<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR358138_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Uden 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteblad 2015-8</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Uden 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/11515</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>N.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening vervangt de voorgaande verordening OHV 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Uden 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De Raad van de gemeente Uden;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        4 november 2014; </al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de </al><al>bevoegde gezagsorganen;</al><al> gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100
                        van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs; </al><al>overwegende, dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in
                        de huisvesting voor het</al><al>basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet
                        onderwijs bij verordening te</al><al>regelen;</al><al> b e s l u i t</al><al> vast te stellen de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Uden
                        2014.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs
                            bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk
                            gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de
                            gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in van de Wet op het
                                    primair onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                                    speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra , een instelling voor speciaal en voortgezet
                                    speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                    expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                    voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                    middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                    beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in
                                    artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs .</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                            ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op
                            de expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs
                            voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="e."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                            artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="f."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="g."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze
                            verordening;</al></li><li nr="h."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van
                            een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                            voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                            ingediend;</al></li><li nr="i."><al>aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om bekostiging
                            van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="j."><al>voor blijvend gebruik: voorziening in de huisvesting die, volgens de
                            uitkomst van de prognose als bedoeld in van deze verordening, 10 jaren of langer
                            noodzakelijk is;</al></li><li nr="k."><al>voor tijdelijk gebruik: voorziening in de huisvesting die, volgens de
                            uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan
                            10 jaren noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de
                            aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaren als volwaardige
                            huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="m."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 10 jaren als volwaardige
                            huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                            lichamelijke oefening;
                            </al></li><li nr="o."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de
                            Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van
                            inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair
                            onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76f van
                            de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="p."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                            zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="q."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op
                            het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op
                            het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="r."><al>beslissing Gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten
                            in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                            108, tweede lid van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede
                            lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110
                            van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel
                            76u van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van
                            een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw
                                    ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve
                                    van de huisvesting;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a.
                                    sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket,of leer- en hulpmiddelen voor
                                    zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                            gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks- of Gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij
                            een andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al><cursief>Is vervallen;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>Is vervallen</cursief><cursief>;</cursief></al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van
                            nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                            uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                            onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet onderwijs
                            dat geen sportveld in eigendom heeft voor het geven van
                            bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al><cursief>Is vervallen</cursief><cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling bekostiging voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                            toekenning van bekostiging</al><al>van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van
                            vaststelling van de hoogte</al><al>van de bekostiging een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                            bedragen en bedragen</al><al>gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval;</al></li><li nr="2."><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in Bijlage IV, deel A. De
                                    bekostigingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                    worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel B;</al></li><li nr="3."><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a,
                           sub 1, 2, 6, 7 en artikel 3;</al></li><li nr="4."><al>Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                            bedoeld in artikel 2, onder a, sub 3, 4, 5, 8 en artikel 2 b tot en met f.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening; </al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                    gegevensverstrekking; </al></li><li nr="3."><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door
                                    het college vastgesteld formulier.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                wordt voor 1 februari van</al><al>het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het
                                bevoegd gezag ingediend bij</al><al>het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                vastgesteld aanvraagformulier; </al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                neemt het college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f;
                                            </al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd,</al><al>indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                a, onderdelen 1° tot en met 4°; </al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                        indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging
                                                van een gebouw, of;</al></li><li nr="2."><al><cursief>Is vervallen;</cursief></al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout;</al><al><cursief>Bij de rapportage </cursief><cursief>als bedoeld onder c
                                    </cursief><cursief>wordt gebruik gemaakt van het door het
                                    college vastgestelde formulier
                                    'Bouwkundige</cursief><cursief>opname'.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in
                                artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien
                                de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de
                                hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager
                                wordt tot 15 maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens
                                aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn
                                verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling;</al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
                                oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan
                                zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de
                                jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op
                                de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
                                Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
                                wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                                schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                                ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
                                afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag
                                of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader
                                        toe te lichten; </al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                        aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                toepassing is en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting
                                dient te worden aangepast.</al><al>Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het bedrag,
                                het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan
                                wanneer er in het overleg</al><al>geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde
                                bedrag. Het college geeft in</al><al>dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan
                                voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in
                                paragraaf 2.3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen; </al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                        twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het
                                        overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij
                                        worden hierbij tevens in kennis gesteld van de voorgenomen
                                        inhoud van het voorstel; </al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze
                                schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                in kennis; </al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen; </al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het
                                        advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt
                                        tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting; </al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de
                                        Onderwijsraad.</al><al>Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde
                                lid; </al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                        beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg;</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                        overleg;</al></li><li nr="9."><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de
                                toezending van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad;</al></li><li nr="10."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
                                weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen.
