<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356997_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-82245.html">Elektronisch gemeenteblad, 2014, 82245</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8, lid 1, aanhef en onderdeel a </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-12-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Afstemmingsverordening Uitkeringen 2013 Ridderkerk wordt ingetrokken.</al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeenteRidderkerk;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al/><al>gezien het advies van de Commissie Samen leven van 2 december 2014;</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk
                            2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm:</al><lijst><li nr="1°"><al> toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel c, van de Participatiewet, of</al></li><li nr="2°"><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover
                                            sprake is van een uitkering op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen.</al></li><li nr="-"><al>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de bezittingen waarover
                                    belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                    beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                                    bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste
                                    lid, van de Wet werk en bijstand;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de
                            Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                            maken.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al> de gedraging meer dan 1 jaar voor constatering daarvan
                                            door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                    redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de
                                    hoogte gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad
                                of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                                verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                                uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al> het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="2°."><al> het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="3°."><al> het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="4°."><al> het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning
                                    voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al> het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2°."><al> het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e,
                                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3°. "><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38,
                                            eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="4°."><al> het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1°."><al> het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2°."><al> het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3°."><al> het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="4°."><al> het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen
                                            36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit
                                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>10%</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>1 maand</vet>
                                    bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al><vet>100%</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>1
                                        maanden</vet> bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al><vet>100%</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>2
                                        maanden</vet> bij gedragingen van de derde categorie.</al></li><li nr="d."><al>Op verzoek van belanghebbende wordt de verlaging onder b
                                    verspreid over 2 maanden van 50%, en de verlaging onder c over 3
                                    maanden van 66,67%.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>één maand</vet>, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18,
                                    vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al><vet>twee maanden</vet>, bij gedragingen als bedoeld in artikel
                                    18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de
                                    Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, kan de
                                verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de
                                maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de
                                verlaging wordt toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, wordt op
                                verzoek van belanghebbende de verlaging toegepast over drie maanden
                                waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee
                                daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt
                                toebedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende twee
                                        maanden, indien belanghebbende verwijtbaar geen of geen
                                        volledig recht heeft op een uitkering krachtens een sociale
                                        verzekering of daarmee naar aard en doel overeenkomende
                                        buitenlandse regeling of private verzekering, of een andere
                                        voorziening die voorziet in middelen voor levensonderhoud,
                                        dan wel het verwijtbaar verliezen van een zodanig
                                        recht;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm of grondslag, gedurende de periode
                                        dat belanghebbende een beroep doet op bijstand als gevolg
                                        van boetewaardige gedragingen;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende de periode
                                        die belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen
                                        indien hij op verantwoordelijke wijze de middelen waarover
                                        hij beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben
                                        aangewend;</al></li><li nr="d."><al>Als de gevestigde zelfstandige voorafgaand aan de aanvraag
                                        Bbz 2004 tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                        heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de
                                        WWB, wordt als maatregel artikel 21, eerste en tweede lid
                                        Bbz 2004 niet toegepast (kapitaal- en rentereductie).</al></li><li nr="e."><al>als de periode onder b en c vanwege dringende redenen korter
                                        wordt vastgesteld dan de betreffende bijstandsperiode, dan
                                        wordt voor het overige deel van de oorspronkelijk
                                        vastgestelde periode een verlaging toegepast van 10% van de
                                        bijstandsnorm of grondslag</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een verlaging opgelegd van </al><lijst><li nr="a."><al><vet>100 procent</vet> van de bijstandsnorm gedurende
                                            <vet>één maand</vet> bij zeer ernstige gedragingen.</al></li><li nr="b."><al><vet>100 procent</vet> van de bijstandsnorm gedurende
                                            <vet>drie maanden</vet> bij zeer ernstige gedragingen
                                        die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de
                                        desbetreffende persoon of personen grote invloed
                                        hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van </al><lijst><li nr="a."><al><vet>100 procent</vet> van de bijstandsnorm gedurende
                                            <vet>één maand</vet> bij zeer ernstige gedragingen.</al></li><li nr="b."><al><vet>100 procent</vet> van de bijstandsnorm gedurende
                                            <vet>drie maanden</vet> bij zeer ernstige gedragingen
                                        die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de
                                        desbetreffende persoon of personen grote invloed
                                        hebben.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>100 procent</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>1
                                        maand</vet>, bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, bij het
                                    niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
                                    houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                    bijstand, en bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    verplichtingen die strekken tot vermindering van de
                                    bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>100 procent</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>twee
                                        maanden</vet>, bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                    verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
