fysiek geweld</al></li><li nr="5."><al><vet>Vijfde categorie: </vet> Mensgericht fysiek
                                    geweld</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De hoogte en duur van de afstemming </titel></kop><al/><al>Onverminderd artikel 2 lid 2 van deze verordening, wordt de afstemming
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>10%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>eerste</vet> categorie;</al></li><li nr="2."><al><vet>20%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>tweede</vet> categorie;</al></li><li nr="3."><al><vet>40%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>derde</vet> categorie;</al></li><li nr="4."><al><vet>100%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>vierde</vet> categorie; </al></li><li nr="5."><al><vet>100%</vet> van de WIJ-norm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de <vet>vierde</vet> categorie; </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al/><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al/><al>Indien voor het tijdstip van de datum van inwerkingtreding van deze
                            verordening afstemming gewenst is en op de datum van de inwerkingtreding
                            van deze verordening nog niet is beslist, wordt de beslissing genomen op
                            basis van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al/><al>Deze verordening treedt in werking zes weken na datum van
                            publicatie;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Afstemmingsverordening WIJ
                                2011.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting bij de AFSTEMMINGSVERORDENING WIJ 2011</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>De WIJ is per 1 oktober 2009 in werking getreden. Doelstelling van deze wet is
                    de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om
                    dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd werkleeraanbod
                    vastgelegd. Het recht op werkleeraanbod berust op het uitgangspunt dat jongeren
                    die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken,
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien.</al><al/><al>De WIJ verplicht de gemeente Gemert-Bakel om te investeren in de
                    arbeidsinschakeling van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod
                    doen. Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren
                    vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze
                    inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de
                    persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds
                    geen optie is, als het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog
                    geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod
                    enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de
                    WIJ.</al><al/><al>De relatie tussen werkleren en een inkomensvoorziening is fundamenteel anders
                    dan de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij het recht op bijstand vooropstaat met
                    als afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                    ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’
                    in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangspunt ‘geen uitkering,
                    tenzij’.</al><al/><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                    bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening
                    volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht
                    zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze
                    voorziening.</al><al/><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening
                    aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht zich te houden aan diverse
                    verplichten. Worden deze verplichtingen geschonden, dan dient de
                    inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid WIJ). Die
                    verlaging geschiedt conform de regels die in deze gemeentelijke verordening zijn
                    vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onder b WIJ).</al><al/><al><vet>Reikwijdte Afstemmingsverordening WIJ</vet></al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                    WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                    gemeentelijke Afstemmingsverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan
                    het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                    aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                    gesanctioneerd zijn inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht (artikel
                    44 WIJ) en een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                    werkleeraanbod (artikel 45 WIJ).</al><al/><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van een van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat
                    heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval
                    van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                    deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                    werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft
                    in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van bovengenoemde
                    gedragingen.</al><al/><al>De Afstemmingsverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en
                    reikwijdte dan de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ en wijkt daarom af
