Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Langedijk

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLangedijk
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingAfstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015
CiteertitelAfstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp
Externe bijlageToelichting Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2011.

Artikel 20 bevat een hardheidsclausule. 

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 147, lid 1
  2. Participatiewet, art. 8, lid 1
  3. Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35
  4. Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201530-09-2016nieuwe regeling

16-12-2014

Elektronisch Gemeenteblad, 2014, 81505

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015 

De raad van de gemeente Langedijk;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2014, nummer 81;

gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, artikel 8 eerste lid, aanhef onderdeel a en e en artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

b e s l u i t :

de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015 vast te stellen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      het college het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk;

    • b.

      IOAW Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze

      werknemers;

    • c.

      IOAZ Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte

      gewezen zelfstandigen;

    • d.

      Norm toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de

      Participatiewet, de toegekende bijzondere bijstand voor levensonderhoud

      overeenkomstig artikel 12 en 13, derde lid van de Participatiewet of de

      grondslag van de voorziening als bedoeld in artikel 5 van de IOAW/IOAZ, voor

      zover er sprake is van een voorziening op grond van de IOAW/IOAZ;

    • e.

      uitkering uitkering voor levensonderhoud ingevolge de Participatiewet;

    • f.

      voorziening uitkering ingevolge de IOAW/IOAZ;

    • g.

      afstemmen het verlagen van de norm als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid en artikel 18 van de Participatiewet, artikel 20 of artikel 38, twaalfde lid van de IOAW/IOAZ.

Artikel 2. Mate van verlaging

De verlaging vindt plaats met inachtneming van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid van de Participatiewet of van de voorziening als bedoeld in artikel 20 en 38, twaalfde lid van de IOAW/IOAZ wordt in ieder geval vermeld:

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    het percentage waarmee de norm wordt verlaagd en;

  • d.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaard verlaging.

Artikel 4. Het horen van de belanghebbende

  • 1.

    Voordat de norm wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van de belanghebbende kan achterwege gelaten worden indien:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      de belanghebbende schriftelijk aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 5. Afzien van het verlagen van de norm

  • 1.

    Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het verlagen van de norm indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Indien het college geheel of gedeeltelijk afziet van het verlagen van de norm op grond van dringende redenen wordt de belanghebbende daarvan middels een besluit op de hoogte gesteld.

Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    Een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de maand, waarin het besluit tot het toepassen van de verlaging aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Indien over deze periode de norm reeds is verlaagd of er geen recht op de uitkering of voorziening bestaat wegens inkomsten boven de norm in die maand, vindt de verlaging aansluitend op deze periode plaats. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan bij een nieuwe aanvraag de norm worden verlaagd vanaf de datum van ingang van de uitkering of voorziening. De norm hoeft dan niet te worden herzien.

  • 3.

    Als een verlaging niet of niet geheel (meer) ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging van de uitkering of voorziening, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen 90 dagen opnieuw eenzelfde uitkering of voorziening aanvraagt.

Artikel 7. Berekeningsgrondslag

Een verlaging wordt berekend over de norm.

Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 8. Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een belanghebbende, waardoor de verplichting op grond van artikel 9, artikel 9a en artikel 17, tweede lid van de Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    • a.

      het niet (tijdig) als werkzoekende geregistreerd zijn of het niet tijdig verlengen van de registratie bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV);

    • b.

      het binnen de zoektijd van 4 weken toch aanvragen van een uitkering, terwijl geen sprake is van de uitzondering als vermeld in artikel 41, zesde en achtste lid van de Participatiewet.

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven tijd, datum en plaats te verschijnen;

    • b.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;

    • c.

      het te laat komen op de werkplek voor het verrichten van naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de Participatiewet.

  • 3.

    Derde categorie:

    • a.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak, genoemd in artikel 44a van de Participatiewet;

    • b.

      het onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder sociale activering, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet;

    • c.

      het niet tijdig of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet;

    • d.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet.

  • 4.

    Vierde categorie:

    • a.

      het tijdens de zoektijd van 4 weken als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de Participatiewet niet naar vermogen solliciteren en/of zoeken naar mogelijkheden binnen het ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs;

    • b.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet.

Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor de algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van artikel 13, tweede lid, artikel 37 en artikel 38 van de IOAW/IOAZ niet (tijdig) of onvoldoende wordt nagekomen of er sprake is van het betonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie:

    het niet (tijdig) als werkzoekende geregistreerd zijn of het niet tijdig verlengen van de registratie bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het te laat komen op de werkplek voor het verrichten van naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden;

    • b.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid van IOAW/IOAZ;

    • c.

      het te laat komen op een afspraak al dan niet bij een derde met als doel een oproep in verband met de arbeidsinschakeling.

  • 3.

    Derde categorie:

    • a.

      het niet verschijnen op een afspraak op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de arbeidsinschakeling;

    • b.

      het niet (tijdig) of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • c.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid onderdeel e van de IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

    • d.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW/IOAZ.

  • 4.

    Vierde categorie:

    • a.

      het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • b.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • c.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a of b van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onderdeel a of b van de IOAZ;

    • d.

      overige gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren.

Artikel 10. Hoogte en duur van een verlaging

  • 1.

    Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9, vastgesteld op:

    • a.

      10% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie;

    • d.

      100 % van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.

  • 2.

    Het percentage van de afstemming als bedoeld in het eerste lid onderdeel a tot en met c van dit artikel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering of voorziening is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan het niet, niet tijdig of onvolledig nakomen van een verplichting van dezelfde of een hogere categorie.

  • 3.

    De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid onderdeel d, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering of voorziening is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 11. Duur van een verlaging

  • 1.

    Als belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de norm gedurende:

    • a.

      één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g van de Participatiewet;

    • b.

      twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h van de Participatiewet.

  • 2.

    De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a van dit artikel wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging.

  • 3.

    De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b van dit artikel bedraagt drie maanden indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet, wordt toegepast in andere dan de in artikel 8 van deze verordening vermelde situaties.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging voor de navolgende situaties vastgesteld op:

    • a.

      het percentage en de duur, waarmee een uitkering krachtens een werknemersverzekering of sociale voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering wegens een verwijtbare gedraging is verlaagd;

    • b.

      20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat te snel op het vermogen is ingeteerd indien de belanghebbende op onverantwoorde wijze de middelen, waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, heeft aangewend behoudens het gestelde onder c en d van dit artikel;

    • c.

      20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat belanghebbende aanspraak moet maken op een uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van een erfenis, waarmee hij, bij aanvaarding daarvan, zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan had kunnen voorzien;

    • d.

      20% van de norm gedurende ten hoogste het aantal maanden dat belanghebbende (volledig) aanspraak moet maken op een uitkering vanwege het verwijtbaar afzien van het hem toekomende deel van de boedel in het kader van een echtscheiding, waarmee hij (deels) zelf in de noodzakelijke bestaanskosten had kunnen voorzien;

    • e.

      50% van de norm gedurende de periode dat belanghebbende verwijtbaar geen recht heeft op een inkomen uit door Rijks’ kas bekostigd onderwijs;

    • f.

      100% van de norm gedurende één maand, indien belanghebbende door de gedraging verwijtbaar geen recht heeft op een uitkering krachtens een werknemersverzekering, een sociale voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomend buitenlandse regeling of private verzekering;

    • g.

      100% van de norm gedurende ten hoogste drie maanden, indien de belanghebbende door een (boetewaardige) gedraging verwijtbaar geen of geen volledige uitbetaling krijgt van een uitkering krachtens een werknemersverzekering, volksverzekering of sociale voorziening, waardoor hij aanspraak heeft moeten maken op een uitkering;

    • h.

      100% van de norm gedurende ten hoogste drie maanden, indien de belanghebbende anderszins blijk geeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

  • 3.

    Het percentage van de afstemming als bedoeld in voorgaand lid, onderdeel a tot en met e, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.

  • 4.

    De duur van de afstemming als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f tot en met h van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.

Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen

  • 1.

    Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door verbaal geweld, of discriminatie tegenover personen of instanties, die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet of de IOAW/IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel g, wordt, onverminderd artikel 2 van deze verordening, de uitkering of voorziening verlaagd met 50% van de norm gedurende een maand.

  • 2.

    Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt door intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek geweld (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie van agressievormen tegenover personen of instanties, die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet of de uitvoering van de IOAW/IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel g, wordt, onverminderd artikel 2 van deze verordening, de uitkering of voorziening verlaagd met 100% van de norm gedurende een maand.

  • 3.

    De duur van de afstemming als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.

  • 4.

    Indien de belanghebbende zich na een afstemming, zoals bedoeld in voorgaand lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie, dan zullen de hoogte en de duur van de afstemming door het college individueel worden bepaald.

Artikel 14. Niet nakomen van overige verplichtingen

  • 1.

    Indien een belanghebbende één of meerdere door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet (tijdig) of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2 van deze verordening wordt de verlaging voor de duur van een maand vastgesteld op:

    • a.

      10% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan betaling in natura van een deel van de uitkering in situaties zoals bedoeld in artikel 57 sub b van de Participatiewet;

    • b.

      20% van de norm bij het niet verschijnen op een voorlichtingsbijeenkomst in het kader van een aanvraag van een uitkering;

    • c.

      20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan het in naam van de belanghebbende doen van door het college noodzakelijk geachte doorbetalingen aan derden/instanties uit de toegekende uitkering in situaties zoals bedoeld in artikel 57 sub a van de Participatiewet;

    • d.

      20% van de norm bij het niet voldoen aan de verplichtingen die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan de uitkering verbonden rente- en aflossings-verplichtingen (artikel 48, derde lid van de Participatiewet);

    • e.

      20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan de verplichting tot het verkrijgen van de maximaal haalbare partner- en/of kinderalimentatie;

    • f.

      20% van de norm bij het niet verlenen van medewerking aan het aangaan dan wel het tot stand komen van een (wettelijk) schuldhulpverleningstraject;

    • g.

      50% van de norm bij het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de in het kader van een (wettelijk) schuldhulpverleningstraject opgelegde verplichtingen;

    • h.

      50% van de norm bij het anderszins niet of niet onvolledig nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet.

  • 4.

    Het percentage of de duur van de afstemming als bedoeld in voorgaand lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering is afgestemd, opnieuw schuldig maakt aan het niet, niet (tijdig) of onvolledig nakomen van een verplichting van dezelfde of een hogere categorie.

Hoofdstuk 5. Samenloop

Artikel 15. Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen, die het niet, niet volledig of te laat nakomen van een verplichting verbonden aan de uitkering of voorziening tot gevolg heeft, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de afstemming uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste mate van verlaging is gesteld.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan het college bij een cumulatie van verschillende gedragingen, of een herhaling daarvan, met inachtneming van het gestelde in deze verordening de uitkering of voorziening afwijkend verlagen op grond van deze verordening. Deze afwijkende verlaging vindt niet plaats indien dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 16. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de voorziening op grond van artikel 20, eerste lid van de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Hoofdstuk 6. Handhaving

Artikel 17. Bestrijding oneigenlijk gebruik en misbruik van de uitkering of voorziening

  • 1.

    Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten.

  • 2.

    De gemeenteraad stelt iedere vier jaar een handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven.

  • 3.

    Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving iedere vier jaar een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader.

  • 4.

    Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.

  • 5.

    Het college rapporteert eenmaal per jaar aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en –prioriteiten, zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.

Artikel 18. Aangifte Openbaar Ministerie

Leidt het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet respectievelijk artikel 13, eerste lid van de IOAW/IOAZ tot een benadelingsbedrag dat hoger is dan de aangiftegrens, dan is het college verplicht proces verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 19. Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 20. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 21. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015.

  • 2.

    De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2011 wordt ingetrokken.

Artikel 22. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Langedijk 2015.

Aldus vastgesteld door de raad van de

gemeente Langedijk in zijn openbare

vergadering van 16 december 2014.

De voorzitter,

drs. J.F.N. Cornelisse

De griffier,

J.van den Bogaerde