                                    bijstand.</al></li><li nr="c."><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 14, onderdeel a, kan de
                                    verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan
                                    de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft
                                    van de verlaging wordt toebedeeld.</al></li><li nr="d."><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 14, onderdeel b, wordt
                                    op verzoek van belanghebbende de verlaging toegepast over drie
                                    maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee
                                    daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt
                                    toebedeeld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede en derde lid, 8,
                                tweede en derde lid, 12, tweede lid onder a, 13 of 14, eerste en
                                tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
                                gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld, of, indien dat het geval is, ten opzichte van de duur
                                van de verlaging die na eventuele heroverweging (Participatiewet,
                                artikel 18, lid 3) of herziening (Participatiewet, artikel 18, lid
                                11) is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 12, tweede lid, onder b, c, en
                                d opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging met een maand
                                verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid en tweede lid,
                                of 8, eerste en tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de
                                oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke
                                verlaging verdubbeld, of, indien dat het geval is, ten opzichte van
                                de duur van de verlaging die na eventuele heroverweging
                                (Participatiewet, artikel 18, lid 3) of herziening (Participatiewet,
                                artikel 18, lid 11) is vastgesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening Uitkeringen 2013 Ridderkerk wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Ridderkerkvan 11 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. J.G. van Straalen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mw. A. Attema</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><titel>Voorwoord</titel></kop><al>Met de Wwb-maatregelen heeft de overheid beoogd om het niet nakomen van
                        verplichtingen landelijk te uniformeren, en daardoor grote verschillen
                        tussen gemeenten tegen te gaan. Daartoe is aangegeven welke gedragingen (de
                        ge-uniformeerde verplichtingen) welke verlaging tot gevolg zou moeten
                        hebben. Vastgesteld moet worden dat de landelijke wetgever hiermee heeft
                        aangegeven het niet nakomen van verplichtingen zwaarder te wegen dan
                        voorheen, en heeft tevens een meer activerende rol beoogt voor het
                        maatregelenbeleid. Enige gemeentelijke beleidsvrijheid is mogelijk gelaten
                        met betrekking tot o.a. de hoogte van de niet ge-uniformeerde gedragingen,
                        de duur van de verlaging (1 tot 3 maanden), en kan er binnen de kaders
                        maatwerk geleverd worden. </al><al>Doordat voor de schending van de ge-uniformeerde verplichtingen landelijk
                        een norm is vastgesteld, kan de verlaging van andere verplichtingen hierop
                        worden afgestemd. Daarvoor is in deze verordening gekozen. Als indicator
                        voor deze afstemming geldt de invloed van de gedraging op de voortgang van
                        het re-integratietraject en het doelperspectief. Op die manier kan ervoor
                        gezorgd worden dat gedragingen, met eenzelfde nadelig effect op het
                        re-integratietraject, op een gelijke manier worden gewogen.</al><al>Het doel van het verlagen van de uitkering is vooral het bewerkstelligen van
                        een gedragsverandering. Om die reden kan bij verlagingen over een langere
                        periode dan 1 maand een verlaging herbeoordeeld of herzien worden als de
                        persoon aantoonbaar zijn verwijtbare gedraging hersteld heeft.</al></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al><cursief>Rechten en plichten in de Participatiewet</cursief></al><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling
                        van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                        rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                        vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                        kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden
                        aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                        uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen
                        van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                        benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                        verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij
                        moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                        omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                        Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                        uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan
                        de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                        uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering
                        niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare
                        middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de
                        verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de
                        bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een
                        rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                        verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                        uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet
                        het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij
                        de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke
                        omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college
                        kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende
                        reden aanwezig acht. Een zorgvuldige beoordeling is vanwege de uitbreiding
                        van de doelgroep van groot belang.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                        Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor
                        schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet
                        worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de
                        verordening de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van
                        de Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                        verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen
                        ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                        afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of
                        vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan
                        is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing
                        te laten in geval van recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking
                        of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                        beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij
                        een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden
                        genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                        worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                        belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                        uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat
                        sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding
                        bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.
                        Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet (heroverweging) is naar
                        oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                        toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                        aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid,
                        van de Participatiewet van toepassing (herziening). Verschil tussen artikel
                        18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat
                        artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom
                        vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie
                        voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer
                        ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                        feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd.