                    m.b.t. de beschreven maatregelwaardige gedragingen.</al><al/><al><vet>Verlagen is maatwerk</vet></al><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk, waarmee het college is belast. Evenals dat binnen de kaders van de WWB
                    het geval is, dient voor de afstemming rekening gehouden te worden met de ernst
                    van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden
                    van de jongere. Het uitgangspunt wordt gevormd door de regels die door de raad
                    zijn vastgesteld. In de Afstemmingsverordening zijn de gedragingen die een
                    schending van de verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter
                    niet absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid als de omstandigheden van de jongere kan aanleiding worden
                    gevonden om van de verordening af te wijken. Ontbreekt elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer verplicht om van
                    verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid WIJ). Vanwege het karakter van de
                    inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden
                    heroverweging van de verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de
                    verlaging ook afgestemd blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet
                    onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft beschikken.</al><al/><al><vet>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel</vet></al><al>De afstemming wordt in deze verordening toegepast op de WIJ-norm. Ingegeven door
                    overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen dat het noemen
                    van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn. Daar tegenover
                    staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Afstemming van € 250 betekent voor een
                    20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit
                    voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is afstemming in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm.</al><al/><al><vet>De term ‘Afstemming’</vet></al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de jongere
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de WIJ
                    aangeduid als het verlagen van de inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder
                    gemeenten is echter de term afstemming of maatregel, omdat bij verlaging met
                    eerder denkt aan verlaging van de inkomensvoorziening op grond van de
                    Toeslagenverordening omdat een jongere bijvoorbeeld zijn woning met iemand
                    deelt.</al><al/><al><vet>Categorieën</vet></al><al>Er is bij het categoriseren van gedragingen en de hoogte van de afstemming in
                    deze verordening zo veel mogelijk aangesloten bij de Afstemmingsverordening WWB,
                    IOAW en IOAZ. Dit is eenvoudiger in te voeren i.v.m. de bestaande beschikkingen
                    en werkprocessen e.d. </al><al>Dat wil niet zeggen dat in de nabije toekomst niet nog eens kritisch moet worden
                    gekeken naar deze indelingen, maar op dit moment heeft dit geen prioriteit.</al><al/><al><vet>Afstemming of intrekking inkomensvoorziening</vet></al><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                    verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en eventueel
                    inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken aan de
                    totstandkoming daarvan, bijvoorbeeld door mee te werken aan een onderzoek naar
                    de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken
                    aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. </al><al/><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar
                    niet na, dan kan het college op verschillende manieren de jongere aanspreken.
                    Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende fas4en waarop de
                    verplichtingen betrekking hebben. </al><al><vet>1. Aanvraagfase</vet></al><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                    aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende:</al><al>Als de jongere in het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor
                    zijn arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het
                    college de jongere <cursief>geen werkleeraanbod</cursief> (artikel 17, vijfde
                    lid WIJ).</al><al>Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij niet wenst te voldoen aan die
                    verplichting, <cursief>geen recht op inkomensvoorziening</cursief>. Uit artikel
                    42, eerste lid, onder c WIJ vloeit immers voort dat voor zover uit houding en
                    gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen niet
                    wil nakomen, geen recht op inkomensvoorziening bestaat. Dit geldt in bredere zin
                    ook voor andere gedragingen van de jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze
                    de aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het geheel niet wil
                    nakomen. </al><al/><al>Is sprake van een minder ernstige schending van de verplichtingen m.b.t. de
                    totstandkoming van het werkleeraanbod, dan kan na toekenning van een
                    werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening verlaagd worden conform de
                    gemeentelijke Afstemmingsverordening (artikel 41, eerste lid WIJ). Zo is het