                                Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld
                                in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><al>1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde</al><al>voorzieningen vóór 1 februari van het betreffende jaar waarop de
                                aanvraag kan worden ingediend. Dit bekostigingsplafond kan worden
                                gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening;</al><al>2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december van het jaar</al><al>waarin de datum genoemd in artikel 6 valt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van</al><al>het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het
                                college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                onderwijs , Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet
                                onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in
                                aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college
                                de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                                komende voorzieningen neemt het college, aan de hand
                                                van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                                uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als
                                bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn;</al></li><li nr="3."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de
                                urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V;</al></li><li nr="4."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><al>1.Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen;</al><al>2.Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het
                                        college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de
                                        overige bevoegde gezagsorganen;</al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al>a.Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
                                de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de
                                uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                        onderwijs , de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                        door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                        inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing
                                        van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in
                                        verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                        omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                        besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></li><li nr="b."><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen;</al></li><li nr="c."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag, dat het
                                binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de
                                aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het
                                verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk
                                heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming
                                te zijn bereikt;</al></li><li nr="d."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde
                                lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing;</al></li><li nr="e."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als
                                        uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese
                                        drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het Besluit
                                        overheidsaanbestedingen van toepassing zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><al>1.Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is
                                bereikt en voorafgaand aan</al><al>het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met
                                inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop
                                de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter instemming in bij het
                                college;</al><al>2.Binnen <cursief>zes weken </cursief>na ontvangst van de stukken
                                beslist het college over de instemming met de</al><al>bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang</al><al>neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager,
                                deze termijn verlengen</al><al>met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten, wordt
                                geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                begroting en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager
                                aangegeven tijdstip. Het college deelt de beslissing over het
                                bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager;</al><al>3.Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
                                eveneens vast of de feiten en</al><al>omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten
                                en omstandigheden ten</al><al>tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend
                                zijn gewijzigd. Bij een naar</al><al>het oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en
                                omstandigheden komt de</al><al>voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking;</al><al>4.De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting,
                                de toetsing of voldaan</al><al>wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en de
                                toetsing of er sprake is van</al><al>nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat
                                naar het oordeel van het</al><al>college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                programma opgenomen voorziening.</al><al>Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg
                                als bedoeld in artikel 15;</al><al>5.De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                begroting blijft achterwege indien</al><al>het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in artikel
                                4, derde lid, laatste volzin.</al><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft
                                dan uitsluitend de beoordeling</al><al>van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede
                                lid van overeenkomstige</al><al>toepassing;</al><al>6.Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld
                                in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
                                bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de
                                aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
                                de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
                                voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                                weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend
                                        op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
                                        verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                        heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober
                                        daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste
                                        volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt
                                        de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in
                                        het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                        opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten
                                        zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst
                                        vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van
                                        de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                                        aankoop;</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het college heeft ingediend;</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke
                                datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                                voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                                aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met 8o en artikel 2
                                        onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
                                        het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
                                        lid, laatste volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer
                                                gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken,
                                                wordt dit binnen twee weken na datum van indiening
                                                van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                                                aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid
                                                gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na
                                                ontvangst van de mededeling in te dienen bij het
                                                college.</al></li></lijst><al>Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de
                                in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het
                                college de aanvraag niet te behandelen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs,
                                geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past het
                                college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van
                                                de gewenste voorziening dan wel een andere dan de
                                                gevraagde voorziening omvatten;</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag
                                                ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A voor de
                                                toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld,
                                                dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
                                                lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het
                                                college vast voor welke datum een bouwopdracht moet
                                                zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                                erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor
                                                welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet
                                                zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum
                                                van de beschikking door het college moet een
                                                bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-,
                                                huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt. Hiervoor moet worden gelezen drie
                                weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>1.Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend,</al><al>dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak
                                op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van</al><al>een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is
                                het bepaalde in artikel 18,</al><al>eerste lid van overeenkomstige toepassing;</al><al>2.De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de datum veroorzaakt</al><al>wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                toe te rekenen, en de</al><al>aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum
                                een schriftelijk gemotiveerd</al><al>verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de
                                termijn;</al><al>3.Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                op totdat het college op het</al><al>verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het
                                college een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat
                                deze datum niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al><cursief>Is vervallen</cursief><cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><al><cursief>Is vervallen</cursief><cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><al><cursief>Is vervallen</cursief><cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al><cursief>Is vervallen</cursief><cursief>.</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend; </al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting
                                kan worden voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs , vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
                                                onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal
                                                vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                                berekend op basis van deel B en de capaciteit van
                                                het gebouw in vierkante meters
                                                bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis
                                                van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste
                                                een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                                ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                                                drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde
                                                school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                                de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                                                bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                                zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A
                                                blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij
                                het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van
                                onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt
                                                door een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                                (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van
                                                het aantal klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40
                                klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet
                                onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B
                                blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster
                                of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer
                                scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en
                                voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen;</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                staande huisvestingscapaciteit;</al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd
                                                gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                                                vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                                betere oplossing biedt; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw
                                                waarin een school van dezelfde richting is
                                                gehuisvest; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                                het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering
                                plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10;</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt.</al><al>Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het
                                overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben;</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
                                het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het college daarover zo spoedig
                                mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                huisvesting is bestemd;</al></li><li nr="4."><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige
                                        lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering
                                        te hebben;</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten
                                                behoeve waarvan wordt gevorderd; </al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                                waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                                onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal
                                                klokuren dat gevorderd wordt; </al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                                betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de
                                                ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C.
                                Deze vergoeding wordt dan gebaseerd op het bedrag wat voor elke
                                groep bij meer dan zes groepen door het ministerie van OCW
                                beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s
                                van eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het ministerie van OCW.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                                voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik
                                ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                        redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang
                                        kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen <cursief>vier weken </cursief>na afloop van
                                                het overleg, als bedoeld in het eerste lid, doet het
                                                college schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan het
                                bevoegd gezag. </al><al>Indien het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling
                                in ieder geval die afspraken. Voor zover het overleg niet tot
                                overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van
                                het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het
                                overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de vordering,
                                kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                                afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt
                                        het toestemming voor de verhuur aan het college;</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de
                                        te verhuren ruimte;</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs , Wet op de expertisecentra en Wet op
                                het voortgezet onderwijs of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                            voor de huisvesting van</al><al>een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch
                            uiterlijk op de datum</al><al>genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende
                            gezamenlijke akte of de</al><al>datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing
                            inzake een geschil over de</al><al>totstandkoming van een gezamenlijke akte;</al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                            achterstallig onderhoud aan</al><al>het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat tot de
                            verantwoordelijkheid van het bevoegd</al><al>gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                            staat van onderhoud opgemaakt;</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag;</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud
                            alsnog door het bevoegd</al><al>gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college
                            betaald wordt. Indien</al><al>het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                            handelwijze gevolgd wordt;</al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                            naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 december voorlopig vast het
                                    aantal klokuren bewegingsonderwijs dat voor het daaropvolgende
                                    schooljaar noodzakelijk is voor een school voor basisonderwijs,
                                    een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs. Grondslag voor het berekenen
                                    van het aantal (voorlopige) klokuren is het aantal leerlingen
                                    dat op de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar op de
                                    school staat ingeschreven;</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 december voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten.</al></li></lijst><al>Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                            capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                            capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte;</al><lijst><li nr="3."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de redelijke afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het eerste
                            ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                    ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                            basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de
                                            volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                                    gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                    gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                    gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                            klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                            aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van
                            het bevoegd gezag van de school.</al><al><cursief>H</cursief><cursief>et
                                college</cursief><cursief>neemt het aantal klokuren als
                                bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel tot
                                inroostering</cursief><cursief>voor zover daarvoor nog
                                capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is
                                gehouden</cursief><cursief>met het totale klokuurgebruik
                                dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                            komt.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken
                            na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                            basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg
                            over het voorstel. Dit</al><al>overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel.
