<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>357566_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-18</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-98226">Gemeenteblad 2016, nr. 98226</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:issued>2015-07-02</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>no-risk polis, werkvoorzieningen, premie arbeidsinschakeling, detacheringsbanen en innovatie</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/92202</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zaanstad;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 december 2014, nr
                        262683;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al>gezien het advies van de Cliëntenraad Werk en Inkomen Zaanstad-Oostzaan</al><al>besluit vast te stellen de</al><al></al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstad 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li><li nr="-"><al>Scholings-begeleidingsvoucher: een vorm van subsidie om scholing
                                    en/of begeleiding mogelijk te maken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Budget- of subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college en de raad kunnen een of meer budget- of
                                subsidieplafonds voor de verschillende voorzieningen vaststellen.
                                Een vastgesteld budget- of subsidieplafond vormt een weigeringsgrond
                                bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning bij
                                de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door
                                het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de
                                voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van
                                de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op
                                inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                werkervaringsplaats aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring
                                of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkervaringsplaats, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li><li nr="c."><al>het aantal uren per week waarop activiteiten worden verricht
                                        en wat deze activiteiten inhouden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een werkervaringsplaats duurt maximaal zes maanden. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan de werkervaringsplaats ondersteunen met een
                                detacheringsovereenkomst. De werknemer wordt voor het verrichten van
                                arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt
                                vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de
                                werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en
                                inlenende organisatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing en begeleiding</titel></kop><al>Er zijn drie vormen van scholing/begeleiding 1,2 en 3:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkgever een eenmalige bijdrage, de
                                    scholings- begeleidingsvoucher, verstrekken bij het aanbieden
                                    van een arbeidsovereenkomst of werkervaringsplaats.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan een persoon uit de doelgroep direct
                                    scholing/begeleiding in een kans-sector in de economie aanbieden
                                    zonder dat er een koppeling aan werk of een werkervaringsplaats
                                    is.</al></li><li nr="3."><al>Het college biedt aan een persoon die in het kader van een
                                    participatieplaats werkzaamheden verricht, en niet over een
                                    startkwalificatie beschikt, na een periode van zes maanden
                                    scholing of opleiding aan. Het aanbod vindt alleen plaats nadat
                                    in voldoende mate uit onderzoek is gebleken dat de scholing of
                                    opleiding een reële bijdrage levert aan de toeleiding naar de
                                    arbeidsmarkt.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de doelgroep,
                                    duur van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de
                                    subsidie in lid 1 worden verbonden. Deze regels zijn vastgelegd
                                    in de subsidieregeling/beleidsregels
                                    ‘Scholings-begeleidingsvoucher Zaanstreek – Waterland’</al></li><li nr="5."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                    doelgroep, duur van de bijdrage, de hoogte en de verplichtingen
                                    die aan de bijdrages in lid 2 en 3 worden verbonden. Deze regels
                                    worden vastgelegd in beleidsregels.</al></li><li nr="6."><al>Voorgaande leden zijn niet van toepassing op personen als
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt
                                maximaal € 300 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal uren
                                per week dat door de uitkeringsgerechtigde is gewerkt in de te
                                beoordelen periode van zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Om in aanmerking te komen voor een premie verricht de
                                uitkeringsgerechtigde gemiddeld acht uur per week onbeloonde
                                additionele werkzaamheden. De maximale premie genoemd in het derde
                                lid wordt verstrekt bij een gemiddelde arbeidsduur van 36 uur per
                                week. De premie wordt naar rato gekort bij een lager aantal gewerkte
                                uren en verzuim. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de doelgroep behoort een persoon die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan met behulp van een screening en/ of verdiepende
                                diagnose beoordelen of een persoon uit de doelgroep uitsluitend in
                                een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden kan
                                werken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college organiseert voor deze doelgroep participatieplekken in
                                samenhang met (arbeidsmatige) dagbesteding en participatie
                                (WMO).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het aantal beschutte werkplekken tegen wettelijk
                                minimum loon (WML) (als bedoeld in artikel 10b van de wet)
                                vooralsnog vast op nul. In het geval dat het college op een later
                                tijdstip het aantal beschutte werkplekken vaststelt op een hoger
                                aantal dan nul, zijn de volgende bepalingen van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan de voorziening beschut werk tegen het WML
                                        aanbieden aan een persoon behorende tot de doelgroep zoals
                                        genoemd in lid 1. </al></li><li nr="b."><al>Wanneer het college besluit deze voorziening op WML aan te
                                        bieden, maakt het college uit de doelgroep een voorselectie.