                        Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als
                        sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld:
                        belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien
                        kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste
                        drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals
                        bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de
                        bijstand kan worden verlaagd.</al><al> In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                        afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld
                        bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een
                        strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden
                        vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan
                        omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.
                            <cursief>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te
                        verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering
                        verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW
                        en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden
                        in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                        maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                        boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><al><cursief>Niet verlenen van medewerking</cursief></al><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot
                        verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de
                        medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal
                        het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of
                        intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan
                        worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de
                        orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te
                        verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet
                        voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal
                        oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het
                        niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de
                        inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van
                        medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet
                        niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al><cursief>Schenden van de inlichtingenplicht</cursief></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk
                        en bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet
                        worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de
                        plaats van de verlaging van de bijstand.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier
                        behandeld.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                        Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                        afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                        toepassing op deze verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                        verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                        bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                        verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover
                        sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder
                        bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5
                        van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al><al><cursief>Benadelingsbedrag</cursief></al><al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                        hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het
                        bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de
                        uitkering (voor IOAW en IOAZ is dat het brutobedrag), zoals ook het geval is
                        bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit
                        in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort
                        uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het
                        motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering is voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><al><cursief>Afzien van verlagen</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van
                        de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en
                        artikel 20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan
                        uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is
                        aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan
                        het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                        verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                        toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van
                        deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste
                        lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                        reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in
                        geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze
                        verordening dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die
                        langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als
                        voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt
                        gehouden over de vraag of het college overgaat tot het opleggen van een
                        verlaging.</al><al><cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van
                        een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening
                        stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop.
                        Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende
                        onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend"
                        blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet
                        zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                        dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                        niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een
                        mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds
                        aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin.
                        Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf
                        geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan
                        het verlagen van een uitkering. <cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij
                        overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor
                        van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond
                        van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het college een op
                        te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                        omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                        verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe
                        noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere
                        omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op een lager niveau,
                        voor een kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen
                        van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet
                        van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in
                        verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                        verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet
                        te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van
                        het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een
                        verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand,
                        die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de
                        berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor
                        die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het
                        afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm
                        van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel
                        verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit
                        te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid,
                        onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid,
                        van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met
                        terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als alle uitkering over
                        de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets
                        meer om af te stemmen. Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging
                        van een belanghebbende of is de verlaging het gevolg van een gedraging
                        voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht
                        evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe worden
                        toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                            solliciteren<cursief>.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6. Berekeningsgrondslag
                        <cursief>Bijstandsnorm</cursief></vet></al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                        berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                        wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt
                        gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW
                        respectievelijk van de IOAZ. </al><al><cursief> Bijzondere bijstand</cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op
                        de bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                        verleend met toepassing van artikel 12 of artikel 35 van de Participatiewet,
                        mits het kosten zijn voor levensonderhoud. Personen tussen de 18 en 21 jaar
                        ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld
                        door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                        levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                        opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                        21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de
                        berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de
                        verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de
                        Participatiewet. Ook als bijzondere bijstand voor de algemene kosten voor
                        levensonderhoud wordt verstrekt, zoals een woonkostentoeslag, of een andere
                        aanvulling, wordt een verlaging ook daarop toegepast.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                        incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er
                        moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende
                        en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden
                        opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                        individuele inkomenstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                        artikel 7 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet
                        geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn
                        ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een
                        gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën
                        zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger
                        geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet
                        verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al><cursief>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</cursief></al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende
                        nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals
                        dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als
                        een belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het
                        huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd
                        in "het niet nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt
                        hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke
                        wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of
                        onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te
                        voorkomen is daarom in artikel 7 neergelegd dat sprake is van een
                        verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de
                        verplichtingen. </al><al><cursief>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen (onderdeel c)</cursief></al><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het
                        niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                        als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde
                        lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de
                        Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor
                        schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart
                        afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende
                        een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand
                        en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de
                        Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 10. </al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel
                        7, derde lid, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                        geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel
                        18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                                noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid, en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><al><cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                        eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27
                        jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier
                        weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                        Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond
                        van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht
                        op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van
                        het college onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering. De verlaging
                        kan in principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals
                        genoemd in artikel 6 van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt
                        genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen
                        leiden als het bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of
                        zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of
                        onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als
                        aparte gedraging genoemd opgenomen in de afstemmingsverordening (zie artikel
                        7, tweede lid, onderdeel b).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                        artikel 8 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                        geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn
                        ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een
                        gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën
                        zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger
                        geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet
                        aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7
                        en 8.Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                        bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en vijfde
                        lid, van de Participatiewet. Er is voor gekozen bij de zwaarte van de
                        afstemming aan te sluiten bij de forse maatregelen voor het schenden van
                        geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en
                        duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen
                        verwant aan de gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van deze
                        verordening. Wel is er bij de gedragingen van de niet-geuniformeerde
                        verplichtingen in de tweede categorie voor gekozen, om op verzoek van
                        belanghebbende een verlaging van 50% gedurende 2 maanden toe te passen, in
                        plaats van 100% in 1 maand, of een verlaging van 100% over 2 maanden te
                        spreiden over 3 maanden. Hierdoor kan belanghebbende beter blijven voldoen
                        aan betalingsverplichtingen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting</titel></kop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                        geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                        procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                        periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al><al> Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de
                        gedraging leidend. Voor lichte overtredingen (overtreding van de in artikel
                        18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet genoemde
                        verplichtingen) bedraagt de duur <vet>1 maand</vet>. Voor zware
                        overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c,
                        d, e en h, van de Participatiewet) bedraagt de duur <vet>2
                        maanden</vet>.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens
                        schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te
                        verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste
                        over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde
                        van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid,
                        tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer
                        komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de
                        volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het
                        gaat hier om een facultatieve bepaling. </al><al>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken
                        van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij
                        een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een
                        herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden
                        dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><al> De maand van oplegging</al><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                        oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de
                        Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening
                        bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekend gemaakt.
                        Toedeling over twee maanden bij lichte overtredingen Is sprake van een
                        lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan
                        worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake bij
                        schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                        onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding
                        wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende <vet>1 maand</vet>.
                        Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van
                        het bedrag van de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand
                        van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in
                        beginsel vijftig procent bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze
                        verordening). Toedeling over twee maanden bij zware overtredingen Is sprake
                        van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan
                        kan worden verrekend over twee maanden. Van een zware overtreding is sprake
                        bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                        onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke
                        overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende <vet>2
                            maanden</vet>. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende
                        maanden wordt, op verzoek van belanghebbende, een derde van het bedrag van
                        de verlaging wordt toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging
                        van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67
                        procent bedraagt (artikel 11, derde lid, van deze verordening). Geen
                        verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                        arbeid</al><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond
                        van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen
                        verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft
                        het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze
                        keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al>Geen verrekening bij recidive Is sprake van een tweede of volgende schending
                        van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is
                        verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat
                        verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in
                        artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere
                        omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16,
                        derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste
                        lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet
                        mogelijk. </al><al>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen
                        Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de
                        geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit
                        artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de
                        Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in
                        eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas
                        wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand.
                        Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een
                        beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat
                        belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                        bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                        geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                        belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                        bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                                voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                        worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de
                        artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                        Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                        algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                        regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid,
                        van deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een verlaging worden
                        opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                        gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat
                        is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot
                        een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. De duur van de verlaging van de
                        uitkering wordt berekend naar de hoogte van de schadelast, de te gelden te
                        maken bezittingen en de uitkeringsnorm of grondslag.</al><al>Voor de berekening van de periode van de verlaging wordt ook het te gelden
                        te maken bezit meegerekend als mogelijke middelen. </al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om
                        (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens
                        gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen
                        kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                        nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB.