                            In het overleg worden de</al><al>vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid
                            gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.</al></li><li nr="6."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="7."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende,
                                    waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college;</al></li><li nr="2."><al>De capaciteit van de schoolgebouwen in de gemeente Uden wordt
                                    geacht ten tijde van het vaststellen van deze verordening voldoende te zijn. Bij aanvragen voor
                            een voorziening wordt rekening gehouden met de bruto vierkante meters
                            van de nulmeting die is uitgevoerd bij de invoering van deze
                            verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening Voorzieningen
                            Huisvesting Onderwijs Uden 2014;</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 onder
                            gelijktijdige intrekking van de ‘Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Uden
                            2011’.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 december
                        2014.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder -behoudens de financiële toets- de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>Deel <vet>A</vet>: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>Deel <vet>B</vet>: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor</al><al>dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a.het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II,</al><al>aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht of;</al><al>b. 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a.het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al><al>b. 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>1.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a.het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat
                    de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt,
                    en;</al><al>b. 1.het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                    verwacht of;</al><al>b. 2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                    verwacht of;</al><al>b. 3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                    aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                    aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest
                    en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en;</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of;</al><al>a. 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                    aanmerking komt, terwijl;</al><al>b. 1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of;</al><al>b. 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en;</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><tussenkop>1.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><tussenkop>Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><tussenkop> Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>1.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a.het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II,</al><al>aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht of;</al><al>b. 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a.het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging van de
                    levensduur);</al><al>b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al><al>b. 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>2.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><al>a.het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat
                    de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt,
                    en;</al><al>b. 1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of;</al><al>b. 2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of;</al><al>b. 3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                    aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                    aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest
                    en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en;</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                    het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of;</al><al>a.2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl;</al><al>b. 1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of;</al><al>b. 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en;</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke</al></li></lijst><al>voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
                    beoordeling van het college.</al><tussenkop>2.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><tussenkop> Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><tussenkop>Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>2.11 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a.het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II,</al><al>aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht of</al><al>b. 2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><al>a.voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige
                    conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b. 1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of;</al><al>b. 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde</al><al>voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen kan worden verwacht
                    en;</al><al>c.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen een redelijke
                    afstand met als richtgetal 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor
                    de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is
                    dat het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van de werkelijke
                    sloopkosten plaats.</tussenkop><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in</al><lijst><li nr="-"><al>bijlage III, deel A (voor de aanwezige capaciteit) en</al></li><li nr="-"><al>bijlage III, deel B (voor de ruimtebehoefte) aangeeft en de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend
                                    gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren
                                    voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden verwacht
                                    en;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of;</al><al>a. 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                    aanmerking komt, terwijl;</al><al>b. 1. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                    de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                    deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of ;</al><al>b. 2. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en er binnen 2000 meter
                    hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting
                    voor de school te realiseren;</al><lijst><li nr="c."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke</al></li></lijst><al>voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
                    beoordeling van het college.</al><tussenkop>3.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en ver erving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><tussenkop>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school. Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting-
                    en hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake
                    zijn van extra inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal
                    leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                    afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen.</al><tussenkop>3.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><tussenkop>3.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                    en meubilair in</tussenkop><tussenkop>geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m² en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a.1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of;</al><al>a 2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                    1.2 onder a, in aanmerking komt en;</al><lijst><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal</al><al>klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte( n) geen plaats is.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><tussenkop>Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop><tussenkop>Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin</al><al>wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval</tussenkop><tussenkop>van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m² en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1. het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of;</al><lijst><li nr="a."><al>2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            in 2.2 onder a, in aanmerking komt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>2.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt;</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>2.8 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><tussenkop>2.9 Aanpassing</tussenkop><tussenkop>Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>2.10 Onderhoud</tussenkop><tussenkop>Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>2.11 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin</al><al>wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout</al><tussenkop>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen een redelijke afstand met
                            als richtgetal 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen een redelijke afstand met
                            als richtgetal 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.3 Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                            140m² en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                            belemmerd wordt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of;</al></li><li nr="a."><al>2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en;</al></li><li nr="d."><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                            redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                            opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>3.5 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><al>a.het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt</al><al>goedgekeurd en;</al><al>b.het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><tussenkop>3.7 Medegebruik</tussenkop><al>1.Medegebruik gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al>2.Huur van een sportterrein</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en;</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li></lijst><tussenkop>3.8 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin</al><al>wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><tussenkop>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II</titel></kop><tussenkop>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingenprognoses</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-
                    termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen</al><al>afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool wordt bij
                    de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het voedingsgebied op
                    wijkniveau.</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over
                    de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                    die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij aanlevering van een prognose
                    dienen de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode
                    op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte
                    programmatuur en de aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d
                    tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Uden.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III</titel></kop><tussenkop>Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>Deel <vet>A</vet>: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>Deel <vet>B</vet>: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>Deel <vet>C</vet>: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>Deel <vet>D</vet>: minimumnormen bij realisering van nieuwe
                            voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor
                    basisonderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek</al><al>vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                    capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten
                    behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                    B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                    bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'.</al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend.</al><al>Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig</al><al>speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Indien een
                    speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in
                    bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het bruto vloeroppervlak 90m² in
                    mindering gebracht.</al><tussenkop>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><tussenkop>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschap.</al><al>Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen
                    moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
                    hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het
                    meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de
                    regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                    capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist.</al><tussenkop>1.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>1.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1. Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 26
                    klokuren;</al><tussenkop>2. Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd;</al><tussenkop>3. Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve doeleinden. </al><tussenkop>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'. De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt vastgelegd in de bruto-vloeroppervlakte van het gebouw. De
                    capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de
                    tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals
                    vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de
                    bruto-vloeroppervlakte 90 m² in mindering gebracht. Indien een deel van een
                    gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen
                    (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het
                    gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Indien sprake is van een
                    schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het oppervlak die sterk afwijkt
                    van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een
                    verzoek indienen tot vaststelling van een fictief bruto/vloeroppervlakte als
                    grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><tussenkop>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of meerdere
                    dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                    rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                    vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd,wordt de rangorde
                    als volgt vastgesteld. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijk bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. Het hoofdgebouw is het
                    gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat, het meest geschikt is
                    om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                    grootste gebouw. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het
                    vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het
                    college, het college anders beslist.</al><tussenkop>2.4 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>2.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>2.6 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1. Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40</al><al>Klokuren;</al><tussenkop>2. Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd;</al><tussenkop>3. Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><tussenkop>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                    een tijdelijke</tussenkop><tussenkop>bouwaard</tussenkop><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs'.</al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voor zover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><tussenkop>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet
                    worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de
                    rangorde als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. De vaststelling van de
                    rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na overleg tussen het
                    bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</al><tussenkop>3.3 Terrein</tussenkop><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>3.4 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><tussenkop>3.5 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>1. Gymnastiekruimte</tussenkop><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur;</al><tussenkop>2. Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd;</al><tussenkop>3. Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. De
                    ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><tussenkop>B = 200 + 5,03 * L</tussenkop><al>B = basisruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters.</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><tussenkop>T = 1,40 * G</tussenkop><al>T = toeslag in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en</al><al>G = gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0% van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal
                            ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van
                            het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte.</al><al>De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met
                    een eigen</al><al>BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n
                    nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een
                    afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><tussenkop>R = 250+7,35*L</tussenkop><al>R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters.</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van
                    90m².</al><tussenkop>1.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.