                    denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de medewerking onvoldoende
                    is, bijvoorbeeld telkens te laat is. In dit geval zijn categorieën geformuleerd
                    met bijbehorende hoogtes naar gelang de ernst van de gedraging.</al><al><vet>2. Van toekenning tot tenuitvoerlegging</vet></al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod, maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningbeschikking, dan blijft het
                    werkleeraanbod in stand, maar wordt de inkomensvoorziening verlaagd conform de
                    Afstemmingsverordening (artikel 41, eerste lid WIJ). In de verordening
                    Werkleeraanbod is vastgelegd wanneer de gedragingen van de jongere ernstig
                    genoeg zijn om een intrekking van het werkleeraanbod te rechtvaardigen.</al><al><vet>3. Vanaf de tenuitvoerlegging</vet></al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan wordt de inkomensvoorziening verlaagd conform de
                    Afstemmingsverordening (artikel 41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt het recht
                    op inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de jongere
                    ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste
                    lid, onder c WIJ). Vindt intrekking plaats, dan vervalt daarmee tevens het recht
                    op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onder f WIJ). </al><al/><al><vet>Relatie met de Verordening Werkleeraanbod</vet></al><al>De verordening Werkleeraanbod en de Afstemmingsverordening vormen twee kanten
                    van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht op om jongeren
                    een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening
                    Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                    verplicht is het werkleeraanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen
                    niet na, dan vormt de Afstemmingsverordening het kader voor verlaging van de
                    inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. </al><al/><al><vet>De verplichtingen die tot een maatregel kunnen leiden</vet></al><al>De verplichtingen die aan het recht op een werkleeraanbod en de
                    inkomensvoorziening jegens het college verbonden zijn, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>a. De inlichtingenplicht (artikel 44, lid 1 WIJ)</al></li><li nr="2."><al>b. De medewerkingsplicht (artikel 44, lid 2 WIJ)</al></li><li nr="3."><al>c. De identificatieplicht (artikel 44, lid 3 WIJ)</al></li><li nr="4."><al>d. Verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod
                            (artikel 45 WIJ)</al></li></lijst><al/><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens het UWV WERKbedrijf, die bij schending ook tot
                    afstemming kan leiden (artikel 41, lid 1 WIJ).</al><al/><al><vet>Schending van artikel 44 WIJ</vet></al><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ betreft schending van
                    de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee
                    laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schendig van deze verplichtingen er in
                    beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening
                    niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan
                    worden, conform de WWB.</al><al/><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college, maar ook jegens het UWV
                    WERKbedrijf. In deze verordening is ervoor gekozen om de afstemming te relateren
                    aan de mate van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de benadeling, hoe
                    zwaarder de afstemming.</al><al/><al><vet>Schending van artikel 45 WIJ</vet></al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die
                    betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                    tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van
                    rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt
                    ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden
                    tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. Voor het categoriseren van
                    de gedragingen die tot een verlaging van de inkomensvoorziening leiden bij
                    schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ willen wij zoveel mogelijk
                    aansluiting zoeken bij de maatregelenverordening WWB.</al><al/><al><onderstreept>Aansluiting bij WWB</onderstreept></al><al>Er worden uiteenlopende percentages gehanteerd voor schending van de
                    verschillende verplichtingen, in aansluiting op de Afstemmingsverordening WWB,
                    IOAW, IOAZ. </al><al>Zo worden bijstandsgerechtigden en jongeren gelijk behandeld.</al><al/><al>Uitzondering op deze gelijke behandeling is de gedraging van een
                    bijstandsgerechtigde of jongere waardoor een traject niet gestart kan worden of
                    waardoor een traject beëindigd moet worden. Binnen de WWB, IOAZ en IOAW wordt
                    als gevolg van deze gedraging de uitkering verlaagd. Binnen de WIJ wordt als
                    gevolg van deze gedraging het werkleeraanbod ingetrokken en de
                    inkomensvoorziening beëindigd. Enerzijds klinkt dit resoluter, omdat een jongere
                    dan een nieuwe aanvraag voor werkleeraanbod moet doen en tot die tijd geen
                    inkomensvoorziening heeft. Anderzijds kan de jongere de volgende dag al een
                    nieuwe aanvraag indienen en is de tijd zonder inkomensvoorziening beperkt.
