<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR357623_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Zwijndrecht 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwijndrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwijndrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 07-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Zwijndrecht 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2014-12-16">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0003420&amp;artikel=102&amp;g=2014-12-16">Wet op het primair onderwijs, artikel 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0002399&amp;artikel=76m&amp;g=2014-12-16">Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-12664</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53081</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53082</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53083</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53084</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-53085</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Zwijndrecht 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zwijndrecht;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 16 december
                        2014 nummer 2014-12664 ;</al><al/><al>gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de</al><al>vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        Zwijndrecht 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om
                                    het bekostigen van eenvoorbereidingskrediet;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                    artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of
                                    gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                    grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                    bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op
                                    grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of
                                    artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                    primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                    volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op
                                    het primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school:</al><lijst><li nr="1."><al>school voor basisonderwijs: basisschool of speciale
                                            school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van
                                            de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1,2 en van
                                            de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het
                                    onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als
                                    bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik ofgebruik voor culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van deprognose als bedoeld in bijlage II
                                    minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van deprognose als bedoeld in bijlage II
                                    maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                                    artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                    bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het
                                            rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of
                                            nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest
                                            geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een
                                            bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke
                                            gebouwen voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                            voorziening als bedoeld in 1 tot en met 4;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het
                                            rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder
                                            door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van
                                            een lokaal bewegingsonderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval
                                    van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 en 2,
                            kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen
                            van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder a1
                                en a2, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage
                                IV opgenomen normbedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt vastgesteld op 10 procent van het geraamde
                                investeringsbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij
                            wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6Indienen aanvraag</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                    wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet
                                    uiterlijk 1 februari van het jaar waarin van het betreffende
                                    programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt
                                    gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college
                                    niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is,
                                                het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een prognose van het te verwachten aantal
                                                  leerlingen van de school voorbasisonderwijs, de
                                                  speciale school voor basisonderwijs of de school
                                                  voor voortgezet onderwijs, als het betreft een
                                                  aanvraag voor een voorziening als bedoeld in
                                                  artikel 2, onderdeel a, onder 1, 2, 3, 6, 7 en 8,
                                                  onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig
                                                  bijlage II is vastgesteld, tenzij door het
                                                  college, al dan niet in samenwerking met de
                                                  bevoegde gezagsorganen van een school voor
                                                  basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld,
                                                  welke door het bevoegd gezag wordt
                                                  onderschreven;</al></li><li nr="2."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het geheel
                                                  of gedeeltelijk bekostigen van vervangende
                                                  nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2,
                                                  onderdeel a, onder 1°, of herstel van een
                                                  constructiefout als bedoeld in artikel 2,
                                                  onderdeel b, een bouwkundige rapportage die
                                                  voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak
                                                  van de gevraagde voorziening kan worden
                                                  vastgesteld;</al></li><li nr="3."><al> als de aanvraag betrekking heeft op het
                                                  bekostigen van een voorziening waarvoor de
                                                  vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke
                                                  kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                                  voor het bekostigen van de voorziening of, als de
                                                  aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van
                                                  een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                                  3, een kostenbegroting.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in
                                                artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en met 5,de
                                                aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of
                                        tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de
                                        hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag
                                        niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>3. Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de</al><al>Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering
                                        Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de
                                        gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit
                                        schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de
                                        gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum
                                        van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet
                                        alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de
                                        aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een
                                opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend
                                en geeft daarbij aan welkeniet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag
                                        nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2
                                        maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7,tweede
                                        lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de
                                        aanvraag betrekking heeft op eenvoorziening waarvoor de
                                        vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het
                                        college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                        kostenbegroting moet worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van
                                        het bekostigingsplafond, hetprogramma en het overzicht,
                                        bedoeld in paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                                aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                                overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                                hoogte van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegdegezagsorganen in een overleg in
                                        de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar
                                        voorafgaand</al><al>aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking
                                        heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken
                                        voor de door het college vastgesteldedatum schriftelijk in
                                        kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                        voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                        maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan
                                        het overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                        overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                        reactie van het college hierop worden opgenomen in het
                                        verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg
                                        toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                        verzoeken een advies uit tebrengen over het
                                        conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk
                                        gemotiveerdeomschrijving van de onderwerpen waarover advies
                                        wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de
                                        relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de
                                        vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de
                                        daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen
                                        in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor
                                        hetbeoordelen van het verzoek, waaronder het verslag,
                                        bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><lijst><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies
                                        zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij het toezenden van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden
                                        van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats
                                        binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de
                                        bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van
                                        dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag,
                                        bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagdevoorzieningen. Hierbij kan
                                        onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                        voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het
                                        programma betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden
                                        door het college binnen 2 weken na de datum waarop het
                                        besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of
                                        uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig
                                        stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                        schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter
                                        inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op
                                    het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit
                                    overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het
                                    uitvoeren van de voorzieningen worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op
                                            het primair onderwijs en artikel 76n van de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                            aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                            toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                            toetst, en of het naar het oordeel van het college
                                            noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                            begroting rekening te houden met feiten en
                                            omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het
                                            moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het
                                            eerder genomen besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            het besteden van de beschikbaar te stellen
                                            middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van
                                            het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen
                                            voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 10
                                            procent van het geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast
                                    in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken
                                    na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het
                                    verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk
                                    van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht
                                    overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college
                                    binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde
                                    in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                    college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat
                                    het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                    opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
                                        is bereikt dient het bevoegdgezag het bouwplan en, als de
                                        voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke
                                        kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het
                                        bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover
                                        gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid.