                    Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen
                    naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                    andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><tussenkop>R=V+f*L</tussenkop><al>R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters</al><al>V = vaste voet in m² bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370m² behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet 250
                    m². Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing</al><al>f = factor (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel,
                    en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><al>m² bruto-vloeroppervlakte per leerling</al><tussenkop>2.2 Onderwijssoort</tussenkop><al>-Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet
                    tevens</al><al>behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES);</al><lijst><li nr="-"><al>Visueel gehandicapten (VISG);</al></li><li nr="-"><al>Langdurig zieke kinderen (LZ);</al></li><li nr="-"><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK);</al></li><li nr="-"><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI) 8,8
                            12,2;</al></li><li nr="-"><al>Dove kinderen (DO);</al></li><li nr="-"><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG);</al></li><li nr="-"><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)* 13,8 15,5;</al></li><li nr="-"><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) 8,8 9,2;</al></li></lijst><tussenkop>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en
                    Wetenschap de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2 geldt
                    56,75, voor VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt 56,75 en
                    voor VSO-MG met N = 3 geldt 57,5. Voor een school met zowel SO als VSO binnen
                    een onderwijssoort, is de vaste voet slechts eenmaal van toepassing. Voor een
                    school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de vaste voet
                    van toepassing.</tussenkop><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90m².</al><tussenkop>2.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs:</al><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                    klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de beschikking heeft
                    over een speellokaal. </al><al>Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal
                    2,25 klokuur gymnastiek. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van
                    een nieuwe accommodatie wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de
                    prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een
                    SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden,
                    vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><al>1.een leerlinggebonden component;</al><tussenkop>ad 1 Een leerlinggebonden component</tussenkop><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto-
                    vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De
                    leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of
                    sector die de leerling volgt.</al><al>2.een vaste voet.</al><tussenkop>ad 2 Een vaste voet</tussenkop><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al><vet><cursief>Tabel 7.1.a</cursief></vet><cursief>. Berekening van de
                        leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</cursief></al><tussenkop>Onderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/leerling</tussenkop><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) Algemeen 6,18</al><al>Bovenbouw AVO/VWO Algemeen 5,85</al><al>Bovenbouw theoretische leerweg TLW Algemeen 6,41</al><al>LWOO Algemeen 7,07</al><al>Bovenbouw techniek GLW Algemeen 5,98</al><al> Specifiek 5,47</al><al>BLW Algemeen 4,69</al><al> Specifiek 8,99</al><al> LWOO Algemeen 4,44</al><al> Specifiek 12,72</al><al>Bovenbouw economie GLW Algemeen 5,95</al><al> Specifiek 0,89</al><al>BLW Algemeen 5,56</al><al> Specifiek 2,25</al><al> LWOO Algemeen 5,85</al><al>Specifiek 3,06</al><al>Bovenbouw zorg/welzijn GLW Algemeen 5,33</al><al>Specifiek 2,10</al><al>BLW Algemeen 4,71</al><al>Specifiek 4,22</al><al>LWOO Algemeen 4,85</al><al>Specifiek 5,53</al><al>Bovenbouw landbouw GLW Algemeen 5,94</al><al>Specifiek 0,78</al><al>BLW Algemeen 5,37</al><al>Specifiek 2,34</al><al>LWOO Algemeen 5,03</al><al>Specifiek 4,69</al><al>Praktijkonderwijs Algemeen 4,41</al><al>Specifiek 7,72</al><tussenkop>Legenda</tussenkop><tussenkop>TLW = theoretische leerweg</tussenkop><tussenkop>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</tussenkop><tussenkop>GLW = gemengde leerweg</tussenkop><tussenkop>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</tussenkop><al><vet><cursief>Tabel 7.1.b</cursief></vet><cursief> Berekening van de vaste voet
                        per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte
                        </cursief><cursief>v</cursief><cursief>oortgezet</cursief><cursief>onderwijs</cursief></al><tussenkop>Onderwijssoort Ruimtetype Vaste voet</tussenkop><al>Hoofdvestiging Algemeen 980</al><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemeen 550</al><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak 0</al><al>VMBO-techniek BLW Specifiek 299</al><al>VMBO-economie BLW Specifiek 196</al><al>VMBO-zorg/welzijn BLW Specifiek 168</al><al>VMBO-landbouw BLW Specifiek 117</al><al>Praktijkonderwijs Algemeen 306</al><tussenkop>Legenda</tussenkop><tussenkop>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</tussenkop><al>De vaste voet per instelling is 980m² bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550m² BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><tussenkop>3.2 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al><vet><cursief>Tabel 7.2</cursief></vet><cursief> Berekening van de
                        ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs</cursief></al><tussenkop>Onderwijssoort Leerweg BVO/leerling</tussenkop><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) - 1,66</al><al>Bovenbouw AVO/VWO - 0,78</al><al>Bovenbouw theoretische leerweg TLW 1,11</al><al>LWOO 1,26</al><al>Bovenbouw techniek GLW 1,11</al><al> BLW 1,38</al><al> LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw economie GLW 1,11</al><al> BLW 1,38</al><al> LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw zorg/welzijn GLW 1,11</al><al> BLW 1,38</al><al> LWOO 1,57</al><al>Bovenbouw landbouw GLW 1,11</al><al> BLW 1,38</al><al> LWOO 1,57</al><al>Praktijkonderwijs - 1,99</al><tussenkop>Legenda</tussenkop><tussenkop>TLW = theoretische leerweg</tussenkop><tussenkop>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</tussenkop><tussenkop>GLW = gemengde leerweg</tussenkop><tussenkop>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</tussenkop><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><tussenkop>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw;</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto-vloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>55m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>50m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening</al></li></lijst><al>voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste<cursief> vijftien </cursief>jaar zal