                                        Bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt
                                        advies ingewonnen of de persoon uitsluitend mogelijkheden
                                        tot arbeidsparticipatie heeft in een beschutte omgeving
                                        onder aangepaste omstandigheden. Het college draagt personen
                                        pas voor bij het UWV als er plekken beschut werk op WML
                                        aangeboden worden. </al></li><li nr="c."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                        bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de
                                        volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke
                                        aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving,
                                        uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                        werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. </al></li><li nr="d."><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                        tegen WML en legt vast hoeveel plekken de gemeente
                                        beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het college
                                        met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de
                                        gemeente gelieerde bedrijven en andere reguliere
                                        werkgevers.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                                doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een
                                leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is
                                voor het volgen van een leer-werktraject en het personen
                                betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                        kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog
                                        niet is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                                        hebben behaald.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Jobcoaching/Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van begeleiding als hij zonder
                            persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken
                            te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Werkvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon behorend tot de doelgroep, die
                                arbeid verricht of gaat verrichten, werkvoorzieningen toekennen die
                                strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot
                                het verrichten van arbeid. Onder werkvoorzieningen worden verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de
                                        belanghebbende zijn werkplek kan bereiken;</al></li><li nr="b."><al>aard- en nagelvaste werkplekaanpassingen bij de werkgever
                                        ten behoeve van arbeidsgehandicapten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regels bepalen dat voor een voorziening
                                een eigen bijdrage is verschuldigd of dat een voorziening niet wordt
                                verstrekt of wordt beëindigd indien het (gezins)inkomen of vermogen
                                van de belanghebbende meer bedraagt dan een door het college vast te
                                stellen bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels inzake de voorwaarden, aard, inhoud
                                en omvang van de voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Aansprakelijkheid en ongevallen verzekering</titel></kop><al>Het college kan aan werkgevers een voorziening bieden voor de dekking
                            van aansprakelijkheid en ongevallen tijdens het onbetaalde werk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tijdens een proefperiode kan de werkgever kosteloos ontdekken of een
                                kandidaat geschikt is voor een vacature.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarde is dat de werkgever de intentie heeft de kandidaat na
                                een geslaagde proefplaatsing een arbeidsovereenkomst van minimaal 6
                                maanden aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maximale duur is gekoppeld aan de landelijke regelgeving van het
                                Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV) en de maximale
                                duur in de Participatiewet</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Jongerenvoucher</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgever een eenmalige subsidie verstrekken
                                voor het bieden van een (leer)werkplek aan een jongere tot 27 jaar.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de doelgroep, duur
                                van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie
                                worden verbonden. Deze regels zijn vastgelegd in een
                                subsidieregeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Stimuleringssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een tijdelijke loonkostensubsidie, de
                                stimuleringssubsidie, verstrekken aan werkgevers die met een persoon
                                die behoort tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de doelgroep, duur
                                van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie
                                worden verbonden. Deze regels zijn vastgelegd in
                                een<vet></vet>subsidieregeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Premie arbeidsinschakeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of twee maal per jaar een premie toekennen aan
                                iemand van de doelgroep, voor zover dit naar het oordeel van het
                                college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de hoogte en de
                                voorwaarden die aan de premie worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                dienstverband aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een organisatie aanwijzen die in opdracht van of
                                namens de gemeente het werkgeverschap voor de banen, zoals bedoeld
                                in het eerste lid, uitvoert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een organisatie. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlenende
                                organisatie, als tussen de werknemer en de inlenende
                                organisatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan een persoon uit de doelgroep een vergoeding verstrekken
                            voor noodzakelijke extra kosten die gemaakt worden in het kader van een
                            traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Innovatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en
                                toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen,
                                afwijken van het bepaalde in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten
                                hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening
                                kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot
                                aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening arbeidsinschakeling Zaanstad 2013 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening arbeidsinschakeling Zaanstad 2013, totdat het
                                college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee
                                deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van artikel 9.2.2 Proefplaatsing in de ‘beleidsregels
                                werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2013’ vervalt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking in
                                    het gemeenteblad. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet Zaanstad 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden groepen. Dit leent zich niet tot het
                    formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn.
