<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91-->
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR357902_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-15278.html">Gemeenteblad 2015, 15278</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk1/12/Artikel8">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk4/41/Artikel36">Participatiewet, art. 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/Hoofdstuk4/41/Artikel36b">Participatiewet, art. 36b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-06-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14INT05173</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Hellendoorn;</al>
          <al>gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 25
                  november 2014;</al>
          <al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en c, artikel 36 en artikel 36b
                  van de Participatiewet;</al>
          <al>B e s l u i t:</al>
          <al>vast te stellen de</al>
          <al>Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente
                  Hellendoorn 2015</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                        worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de
                        Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li>
                <li nr="b."><al>referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                              peildatum;</al></li>
                <li nr="c."><al>peildatum: de datum waartegen individuele inkomenstoeslag en
                              individuele studietoeslag wordt aangevraagd;</al></li>
                <li nr="d."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien
                              verstande dat voor de zinsnede “een periode waarover een beroep op
                              bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen “de referteperiode”. Een
                              bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet, voor
                              de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag als
                              inkomen aangemerkt;</al></li>
                <li nr="e."><al>bijstandsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde norm als
                              bedoeld in hoofdstuk 3 paragraaf 3.2 en 3.3 van de wet, dan wel de
                              destijds geldende bijstandsnorm;</al></li>
                <li nr="f."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                              Hellendoorn.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Indienen verzoek</titel>
            </kop>
            <al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid en artikel 36b, eerste lid
                     van de wet, wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                     formulier.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>Recht op individuele inkomenstoeslag</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Langdurig, laag inkomen</titel>
            </kop>
            <al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het
                     hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de
                     referteperiode elke maand het inkomen (inclusief vakantietoeslag) onafgebroken
                     niet uitkomt boven 105 procent van de voor de belanghebbende toepasselijke
                     bijstandsnorm.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien het betreft gehuwden: een bedrag gelijk aan 40 procent van de
                              bijstandsnorm voor gehuwden;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien het betreft een alleenstaande ouder: een bedrag gelijk aan 36
                              procent van de bijstandsnorm voor gehuwden;</al></li>
                <li nr="c."><al>indien het betreft een alleenstaande: een bedrag gelijk aan 28
                              procent van de bijstandsnorm voor gehuwden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het verkregen bedrag wordt vervolgens afgerond naar boven op een bedrag in
                        hele euro’s.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van het eerste lid is de hoogte van de bijstandsnorm op
                        1 januari van het jaar van de peildatum bepalend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op
                        langdurigheidstoeslag op grond van artikel 11 of artikel 13, eerste lid van
                        de wet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele
                        inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                        alleenstaande ouder zou gelden.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>III</nr>
            <titel>Recht op individuele studietoeslag</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Doelgroep</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een belanghebbende, die op de peildatum voldoet aan alle criteria van
                        artikel 36b van de wet, en geen inkomsten ontvangt, anders dan
                        studiefinanciering op grond de Wet Studiefinanciering of een tegemoetkoming
                        op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                        schoolkosten, kan in aanmerking komen voor de individuele studietoeslag.