                    blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                    hierboven genoemde verschil tenminste <cursief>vier jaar</cursief> en korter dan
                        <cursief>vijftien</cursief> jaar zal blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90m² bvo.</al><tussenkop>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in m²
                    bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw
                    of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>1.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal</al><al>noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel
                    voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><tussenkop>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. </al><al>Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto-vloeroppervlak wordt bepaald zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50m² bruto-vloeroppervlakte
                    bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste<cursief> vijftien</cursief> jaar zal
                    blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                    hierboven genoemde verschil tenminste <cursief>vier</cursief> jaar en korter dan
                        <cursief>vijftien</cursief> jaar zal blijven</al><al>bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90m² bvo.</al><tussenkop>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding
                    van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                    om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m² bruto-
                    vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of
                    uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                    het gebouw, onderwijsleerpakket/ leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>2.3 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage. </al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal</al><al>noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel
                    voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><tussenkop>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><tussenkop>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste <cursief>vier</cursief> jaar doch
                    korter dan <cursief>vijftien</cursief> jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte
                    wordt bepaald met behulp van het Ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B
                    van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste <cursief>vier</cursief> jaar doch
                    korter dan<cursief> vijftien</cursief> jaar noodzakelijk is en de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is
                    minimaal 100m² bruto- vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met
                    behulp van het Ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming</al><al>wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk
                    is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde
                    capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met
                    het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. </al><al>Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het Ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><tussenkop>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het Ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het Ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym)
                    : 460. Voor het LWOO en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym): 322.</al><al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het Ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m² bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) /
                    322.</al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3m²/ll met een minimum van 300m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                            volstaan met 600m² netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8m² netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m² voor een</al></li></lijst><al>speellokaal.</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3m²/ll met een minimum van 300m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                            volstaan met 600m² netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84m²;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8m² netto.</al></li></lijst><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²:</al><al>theorielokaal: 42m²</al><al>theorievaklokaal: 50m²</al><al>vaklokaal natuurkunde: 50m²</al><al>vaklokaal biologie: 50m²</al><al>vaklokaal scheikunde: 60m²</al><al>vaklokaal handvaardigheid: 60m²</al><al>vaklokaal overig: 80m²</al><al>specifiek vaklokaal lassen: 50m²</al><al>specifiek vaklokaal meten: 50m²</al><al>werkplaats: 115m²</al><al>restaurant: 80m²</al><tussenkop>4 Gymnastiekruimten</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De oefenruimte is minimaal 252m² netto.</al></li><li nr="-"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><tussenkop>III-1</tussenkop><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><al>-de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                    buitenaf bereikbaar</al><al>zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend;</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="-"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen</al></li></lijst><al>wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.</al><lijst><li nr="-"><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                            netto-vloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte
                            van ten minste 2,6m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al></li><li nr="-"><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte;</al></li></lijst><tussenkop>III-2</tussenkop><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5m².</al></li></lijst><tussenkop>Uitzonderingen:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke;</al></li><li nr="-"><al>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                            bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend;</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV</titel></kop><al><vet>Financiël</vet><vet>e normering 2011
                        </vet><cursief>(Al</cursief><cursief>le in deze bijlage genoemde bedragen
                        zijn </cursief><vet><cursief>incl.