                                        Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop
                                        de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                        het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                        verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn
                                        ontvangen</al><al>over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het
                                        tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder
                                        mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen
                                        met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is
                                        besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                        bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het
                                        door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de
                                        aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over
                                        het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                        waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                        waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                        schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                        vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                        inschrijving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging start bepalen dat degelden in termijnen betaald worden.
                                Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op eenzodanig
                                tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het
                                programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                    heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                    koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor
                                    15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op
                                    bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt
                                    voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                            onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk
                                            en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                            waarbinnen het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                            inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                            overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden
                                    van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt
                                    door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                            toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                            gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn
                                            heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het
                                    verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt
                                    in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt
                                    verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                                voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2
                                weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college.
                                Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het collegevastgesteld
                                formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                    gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                    waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop
                                    de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens
                                    als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft
                                    vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als
                                    dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in
                                    behandeling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is
                                    ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                    gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk
                                    mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de
                                    artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid, is
                                    daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                    eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld
                                    in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit
                                    hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt
                                    hij binnen twee weken een afschrift aan het college. De
                                    aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze
                                    verplichtingen wordt voldaan.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                        andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet
                                        volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de
                                        school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                        gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                        overeenkomstig bijlage III, deel C, isvastgesteld dat de
                                        vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                        vastgestelderuimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs of speciaalbasisonderwijs, en de
                                                som van het aantal klokuren gebruik dat door het
                                                college is vastgesteld minder is dan 40
                                                klokuren;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig
                                                bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte
                                                blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt
                                                gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het
                                                lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                                eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                                geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs, speciaalbasisonderwijs of
                                                voortgezet onderwijs, en de som van de
                                                berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is
                                                dan 40 klokuren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                    betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld
                                    in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo
                                    spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1
                                    week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                    college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk
                                    mede dat gevorderd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                            wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                            gevorderd wordt of, als het betreft het
                                            bewegingsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het</al><al>medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de
                                vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming
                                wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke
                                handelswijze wordt gevolgd. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder
                                            van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang
                                            kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                    gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                    gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken,
                                    worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als
                                    het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming was bereikt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                    toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet
                                    op het primair onderwijs of artikel 76s, eerste lid, van de Wet
                                    op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt
                                    gesloten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                    bestemming van de te verhuren ruimte.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                    gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                    school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                    achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                    onderhoud wordt voordat deeigendomsoverdracht plaatsvindt een
                                    staat van onderhoud opgemaakt.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                    opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                    achterstallig onderhoud wordt in hetoverleg vastgesteld welk
                                    deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het
                                    bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de
                                    werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te
                                    stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming
                                    wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder
                                    gevolgd wordt.</al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal)
                            basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                                inroosteren en gebruik</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het
                                    aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor
                                    (speciaal) basisonderwijs in het daaropvolgende schooljaar
                                    aanspraak maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het
                                    aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op
                                    de school staat ingeschreven.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 1 maart
                                    een rooster op voor het gebruik van de lokalen
                                    bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de
                                    volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een lokaalbewegingsonderwijs,
                                            bedoeld in bijlage I, deel B;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                            lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als
                                            eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs,
                                            en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één lokaal
                                            bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig
                                    is vastgesteld, voor 15 maart in kennis van het rooster. Hierbij
                                    worden per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                            bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 april reageren op het
                                    voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een
                                    overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor
                                    15 april. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de
                                    bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 1 mei definitief vast en
                                    houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                    roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                    vastgesteld.</al></li></lijst><lijst><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                    uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit
                                    beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra
                                    wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van
                                    de school.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening nietvoorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2010 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijsZwijndrecht 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Zwijndrecht/i250208.pdf">Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Prognosecriteria</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Zwijndrecht/i250209.pdf">Prognosecriteria</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                        ruimtebehoefte</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Zwijndrecht/i250210.pdf">Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>Normbedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Zwijndrecht/i250211.pdf">Normbedragen voor vergoeding en indexering</extref></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                        voorziening</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Zwijndrecht/i250212.pdf">Criteria voor vaststellen prioriteit aangevraagde voorziening</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                    gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                    gemeente. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet
                    op het primair onderwijs (WPO) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) door het
                    bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een
                    limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet
                    alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan
                    een voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een
                    bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus
                    geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van
                    deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een
                    vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële
                    instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair).