                     </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de beoordeling of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is
                        tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                        heeft tot arbeidsparticipatie, kan het college advies vragen aan een externe
                        instantie.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>De hoogte en duur van de toeslag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De hoogte van de individuele studietoeslag bedraagt per halfjaar 30 procent
                        van de bijstandsnorm voor gehuwden, die geldt op 1 januari van het jaar
                        waarin de peildatum valt. Het verkregen bedrag wordt vervolgens afgerond
                        naar boven op een bedrag in hele euro’s.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Een persoon kan slechts eenmaal per zes maanden in aanmerking komen voor de
                        individuele studietoeslag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De individuele studietoeslag kan gedurende een totale periode van maximaal
                        vier jaar worden verleend.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Betaling van de toeslag</titel>
            </kop>
            <al>De toeslag wordt eenmaal per halfjaar betaald.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>IV</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere regels
                        stellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken in
                        bijzondere situaties waarin toepassing van deze verordening tot
                        onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening individuele
                     inkomenstoeslag en individuele studietoeslag gemeente Hellendoorn 2015.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag, volgende op die van
                     haar bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2015.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Intrekking</titel>
            </kop>
            <al>De Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand gemeente Hellendoorn
                     2013 wordt ingetrokken met ingang van de dag, volgende op die van de
                     bekendmaking. De intrekking werkt terug tot 1 januari 2015.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>De raad voornoemd,</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          de griffier de voorzitter
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting </titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Er is voor gekozen de regels voor de individuele inkomenstoeslag en de individuele
               studietoeslag in één verordening te regelen. Beide toeslagen betreffen een vorm van
               bijzondere bijstand en komen naar aard voor een deel met elkaar overeen. </al>
        <tussenkop>De individuele inkomenstoeslag</tussenkop>
        <al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter
               voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een
               component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van
               mensen, die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen, onder druk komen te
               staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen
               uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk
               en bijstand in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari
               2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag
               sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. </al>
        <al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
               Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een
               discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
               inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het
               college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor
               individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
               inkomensverbetering. In het algemeen kan worden gesteld dat personen die uit 's Rijks
               kas bekostigd onderwijs volgen (studenten) aan dit criterium voldoen en daarom niet
               in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag. </al>
        <al>Ook kan worden gedacht aan personen die fraude hebben gepleegd of aan wie in de
               referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een
               arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting. Tenslotte kan de toeslag worden
               geweigerd in het geval de afstand tot de arbeidsmarkt gering is en de verwachting is
               dat iemand zal uitstromen naar werk.</al>
        <al>Enkele andere voorwaarden voor het recht op een individuele inkomenstoeslag
               zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Personen jonger dan 21 jaar of personen ouder dan de pensioengerechtelijke
                     leeftijd hebben geen recht op een inkomenstoeslag. </al></li>
          <li nr="2."><al>Bij de vaststelling van het inkomen wordt een eerder verstrekte
                     inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.</al></li>
          <li nr="3."><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 12 maanden in
                     aanmerking komen voor een inkomenstoeslag.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>Vast te leggen regels in verordening</cursief>
        </al>
        <al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
               inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag
               inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht
               hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid van de wet). Bij verordening
               moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele
               inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet. Deze regels moeten in ieder
               geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen
               ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is sprake van een laag
               inkomen bij een inkomen lager dan 105 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.
               Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald
               worden. Gekozen is voor een voortzetting van het bestaande lokale beleid, zoals dat
               gevormd is met betrekking tot de langdurigheidstoeslag.</al>
        <al>
          <cursief>Vast te leggen in beleidsregels door het college</cursief>
        </al>
        <al>Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is
               van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede
               lid, van de wet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij
               de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het
               college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede
               lid, van de wet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
               gerekend:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li>
          <li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                     komen.</al></li>
        </lijst>
        <al>In het algemeen kan worden gesteld dat personen, die uit 's Rijks kas bekostigd
               onderwijs volgen (studenten), zicht hebben op inkomensverbetering en daarom komen zij
               niet in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag. </al>
        <al>Bij de beoordeling of de belanghebbende zich wel voldoende heeft ingespannen om tot
               een inkomensverbetering te komen, kan gedacht worden aan personen die fraude hebben
               gepleegd of aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een
               schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting. </al>
        <al>Tenslotte speelt de afstand tot de arbeidsmarkt een rol bij de beoordeling van het
               criterium.</al>
        <al>
          <cursief>Overgangsrecht</cursief>
        </al>
        <al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
               Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht op te nemen met betrekking
               tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de wet voorziet
               in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de wet als gevolg van
               de inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen Wet
               werk en bijstand op 1 januari 2015. </al>
        <al>De individuele inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers
               toegekend als op een peildatum aan alle criteria wordt voldaan. Zaken die na de
               peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag.
               Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke
               verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of
               hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van
               de wet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag
               tegen een datum gelegen op of na 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt
               voldaan aan de in artikel 36 van de wet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al>
        <al>
          <cursief>Wijziging leefvorm</cursief>
        </al>
        <al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
               wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
               individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
               referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook
               over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele
               inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als
               afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al>
        <tussenkop>De individuele studietoeslag</tussenkop>
        <al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de wet: de
               individuele studietoeslag. De toeslag wordt aangemerkt als een vorm van bijzondere
               bijstand (artikel 5 onderdeel d van de wet). Het betreft een nieuwe vorm van
               aanvullende inkomensondersteuning voor bepaalde groepen studerenden. Het verlenen van
               een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid van het college (dit
               volgt uit artikel 36b, eerste lid van de wet) en is bedoeld voor arbeidsgehandicapte
               studenten.</al>
        <al>De gemeenteraad dient in een verordening regels vast te stellen over het verlenen
               van een individuele studietoeslag (artikel 8, eerste lid en sub c van de wet). Deze
               regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de
               betaling van de individuele studietoeslag.</al>
        <al>
          <cursief>Verbeteren positie arbeidsmarkt gehandicapten</cursief>
        </al>
        <al>De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat het vooral voor mensen met
               een arbeidshandicap van belang is de positie op de arbeidsmarkt te verbeteren door
               middel van het behalen van een diploma. Werkgevers zijn volgens de wetgever vaak
               huiverig om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. De wetgever verwacht
               dat de drempel om een contract aan te bieden lager is als een werkgever ziet dat
               iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het verstrekken van een individuele
               studietoeslag krijgen mensen met een arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een
               studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of
               een studie te gaan volgen. Het afronden van een studie versterkt de positie op de
               arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd
               is en veel in zijn mars heeft. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit
               dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een
               bijbaan.</al>
        <al>Uit de Memorie van Antwoord blijkt het volgende. Een vereiste voor de individuele
               studietoeslag is dat een student niet in staat is met voltijdse arbeid het wettelijk
               minimumloon (WML) te verdienen. Dit leidt ertoe dat studenten, die per uur wel het
               WML kunnen verdienen, hier niet voor in aanmerking komen. Doel van de studietoeslag
               is om studenten met een beperking een bron van inkomsten te geven ter vervanging van
               inkomsten uit een bijbaan.</al>
        <al>
          <cursief>Achtergrond</cursief>
        </al>
        <al>Het gemeentebestuur is niet verplicht om een studietoelage te verstrekken. Hiertoe
               het volgende. Bijna zeven op de tien studerenden hebben een bijbaantje naast hun
               studie. Er is geen verschil naar geslacht en leeftijd. Thuiswonenden werken net iets
               vaker dan uitwonende studenten (73% tegen 69%). Gemiddeld verdienen studenten €
               354,00 per maand, met de leeftijd nemen de inkomsten uit de bijbaan toe (gemiddeld
               van € 241,00 per maand voor studerenden van 19 jaar en ouder, tot € 570,00 voor
               studerenden van 24 jaar en ouder)(Bron: Nibud studentenonderzoek 2011-2012).</al>
        <al>Als studenten door een handicap/beperking geen bijbaantje kunnen nemen, is het
               redelijk een financiële compensatie te bieden.</al>
        <al>De voorwaarde dat een belanghebbende recht moet hebben op studiefinanciering of een
               tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
               (WTOS) moet niet zodanig worden geïnterpreteerd dat belanghebbende ook daadwerkelijk
               studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het is voldoende dat hij
               recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. Of recht hierop bestaat is
               afhankelijk van de gekozen opleiding, de leeftijd en het inkomen van
               belanghebbende.</al>
        <al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de wet zijn niet van toepassing bij de verlening
               van de individuele studietoeslag (artikel 36b, lid 2 Participatiewet). Een
               individuele studietoeslag wordt op aanvraag verleend (artikel 36b, lid 1
               Participatiewet). Artikel 43 Participatiewet is daarbij niet van toepassing (artikel
               36b, lid 2 Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. </al>
        <al>Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als
               belanghebbende met de toeslag schulden wil aflossen. Evenmin kan de individuele
               studietoeslag worden verstrekt in de vorm van een voorschot.</al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Hoofdstuk I Algemene bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop>