                        Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet
                        op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34,
                        tweede lid, van de WWB zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                        vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten
                        komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs
                        kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van
                        het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                        belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen)woning.</al><al>Als de periode van de verlaging van de uitkering om dringende redenen wordt
                        verkort, heeft dit als gevolg dat de schadelast niet volledig wordt
                        gecompenseerd. Daarom wordt het restant van de schadelast gecompenseerd door
                        de uitkering te verlagen tot de beslagvrije voet gedurende de periode die
                        nodig is totdat de schadelast volledig is gecompenseerd.</al><al><cursief>Bijstand in de vorm van een geldlening</cursief></al><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het
                        college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te
                        verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken
                        (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale
                        effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al><cursief>Participatiewet (eerste lid)</cursief></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' van de eerste categorie dient in
                        elk geval te worden verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek
                        contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder
                        valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen
                        naar een persoon. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                        misdraging van de eerste categorie'. Ook het toebrengen van schade aan een
                        gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe
                        in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging van de eerste categorie
                        gezien. </al><al>Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de
                        desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben, zoals het opzetten
                        van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek
                        en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte, worden als
                        zeer ernstige misdraging van de tweede categorie beschouwd. Hiertoe behoren
                        ook mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen tegenover
                        personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                        Participatiewet</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met
                        de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties
                        (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                        werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                        wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van
                        de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar
                        buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                        toepassing.</al><al>Daarnaast zal in het kader van het agressiebeleid, moeten worden bezien of
                        de dienstverlening aan de klant kan worden voortgezet, en gezien de
                        omstandigheden het recht op en de hoogte van een uitkering nog kan worden
                        vastgesteld.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van
                        zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in
                        artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op
                        zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om
                        een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest
                        sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het
                        niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de
                        toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.</al><al><cursief>IOAW en IOAZ (tweede lid)</cursief></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de
                        noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het college kan alleen een verlaging
                        opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en
                        (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een
                        uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het
                        nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom
                        alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft
                        plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de uitkering
                        verbonden verplichting. Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de
                        zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden
                        die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een
                        belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan
                        de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen
                        beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging
                        geen sanctie mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>DeParticipatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen
                        verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel
                        55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot
                        een viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand,
                                en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening voor de eerste 3
                        categorieën verschillend vastgesteld van de laatste categorie, in
                        overeenstemming met de weging van gelijksoortige gedragingen volgens de
                        ge-uniformeerde verplichtingen. Omdat de verplichtingen die het college op
                        grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer
                        individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening
                        vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden
                        van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden
                        met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de
                        Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te
                        stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                        belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in
                        dit artikel vastgestelde verlaging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                            geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van
                        één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn
                        genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet
                        of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het
                        bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de
                        gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                            verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede regelt samenloop
                        als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of
                        meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18,
                        vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt
                        'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een
                        afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe
                        gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij
                        spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid
                        en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd
                        gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan
                        over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al><cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief></al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden
                        opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een
                        boetewaardige gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                        verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                        oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                        afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld
                        in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie
                        voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en
                        afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke
                        sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één
                        sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt
                        opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde
                        lid).</al><al> Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                        door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een
                        gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college
                        in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van
                        de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de
                        eventuele andere maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                        vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van
                        de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al><cursief>Verdubbeling duur verlaging</cursief></al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake
                        is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt
                        geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
                        gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een
                        verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij
                        gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een
                        verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de
                        eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                        aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen –
                        op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18,
                        tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een
                        verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste
                        lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging.
                        Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                        verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                        gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van
                        twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging
                        is opgelegd, is verzonden.</al><al><cursief>Verdubbeling hoogte verlaging</cursief></al><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake
                        is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt
                        geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
                        gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor
                        lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de
                        verlaging.</al><al><cursief>Verlenging van de periode van de verlaging</cursief></al><al>In artikel 12, lid b, c en d wordt de bijstand feitelijk verlaagd met 100%
                        van de schadelast. Daardoor is het niet proportioneel om deze periode bij
                        recidive te verdubbelen. Daarom is er gekozen om de periode van verlaging
                        bij recidive met een maand te verlengen. </al><al><cursief>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen</cursief></al><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een
                        niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van
                        artikel 16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit
                        wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de
                        recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het
                        opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden
                        na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de
                        eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de
                        oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een
                        verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een
                        verdubbeling van de duur van de verlaging. Als uitgangspunt voor de
                        verdubbeling wordt de duur van de verlaging genomen, na vaststelling via een
                        herbeoordeling of herziening (Participatiewet, artikel 18 lid 3, en
                        11).</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging
                        verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de
                        verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de
                        vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte
                        of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van
                        verdubbeling van de verlaging voorkomen. </al><al><cursief>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</cursief></al><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake
                        moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de
                        eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting
                        wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging
                        worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een
                        persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat
                        een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als
                        werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7,
                        eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde
                        gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende
                        niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede
                        lid, onderdeel a) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht
                        (artikel 7, tweede lid, onderdeel d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde
                        gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><al><cursief>Recidive schending geüniformeerde
                        arbeidsverplichting</cursief></al><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                        arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                        eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                        arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende
                            [<vet>2 maanden</vet>]. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van
                        de Participatiewet gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                        arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de
                        vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie
                        maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                        bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                        belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar
                        dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag
                        of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                        college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de
                        uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college
                        concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                        verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 17 van deze verordening
                        is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>