                    Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel
                    100, eerste lid, onder a, van de WPO, artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al/><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende
                    voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen
                    doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de
                    wet (artikel 6 van de WPO en artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen van de
                    voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen
                    onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden
                    vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Verordening
                    materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Zwijndrecht 2003. </al><al/><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</cursief></al><al>1 </al><lijst><li nr="1."><al> Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                            nieuwbouw.</al></li><li nr="2."><al> Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op
                            de school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in
                            aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria
                            (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of
                            groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al></li><li nr="3."><al> Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen
                            van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen
                            en het college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar
                            heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog
                            een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij
                            ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet
                            het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs
                            van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor
                            basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het huisvesten
                            van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van
                            een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8.</al></li><li nr="4."><al> Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de
                            bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het
                            algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is
                            gerealiseerd.</al></li><li nr="5."><al> Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan
                            noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij
                            vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is
                            afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de
                            oppervlakte van het terrein.</al></li><li nr="6/7."><al>Onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen wordt in
                            principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste
                            voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat
                            het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een
                            grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de
                            eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf
                            de start van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog
                            aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het
                            aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in
                            bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste
                            inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al
                            bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de
                            toelichting in bijlage III, deel C.</al></li><li nr="8."><al> Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                            bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is,
                            niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de
                            school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik
                            is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III,
                            deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet
                            volledigroosterd.nge</al></li></lijst><al/><al><cursief>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een
                    ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is
                    gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan
                    voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
                    worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het
                    onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere
                    procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het
                    programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen
                    het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                    ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                    verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                    aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                    onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college
                    kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                    afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al/><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet
                    onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder
                    B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs
                    aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over
                    een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke
                    middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de
                    investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de
                    feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd
                    gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                    Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt
                    dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het
                    indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het
                    eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het
                    bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te
                    ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de
                    investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis
                    van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding
                    opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het
                    programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het
                    vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te
                    werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden
                    bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit
                    van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                    vastgestelde investeringskrediet.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                    bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van
                    feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis
                    daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al/><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak
                    op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de
                    werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn
                    dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het
                    schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een
                    financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                    beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt:
                    investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al/><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                    vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                    artikel 13, eerste lid).</al><al/><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                    verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de
                    WPO en artikel 76w van de WVO). Deze informatie staat los van de informatie die
                    wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al> gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                            secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al> gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school,
                            telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al> bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al> naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al> medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al/><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college een
                    formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden.
                    Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college
                    bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het vermelden van de
                    wijzigingen. Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan kan
                    van deze digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door
                    middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken
                    met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het
                    beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze
                    ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het
                    overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden
                    opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden
                    gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPOen 76c van de WVO en
                    toelichting bij artikel 13). </al><al/><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen
                    een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft
                    vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                    reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al/><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd
                    gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde
                    procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In de
                    bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen
                    orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project -
                    bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning
                    indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de
                    ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten
                    opzichte van de andere aanvragen. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college
                    de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en
                    school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een
                    bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                    een leerlingenprognose indient.Het college en het bevoegd
                    gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor
                    alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als
                    onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor
                    basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen van een
                    leerlingenprognose.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen,
                    als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de
                    in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                    hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                    beslissing.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens
                    aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende
                    aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                    aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal
                    leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken
                    over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                    1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.
                    Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                    aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                    tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens
                    ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een
                    fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn
                    ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is
                    een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht
                    beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben
                    alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het
                    bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of
                    niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat
                    vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven
                    is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te
                    bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                    (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk
                    overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                    kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het
                    beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een
                    of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met
                    het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                    kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het
                    kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de
                    beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag
                    dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                    Onderwijsraad</vet></al><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld,
                    overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In
                    afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen
                    van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO
                    en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht
                    overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde
                    gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het
                    college besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair,
                    (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het overleg over de
                    voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder
                    gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn.
                    lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg
                    deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die
                    wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte
                    zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg
                    eventueel op kunnen reageren.</al><al/><al><cursief>Lid 5-8</cursief></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO en artikel 76m
                    van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies
                    vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen
                    huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden
                    gevolgd voor het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben
                    op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het
                    programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van
                    richting en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht
                    het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te
                    documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die
                    relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat
                    de adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad
                    beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering. Als de
                    Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang dat het college goed in
                    de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging
                    oploopt.</al><al/><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                    noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het
                    advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                    gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
                    overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van
                    toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in
                    de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid,
                    artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede
                    lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen
                    als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag
                    volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan
                    niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig
                    heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies
                    van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen
                    daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan
                    het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de
                    inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat
                    iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij
                    een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                    uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
                    college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                    daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                    schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn
                    oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al/><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                    ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de
                    stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                    honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van
                    het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde
                    vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma
                    en overzicht.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> Het bekostigingsplafond staat los van het
                    totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                    bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde
                    voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college
                    kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen.