                    Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands
                    mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend
                    re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om
                    op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de
                    Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                    ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college
                    in ieder geval kan aanbieden.</al><al></al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al></al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al></al><al></al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al></al><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b, van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid,
                            onderdelen b, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b, van de
                            WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;en, die voor de arbeidsinschakeling zijn
                            aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.</al><al></al></li></lijst><al></al><tussenkop>Artikel 2 Budget- of subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in een beleidsplan
                    gebeuren. De gemeente moet naar aanleiding van een aanspraak op ondersteuning
                    altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren.
                    Daarnaast kan per voorziening een plafond worden ingebouwd. Dit laat de
                    mogelijkheid open dat er naar een ander/goedkoper instrument/voorziening wordt
                    uitgeweken. Het is uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er
                    überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op
                    het te bereiken doel: arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.</al><al></al><tussenkop>Artikel 3. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening aangeven hoe de verdeling is van de voorzieningen
                    over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                    functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                    gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen
                    van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                    inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag
                    is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                    personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op
                    voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 3, vierde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al></al><tussenkop>Artikel 4. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). </al><al></al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke
                    gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in dit
                    artikel. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                    geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7,
                    eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een
                    uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a,
                    vijfde lid, onderdelen b, 35, vierde lid, onderdelen b en 36, derde lid,
                    onderdelen b, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment waarop deze
                    persoon twee jaar lang zonder loonkostensubsidie het wettelijk minimumloon heeft
                    verdiend. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al></al><tussenkop>Artikel 5. Werkervaringsplaats</tussenkop><al>Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.
                    Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                    toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                    arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                    gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                    bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De
                    rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                    overeenkomst.</al><al></al><al>Werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden kennis en ervaring.</al><al> De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkervaringsplaats weliswaar sprake is
                    van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op
                    het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkervaringsplaats in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met
                    het verstrekken van een gerichte vergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel
                    een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een
                    vergoeding van gemaakte kosten.</al><al></al><al>Doelgroep aanbieden werkervaringsplaats </al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats
                    aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is
                    vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of in een
                    bepaalde sector of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langer durende
                    werkloosheid.</al><al></al><al>Doel van de werkervaringsplaats</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                    werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                    geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat
                    sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                    afdwingt.</al><al></al><al>De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan
                    om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                    zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te
                    bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats
                    kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                    werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                    komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al></al><al> Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de werkervaring
                    worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkervaringsplaats
                    niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al></al><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkervaringsplaats uitsluitend wordt
                    verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen
                    van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door
                    afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al></al><al>In het zesde lid is bepaald dat het college de werkervaring kan ondersteunen met
                    een detacheringsovereenkomst. Hiermee worden de mogelijkheden voor kandidaten
                    vergroot om werkervaring op te doen.</al><al></al><tussenkop>Artikel 6. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al></al><al>Begrip sociale activering </al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al></al><al>Doelgroep sociale activering </al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering. (artikel 6, eerste lid).</al><al></al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.</al><al></al><al> College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, is een al te rigide
                    termijn moeilijk.</al><al></al><al>Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 5.</al><al></al><tussenkop>Artikel 7. Scholing</tussenkop><al></al><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al></al><al><cursief>Jongeren</cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet). </al><al></al><al><cursief>Subsidiemogelijkheid voor scholing –begeleiding voor
                        werkgevers.</cursief></al><al>Lid 1 is uitgewerkt in een Subsidieregeling Scholings-begeleidingsvoucher voor
                    werkgevers.</al><al></al><al><cursief>Scholing/begeleiding zonder koppeling aan werk of
                        werkervaringsplaats</cursief></al><al>Lid 2 biedt naast de subsidiemogelijkheden die er zijn voor werkgevers voor
                    scholing/begeleiding de interne mogelijkheid dat een kandidaat een opleiding in
                    een kans-sector van de economie volgt zonder dat er een koppeling aan werk of
                    werkervaringsplaats is. Deze mogelijkheid vergroot de kansen op een baan voor de
                    kandidaat. De scholing zonder baangarantie wordt gekoppeld aan kans-sectoren in
                    de economie, sectoren waar vraag is of zal ontstaan. Een kans-sector in de
                    economie is een sector die benoemd is vanuit de regionale arbeidsmarktanalyse
                    tot groeisector. </al><al>Denk bij deze scholing/begeleiding bijv. aan het ondersteunen van
                    branchegerichte initiatieven. Er vindt een beoordeling plaats op
                    arbeidsmarktrelevantie van de branche/sector gerichte scholing. </al><al></al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Lid 3 wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                    participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college
                    aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes
                    maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of
                    opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.
                    Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te
                    bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                    bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of
                    opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet.</al><al></al><al></al><tussenkop>Artikel 8. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                    ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al></al><al>Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al></al><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is
                    gekozen voor een premie van telkens maximaal € 300 per zes maanden. Inschatting
                    is dat dit een bedrag is dat niet zal leiden tot armoedeval bij aanvaarding van
                    een baan (Het betreft geen substantiële verhoging van het maandelijks
                    besteedbare inkomen).</al><al></al><al></al><tussenkop>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>De gemeenteraad moet in een verordening regels stellen over de voorziening
                    beschut werk (artikel 8a lid 1 onderdeel e van de Participatiewet). De gemeente
                    kiest ervoor om geen voorziening beschut werk tegen ten minste het WML aan te
                    bieden, maar om op zoek te gaan naar alternatieven hiervoor. De reden hiervoor
                    is dat slechts een klein deel van de doelgroep via deze relatief dure
                    voorziening, waarbij een langdurige financiële verplichting wordt aangegaan,
                    geholpen kan worden. Terwijl met ditzelfde budget een grotere groep geholpen kan
                    worden, die ondersteuning nodig heeft bij het invullen van een (arbeidsmatige)