                    Bijstandsgerechtigden krijgen echter een verlaging van minimaal een maand. </al><al/><al><vet>Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                    WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel
                    18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer ernstige
                    misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin deze zich afspeelt,
                    zolang deze zich maar tot het college of personen die in opdracht van het
                    college de wet uitvoeren. </al><al>Hiermee is echter niet beoogd afstand te nemen van de jurisprudentie van de
                    Centrale Raad van Beroep inzake zeer ernstige misdragingen in het kader van
                    bijstandverlening (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46). </al><al/><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970, heeft
                    overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, WWB
                    voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van
                    de in dat artikellid bedoelde verplichtingen <cursief>met als verzwarende
                        omstandigheid</cursief> dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende
                    toe te rekenen gedrag jegens het college en bij de uitvoering van de WWB
                    betrokken personen dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
                    onacceptabel kan worden beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde
                    verlaging van de bijstand c.q. inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt
                    als punitieve (bestraffende) sanctie en op het college rust de bewijslast om
                    voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van de genoemde
                    bepaling sprake is geweest (zie ook de uitspraak van 31 december 2007, LJN
                    BC1811).</al><al/><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk aan zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod
                    (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een
                    maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert,
                    betekent dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                    inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 46/47 voor
                    het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42 WIJ, dat daarvoor de
                    grondslag zou moeten bieden, kent ‘ (tijdelijke) uitsluiting van het recht op
                    een werkleeraanbod bij zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke
                    uitsluitingsgrond voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                    herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding en
                    gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de
                    verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit
                    punt uit te sluiten, wordt in deze verordening gekozen voor het (verder)
                    verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, WIJ,
                    zodat feitelijk een tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al><al/><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving </vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ en de WWB.</al><al/><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt bedoeld de
                    van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het equivalent in de
                    WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet
                    opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal
                    gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip
                    wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het <cursief>bedrag</cursief>
                    van de inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat
                    hantering van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de
                    inkomensvoorziening’ de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip
                    ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd.</al><al/><al>De term “zeer ernstige misdragingen” is opgenomen in de verordening vanwege een
                    uitspraak van de Rechtbank Rotterdam.</al><al>In artikel 41, eerste lid WIJ wordt gesproken over het “zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen”. Dit betekent dat alleen zeer ernstige misdragingen
                    tegenover leden van het college en de ambtenaren of diegenen aan wie mandaat is
                    verleend, aanleiding kan zijn voor het afstemmen van het recht op bijstand. Op
                    grond van de wettekst zou er dus geen afstemming kunnen plaatsvinden indien een
                    jongere zich zeer ernstig misdraagt tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WIJ, bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf.</al><al>Dit artikel en deze omstandigheden komen overeen met artikel 18, tweede lid
                    WWB.</al><al/><al>De Rechtbank Rotterdam heeft bepaald dat het zich zeer ernstig misdragen jegens
                    het college als bedoeld in artikel 18, tweede lid WWB ook geldt voor personen
                    die werken in opdracht van het college (26-03-2008, LJN BC9884). De rechtbank is
                    zeer expliciet in deze bepaling. </al><al>Daarom is niet uit te sluiten dat deze lijn ook voor de WIJ wordt voortgezet. Om
                    die reden is in artikel 1 lid 2 onder i het begrip “zeer ernstige misdragingen”
                    toegevoegd.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2. Afstemming</vet></al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de afstemming niets
                    afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het
                    werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer
                    aan de orde. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>In het tweede lid is de hoofdregel
                    neergelegd: het college dient af te stemmen op de persoonlijke omstandigheden
                    van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke afstemming zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                    omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en de duur van
                    de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. Waar verderop
                    in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                    afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet
                    verwoord, zodat bij de normering van de afstemming in het vervolg van de
                    verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de afstemming een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of afstemming plaatsvindt, en zo
                    ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de
                    mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.
