<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356983_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Ridderkerk 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 29-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Ridderkerk 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Participatiewet, art. 35 onderdeel d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Ridderkerk 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening tegenprestatie Ridderkerk 2015</vet></al><al>De raad van de gemeenteRidderkerk</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november
                        2014.</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 35, onderdeel d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, onderdeel
                        d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen;</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al><vet>vast te stellen de Verordening tegenprestatie Ridderkerk
                            2015&gt;.</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al><cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname
                                    aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                    jaar;</al></li><li nr="-"><al><cursief>korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname
                                    aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                    jaar;</al></li><li nr="-"><al><cursief>mantelzorg: </cursief>hulp ten behoeve van
                                    zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,
                                    jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en
                                    overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die
                                    rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande
                                    sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep</al></li><li nr="-"><al><cursief>vrijwilligerswerk: </cursief>werk dat in enig verband
                                    onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de
                                    samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de gemeenteraad via de tussenrapportage over
                                de doeltreffendheid van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het jaarverslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel
                                van de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a)"><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                    arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b)"><al>b) niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c)"><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin ze worden verricht; en </al></li><li nr="d)"><al>niet leiden tot verdringing. </al></li></lijst><al/><al>3.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                            beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                            werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden
                            die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                            bepalingen zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                    arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                    arbeidsmarkt een tegenprestatie naar vermogen opdragen indien
                                    dit re-integratie niet belemmert.</al></li><li nr="3."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a)"><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                            verricht door een belanghebbende; </al></li><li nr="b)"><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende moeten in aanmerking worden
                                            genomen; </al></li><li nr="c)"><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                            belanghebbende moeten in overweging worden genomen;
                                        </al></li><li nr="d)"><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                                            of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening
                                            worden gehouden</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>De tegenprestatie wordt maximaal voor de duur van één jaar opgedragen,
                            voor maximaal 8 uur per week. Na 1 jaar wordt opnieuw bezien of een
                            tegenprestatie wordt opgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is, én minimaal
                            overeenkomt met de duur en omvang, zoals genoemd in artikel 5. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat er geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen
                                    <vet>3</vet> maanden of op dat moment wel werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Verordening tegenprestatie
                                Participatiewet Ridderkerk 2015</vet>. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Ridderkerkvan 11 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. J.G. van Straalen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mw. A. Attema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><titel>Voorwoord </titel></kop><al>Een tegenprestatie benadrukt de wederkerige relatie tussen een
                        uitkeringsgerechtigde en de maatschappij die de mogelijkheid biedt tot
                        ondersteuning bij het vinden van werk en het voorzien in de kosten van
                        levensonderhoud. In principe is deze dus van toepassing op iedere
                        uitkeringsgerechtigde. Als iemand immers al naar vermogen invulling geeft
                        aan maatschappelijke nuttige activiteiten, of vanwege belemmeringen of
                        andere noodzakelijke verplichtingen naast de noodzakelijke activiteiten van
                        het dagelijkse bestaan geen tegenprestatie meer kan leveren, hoeft een
                        tegenprestatie niet opgedragen te worden. </al><al>Bij het opdragen en bepalen van de omvang en duur van de tegenprestatie,
                        wordt maatwerk geleverd. De landelijke overheid heeft bepaald dat de
                        invulling en inzet van de tegenprestatie geen onderdeel mag uitmaken van een
                        re-integratietraject. Ook wordt er rekening gehouden met maatschappelijk
                        nuttige activiteiten die iemand al verricht, en mantelzorg. Als
                        belanghebbenden daarnaast nog een tegenprestatie naar vermogen kunnen
                        leveren dienen ze dat te doen, en kan dus een tegenprestatie opgedragen
                        worden. Dat zal vooral het geval zijn bij uitkeringsgerechtigden met een
                        grote afstand tot de arbeidsmarkt, en bij uitkeringsgerechtigden met een
                        korte afstand tot de arbeidsmarkt, mits de inzet van de maatschappelijke
                        inspanning de re-integratie naar werk niet belemmert. </al><al>Als uitkeringsgerechtigden naar vermogen al invulling geven aan
                        maatschappelijk nuttige activiteiten wordt dat erkend, en wordt daar
                        rekening mee gehouden bij de beoordeling of er nog een tegenprestatie naar
                        vermogen geleverd dient te worden. De tegenprestatie wordt daarom niet
                        opgedragen aan:</al><lijst><li nr="-"><al>uitkeringsgerechtigden die duurzaam arbeidsongeschikt zijn,</al></li><li nr="-"><al>alleenstaande ouders die vanwege de zorg voor hun kind(eren) al een
                                ontheffing hebben om te voldoen aan de arbeidsverplichtingen,</al></li><li nr="-"><al>uitkeringsgerechtigden die naar vermogen al maatschappelijk nuttige
                                activiteiten verrichten, en</al></li><li nr="-"><al>personen die naar vermogen mantelzorg verrichten.</al></li></lijst><al>In onderstaande tekst vindt U de Verordening Tegenprestatie Partcipatiewet.