        <al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de wet, Algemene wet
               bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
               verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
               betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al>
        <al>Begrippen die in de wet voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis als
               in de wet. Ten aanzien van een aantal begrippen, die niet in de wet staan dan wel een
               afwijkende betekenis hebben, is een definitie gegeven in deze verordening.</al>
        <al>
          <cursief>Inkomen</cursief>
        </al>
        <al>Met betrekking tot het begrip “inkomen” is een van de wet afwijkende definitie
               opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht heeft gegeven om in de verordening
               regels te geven met betrekking tot het begrip “langdurig en laag inkomen”, is de
               gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36, eerste lid van
               de wet nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt aangesloten bij de in de
               bestaande uitvoeringspraktijk gehanteerde (en ook door de wetgever bedoelde)
               invulling van het begrip inkomen in artikel 36, eerste lid van de wet, doch wordt de
               wettechnische imperfectie weggenomen. </al>
        <al>Algemene bijstand wordt voor de beoordeling van het recht op individuele
               inkomenstoeslag als inkomen aangemerkt. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in
               aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van
               bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder
               verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
               vaststelling van het inkomen. Het is niet wenselijk een eerder verstrekte individuele
               inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenste effect
               kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat
               hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder
               verstrekte toeslag. Wat voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt,
               geldt ook voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk
               en bijstand, zoals die luidde vóór 1 januari 2015.</al>
        <al>Het begrip inkomen komt ook aan de orde in de bepaling rondom de individuele
               studietoeslag. Ook in deze situaties is het inkomen van artikel 32 van de wet van
               toepassing.</al>
        <al>
          <cursief>Referteperiode</cursief>
        </al>
        <al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van
               36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Nadat iemand drie jaar op een laag inkomen
               is aangewezen, is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte meer aanwezig.
               Daarom wordt hier een termijn van drie jaar aangehouden.</al>
        <al>
          <cursief>Peildatum</cursief>
        </al>
        <al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
               aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft,
               geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet en,
               gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering
               heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
               beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele
               inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit
               volgt uit artikel 44, eerste lid, van de wet en de jurisprudentie rondom artikel 44
               van de Wet werk en bijstand.</al>
        <al>Voor de individuele studietoeslag geldt ook de aanvraagdatum als de datum waarop de
               individuele studietoeslag kan worden toegekend.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop>
        <al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid en artikel 36b, eerste lid, van
               de wet dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
               inkomenstoeslag en studietoeslag kan indienen. </al>
        <al>Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder
               aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel
               1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden
               ingediend (artikel 4:1 Awb).</al>
        <al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
               ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan
               middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als
               een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
               schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de
               aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening
               en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van
               de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing
               op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen
               (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet
               worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in
               artikel 36 van de wet.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk II Recht op individuele inkomenstoeslag</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3 Langdurig, laag inkomen</tussenkop>
        <al>Over het algemeen wordt aangenomen dat, bij een laag inkomen, na een periode van
               drie jaar niet veel reserveringsruimte resteert. Daarom wordt een referteperiode van
               drie jaar aangehouden.</al>
        <al>Het begrip “langdurig en laag inkomen” wordt ingevuld als een inkomen dat niet hoger
               is dan 105 procent van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is een
               voortzetting van het beleid van voor 2015. Verder wordt hiermee ook tegemoet gekomen
               aan de in de jurisprudentie ontwikkelde norm dat marginale overschrijdingen van de
               (minimum)inkomensgrenzen genegeerd dienen te worden (zie CRvB 19-08-2008, nrs.