                    Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr=""><al>bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals hoge
                            woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li></lijst><al>· sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al><al>· bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid.</al><al/><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept>In dit lid is het uitgangspunt
                    vastgelegd dat afgestemd wordt over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 lid
                    2 van de verordening voor een begripsomschrijving. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Recidive</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een
                    inkomensvoorziening wordt afgestemd de jongere nogmaals verwijtbaar gedrag
                    vertoont, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de afstemming.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Indien de jongere na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                    verwijtbaar gedrag vertoont, zal de duur van de afstemming nogmaals verdubbeld
                    worden tot vier maanden.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid </onderstreept></al><al>Indien de inkomensvoorziening van een jongere volgens artikel 9 de maand erop
                    wordt afgestemd en de jongeren voor start van deze maand nogmaals verwijtbaar
                    gedrag vertoont, wordt de afstemming niet in dezelfde maand toegepast, maar de
                    maand daarna. Deze afstemming wijkt dan af van het bepaalde in artikel 9.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Heroverweging</vet></al><al>Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is bepaald
                    dat binnen drie maanden heroverweging van de afstemming plaatsvindt. Daarmee
                    wordt gewaarborgd dat de afstemming plaatsvindt op de omstandigheden van de
                    jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft
                    beschikken. Overigens is het ook mogelijk om bij heroverweging te bepalen om de
                    afstemming langer of hoger te bepalen.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Het besluit tot afstemming </vet>Het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel
                    wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                    eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan
                    met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in
                    dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd
                        (<extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=acde5e27c9a04fe4d01899a7d8045f88">afdeling 3.7 Awb</extref> ).</al><al/><al><vet>Artikel 7. Horen van de jongere </vet>Op grond van <extref doc="http://handboek.stimulansz.nl/StimulanszSwordSite/hoi/ektronlink?uid=2516c24b2c81627c445cfcb554953345">afdeling 4.1.2.</extref> van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de jongere verplicht bij de voorbereiding van het besluit. </al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt het horen van de jongere voordat een inkomensvoorziening
                    wordt afgestemd voorgeschreven. </al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Het tweede lid bevat een aantal
                    uitzonderingen op deze hoorplicht. Sommige onderdelen staan ook genoemd in
                    artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Afzien van afstemming</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al/><al>In individuele omstandigheden kan wegens dringende redenen worden afgezien van
                    afstemming. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen van afstemming
                    onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de situatie van de jongere
                    maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn.</al><al/><al>Een reden om af te zien van het opleggen van afstemming is dat de gedraging te
                    lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit is
                    het nodig dat afstemming spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    plaatsvindt. Om deze reden wordt onder c. geregeld dat het college niet afstemt
                    voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Het doen van een schriftelijke
                    mededeling dat het college afziet van afstemming wegens dringende redenen is van
                    belang in verband met eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Uitvoering, ingangsdatum en tijdvak afstemming</vet></al><al/><al><onderstreept>Eerste lid </onderstreept>Het opleggen van een maatregel vindt
                    plaats door het verlagen van de WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in
                    beginsel op twee manieren:<inf/></al><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                    inkomensvoorziening; of 2. door middel van verlaging van de WIJ-norm in de
                    eerstvolgende maand(en).</al><al/><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. We hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening
                    van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept>Is toepassing van lid 1 niet aan de
                    orde, omdat de inkomensvoorziening reeds beëindigd is, dan biedt het tweede lid
                    de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht afgestemd wordt.Wanneer
                    een inkomensvoorziening nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het
                    praktisch om de verlaging van de inkomensvoorziening te verrekenen met het
                    bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening
                    wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de
