<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR357571_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015 (2e wijziging)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2015, 8731</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015 (2e wijziging)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nr. 807-2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015
                (2e wijziging)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zeist;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18
                        november 2014;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet,</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de: </al><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerende-zaakbelastingen 2015 (2<sup>e</sup> wijziging)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen
                        de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a"><al> een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                                dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b"><al> een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                eigenarenbelasting.</al></li></lijst><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a"><al> gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel
                                in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft
                                gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                                aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b"><al> het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                                gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak
                                ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst><al>3 Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de
                                Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></li><li nr="2"><al> Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                                vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak
                                bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
                                krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet
                                waardering onroerende zaken.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                        geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van:</al><lijst><li nr="a"><al> ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor
                                de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                                voedingsbodem te gebruiken; </al></li><li nr="b"><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                                teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de
                                in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c"><al> onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d"><al> één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928 , met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e"><al> natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten
                                doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f"><al> openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; </al></li><li nr="g"><al> waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning; </al></li><li nr="h"><al> werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i"><al> werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                aan te merken;</al></li><li nr="j"><al> onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt
                                voor het geven van onderwijs; </al></li><li nr="k"><al> straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten
                                gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri’s, hekken en palen; </al></li><li nr="l"><al> plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                                zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige
                                onroerende zaken die dienen als woning; </al></li><li nr="m"><al> begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li></lijst><al>2 De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                        bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover
                        de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht.</al><al>3 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1328 %</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting:</al><al> 1 voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0911
                                %</al><al> 2 voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,1680 %</al></li></lijst><al>2 Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de
                        toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                        verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere
                        heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen
                                waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op
                                de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
                                de tweede twee maanden later.</al></li><li nr="2."><al> In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag
                                van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                                aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan , meer is
                                dan € 50,-, doch minder is dan € 5.000,-, en zolang de verschuldigde
                                bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden
                                afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel
                                gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het
                                aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen
                                worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal
                                termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. De eerste
                                termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en
                                elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al></li><li nr="3."><al> De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het
                                1<sup>e</sup> en 2<sup>e</sup> lid gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening op de heffing en invordering van onroerende
                                zaakbelastingen 2015’ van 11 november 2014, wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al> De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li><li nr="4."><al> Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2015 (2<sup>e</sup> wijziging)’. </al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 december 2014. </al></slotformulering><ondertekening>mr. J. Janssen, griffier drs. J.J.L.M. Janssen, voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>