                    Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één
                    bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor
                    andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen
                    van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van
                    voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                    van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                    een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk
                    is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende
                    kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het
                    programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet
                    dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking
                    komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het
                    college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze
                    situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de
                    termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                        programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 95 van de WPO en 76f van de WVO vermelden de criteria die het college
                    moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening huisvesting
                    onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs
                    is opgenomen in artikel 96 van de WPOen 76g van de WVO. In
                    dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het vaststellen van het
                    programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                    ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het
                    programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de
                    onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier
                    weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de
                    voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de
                    Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding
                    van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma
                    en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan
                    het vaststellen van het programma is in de modelverordening opgenomen dat het
                    besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                    overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht
                    ter inzage wordt gelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot
                    het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op
                    het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan
                    de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                    misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO en artikel 76n van de WVO is opgenomen
                    dat het college binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg
                    treedt over de uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte
                    afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van
                    toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen
                    betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn opgenomen
                    (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en
                    het college daarnaast van mening is dat het indienen van het bouwplan en de
                    desbetreffende begroting voor een op het programma opgenomen voorziening
                    achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn
                    o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd
                            gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste
                            lid , van de WPOen artikel 76n, eerste lid, van de
                            WVO. Het alternatief is dat het college de voorziening tot stand brengt
                            (artikel 103, tweede lid, van de WPO en artikel 76n, tweede lid, van de
                            WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid
                            gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid
                            dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd
                            door een derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die
                            op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment
                            van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                            goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                            nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor
                            het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt
                            vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het
                            college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de
                            kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;
                        </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de
                            besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                            grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting
                            artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                            voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te
                            volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de genormeerde
                            vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor het college
                            feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                            normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de feitelijke
                            kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het
                            bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag.
                            Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de
                            Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> Daarnaast is van toepassing wat de
                            gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid
                            over het opvragen van offertes als er geen Europese regelgeving van
                            toepassing is.</al></li></lijst><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref><sup/></al><al>Enkele relevante begrippen zijn werken, diensten en leveringen. Onder de
                    definitie ‘werken’ vallen bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en
                    dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder de
                    definitie ‘diensten’ vallen de door opdrachtnemers uit te voeren werkzaamheden
                    als onderhoud en reparatie, vervoer, boekhouding en dergelijke, waarbij een
                    eventuele levering van fysieke producten van bijkomende orde is ten opzichte van
                    de omvang van de uit te voeren werkzaamheden. Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG
                    is hierbij beslissend. Onder de definitie ‘leveringen’ vallen de door
                    leveranciers te leveren prestaties bij de aankoop, leasing, huur of huurkoop,
                    met of zonder koopoptie, van fysieke producten, zoals meubilair of
                    onderwijsleerpakket en dergelijke. Het gaat daarbij per definitie om
                    activiteiten of werkzaamheden die niet zijn opgenomen in Bijlage 1 en/of Bijlage
                    2 van richtlijn 2004/18/EG.</al><al/><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het
                    gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en
                    wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten
                    onder het Europese drempelbedrag<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> kan het college op verzoek van het bevoegd
                    gezag besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken. </al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref><sup/>In de richtlijn 2004/18/EG zijn
                    drempelbedragen opgenomen. Deze drempelbedragen worden eenmaal in de twee jaar
                    opnieuw vastgesteld door de Europese Commissie. Is de geraamde waarde van de
                    opdracht exclusief BTW gelijk aan of hoger dan het vastgestelde drempelbedrag
                    dan moet Europees worden aanbesteed. De drempelbedragen voor de jaren 2014 en
                    2015 zijn vastgesteld en opgenomen in de tabel.</al><al/><al/><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Type opdracht</vet></al></entry><entry nameend="colE" namest="colB"><al><vet>Uitgangspunten aanbestedingsprocedure</vet><vet>(genoemde bedragen zijn exclusief BTW)</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry nameend="colD" namest="colB"><al>Nationaal</al><al/></entry><entry><al>Europees</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry nameend="colC" namest="colB"><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry><al>Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande selectie</al></entry><entry><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Enkelvoudig</al></entry><entry><al>Meervoudig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Werken</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry><al>Leveringen</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>A-diensten</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>B-diensten</al></entry><entry><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>alléén indien de opdracht grensoverschrijdend is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                    overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                    voorgelegd.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                    afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat
                    de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager
                    worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend,
                    dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag,
                    dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te
                    bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                    uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen
                    vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                    bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan
                    wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het
                    algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het
                    overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken
                    bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is
                    opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                    besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn
                    opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager
                    gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit
                    in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het
                    college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan
                    naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is
                    kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure
                    van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). </al><al/><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het
                    college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis
                    voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al/><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het overleg
                    deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de
                        WPOen artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met
                    artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt
                    het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het
                    bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het
                    bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld
                            staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de
                            bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond
                            van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking
                            (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                            bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                            afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt
                            het bevoegd gezag aanspraak op:</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst,
                            omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het college
                            geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                            inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve bedrag
                            van de vergoeding te kunnen vaststellen. De kostenbegroting die was
                            ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk een raming van
                            de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen tot het
                            vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het
                            programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen van de
                            aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het
                            definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is
                            ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma.
                            Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt
                            gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting. </al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment
                    het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de
                    bekostiging. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet
                    binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te
                    zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals
                    door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het
                    aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk
                    met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de
                    duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het
                    bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging
                    een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO en
                    artikel 76j van de WVO.</al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                    prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is
                    conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan
                    gemotiveerd afwijken.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de
                        WPOen artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de
                    vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de
                    bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de
                    concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het
                    investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële
                    verplichtingen moet kunnen voldoen. </al><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                    tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                    vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt.
                    Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen
                    college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het
                    college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag
                    aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van
                    de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde
                    verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking
                    hebben, of een accountantsverklaring.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment dat de
                    gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                    noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het
                    jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de
                    realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld
                    dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar,
                            dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar
                            gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat
                            de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden
                            aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor
                    het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het
                    college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op
                    bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                    voorziening.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                    voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                    omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de
                    gestelde termijnen te verlengen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                    verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen
                    dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid
                    genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het college dus
                    niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum
                    niet haalbaar.</al><al/><al><vet>Artikelen 17-21. Aanvragen met spoedeisend karakter</vet></al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                    wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen.