                    BTW</cursief></vet><cursief>)</cursief></al><al>De criteria voor financiële normering vallen uiteen in drie delen:</al><lijst><li nr="-"><al>Deel <vet>A</vet>: Algemeen;</al></li><li nr="-"><al>Deel <vet>B</vet>: Vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>Deel <vet>C</vet>: Bepaling medegebruikstarieven;</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Algemeen</tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>In onderstaande normbedragen voor ( vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    ( bij projecten tot een bruto-oppervlakte van 2500m²) respectievelijk 5%( bij
                    grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. </al><al>Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding
                    van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                    uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de
                    bouwvoorbereiding in mindering gebracht. </al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen inclusief btw opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (1.5);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen</al><al>voor 2011. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2009 en
                    voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2010 (3% voor de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw en uitbreiding, en 3.75% voor onderhoud, eerste inrichting en
                    klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en indexering
                    is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><tussenkop>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De bekostiging bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m².bvo. Met
                    deze bekostigingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De bekostiging voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Bekostiging basisschool</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350m² bvo € 789.640,53</al><al>Elke volgende m² bvo € 1.351,30</al><al>De bekostiging voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><al>Bekostiging speciale basisschool</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670m² bvo, waarin niet begrepen
                    een eventueel speellokaal € 1.279.455,29</al><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.414,
                    99</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90m² bvo) € 120,961,80</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein</al><al>daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke,
                    vervangende locatie.</al><al>De genormeerde bekostiging, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast
                    bedrag per m² bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te
                    worden.</al><al>De bekostiging voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Bekostiging (speciale) basisschool</al><al>Permanente bouw per m² bvo € 54,78</al><al>Tijdelijke bouw per m² bvo € 37,59</al><tussenkop>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035m²
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Kosten voor terrein</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De bekostiging bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m². Met deze bekostiging kan en moet de in bijlage
                    III aangegeven bruto-vloeroppervlakte</al><al>worden gerealiseerd.</al><al>De bekostiging voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Bedragen bekostiging basisschool</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115m² bvo of groter € 115.634,99</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115m² bvo € 77.089,99 </al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.540,38</al><al>De bekostiging voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><al>Bekostiging speciale basisschool</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105m² bvo of groter € 118,914,88</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105m² bvo € 79.276,59</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                    speellokaal</al><al>€ 1.571,08</al><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo) in combinatie
                    met</al><al>uitbreiding van de school € 138.634,40</al><al>Bekostiging voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo), zonder
                    gelijktijdige</al><al>uitbreiding van de school € 254.887,70</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><tussenkop>1.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80m² bvo of groter € 44,968,74</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80m² bvo € 29.979,16</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.105,09</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen. De vergoeding voor zowel een basisschool
                    als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen:</al><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80m² bvo of groter € 25.277,29</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80m² bvo € 16.851,52</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.157,95</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                    gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding basisschool</al><al>Basisbedrag € 35.221,62</al><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 123,21</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen in euro):</al><al>Vergoeding speciale basisschool</al><al>Basisbedrag € 74.727,64</al><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 127,47</al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.819,23</al><tussenkop>1.5 Aanpassing</tussenkop><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>1.6 Gymnastiek</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een </al><al>bruto-vloeroppervlakte van 455m² bedraagt (op het schoolterrein) € 830.111,76 </al><al>(respectievelijk op afzonderlijk terrein). € 846.901,26</al><al>Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de
                    inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien
                    paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de
                    benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Vergoeding op basis van paallengte</al><al>Paallengte 1&lt;15 meter € 16.696,78</al><al>Paallengte 15&lt;20 meter € 23.017,38</al><al>Paallengte &gt;20 meter € 32.326,90</al><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m².</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                    140m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van
                    252m². Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al><al>Uitbreiding</al><al>Uitbreiding met 112 t/m 120m² € 192.865,99</al><al>Uitbreiding met 120 t/m 150m² € 234.455,09</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding op basis van paallengte</al><al>112-120m² 121-150m²</al><al>Paallengte 1&lt;15m € 7.474,86 € 9.346,61</al><al>Paallengte 15&lt;20m € 12.946,88 € 16.179,43</al><al>Paallengte &gt;=20m € 21.166,73 € 26.458,41</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 47.186,03</al><tussenkop>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (2.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (2.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (2.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (2.4);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (2.5).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen</al><al>voor 2010. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2009 en
                    voorzien van het MEVindexcijfer voor 2010 (3% voor de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud, eerste inrichting en
                    klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en indexering
                    is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><tussenkop>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te
                    weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van nieuwbouw van een
                    nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                    voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,</al><al>deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De bekostiging bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantel m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met
                    deze bekostigingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De bekostiging wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Bekostiging bouwkosten</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste </al><al>677m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.231.268,82</al><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal €
                    1.406,60</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90m² bvo) € 121.397,26</al><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag:</al><al>Vergoeding nieuwbouw lift</al><al>Lift, incl. aanbrengen schacht € 119.320,88</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein</al><al>daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke,
                    vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder
                    opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m² bvo, afhankelijk van het type
                    huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>Vergoeding vervangende nieuwbouw</al><al>Permanente bouw per m² bvo € 62,83</al><al>Tijdelijke bouw per m² bvo € 31,43</al><tussenkop>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000m²
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging.</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag, een bedrag per m². Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding bouwkosten</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96m² bvo of groter € 107.701,61</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96m² bvo € 71.801,07</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                    speellokaal</al><al>€ 1.574,19</al><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo) in combinatie
                    met</al><al>uitbreiding van de school € 121.397,26</al><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo), zonder
                    gelijktijdige</al><al>uitbreiding van de school € 254.887,70</al><tussenkop>Toeslag liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:</al><al>Toeslag liftinstallatie</al><al>Lift, incl. aanbrengen schacht € 143.421,52</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><tussenkop>2.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde
                    voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding nieuwbouw</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80m² bvo of groter € 47.132,03</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80m² bvo € 31.849,93</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.082,74</al><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding uitbreiding</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80m² bvo of groter € 25.630,15</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80m² bvo € 17.086,76</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.144,76</al><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><tussenkop>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding </al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><tussenkop>Basisbedrag Voor elke m² bvo</tussenkop><al>SO/VSO-doven € 125.908,93 € 219,78</al><al>SO/VSO-sh € 114.378,23 € 284,84</al><al>SO/VSO-esm € 106.580,93 € 141,63</al><al>SO/VSO-visg € 151.259,56 € 270,33</al><al>SO/VSO-lz € 96.456,45 € 133,20</al><al>SO/VSO-lg € 113.556,39 € 259,67</al><al>SO/VSO-zmlk € 94.958,34 € 112,99</al><al>SO/VSO-zmok € 92.688,47 € 129,90</al><al>SO/VSO-pi € 93.507,82 € 141,06</al><al>SO/VSO-mg € 114.975,89 € 115,22</al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 6.819,23</al><tussenkop>2.5 Gymnastiek</tussenkop><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m² bedraagt € 830.111,76 (op het schoolterrein) en
                    € 846.901,26 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten
                    van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten
                    zijn hierin niet begrepen.</al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                    toeslag van 50m² (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is
                    een bedrag gemoeid van € 83.272,21. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50m²
                    beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag (tussen haakjes vermeld). De
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding op basis van paallengte</al><al>Paallengte 1&lt;15m € 16.696,78 (€ 21.052,26)</al><al>Paallengte 15&lt;20m € 23.017,38 (€ 29.155,73)</al><al>Paallengte &gt;=20m € 32.326,90 (€ 41.960,00)</al><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m² .</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                    140m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van
                    252m² . Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt
                    uit:</al><al>Uitbreiding</al><al>Uitbreiding met 112 t/m 120m² € 192.865,99</al><al>Uitbreiding met 120 t/m 150m² € 234.455,09</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding</al><al>112-120m² 121-150m²</al><al>Paallengte 1&lt;15m € 7.474,86 € 9.346,61</al><al>Paallengte 15&lt;20m € 12.946,88 € 16.179,43</al><al>Paallengte &gt;=20m € 21,166,73 € 26.458,41</al><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>OLP/Meubilair</al><tussenkop>Schoolsoort Bedrag in euro</tussenkop><al>SO-doven € 37.628,01</al><al>SO-sh/esm € 37.407,27</al><al>SO-visg € 45.287,13</al><al>SO-lg/mg € 49.607,70</al><al>SO-lz/pi € 35.581,59</al><al>SO-zmlk € 35.581,59</al><al>OLP/Meubilair</al><tussenkop>Schoolsoort Bedrag in euro</tussenkop><al>SO-zmok € 35.508,37</al><al>VSO-doven € 44,114,52</al><al>VSO-sh/esm € 45.265,59</al><al>VSO-visg € 53.851,29</al><al>VSO-lg/mg € 55.246,25</al><al>VSO-lz/pi € 43.477,06</al><al>VSO-zmlk € 43.477,06</al><al>VSO-zmok € 38.811,39</al><al>SOVSO-doven € 45.683,93</al><al>SOVSO-sh/esm € 48.972,40</al><al>SOVSO-visg € 55.883,70</al><al>SOVSO-lg/mg € 56.749,97</al><al>SOVSO-lz/pi € 47.182,79</al><al>SOVSO-zmlk € 47.182,79</al><al>SOVSO-zmok € 39.251,79</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (3.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (3.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (3.3);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (3.4).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen</al><al>voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2008 en
                    voorzien van het MEVindexcijfer voor 2009 (3% voor de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud, eerste inrichting en
                    klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van prijsbijstelling en indexering
                    is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><tussenkop>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding</tussenkop><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten.</al></li></lijst><tussenkop>Kosten van terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m² bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw.</al><al>De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de
                    ruimtelijke</al><al>normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B.</al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m²
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m²
                    bruto-vloeroppervlakte.</al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                    bedragen per m² bruto- vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor
                    de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m² per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m² (in euro)</al><al>Ruimte-afhankelijke kosten per bruto m²</al><tussenkop>&lt;460m² 460&lt;2500m² &gt;=2500m²</tussenkop><al>Algemene en specifieke ruimte 2.114,11 1.254,66 1.224,60</al><al>Werkplaatsen 2.064,88 1.670.32 1.670,32</al><al>Werkplaatsen consumptief 2.507,39 2.112,84 2.112,84</al><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro)</al><al>Ruimteafhankelijke kosten per bruto m²</al><tussenkop>&lt; 460m² &gt; 460 en &lt; 2500m² &gt;= 2500m²</tussenkop><al>Vaste voet algemeen 133.395,79 133.395,79</al><al>Vaste voet algemene sectie 261.845,85 365.596,72</al><al>Vaste voet werkplaatssectie 48.416,17 48.416,17</al><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. </al><al>De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. </al><al>De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de
                    directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</al><tussenkop>Aanvullende normkosten</tussenkop><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling.</al><al>In de hiervoor genoemde bekostigingsbedragen is uitgegaan van fundering op
                    staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het
                    criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te
                    stellen sonderingrapport.</al><al>De bekostiging is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                    bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                    hand van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000m²</al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.88,667 € 20,40</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 4.139,98 € 34,51</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 4.622,15 € 61,76</al><al>Uitbreiding &gt;= 1000m²</al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 4.748,76 € 7,15</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 6.193,99 € 18,55</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 9.406,08 € 37.49</al><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m²
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 13,25 per m²
                    terrein.</al><tussenkop>3.2 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="-"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</tussenkop><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:</al><tussenkop>€ 672,73 * A + € 46.251,54</tussenkop><al>A = het toegekende aantal m² bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke
                    huisvesting.</al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al><tussenkop>Huur van tijdelijke lokalen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</tussenkop><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk
                    van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen
                    de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de
                    hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</al><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro)</al><al>Algemene ruimte 145,36</al><al>Specifieke Ruimte </al><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie 339,72</al><al>Handel/verkoop/administratie 207,82 </al><al>Praktijkonderwijs 279,03 </al><al>Werkplaatsen: </al><al>Techniek algemeen 356,42 </al><al>Consumptief 690,22 </al><al>Grafische techniek 1.319,59 </al><al>Landbouw 0,00</al><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken Werkplaatsen:</al></li><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><tussenkop>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m² bedraagt € 830.111,76 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk</al><al>€ 846.901,26 (op afzonderlijk terrein).</al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Vergoeding bouwkosten</al><al>nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Paallengte 1&lt;15 meter: € 16.696,78</al><al>Paallengte 15&lt;20 meter: € 23.017,38</al><al>Paallengte &gt;=20 meter: € 32.326,90</al><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><al>a.Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs
                    wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag
                    vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding
                    wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                    het primair onderwijs.</al><al>Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt,
                    wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het
                    aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege
                    het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de
                    VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel
                    van het klokuurbedrag te vergoeden;</al><lijst><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs;</al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden.</al><tussenkop>Huur sportvelden</tussenkop><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 19,26 per klokuur.</al><tussenkop>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</tussenkop><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. </al><al>De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Eerste inrichting L.h.m./meubilair</al><tussenkop>Meubilair L.h.m Totaal</tussenkop><al>Eerste lokaal 1.014.21 59.426,84 60.423,40</al><al>Tweede lokaal 1.014.21 46.357,45 47.354,00</al><al>Derde lokaal 1.014.21 20.154,05 21.150,61</al><al>Oefenplaats 1 13.124,31 13.124,31</al><al>Oefenplaats 2 1.515,02 1.515,02</al><tussenkop>4 Indexering</tussenkop><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van 1
                    juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in
                    het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                    vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het
                    programma bekendgemaakt.</al><tussenkop>Werkelijke prijsontwikkeling</tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het</al><al>lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten
                    worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.
