<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356973_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ridderkerk 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-82238.html">Elektronisch gemeenteblad, 2014, 82238</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ridderkerk 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003549&amp;artikel=100">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=76m">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>100870</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al>Op de dag van de inwerkingtreding van de verordening wordt de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ridderkerk, zoals vastgesteld op 29 maart 2007, ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ridderkerk 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ridderkerk;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28
                        oktober 2014,</al><al/><al> nummer 100870;</al><al/><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; </al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op primair onderwijs, artikel 100 van de Wet
                        op de expertisecentra, 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het(voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen; </al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende: </al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs,</vet><vet> gemeente Ridderkerk 20</vet><vet>15</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad</al></li><li nr="d."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="f."><al>- school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van
                                            de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra,
                                    artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 75
                                    van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in
                                    aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="h."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="j."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="k."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="l."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="m."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="n."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="o."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 50 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="p."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="q."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="r."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="t."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="u."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid
                                    van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid
                                    van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u , tweede lid van
                                    de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="v."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u en van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie; </al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest; </al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;
                                        </al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school; </al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover benodigd voor de realisering van een
                                            onder a sub 1° tot en met 4° omschreven voorziening;
                                        </al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor vwo, avo en vbo voor zover deze nog
                                            niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege
                                            in aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht; </al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is,
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte en voor bepaalde
                                            soorten (v)so een bad voor watergewenning of
                                            bewegingstherapie. </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest
                                    geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket, (voor vo: leer- en hulpmiddelen) en
                                    meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.1, a.2
                            en b kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde voorzieningen,
                                of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van
                                de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV , deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a.1, a.2, a.6 en a.7 alsmede voor
                                vergoedingen voor het gebruik van gymnastiekaccommodaties als
                                bedoeld in artikel 38. Deel B van bijlage IV is van toepassing op de
                                voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.3, a.4, a.5, a.8 en
                                b, c en d, alsmede in geval van huur van accommodatie en voor de
                                kosten van bouwvoorbereiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere aanwijzingen
                                worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>1 Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma
                                    wordt vóór 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag niet vóór 1 februari is ingediend, besluit
                                    het college de aanvraag niet te behandelen. Het besluit de
                                    aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt
                                    binnen vier weken na ontvangst van de ingediende aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder b, c en d;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging
                                                van een gebouw of uit herstel van een
                                                constructiefout;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                                gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                                toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27. De
                                                rapportage als bedoeld onder c dient te voldoen aan
                                                de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de
                                                gevraagde voorziening kan worden vastgesteld. </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid deelt het college dit vóór 15
                                        februari schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld vóór 15 maart de
                                        ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de
                                        vereiste ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt vóór 15
                                        maart, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li><li nr="4."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij
                                        de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                        registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd,
                                        dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager
                                        en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen
                                        is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen
                                een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan
                                welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of van het college
                                    nader worden toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is,
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager indien het
                                    college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    begroting van de kosten dient te worden aangepast. Wanneer in
                                    het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de hoogte
                                    van het geraamde bedrag dan geeft het college dat, onder
                                    vermelding van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling
                                    van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                    paragraaf 2.3. Het college geeft in dit voorstel tevens de
                                    hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde
                                    voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde
                                    in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats vóór 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in kennis
                                    gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren
                                    gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk
                                    kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college
                                    op deze zienswijzen, wordt door het college een verslag gemaakt.
                                    Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, dan wordt dit door
                                    het bevoegd gezag of het college tijdens het overleg als bedoeld
                                    in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van
                                    een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen
                                    waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij
                                    wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en
                                    de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                    in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen
                                    over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen, ontvangt
                                    die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat beschikbaar
                                    is voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk op
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het
                                        programma. Daarbij past het college de regels toe met
                                        betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I
                                                ;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                                bedoeld in bijlage III .</al></li></lijst></li></lijst><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria
                                als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het
                                programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. </al><lijst><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het
                                        programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als
                                        bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV ,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door
                                    het college schriftelijk mededeling gedaan aan de overige
                                    bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van vaststelling van het programma
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                    uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In
                                    dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de
                                    uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop door het college toepassing wordt
                                            gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de
                                            begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                            wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                            omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door het college
                                    schriftelijk vastgelegd in een verslag van het overleg en binnen
                                    vier weken na afloop van het overleg ter kennis gebracht van de
                                    aanvrager. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het
                                    verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk
                                    heeft gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming of geen
                                    overeenstemming is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                    instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting en
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen.
                                    Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze
                                    termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze
                                    termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                                    met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan
                                    op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Binnen twee weken
                                    na de datum van de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, deelt het college de beslissing schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als naar het oordeel van het college dat niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht is verleend dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                    afschrift hiervan niet vóór 15 oktober daaropvolgend aan het
                                    college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    binnen welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. In geval van een
                                    huur- of erfpachtovereenkomst wordt daarin de datum van
                                    inwerkingtreding vermeld, alsmede de duur van de overeenkomst.