                    inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Raad
                    blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging
                    plaatsgevonden heeft. Vindt afstemming plaats, dan moet tevens een besluit tot
                    herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ
                    worden genomen. </al><al/><al><vet>Artikel 10. Cumulatie </vet>De regeling voor de cumulatie heeft betrekking
                    op de schending van de verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45
                    WIJ). Indien sprake is van één gedraging die als een schending van meerdere
                    verplichtingen kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de
                    maatregel te worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste maatregel
                    van toepassing is. </al><al/><al>Bij de enkelvoudige variant is deze vorm van cumulatie uiteraard ook denkbaar
                    maar is deze optie niet van belang, omdat voor schending van alle verplichtingen
                    m.b.t. het werkleeraanbod één uniform percentage geldt </al><al/><al>Is sprake van verschillende gedragingen dan dient voor iedere gedraging
                    afzonderlijk het percentage te worden berekend en gelijktijdig te worden
                    opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. Daarnaast dient altijd de individuele
                    toets aan artikel 2, tweede lid te worden toegepast. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen</vet></al><al/><al><vet>Waarschuwing</vet></al><al>Onder de Abw bestond de mogelijkheid om aan een jongere een waarschuwing af te
                    geven. de CRvB heeft in haar uitspraak van 16-01-2007 (LJN: AZ 7812), uitgemaakt
                    dat de WWB daarvoor geen grondslag meer biedt. De wetgever heeft immers een
                    bewuste keuze gemaakt om de sancties van de Abw (waarschuwing, boeten en
                    maatregelen), te vervangen door een systeem van verlagingen. Bovendien was de
                    waarschuwing bedoeld voor die situaties waarin niet voldaan werd aan de
                    inlichtingenplicht en niet had geleid tot het ten onrecht of een te hoog bedrag
                    aan verleende bijstand en niet bedoeld voor de medewerkingplicht. Tenslotte is
                    van belang dat op grond van artikel 2 lid 2 van deze verordening afgezien kan
                    worden van de afstemming. </al><al/><al>Het is niet uit te sluiten dat deze lijn ook voor de WIJ wordt voortgezet. De
                    afstemming in de vorm van een waarschuwing is daarom alleen opgenomen bij het
                    niet voldoen aan de inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot het ten
                    onrechte verstrekken van of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</vet></al><al>Dit artikel heeft in zijn geheel betrekking op verwijtbare gedragingen ten
                    aanzien van de inlichtingenplicht. Bij de indeling in categorieën is er van
                    uitgegaan dat de ernst van het feit toeneemt naarmate de gedraging heeft geleid
                    tot een hoger bedrag aan teveel of ten onrechte hoog bedrag aan
                    inkomensvoorziening. </al><al/><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan
                    de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van
                    het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag moet
                    dan worden afgewezen. Het afstemmen is in dergelijke gevallen niet aan de orde. </al><al/><al>Indien er aangifte is gedaan voor een gedraging en er een aanvang is genomen met
                    strafvervolging, dan vindt op grond van het Una-via beginsel geen afstemming
                    plaats. De jongere wordft hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter
                    gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                    belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet of niet op tijd
                    verstrekt en de gemeente hierdoor niet benadeeld wordt, wordt volstaan met een
                    schriftelijke waarschuwing. Wordt er binnen een periode van twee jaar wederom
                    niet voldaan aan de inlichtingenverplichting, dan wordt de inkomensvoorziening
                    met 5% afgestemd.</al><al/><al><onderstreept>Tweede t/m vierde lid</onderstreept></al><al>Hoe hoger het ten onrechte ontvangen bedrag is, hoe hoger het percentage waarmee
                    de inkomensvoorziening afgestemd wordt. </al><al/><al>Met de termen “van vanaf” en “tot” wordt bedoeld dat het eerste bedrag binnen de
                    categorie valt en het tweede bedrag niet. Dus € 1000 valt onder de tweede
                    categorie. €3.000 valt onder de derde categorie.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Het niet nakomen van de overige verplichtingen</vet></al><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 Wij inhouden, betreffen de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het
                    werkleeraanbod. In de verordening is sprake van verschillende percentages bij
                    schending van verschillende verplichtingen oplopend van minder tot zeer
                    ernstig.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De verwijtbare gedragingen in de eerste categorie zijn onder te brengen in de
                    fase van arbeidsinpassing die is aan te merken als de fase waarin er sprake kan
                    zijn van situaties welke tijdelijk de arbeidsinschakeling belemmeren of de kans
                    op deelname aan de arbeidsinschakeling verkleinen. Het niet doorgeven van
                    wijzigingen en/of opheffing of juist het ontstaan van belemmeringen kan er toe