                    Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet
                    worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het
                    spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                    aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een
                            andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                            asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                    voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van
                            de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst
                            wegens het toepassen van de financiële weigeringgrond omdat het
                            bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 17. Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden
                    ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat
                    bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en
                    de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de
                    aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Inhoud aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                    grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag
                    verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag
                    moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit
                    die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het
                    aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Tijdstip beslissing</vet></al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                    beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</vet></al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                    aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I
                    tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                    procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond
                    hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en
                    artikel 100, eerste lid, van de WPOen artikel 76i, tweede
                    lid, van de WVO en artikel 76k, eerste lid, van de WVO.</al><al/><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                    toepassing.</al><al/><al><vet>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 22-28 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de
                        WPOen artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de
                    gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik en
                    de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van
                    lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen
                    school.</al><al/><al>De artikelen 22 t/m 27 worden door het college toegepast als het college een
                    aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                    huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                    aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                    medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op
                    het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee
                    zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al> de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort
                            aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al> er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al/><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                    door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte
                    voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de
                    bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al/><al>Onderdeel b</al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet onderwijs)
                    is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Omschrijving leegstand</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                    leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                    capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III,
                    deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met
                    de drempelwaarde. </al><al/><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                    huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting
                    onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan
                    ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                    andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                    Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft
                    gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al/><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                    bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs of
                    een speciale school voor basisonderwijskan op basis van het
                    lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt
                    voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog
                    geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan
                    van minimaal 32 lesuren<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> en maximaal 40 lesuren, omdat voor het
                    voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor
                    het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. </al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd
                    het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van 50 minuten, met
                    daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen. Voor het
                    vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte van een lokaal
                    bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een
                    klokuur.</al><al/><al>Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><al>- voor een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                    minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere
                    school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs voor het
                    verschil tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al><lijst><li nr="-"><al> voor een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                            basisonderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn ingeroosterd
                            medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs voor
                            de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;</al></li><li nr="-"><al> voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn
                            medegebruik mogelijk is door:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                                    basisonderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik passen
                                    binnen de 26 klokuren, en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende
                                    klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Nalaten vorderen</vet></al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                    medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling
                    hebben getroffen met andere scholen dan wel met een organisatie voor
                    kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is er voor het college geen reden om dat te
                    doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die
                    medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle
                    leerlingen te huisvesten. Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling
                    hebben geregeld moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het college
                    moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale situatie is
                    gecreëerd. </al><al/><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in
                    onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
                    Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                    schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Overleg en mededeling</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen
                    voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een
                    aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor
                    medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het
                    programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het
                    voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de
                    mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt
                    niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het
                    college.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het
                    overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat
                    een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier
                    het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                    nodige maatregelen te treffen.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben
                    tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn
                    waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk
                    gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over
                    dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                    Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om
                    zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                    deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                    worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                    de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden
                    gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in
                    het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor
                    medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school
                    noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de
                    verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Vergoeding</vet></al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken
                    met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen
                    moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen.
                    Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is
                    redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de
                    eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten
                    zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                    schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is
                    sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd
                    gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de ontvangen
                    rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte
                    van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                    activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Als
                    tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen
                    vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen van
                    het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan bijv. worden dat een
                    onafhankelijke derde het definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Overleg en mededeling</vet></al><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel
                    tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in
                    overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen
                    bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat
                    is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de
                    bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet
                    eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is
                    vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de
                    school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het
                    college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik
                    naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van
                    richting en inrichting een rol spelen.</al><al/><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag
                    minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                    onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt
                    met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg
                    en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                    noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen
                    te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding
                    ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om
                    een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de
                    systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al/><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het
                    overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college.
                    Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet
                    deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten
                    voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door college.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                    worden.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Verzoek toestemming college</vet></al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door
                    de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                    bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging
                    om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                    gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil
                    verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                    toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus
                    nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd
                    gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                    activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur
                    en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast
                    betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                    ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                    toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                    wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al/><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toetst het college het
                    verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de
                        WPOen artikel 76s van de WVO is het niet toegestaan om
                    een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                            1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al></li></lijst><al/><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                    voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het
                    onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                    risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                    voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                    college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                    gezag.</al><al/><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald
                    worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                    exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                    investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de
                    component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw)
                    vast.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Staat van onderhoud</vet></al><al>In artikel 110 van de WPOen artikel 76u van de WVO is
                    geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een
                    (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over het algemeen
                    is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het
                    beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het opheffen van de
                    school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW. Overdracht door het
                    bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend
                    plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar
                    onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is
                    de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen
                    overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een
                    overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie
                    is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college en bevoegd
                    gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte opgenomen een termijn waarin
                    het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt
                    geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit
                    onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen
                    moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al/><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van
                    het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door
                    het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het opmaken van
                    een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van
                    het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een
                    gelijke handelwijze.</al><al/><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag,
                    met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet
                    om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                    gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                    plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan
                    wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                    onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een
                    beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt
                    van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                    die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                    inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen
                    meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is
                    uitgevoerd).</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van
                    de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met
                    deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                    bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                            onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                            college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de
                    rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                    kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen
                    afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat
                    het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het
                    bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan
                    de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                    onderhouden.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om
                    te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen
                    bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                    verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al/><al><vet>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroosteren en gebruik</vet></al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een derde. In het
                    kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de
                    verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het
                    vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze
                    criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de
                    verantwoordelijkheid van het college om een rooster bewegingsonderwijs vast te
                    stellen. De omvang van het gebruik door een school voor basisonderwijs of een
                    speciale school voor basisonderwijsvan lokalen
                    bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren
                    is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen
                    afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven
                    fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal
                    leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse
                    procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de spoedprocedure niet
                    het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het
                    verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen
                    bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de
                    bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding
                    of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen.