                    participatieplek. Zo wordt voorkomen dat er een groep binnen de doelgroep van de
                    Participatiewet ontstaat met een aparte status, dit zorgt voor
                    rechtsongelijkheid.</al><al>Beoogd wordt om samen met partners in de gemeente plekken te creëren waar mensen
                    kunnen werken of een betekenisvolle dagbesteding kunnen krijgen. Het college
                    creëert beschutte plekken in samenhang met arbeidsmatige dagbesteding en
                    participatie (WMO). Op deze manier maakt het college gebruik van de bestaande
                    infrastructuur en de kennis en expertise van de doelgroep die in de gemeente
                    aanwezig is. </al><al></al><al>Lid 1. Het gaat hierbij om personen die door hun lichamelijke, verstandelijke of
                    psychische beperking een zodanig hoge mate van (structurele) begeleiding of
                    aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat redelijkerwijs niet van een
                    reguliere werkgever mag worden verwacht dat hij deze personen in dienst neemt,
                    óók niet met extra voorzieningen van de gemeente.</al><al></al><al>Lid 2. De gemeente kan voor personen bij wie de screening nog niet is gebeurt,
                    een screening en/of verdiepende diagnose inzetten om te onderkennen of iemand
                    aangewezen is op een beschutte omgeving. Dit betreft bijv. personen van wie nog
                    niet vanuit onderwijs of andere instellingen bekend is met welke problematiek
                    zij kampen en wat daarvoor een maatwerk participatieplek is.</al><al></al><al>Lid 3. Het college maakt gebruik van de wettelijke ruimte om beschut werk
                    ‘nieuw’ op een andere manier in te vullen dan bepaald in de wet en stelt het
                    aantal beschutte werkplekken, waarbij verplicht een dienstbetrekking met
                    tenminste WML of cao-loon moet worden aangeboden, op nul. We willen maatwerk
                    bieden, waarbij we individueel kijken naar de (ontwikkel)mogelijkheden, de
                    beperkingen en motivatie van iemand. Dit willen we verbinden met wat gevraagd
                    wordt in de wijk.</al><al></al><al>Lid 4. Het college behoudt met dit lid de mogelijkheid om flexibel te zijn bij
                    de vormgeving van beschut wanneer landelijke besluitvorming daarom vraagt. Dit
                    kan dan bij de Programmabegroting.</al><al></al><tussenkop>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al></al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.</al><al></al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door een leer-werktraject
                    alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al></al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al></al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop>Artikel 11. Jobcoaching/Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><al></al><tussenkop>Artikel 12 Werkvoorzieningen</tussenkop><al>Werkvoorzieningen zijn bedoeld voor belanghebbenden met een arbeidshandicap, die
                    een voorziening nodig hebben om te kunnen werken. Hierbij kan men denken
                    aan:</al><lijst><li nr="1."><al>a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de belanghebbende zijn
                            werkplek kan bereiken;</al></li><li nr="2."><al>b. werkplekaanpassingen arbeidsgehandicapten, aard en nagelvast;</al></li><li nr="3."><al>c. landelijk geregelde intermediaire voorzieningen (zoals doventolk of
                            voor visueel en motorisch gehandicapten).</al></li><li nr="4."><al>d. landelijk geregelde meeneembare voorzieningen voor de werknemer voor
                            het geschikt maken van de arbeidsplaats, op het individu afgestemde
                            hulpmiddelen;</al></li></lijst><al>De verstrekking van c. de intermediaire voorziening ‘doventolk’ en d. de
                    meeneembare voorzieningen voor de werknemer worden landelijk uitgevoerd door het
                    UWV. De aanspraak is niet jegens het college, het college toetst niet en neemt
                    geen besluit. Een persoon kan zich wel wenden tot de gemeente en kan in
                    samenspraak met de gemeente een aanvraag indienen bij het UWV. Voorbeelden van
                    meeneembare voorzieningen zijn: brailleleesregel bij computer; aangepast bureau
                    of speciale bureaustoel.</al><al></al><al>Eerste lid, onder b:</al><al>Voorbeelden van een werkplekaanpassing zijn een rolstoeltoegankelijke werkruimte
                    of een traplift of aangepast toilet.</al><al></al><tussenkop>Artikel 14 Proefplaatsing</tussenkop><al>De proefplaatsing kan ingezet worden om belemmeringen bij werkgevers weg te
                    nemen ten aanzien van het in dienst nemen van personen uit de doelgroep. Door
                    dit instrument kan de werkgever in de dagelijkse praktijk toetsen of de
                    kandidaat geschikt is voor de vacature.</al><al></al><al>Voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie kan de
                    proefplaatsing gebruikt worden om een beeld te krijgen van de productiviteit van
                    de werknemer op de werkplek, en daarmee van zijn of haar loonwaarde. Verder kan
                    in deze periode worden bekeken of nog andere voorzieningen moeten worden
                    ingezet. </al><al></al><tussenkop>Artikel 15 Jongerenvoucher </tussenkop><al>De jongerenvoucher is een eenmalige subsidie bedoeld om werkgevers te stimuleren
                    een baan of leerwerkplek aan te bieden aan een (kwetsbare) jongere tot 27 jaar.