                        Daarbij zijn de kaders zoals verwoord in het Beleidskaders Participatiewet
                        vertaald in de voorliggende verordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                        tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                        samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of
                        ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van
                        melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is
                        vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De
                        tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college
                        opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten,
                        naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot
                        verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet
                        het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                        Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie
                        van hem verwacht wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                        12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn,
                        verleent het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen
                        van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede
                        lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                        toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                        is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                        (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De plicht tot
                        tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een alleenstaande ouder die
                        in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                        van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting
                        geldt voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden
                        afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                        vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                        regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een
                        gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een
                        sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de
                        regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te
                        vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                        ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet
                        primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar
                        moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK
                        2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 4950). De tegenprestatie is daarom naar zijn
                        aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                        re-integratieinstrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van
                        passende arbeid of van reintegratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als
                        uitgangspunt geldt werk boven uitkering. </al><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                        verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie
                        aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                        pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in
                        artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente
                        om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK
                        2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). </al><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college </cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                        verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                        verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel
                        c, van de Participatiewet. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting </titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening. </al><al>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip 'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één
                            jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van
                            belang in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een
                            tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van deze verordening. </al><al>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip 'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet
                            binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit
                            begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van
                            een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van deze verordening. </al><al>Mantelzorg </al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning).
                            Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader
                            van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                            personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van
                            belang omdat artikel 6 van deze verordening bepaalt dat het college geen
                            tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht
                            voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het
                            college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: </al><al> er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al><al> mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al><al> het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al><al> het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                            Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te
                            stellen of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat
                            onder gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van
                            gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke
                            zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse
                            zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                            onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden
                            voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor
                            het functioneren van dat huishouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het college informeert de gemeenteraad via de tussenrapportage een
                            verslag over de doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van
                            een tegenprestatie. </al><al>Cliëntenraad betrekken bij beleid </al><al>Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat
                            de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het
                            beleid. Het jaarverslag dat via de tussenrapportage aan de raad wordt
                            gezonden bevat tevens het oordeel van de cliëntenraad (zie ook artikel
                            47 Participatiewet). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de <vet>inhoud</vet> van de tegenprestatie.
                            Het college dient <vet>maatwerk</vet> toe te passen bij het opdragen van
                            een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                            omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding,
                            werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                            werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                            belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                            (zie Rechtbank Zeeland-WestBrabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                            een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                            Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke
                            tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze
                            verordening genomen de voorwaarden. Dit betekent dat de als
                            tegenprestatie in te zetten werkzaamheid: </al><al>a) naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b) niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c) wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie </al><al>waarin deze worden verricht; en</al><al>d) niet leidt tot verdringing. </al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                            tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                            2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al>In overeenstemming hiermee:</al><lijst><li nr="-"><al>Het moet gaan om activiteiten waar evident geen betaling
                                    tegenover staat. Het mag daarom niet gaan om activiteiten
                                    waarvoor belanghebbende of een ander normaal gesproken betaald
                                    wordt of eerder (minder dan één jaar geleden) nog betaald werd.
                                    Dit is het geval als eerder bestaande arbeidsplaatsen met
                                    vergelijkbare werkzaamheden binnen deze periode zijn
                                    wegbezuinigd bij de betreffende (overheids-)organisatie.</al></li><li nr="-"><al>Er mag geen vacature openstaan voor dezelfde of bijna dezelfde
                                    activiteiten als die bij de tegenprestatie zouden worden
                                    uitgevoerd.</al></li></lijst><al>Samenwerking van de gemeente met maatschappelijke organisaties: </al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals:
                            welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of
                            sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat contacten
                            worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. Een
                            vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een
                            belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor kiezen uitsluitend
                            werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als tegenprestatie in te zetten
                            of werkzaamheden zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen in te
                            zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 7 van deze
                            verordening.</al><al>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht
                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                            verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom
                            niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het
                            accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet
                            belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p.