                                    In geval van een koopovereenkomst wordt daarin de datum van
                                    aankoop vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager vóór 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het
                                    college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist vóór 15 september over het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2 onder b, c en d;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de
                                    ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen acht weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college welk
                                    genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV , deel A
                                    voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan
                                    wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening
                                    betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij
                                    de beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan het college moet zijn toegezonden. Binnen
                                    vier maanden na de datum van de beschikking door het college
                                    moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij
                                overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van de in tweede lid
                                van artikel 16 genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden
                                gelezen drie weken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet vóór de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het gestelde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek heeft beslist. Indien het
                                    college het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe
                                    datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het
                                    college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op
                                    het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum
                                    niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag indienen bij het college voor
                                    bekostiging van de bouwvoorbereiding. Het betreft de
                                    voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van
                                    die voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan vóór 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt.
                                    Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                            wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                            gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                            voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten;</al></li><li nr="g."><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een
                                            bestaand gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige
                                            noodzaak van de vervanging blijkt;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste
                                            lid, indien de bekostiging bouwvoorbereiding is
                                            aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>De rapportage als bedoeld onder g. dient te voldoen aan de eisen NEN
                            2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden
                            vastgesteld. </al><lijst><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het college dit vóór 15 februari schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om vóór 15
                                    maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7,
                                    derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met
                                het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. De leden twee,
                                drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                    beslissing over de</al><al>aanvraag.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten
                                            van bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                            vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                            gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                            aanmerking kan worden gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking
                                    vermeld tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden
                                    vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager
                                    beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig
                                    tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                                    jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de
                                    bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt
                                    tussen aanvrager en het college.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van
                            bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet
                            vóór 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de
                            beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                            bouwvoorbereiding en niet vóór 1 oktober daaropvolgend informatie is
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze
                                        en</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal groepen zoals
                                            berekend op basis van bijlage III , deel B en de
                                            capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van
                                            bijlage III, deel A blijkt dat er ten minste één
                                            leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school
                                            of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs (met uitzondering van een
                                            zelfstandige school voor praktijkonderwijs), indien uit
                                            de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op
                                            basis van Bijlage III, deel B en de capaciteit van het
                                            gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, deel
                                            A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                            bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis
                                            van het lesrooster of lesroosters voor het lopende of
                                            eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het
                                            overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                            geen sprake is van onderbenutting van de
                                            onderwijsruimten. Voor een zelfstandige school voor
                                            praktijkonderwijs (niet zijnde een afdeling voor
                                            praktijkonderwijs) is hetgeen bepaald in lid a van dit
                                            artikel van toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van Bijlage III, Deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de
                                    vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                    vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                    deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het
                                    overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering
                                    te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal groepen, voor vo het
                                            aantal leerlingen, ten behoeve waarvan gevorderd wordt
                                            of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                            oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast<cursief>. </cursief>Indien dit
                                overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in
                                bijlage IV, deel C. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bepaald inartikel 30;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                    schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag.
                                    Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid heeft geleid
                                    tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken.
                                    Voor zover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag
                                    in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben
                                    tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                    bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                        gezag toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent de toestemming niet indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is
                                                met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                                onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                                voortgezet onderwijs of regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                                school.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college neemt binnen vier weken na ontvangst van het
                                        verzoek een besluit en zendtdat aan het bevoegd gezag.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag nodig
                                is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het
                                gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op
                                de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                                ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden,
                                een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave
                                    van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin
                                            het gebruik wordt gewenst. </al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks vóór 1 mei voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week voor het basisonderwijs en 33 klokuren
                                    per week voor het voortgezet onderwijs per
                                    gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                            klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                            de school.</al></li></lijst></li></lijst><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                            slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                            capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                            klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al><lijst><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                    bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een
                                    overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee
                                    weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                    vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                                    gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                                    inroostering.</al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college vóór 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ridderkerk
                                    2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="3."><al>Op de dag van de inwerkingtreding van de verordening wordt de
                                    Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                                    Ridderkerk, zoals vastgesteld op 29 maart 2007,
                                    ingetrokken.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 december