                    leiden dat geen gerichte actie plaats kan vinden in het kader van de
                    arbeidsinschakeling. Ook kan het stellen van onredelijke eisen een belemmering
                    zijn voor de arbeidsinschakeling. </al><al/><al>In de Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ wordt tevens het niet ondertekenen
                    of niet retourneren van de trajectovereenkomst genoemd. In geval een jongere het
                    werkleeraanbod niet ondertekent of retourneert kan geen werkleeraanbod gedaan
                    worden en moet de aanvraag worden afgewezen.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>De verwijtbare gedragingen in de tweede categorie zijn onder te brengen in de
                    fase van arbeidsinpassing die is aan te merken als de fase waarin onderzocht
                    wordt hoe en op welke wijze de jongere ondersteund dient te worden in de wijze
                    waarop het werkleeraanbod opgesteld kan worden. De verwijtbare gedragingen in
                    deze categorie kunnen aanleiding zijn voor afwijzing van de aanvraag.</al><al>In deze categorie is ook het verwijtbaar gedrag met betrekking tot de voor de
                    inburgeringsplichtige geldende verplichting ondergebracht als beschreven in
                    artikel 25 lid 4 van de Wet inburgering.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>De verwijtbare gedragingen in de derde categorie zijn onder te brengen in de
                    fase van arbeidsinpassing die is aan te merken als de fase waarin al is
                    vastgesteld hoe en op welke wijze de jongere ondersteund dient te worden. Een
                    werkleeraanbod is overeengekomen.</al><al>Het gaat hierbij om gedragingen die aan te merken zijn als het onvoldoende
                    meewerken aan een traject of andere aangewezen activiteiten als beschreven in
                    het werkleeraanbod.</al><al>Indien men niet meewerkt aan een traject als beschreven in het werkleeraanbod,
                    moet intrekking van het werkleeraanbod overwogen worden. Daarbij gelden de
                    voorwaarden van artikel 2 lid 2 van deze verordening.</al><al/><al>In deze categorie is ook het verwijtbaar gedrag met betrekking tot de voor de
                    inburgeringsplichtinge geldende verplichting ondergebracht als beschreven in
                    artikel 7, eerste lid en artikel 23 eerste en derde lid van de Wet
                    inburgering.</al><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>De verwijtbare gedragingen in de vierde categorie zijn onder te brengen in de
                    fase van arbeidsinpassing waarin er sprake is van het kunnen verkrijgen,
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, indien dit niet heeft
                    geleid tot intrekking van het werkleeraanbod. </al><al/><al>In deze categorie is ook het verwijtbaar gedrag met betrekking tot de voor de
                    inburgeringsplichtinge geldende verplichting ondergebracht als beschreven in de
                    artikelen 32 en 33 van de Wet inburgering.</al><al>Vorenstaande daar uit artikel 34 Wet inburgering blijkt dat deze verwijtbare
                    gedragingen twee maal zo zwaar aangerekend worden als de verwijtbare gedragingen
                    van de derde categorie.</al><al/><al><vet>Artikel 13. De hoogte en duur van de afstemming</vet></al><al>Er is gekozen voor zoveel mogelijk aansluiting bij de Afstemmingsverordening
                    WWB, IOAW, IOAZ.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14. Indeling Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><al/><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd.</al><al/><al>Gemeenten kunnen alleen afstemmen indien er een verband bestaat tussen de
                    ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                    vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening.
                    Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit
                    onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich jegens
                    het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat afstemming kan
                    plaatsvinden bij (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en
                    personen die in opdracht van het college de wet uitvoeren. </al><al/><al>Bij de afstemming in de situatie dat een jongere zich ernstig heeft misdragen,
                    zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de jongere.</al><al/><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger)
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>a. discriminatie;</al></li><li nr="2."><al>b. verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="3."><al>c. intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="4."><al>d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen)</al></li><li nr="5."><al>e. mensgericht fysiek geweld (lijfelijk).</al></li></lijst><al>Buiten deze vormen is een combinatie van agressievormen mogelijk.</al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het afstemmen staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het
                    college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie
                    zich richtte, aangifte kan doen bij de politie.</al><al/><al>Bij ernstige misdragingen moet ook rekening gehouden worden met het
                    agressieprotocol.</al><al/><al><vet>Artikel 15. De hoogte en duur van de afstemming</vet></al><al>Er is gekozen voor zoveel mogelijk aansluiting bij de Afstemmingsverordening
                    WWB, IOAW, IOAZ.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Slotbepalingen</vet></al><al/><al>De artikelen 16 tot en met 19 spreken voor zich ten worden dan ook niet verder
                    toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>