                    Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van het aantal
                    ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en
                    daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het
                    aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het
                    college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal
                    bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de procedure voor
                    het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze
                    procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de
                            accommodaties die op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot de
                            zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft
                            bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                            gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                            gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al/><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 15 december op basis van de teldatum 1 oktober
                            het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start
                            schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 1 maart daaropvolgend een conceptrooster op dat
                            als basis kan dienen voor het rooster bewegingsonderwijs van het lopende
                            schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties in het
                            aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 15 maart daaropvolgend
                            in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster bewegingsonderwijs voor
                            het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 april op het aangeboden
                            conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 15 april
                            een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende
                            schooljaar vast voor 1 mei.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                    bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is vastgesteld.
                    Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande accommodaties
                    daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden dan de kosten van
                    deze extra klokuren doorberekend.</al><al/><al><vet>Artikel 32. Indexering</vet></al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks
                    worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel
                    is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                    verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure
                    voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit
                    artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                    het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV,
                    deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                    wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                    toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                    mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                    voorzieningen</vet></al><al/><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen
                    van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in
                    deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs. </al><al/><al><vet>Deel A –Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van
                    de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al/><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                    dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                    hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is
                    het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                    hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                    Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor
                    een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze aanvraag te
                    honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                            huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten,
                            eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                            is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op
                    basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al/><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college
                    beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                            ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= brutovloeroppervlakte)
                            van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de
                            gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al/><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende)
                    voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt
                    gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening
                    noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk
                    is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord
                    op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum
                    waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                    uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                    aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren
                    aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend
                            omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor
                            deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als
                            wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening
                            goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                    bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                    vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                    onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de
                    mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al/><al><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></al><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw
                    instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een
                    onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze
                    nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al/><al/><al><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></al><al>Vervangende nieuwbouwkan het gevolg zijn van een tweetal
                    situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een
                    gebouw. Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om
                    verschillen in de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld
                    een rapportage op grond van NEN 2767.Uitgangspunt van deze methode
                    is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen
                    worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt
                    tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking
                    tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de
                    daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt van de methode van
                    conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie
                    wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook rekening
                    gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een vooraf vastgestelde
                    periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de vraag of activiteiten
                    binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in aanmerking komen wordt de
                    ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het
                    gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie
                    voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het totale schoolgebouw vastgesteld.
                    Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende
                    veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5
                    kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                    staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al/><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                    minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                    activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                    (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van een
                    bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de
                    afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is
                    het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor
                    vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en
                    bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de
                    totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen
                    ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten.</al><al/><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn een
                    herschikkingoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al> bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen
                            omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van
                            de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat
                            aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan
                            capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige
                            aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie
                            met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een
                            efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan
                            mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingoperatie
                            omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de
                            leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (=
                            vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan
                            worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al> vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                            ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                            herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                            bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                            wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingplan is
                    dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt
                    en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de
                    gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan
                    uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw
                    kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande
                    (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is
                    bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het
                    rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de
                    aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet.</al><al/><al><vet>A.3 Uitbreiding</vet></al><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande capaciteit van
                    het schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van
                    het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan
                    groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is
                    aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit
                    beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met
                    de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat
                    mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv.
                    medegebruik toekennen.</al><al/><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan is afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al> het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen
                            een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande
                            hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een
                            nieuwe school dan is de ligging niet relevant;</al></li><li nr="-"><al> de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja
                            welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen
                            voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.</al></li><li nr="-"><al> de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                            belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk
                            zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als
                            kwalitatief geschikte huisvesting. Het college kan besluiten tot het
                            bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het
                            gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing,
                            uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van
                            verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al> als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                            ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al> bij een herschikkingoperatie;</al></li><li nr="-"><al> als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al> als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                    nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                    gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen
                    en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het
                    college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een
                    nieuwe voorziening.</al><al/><al><vet>A.6 Terrein</vet></al><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die niet
                    automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het
                    schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als
                    voor het realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt
                    daar bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee
                    gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al/><al><vet>A.7 Eerste inrichting </vet></al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                    school voor basisonderwijs ofeen speciale school voor
                    basisonderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een
                    school voor voortgezet onderwijs.Voor alle onderwijssectoren
                    is de bekostiging van de eerste inrichtinggekoppeld aan het
                    aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte waarvoor de voorziening nieuwbouw of
                    uitbreiding wordt toegekend.</al><al/><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school.