                    Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2000=100 (inclusief btw)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens'
                    (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over
                    de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande
                    jaar.</al><al>Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100' over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenning) 'bruto investeringen door bedrijven in
                    woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><tussenkop>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan.</al><al><cursief>Europese aanbesteding</cursief> Voor opdrachten die vallen
                    onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie
                    (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>€ 193.000 exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al></li><li nr="-"><al>€ 4.845.000 (exclusief BTW) voor werken.</al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'.</al><al>Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket valt onder
                    'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn uiteraard
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</tussenkop><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. Ingevolge
                    artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de
                    wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het
                    vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht wordt
                    aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist.</al><tussenkop>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</tussenkop><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de
                    Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding.</al><al>Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes
                    groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's
                    van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage V</titel></kop><tussenkop>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</tussenkop><tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</tussenkop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><al>1.voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op
                    te heffen;</al><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. </al><al>Ook vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                    bijvoorbeeld door</al><al>nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><lijst><li nr="2."><al><cursief>Is vervallen;</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>Is vervallen;</cursief></al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van</al></li></lijst><al>het onderwijs;</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</tussenkop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald.</al><al>Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3
                    en 4, de subprioriteit</al><al>bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                    voorzieningen voor</al><al>plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds
                    per voorziening opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het</al><al>gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al><tussenkop>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                    bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft ineen situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</tussenkop><tussenkop> Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                    aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><tussenkop> Is vervallen.</tussenkop><tussenkop>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst><tussenkop>Duurzaamheid:</tussenkop><al>De normbedragen zoals opgenomen in bijlage IV stellen het schoolbestuur in staat
                    een sober en doelmatig schoolgebouw te realiseren conform het Bouwbesluit. </al><al>Duurzaam bouwen volgens het door de gemeente Uden afgesloten convenant is niet
                    in de normbedragen vertaald. Dat geldt ook voor duurzaamheid in het
                    algemeen.</al><al> De richtlijnen uit het vastgestelde integrale duurzaamheid-beleidsplan en
                    duurzaam inkopen worden nagevolgd.</al><al>Bij toetsen en goedkeuren door het college van de ingediende bouwplannen wordt
                    het besluit genomen welk ambitieniveau voor duurzaamheid wordt nagestreefd. In
                    principe heeft Uden gekozen voor een duurzaamheidniveau van GPR 8 en voor
                    energie en binnenmilieu, de zgn ‘Frisse Scholen” voor het niveau B zoals
                    opgenomen in het Programma van eisen van de Rijksbouwmeester opgesteld door
                    Senter Novem(zie bijlage).</al><al>De hiermee gemoeide berekende investeringen worden bij de toets van het bouwplan
                    gevoegd waarna het College besluit de bekostiging aan te laten sluiten bij het
                    gewenste niveau.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Actief</al></entry><entry colname="col3"><al>Vooruitlopend</al></entry><entry colname="col4"><al>Innovatief</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief><onderstreept>Nieuwbouw:</onderstreept></cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Realisatie met een 20 % verscherpte</al><al>EPC </al></entry><entry colname="col3"><al>Realisatie met een 50 % verscherpte</al><al>EPC </al></entry><entry colname="col4"><al>Energievraag wordt</al><al>geminimaliseerd en resterende vraag</al><al>voorziet in duurzaam opgewekte energie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief><onderstreept>Bestaande
                                                gemeentelijke</onderstreept></cursief></al><al><cursief><onderstreept>gebouwen +
                                                gemeentelijke</onderstreept></cursief></al><al><cursief><onderstreept>infrastructurele
                                                voorzieningen</onderstreept></cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Energiebesparing per jaar 1,5 %; </al><al>40 % opwekking en/of</al><al>inkoop duurzame energie.</al></entry><entry colname="col3"><al>Energiebesparing per jaar 2%;</al><al>70 % opwekking en/of</al><al>inkoop duurzame energie.</al></entry><entry colname="col4"><al>Energiebesparing per </al><al>jaar 4 %</al><al>100 % opwekking </al><al>en/of</al><al>inkoop duurzame energie</al><al>(energieneutraal)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 4</vet></al><al>Artikel1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</al><al>Artikel 4 Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><al>Artikel 5 Informatieverstrekking</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Programma en overzicht 7</vet></al><al><vet>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</vet></al><al>Artikel 6 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                behandelen onvolledige aanvraag</al><al><cursief>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan
                                    vaststelling programma en overzich</cursief>t</al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</al><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><al><vet>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststellen</al><al>Artikel 12 Inhoud programma</al><al>Artikel 13 Inhoud overzicht</al><al>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</al><al><cursief>Paragraaf
                                    2.</cursief><cursief>4</cursief><cursief>Uitvoering</cursief><cursief>
                                    programma</cursief> Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</al><al>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvraag
                                bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overleggen offertes</al><al>Artikel 17 Aanvraag bekostiging</al><al>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Aanvragen met spoedeisend karakter 13</vet></al><al><vet>Paragraaf 3.1 Aanvraag</vet></al><al>Artikel 19 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 20 Inhoud aanvraag</al><al><vet>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</vet></al><al>Artikel 21 Tijdstip beslissing</al><al>Artikel 22 Inhoud beslissing</al><al>Artikel 23 Uitvoering beslissing</al><al>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Bekostiging bouwvoorbereiding 15</vet></al><al>Artikel 25 Aanvraag</al><al>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</al><al>Artikel 27 Beschikking op aanvraag</al><al>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Medegebruik en verhuur 16</vet></al><al><vet>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie</vet></al><al>Artikel 29 Aanduiding en omstandigheden</al><al>Artikel 30 Omschrijving leegstand</al><al>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</al><al>Artikel 32 Overleg en mededeling</al><al>Artikel 33 Vergoeding</al><al><cursief>Paragraaf 5</cursief><cursief>.2
                                    </cursief><cursief>Medegebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatsch. of recr. doeleinden</cursief> Artikel 34 Aanduiding
                                omstandigheden</al><al>Artikel 35 Overleg en mededeling</al><al><vet>Paragraaf 5.3 Verhuur</vet></al><al>Artikel 36 Toestemming college</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen 19</vet></al><al>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</vet></al><al>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                            inroostering gebruik <vet>20</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen 22</vet></al><al>Artikel 39 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                            voorziet</al><al>Artikel 40 Indexering</al><al>Artikel 41 Citeertitel; inwerkingtreding</al></bijlage></regeling></body></cvdr>