                    De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in de salariskosten of als een
                    bijdrage in opleiding- en/of begeleidingskosten. </al><al>Door het inzetten van deze voorziening doet de doelgroep werkervaring op, wordt
                    instroom in de bijstand voorkomen dan wel uitstroom gerealiseerd, of wordt een
                    leerwerkplek gerealiseerd die noodzakelijk is om een opleiding te volgen of af
                    te maken.</al><al></al><tussenkop>Artikel 16 Stimuleringssubsidie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al></al><al>De in dit artikel opgenomen stimuleringssubsidie is niet gericht op personen met
                    een arbeidsbeperking, maar ondersteunt kwetsbare personen in de doelgroep. De in
                    dit artikel van deze verordening geregelde stimuleringssubsidie is een andere
                    subsidie dan bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De
                    laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet voor
                    personen met een arbeidsbeperking van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse
                    arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon. De
                    loonkostensubsidie kan niet tegelijkertijd worden verstrekt met de
                    stimuleringssubsidie. </al><al></al><al>Compensatie</al><al>Het doel van de subsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor
                    een persoon ten minste het minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever
                    iemand niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een subsidie aan de
                    werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                    compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                    bewerkstelligen. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als er geen verdringing
                    van de arbeidsmarkt plaatsvindt (Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel
                    5).</al><al></al><al><cursief>Artikel 17 </cursief><cursief>Premie arbeidsinschakeling</cursief></al><al>De gemeente kan een kandidaat een een- of tweemalige premie geven met een door
                    de wet gesteld maximum (€ 2.366,00 in 2016) per kalenderjaar. Dit kan voor zover
                    de premie naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
                    De premie is onbelast als aan voorwaarden (o.a. belastingregelgeving) wordt
                    voldaan: 1. het gaat om een eenmalige betaling en 2. de bijstandsgerechtigde
                    heeft geen vrijwilligersvergoeding. Een premie kan bijvoorbeeld verstrekt worden
                    om werkaanvaarding te stimuleren. </al><al>Wettelijk gezien is de doelgroep: personen van 27 jaar of ouder. </al><al></al><al><cursief>Artikel 18 Detacheringsbanen</cursief></al><al>Dit artikel regelt dat de gemeenten op basis van de verordening de mogelijkheid
                    hebben om gebruik te maken van het aanbieden van dienstverbanden en het
                    detacheren van werkzoekenden met een Participatiewetuitkering.</al><al></al><al><cursief>Artikel 19</cursief><cursief> Overige voorzieningen</cursief></al><al>Gedurende de periode dat een uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling en er in verband hiermee extra kosten
                    opkomen die niet op een andere manier worden vergoed, zoals bijvoorbeeld
                    reiskosten, kan het college hiervoor een vergoeding verstrekken. Deze vergoeding
                    voorkomt dat het besteedbaar inkomen van een persoon daalt wanneer hij gebruik
                    maakt van een voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling. </al><al></al><al><cursief>Artikel 20 Innovatie</cursief></al><al>Omdat de transities in het sociale domein kansen bieden voor innovatie, gaat de
                    gemeente samen met partners; o.a. de sociale wijkteams, onderwijs, het SW
                    bedrijf en aanbieders van dagbesteding kijken naar nieuwe vormen van
                    ondersteuning. We willen leren om optimaal gebruik te maken van de
                    decentralisaties zodat we het als partners mogelijk maken dat meer mensen kunnen
                    participeren. </al><al>Er wordt met deze werkwijze geïnvesteerd in lokale vormen van
                    maatwerkbegeleiding die liggen op snijvlakken van de drie decentralisaties.</al><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>