                    In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor
                    zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie
                    van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van
                    eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder
                    of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke
                    scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie
                    met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde
                    school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de
                    voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.</al><al/><al/><al><vet>A.8 Medegebruik</vet></al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het
                    doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te
                    hebben:</al><al>- in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de
                    leerlingenprognose), en</al><al>- de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                    vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal leerlingen
                    verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al><al/><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                    medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij
                    medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in
                    aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de verordening
                    is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende
                    begaanbare en veilige weg’. </al><al/><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van
                    scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op
                    basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto
                    vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school
                    vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende
                    genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik
                    wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al> Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs<cursief>,
                            </cursief>een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                            voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al> Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar
                            waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendoms- en
                            huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al> Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                            gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen
                            kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen
                            onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit
                            (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                    bewoner</vet></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                    medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten
                    worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de
                    nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening
                    van de gemeente.</al><al/><al><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening huisvesting
                    onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het
                    van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en
                    wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is
                    van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout
                    aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het
                    moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In
                    dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering
                    waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als
                    een constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet
                    worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het
                    aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van
                    oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn
                    van een constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> Het herstel van een constructiefout is
                    eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het
                    bevoegd gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het
                    bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de WPOen artikel
                    76k, tweede lid, van de WVO.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn2"><sup>[2]</sup><sup/></extref></al><al/><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> LJN BJ7202, Raad van State,
                    200809152/1/H2.</al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref2"><sup>[2]</sup><sup/></extref><sup/>BX8979, Raad van State,
                    201200195/1/A2.</al><al/><al><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandighedenis van toepassing als het bevoegd gezag
                    geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk,
                    storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde
                    (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt
                    rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan
                    bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw
                    met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding
                    geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw
                    toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade veroorzaakt wordt door
                    nalatigheid van het bevoegd gezag de kosten voor rekening van het bevoegd gezag
                    komen.</al><al/><al><vet>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al/><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                    traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.</al><al/><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                    ingebruikgeving</vet></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is
                    een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de
                    afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik
                    moet maken.</al><al/><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                    gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats
                    van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden.
                    Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college overleg met het
                    bevoegd gezag. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Verordening
                    materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Zwijndrecht 2003.</al><al/><al><vet>B.3 Eerste inrichting </vet></al><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het lokaal
                    bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand
                    lokaal:</al><al>- met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt
                    vergroot, of</al><al>- vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                    bewegingsonderwijs.</al><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen
                    gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar
                    verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde
                    lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste
                    inrichting verstrekt.</al><al/><al><vet>B.5 Medegebruik</vet></al><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal
                        bewegingsonderwijswordt vastgesteld op basis van het
                    rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen
                    voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster
                    bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het voortgezet
                    onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.</al><al/><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria </vet></al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het
                    bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag
                    voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende)
                    nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen,
                    terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor
                    het beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen
                    aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode
                    waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                        aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al/><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                    huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                    wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt
                    geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd,
                    waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit</vet></al><al/><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup> bruto
                    vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld
                    of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                            (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen
                    in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is
                    voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de
                    verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven.
                    Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt
                    het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de
                    (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan
                    de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van
                    de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig
                    geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan
                    ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het
                    schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de
                    capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een
                    besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen,
                    dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het
                    schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder
                    onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het
                    bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het college vast
                    of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te
                    realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt
                    verminderd.</al><al/><al><vet>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</vet></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting
                    in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen
                    zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het
                    in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie
                    die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij
                    een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding
                    betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt
                    als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten
                    gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg
                    plaats tussen het bevoegd gezag en het college.</al><al/><al><vet>A.1.4 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van
                    het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de
                    kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel
                    is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>A.1.5 Inventaris </vet></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                    bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                    bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                    schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                    uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is
                    dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag
                    tot die datum aanspraak maakte.</al><al/><al><vet>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                    belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                    basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, of het aantal lesuren
                    voor een school voor voortgezet onderwijs kan worden ingeroosterd.</al><al/><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal bewegingsonderwijs is
                    gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd.
                    Of de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                    geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs.
                    Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van
                            de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                            gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op
                            hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk
                            geregistreerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt
                    geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                    bewegingsonderwijs.</al><al/><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al/><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat
                    op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de
                    school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                    vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de
                    leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte
                    noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs en een school voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het
                    aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte
                    per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op
                    een vaste voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al> de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met
                            spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al> de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al/><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                    bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal ongewogen
                    leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd
                    met 5,03 m<sup>2</sup> per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat
                    aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De
                    aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                    ruimtebehoefte. Onderdeel hiervan is een speellokaal.</al><al/><al><vet>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m<sup>2</sup>) en de som
                    van het aantal leerlingen dat op de speciale school voor basisonderwijs is
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 7,35 m<sup>2</sup><sup/>per leerling.