               06/1163 WWB e.a.). </al>
        <al>Nadrukkelijk is gekozen voor het vereiste dat de belanghebbende gedurende de
               referteperiode elke maand een laag inkomen heeft.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</tussenkop>
        <al>De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is gebaseerd op een vast percentage van
               de (maandelijkse)bijstandsnorm voor gehuwden/samenwonenden. Om die reden hoeft de
               verordening niet jaarlijks te worden aangepast. De systematiek uit de Wet werk en
               bijstand, waar een alleenstaande ouder 90 procent van de bijstandsnorm voor een
               echtpaar ontvangt en een alleenstaande 70 procent, is hier ook gehanteerd.</al>
        <al>De wijze van vaststellen van de hoogte van de toeslag is een voorzetting van het
               beleid van voor 2015.</al>
        <al>De hoogte van de toeslag wordt eenmaal per jaar vastgesteld. De bijstandsnormen,
               zoals die gelden per 1 januari van het jaar waarin de peildatum valt, zijn bepalend. </al>
        <al>De bedragen worden afgerond op hele euro’s.</al>
        <al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
               inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als
               gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel
               36, eerste lid, van de wet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan
               bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.</al>
        <al>In het vierde lid wordt een regeling in overeenstemming met artikel 24 van de wet
               gegeven voor situaties waarin één van gehuwden/samenwonenden is uitgesloten van het
               recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13, eerste lid
               van de wet. De wet voorziet immers niet in een afwijzingsgrond voor de rechthebbende
               partner, terwijl daarentegen het toekennen van het bedrag voor gehuwden in dergelijke
               situaties ook niet wenselijk is. </al>
        <tussenkop>Hoofdstuk III Recht op studietoeslag</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5 Doelgroep</tussenkop>
        <al>Het college kan gebruik maken van de mogelijkheid een studietoeslag te verstrekken.
               Als belanghebbende voldoet aan de criteria van artikel 36b van de wet en geen inkomen
               heeft, anders dan in relatie tot de studie, kan hij in aanmerking komen voor een
               studietoeslag.</al>
        <al>Artikel 36b, eerste lid, van de wet regelt in welke gevallen het college op verzoek
               van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden, een individuele
               studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon op de datum van de
               aanvraag:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>18 jaar of ouder is;</al></li>
          <li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000
                     of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                     tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li>
          <li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet
                     heeft; en</al></li>
          <li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in
                     staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                     mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bij de beoordeling van het laatstgenoemde criterium kan het college advies inwinnen
               bij een externe instantie. </al>
        <tussenkop>Artikel 6 De hoogte en duur van de toeslag</tussenkop>
        <al>De toeslag bedraagt 5 procent van de bijstandsnorm voor gehuwden per maand. Omdat de
               toeslag eenmaal per 6 maanden wordt uitbetaald is bepaald dat de hoogte 30 procent
               van de bijstandsnorm per maand bedraagt. </al>
        <al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking
               komen voor een individuele studietoeslag. Doorgaans kan een persoon halfjaarlijks
               starten met een opleiding. Voor de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking
               komt voor een individuele studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag
               beoordeeld (artikel 36b, eerste lid, van de wet). Om deze reden is geregeld dat een
               persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan komen
               voor een individuele studietoeslag (artikel 3). Studeert een persoon na die zes
               maanden nog steeds en voldoet hij aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van
               de wet, dan kan hij opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
               studietoeslag.</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Betaling van de toeslag</tussenkop>
        <al>De studietoeslag is bedoeld als steun in de rug van studerenden met
               arbeidsbeperkingen voor onder meer het niet kunnen combineren van een studie met een
               bijbaan. Het ligt dan voor de hand maandelijks een bedrag te verstrekken. Indien
               hiervoor wordt gekozen is er sprake van een periodieke verstrekking van bijzondere
               bijstand. Bij periodieke betaling van deze studietoeslag dient er rekening te worden
               gehouden met de fiscale gevolgen. Volgens de Rekenregels en handleiding loonheffingen
               over bijstandsuitkeringen 2014 is periodieke bijzondere bijstand die niet
               bestedingsgebonden is maar inkomensaanvullend, namelijk een belaste verstrekking. Om
               dit te voorkomen is gekozen voor een halfjaarlijkse betaling.</al>
        <al>Een persoon moet op de datum van de aanvraag voldoen aan de in artikel 36b, eerste
               lid, van de wet genoemde criteria. Als een persoon op enig moment na de aanvraag hier
               niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen voor het recht op een individuele
               studietoeslag. </al>
        <al>Na een halfjaar kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
               studietoeslag. Dit volgt uit artikel 6.</al>
        <tussenkop>Hoofdstuk IV Slotbepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8 Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop>
        <al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen. Er zal met name behoefte zijn
               nadere regels te stellen omtrent het begrip “zicht op inkomensverbetering” en de
               wijze waarop wordt vastgesteld dat iemand arbeidsmogelijkheden heeft maar niet in
               staat is het wettelijke minimumloon te verdienen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9 Citeertitel</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 Intrekking</tussenkop>
        <al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>