                            14).</al><al>De activiteiten worden getoetst aan de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>de aard, de plaats, de duur en de werktijden van de in het kader
                                    van de aangeboden voorziening te verrichten werkzaamheden in
                                    relatie tot de mogelijkheden, de werkervaring, de opleiding en
                                    de gezinssituatie van de belanghebbende;</al></li><li nr="2."><al>de duur van de werkloosheid van de belanghebbende;</al></li><li nr="3."><al>of en zo ja, hoe de aangeboden voorziening kan bijdragen aan de
                                    arbeidsinschakeling van de belanghebbende;</al></li><li nr="4."><al>de zwaarte van de sanctie bij niet meewerken aan de aangeboden
                                    voorziening.</al></li></lijst><al>D.m.v. de volgende beslisboom kan vastgesteld worden of een bepaalde
                            activiteit voldoet aan de voorwaarden van een tegenprestatie:</al><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>1. Gaat het om iemand met een WWB-, IOAW- of
                                                IOAZ-uitkering?</al><al><vet>Nee </vet>→ Kan geen tegenprestatie zijn.</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 2.</al><al>2. Gaat het om onbetaalde werkzaamheden?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie maar
                                                  <vet>regulier werk</vet>.</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 3.</al><al>3. Gaat het om werkzaamheden die additioneel zijn op
                                                reguliere arbeid ?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie maar
                                                  <vet>werken met behoud van uitkering</vet></al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 4.</al><al>4. Is het primaire doel arbeidsinschakeling?</al><al><vet>Ja </vet>→ Geen tegenprestatie maar een
                                                  <vet>re-integratietraject of
                                                  participatieplaats</vet></al><al><vet>Nee </vet>→ Ga naar vraag 5.</al><al>5. Zijn de activiteiten nauwkeurig omschreven en
                                                afgestemd op de capaciteiten en mogelijkheden
                                                van</al><al>belanghebbende?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 6.</al><al>6. Is het beperkt in duur en omvang (zodat het
                                                re-integreren en solliciteren niet in de weg
                                                staat)?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie</al><al><vet>Ja </vet>→ Ga naar vraag 7.</al><al>7. Gaat het om maatschappelijk nuttige
                                                activiteiten?</al><al><vet>Nee </vet>→ Geen tegenprestatie maar
                                                  <vet>verplichte arbeid</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Het gaat o.a. om de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>helpen bij organisatie van een festival</al></li><li nr="-"><al>leesouder op school</al></li><li nr="-"><al>opknappen van speelplekken in de wijk</al></li><li nr="-"><al>taalmaatje voor inburgeringsplichtigen</al></li><li nr="-"><al>scheidsrechter bij de voetbalvereniging</al></li><li nr="-"><al>sneeuwschuiven</al></li><li nr="-"><al>activiteiten in een wijkcentrum</al></li><li nr="-"><al>respijtzorger</al></li><li nr="-"><al>koffie schenken of maaltijden uitdelen in een verzorgingshuis of
                                    wijkhuis</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49).</al><al>Tegenprestatie opdragen aan personen met grote afstand tot arbeidsmarkt </al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het
                            college een tegenprestatie in beginsel wordt opdragen aan een
                            belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Aan
                            belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben wordt
                            alleen een tegenprestatie opgedragen, als de tegenprestatie
                            re-integratie niet in de weg staat (zie hierover ook de toelichting bij
                            artikel 4, tweede lid, onder de kop "Belanghebbende met een korte
                            afstand tot de arbeidsmarkt"). Zie artikel 1 van deze verordening voor
                            de begrippen korte en grote afstand tot de arbeidsmarkt. </al><al>Hiervoor is gekozen opdat personen met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt zich zo volledig mogelijk kunnen richten op de
                            arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar vermogen
                            algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte
                            afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun
                            inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. De tegenprestatie mag
                            immers het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien werk boven uitkering
                            als uitgangspunt geldt. </al><al>Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt </al><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                            belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een
                            tegenprestatie kan opdragen als dat re-integratie niet in de weg staat.
                            Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                            re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende, het
                            verrichten van reintegratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht, of dat op korte termijn niet te verwachten is
                            dat re-integratieactiviteiten dusdanig intensief zijn dat belanghebbende
                            geen tegenprestatie meer kan leveren. In dat geval dient belanghebbende
                            een tegenprestatie te leveren. </al><al>Geen tegenprestatie </al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een
                            tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig
                            en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet)</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet). </al><al>Weigering tegenprestatie </al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie
                            te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur
                            van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 29). Dat wordt vastgelegd in de afstemmingsverordening.</al><al>Factoren opdragen tegenprestatie </al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                            tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al>Factor: tegenprestatie <vet>'naar vermogen'</vet></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar
                            vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 30).</al><al>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende </al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het
                            fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen
                            van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. </al><al>Indien iemand geen perspectief heeft op werk, dan is de belastbaarheid
                            en de loonwaarde van iemand waarschijnlijk dusdanig laag, dat in de
                            meeste gevallen naar verwachting ook een tegenprestatie niet vaak
                            uitgevoerd kan worden.</al><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met </al><al>praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van
                            kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                            verricht. </al><al>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende Bij het
                            opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                            rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende.