                    Heeft de speciale school voor basisonderwijs aanspraak op een speellokaal, dan
                    wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m<sup>2</sup>.</al><al/><al><vet>B.1.3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De
                    basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het
                    aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte
                    per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat
                    ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school
                    voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast
                    wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of
                    sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op
                    basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven
                    beschikking. </al><al/><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor
                    voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte
                    leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden
                    als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor
                    voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.</al><al/><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                    totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                    ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs of
                        eenspeciale school voor basisonderwijs is afhankelijk
                    van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school voor
                    basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het aantal
                    formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het college
                    hanteert bij het vaststellen van de materiële vergoeding. Beschikt de school
                    voor basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs niet over een
                    speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs
                    door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak
                    als de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                    geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al/><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit –
                            vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de
                                drempelwaarde<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref></al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li></lijst><al>- lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen
                    voorziening,</al><al>- gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen
                    van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> Drempelwaarde:</al><al>- 55 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor
                    basisonderwijs; </al><al>- 50 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening speciale school
                    voor basisonderwijs of voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs;</al><al>- 40 m2 bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een school
                    voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs, en</al><al>- 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2 voor een school
                    voor voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                    vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                    geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de
                    school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen
                    speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een
                    speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het college
                    hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de
                    noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een
                    huurvergoeding te betalen. Een speciale school voor basisonderwijs maakt
                    aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal als deze scholen
                    worden bezocht door leerlingen in de leeftijd tot zes jaar.</al><al/><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                    uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de
                    capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto
                    vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze
                    situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van
                    het aantal m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het
                    verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde
                    capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor,
                    dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende
                    uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn.
                    verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing
                    of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het
                    schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die
                    moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend
                    de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een
                    eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                    investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van
                    een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te
                    breiden. </al><al/><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                    voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte
                    minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande
                    capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk
                    van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt
                    onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de
                            totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening
                            gehouden met de drempel van 10%;</al></li><li nr="-"><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het
                            aantal m<sup>2</sup> dat de 10% overschrijdt, de aanvullende
                            ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de bestaande
                            capaciteit opvangen<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref>.</al></li></lijst><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref> LJN BW5954, Raad van State,
                    201107376/1/A2.</al><al/><al/><al><vet>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    </vet></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
                    De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte
                    periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                            huisvesting.</al></li></lijst><al/><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                    ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk
                    van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in
                    gebruik worden gegeven.</al><al/><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in
                    het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand
                    tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden
                    gerealiseerd.</al><al/><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                    schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                    oppervlakte voor een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                        basisonderwijsis opgenomen in deel D. Tot het terrein
                    behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een
                    kiss-en-ride-strook. </al><al/><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is
                    gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                    voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                    medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al/><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen
                    die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen. </al><al/><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                    </vet></al><al/><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                    bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij
                    moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPOen artikel 76m, derde lid,
                    van de WVOverplichten de gemeenteraad normen vast te stellen
                    voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden
                    toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft
                    een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke
                    voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen </al><al/><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de
                    gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting
                    (artikel 133 van de WPOen artikel 96c.1 van de
                        WVO<cursief>).</cursief> Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet
                    bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al><al/><al><vet>Deel A – Indexering</vet></al><al/><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                    prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                    normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                    MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                    gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad
                    gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).</al><al/><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al/><al><vet>Vergoeding voorbereidingskrediet</vet></al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om
                    een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                    voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van het normbedrag zoals
                    opgenomen in deze bijlage, of op percentage van het geraamde bedrag van de
                    feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                    vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al
                    beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag
                    van de vastgestelde bekostiging. </al><al/><al><vet>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                    kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn
                    incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                            basisonderwijs opgebouwd uit een:</al><lijst><li nr="1)"><al> startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte
                                    en</al></li><li nr="2)"><al> bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><lijst><li nr="1)"><al> vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                    spreidingsnoodzaak)</al></li><li nr="2)"><al> bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                    toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort
                                    (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto
                            vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                            vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                    voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                    worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                    vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al/><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van
                    de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor
                    bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal
                    en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen,
                    aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al/><al><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                    kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen
                    riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de
                    gemeente komen</al><al/><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door
                    middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een
                    tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw).
                    De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al/><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                    realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                    vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                            voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van
                            tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van
                    het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te
                    kopen lokalen.</al><al/><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op
                    de:</al><lijst><li nr="-"><al> kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van
                            de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt
                            toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar
                            verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);</al></li><li nr="-"><al> korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een
                            huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al> periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot
                            koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><al/><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs of
                    een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit een basisbedrag en een
                    bedrag per m<sup>2</sup>. </al><al/><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van
                    de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs
                    aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding
                    bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen
                            voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het
                            verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene
                            ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school
                            gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet
                            wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging heeft
                            ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt. Dit
                            verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                    bedragen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="3."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al/><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                    onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de
                    voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de
                    eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het
                    bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen
                    offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade.
                    Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden
                    gehouden met de kosten van technische advisering.<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref></al><al/><al/><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1"><sup>[1]</sup><sup/></extref><sup/>BD3606 Raad van State,
                    200705694/1.</al><al/><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het
                    college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat
                    uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke
                    middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de
                    vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan
                    de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een
                    vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt
                    vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen
                    volledig voor rekening van het bevoegd gezag. </al><al/><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt
                    alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet
                    onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>