                            De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed
                            heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p.
                            47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie
                            te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen
                            wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van
                            maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college.
                            gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                            maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde
                            gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als
                            tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende
                            maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening
                            wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de
                            duur en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van
                            maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                            gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang. Het
                            college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                            besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die
                            werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die
                            werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van
                            deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college
                            is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar
                            moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen
                            ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met
                            keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                            voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er
                            geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is
                            immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een
                            tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                            belanghebbende </al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele </al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan
                            ook besluiten vrijwilligerswerk aan te merken als tegenprestatie.
                            Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de minimale en maximale
                            duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 5 van deze
                            verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol
                            spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen
                            begripsomschrijving opgenomen. </al><al>Begeleiding, monitoring en handhaving</al><al>Indien een tegenprestatie opgedragen wordt zal de gemeente de regie
                            voeren over de begeleiding, monitoring en handhaving, en daartoe
                            geregeld contact onderhouden met de uitkeringsgerechtigde, en de
                            organisatie waarbij, of onder begeleiding waarvan, de tegenprestatie
                            wordt geleverd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Daarbij moet rekening gehouden
                            worden met de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op
                            dwangarbeid en verplichte arbeid.Artikel 5 van deze
                            verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de
                            tegenprestatie. </al><al>Individuele omstandigheden </al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                            van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel
                                <vet>beperkt</vet> te zijn. Dat betekent dat het college steeds een
                            afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie
                            verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). </al><al>Van belang is dat de schijn van dwangarbeid wordt vermeden. Dat heeft
                            gevolgen voor de duur van een Tegenprestatie, en de omvang ervan.
                            Kluwer/Schulinck adviseert om de omvang niet meer te laten zijn dan 10
                            uur per week. Om zowel een projectmatige als een regelmatige (aantal uur
                            per week) tegenprestatie op te kunnen dragen gaat de voorkeur uit naar
                            een tegenprestatie van 8 uur per week. Iemand die meer dan 8 uur per
                            week inzetbaar is voor een tegenprestatie heeft immers al snel
                            re-integratiemogelijkheden. In het geval dat iemand kan re-integreren,
                            én de afstand tot de arbeidsmarkt groot is, kan de omvang van de
                            tegenprestatie afgestemd worden op de re-integratieactiviteiten en het
                            vermogen van een uitkeringsgerechtigde.</al><al>Omdat het voor iemand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt naar
                            verwachting langer duurt dan 1 jaar om te re-integreren, is bij deze
                            periode aangesloten voor de bepaling van de periode van de
                            Tegenprestatie. Hierbij dient de aantekening gemaakt te worden dat de
                            duur beperkt dient te zijn. </al><al>Omdat de tegenprestatie gedurende het jaar ook de vorm kan krijgen van
                            enkele klussen, wordt na 1 jaar gekeken of de tegenprestatie verlengd
                            wordt. Ook wordt 1 jaar na het einde van een tegenprestatie opnieuw
                            overwogen of een tegenprestatie opgedragen wordt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college
                            het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering
                            heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging
                            met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24,
                            p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van
                            het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                            verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                            verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                            redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende
                            geen tegenprestatie op (artikel 6 van deze verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 7 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat
                            indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn binnen
                            de eigen gemeentegrenzen, buiten de gemeentegrenzen gezocht moet worden
                            naar maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Ter uitvoering hiervan kan
                            worden samengewerkt met de andere 2 clustergemeenten en de gemeenten in
                            de arbeidsmarktregio. Indien het college besluit geen tegenprestatie op
                            te leggen omdat geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            voorhanden zijn, wordt binnen <vet>3</vet> maanden opnieuw beoordeeld of
                            op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn.
                            Dit is geregeld in artikel 7, tweede lid, van deze verordening. </al><al>Dit zal in de praktijk echter alleen het geval zijn als belanghebbende
                            er niet in slaagt zelfstandig een concrete invulling te geven aan de
                            verplichting tot het leveren van een tegenprestatie. In dat geval zal
                            een opdracht tot een specifieke invulling van deze verplichting worden
                            gegeven. In alle andere gevallen zal belanghebbende, met of zonder
                            begeleiding, zelfstandig invulling kunnen geven aan deze verplichting.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf
                            die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd
                            om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>