                        2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Mr. J.G van Straalen Mw. A. Attema</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><al/><al>deel A: lesgebouwen; </al><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al><al/><al><vet>DEEL A Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2a en 1.3.2b worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college. </al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al/><al><vet>1.2 </vet><vet>Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                    bouwkundige rapportage, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                    zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren. </al><al/><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al> vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al/><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding </vet></al><al/><al><vet>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen </vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: </al><al>a. het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van
                    het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                    aanwezig is;</al><al>b1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht
                    of</al><al>b2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht
                    of</al><al>b3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont,
                    dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                    jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende extra huisvesting voor de
                    school te realiseren, terwijl</al><al>d. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in oppervlakte
                    tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                    bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel
                    of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te maken.</al><al/><al><vet>1.3.2a Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal </vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen (van
                    vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jarenvoor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor ten minste
                    vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze groepen
                    leerlingen kunnen worden verwacht terwijl</al><al>b. voor het spelen van (een deel van) de vier- en vijfjarigen geen gebruik kan
                    worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van een andere
                    basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300 meter over de veilig
                    begaanbare weg gemeten.</al><al/><al><vet>1.3.2b Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal
                    </vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><al>a. het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;</al><al>b. het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan
                    en</al><al>c. het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al><al>d. medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter over de
                    veilig begaanbare weg gemeten niet mogelijk is en</al><al>e. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals
                    is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te
                    maken.</al><al/><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><al>a1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b1. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. er binnen 2000 meter over de veilig begaanbare weg gemeten geen mogelijkheden
                    zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren;</al><al>d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is
                    of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/><al/><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter over de veilig begaanbare weg gemeten kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter over veilig begaanbare weg gemeten geen mogelijkheden
                    zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                    en</al><al>c. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/><al><vet>1.6 Terrein </vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit
                    dat de school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van
                    de aanvraag uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo'n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden. </al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket,
                    indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is
                    dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. </al><al>De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt uit
                    het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal. </al><al/><al><vet>1.8 Eerste inrichting meubilair </vet></al><al>De noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de
                    school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de
                    aanvraag uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo'n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden. </al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het
                    aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen. De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal
                    meubilair blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een
                    tweede speellokaal. </al><al/><al><vet>1.9 Medegebruik </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep
                    leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.10 Herstel van constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>1.11 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in het geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college. </al><al/><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al/><al><vet>2.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen, volgens een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                    bouwkundige rapportage, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging van de levensduur);</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                    zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al/><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                    beoordeling van het</al><al>college;</al><al>b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                    noodzakelijk is.</al><al/><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding </vet></al><al/><al><vet>2.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen </vet>De noodzaak voor
                    uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: </al><al>a. het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van
                    het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A
                    aanwezig is;</al><al>b1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht
                    of</al><al>b2. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht
                    of</al><al>b3. het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont
                    dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                    jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest;</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meterover
                    de veilig begaanbare weg gemeten een passende extra huisvesting voor de school
                    te realiseren, terwijl</al><al>d. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals
                    is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig
                    een of meer benodigde leslokalen te maken.</al><al/><al><vet>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit: </al><al>a. het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;</al><al>b. het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal blijven bestaan
                    en</al><al>c. het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al><al>d. medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor motorische
                    therapie binnen 300 meter over de veilig begaanbare weg gemeten niet mogelijk is
                    en,</al><al>e. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de
                    mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de
                    feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals
                    is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig
                    een speellokaal te maken.</al><al/><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><al>a1. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl</al><al>b1. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. er binnen 2000 meter over de veilig begaanbare weg gemeten geen mogelijkheden
                    zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren;</al><al>d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is
                    of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/><al><vet>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter over de veilig begaanbare weg gemeten kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter over de veilig begaanbare weg gemeten geen mogelijkheden
                    zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                    en</al><al>c. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/><al><vet>2.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat de school of nevenvestiging, op grond van de laatste teldatum
                    voorafgaande aan het indienen van de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste
                    één groep leerlingen, en voor zo'n uitbreiding in de periode vanaf 1 januari
                    1988 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. </al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket en
                    meubilair, indien het aantal groepen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen. </al><al/><al><vet>2.8 Medegebruik </vet>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is. </al><al/><al><vet>2.9 Herstel van constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>2.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in </vet></al><al><vet>het geval van bijzondere omstandigheden.</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college. </al><al/><al><vet>3.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in </al><al>in aanmerking brengt;</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al/><al><vet>3.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat: </al><al>a. voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen, volgens een
                    overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage, in zo'n
                    slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al><al>b1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen
                    kan worden verwacht en</al><al>c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren. </al><al/><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al/><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al/><al><vet>3.3 Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><al>a. het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens
                    de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige capaciteit en bijlage III,
                    deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier
                    jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze
                    aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>b. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                    maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    over de veilig begaanbare weg gemeten een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al/><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><al>a1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of a2. het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl</al><al>b1. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al>b2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht en </al><al>c. er binnen 2000 meter over de veilig begaanbare weg gemeten geen mogelijkheden
                    zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren;</al><al>d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is
                    of op korte termijn beschikbaar komt en</al><al>e. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw of uitbreiding.</al><al/><al><vet>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter over de veilig begaanbare weg gemeten kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter over de veilig begaanbare weg gemeten geen mogelijkheden
                    zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                    en</al><al>c. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een
                    nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde
                    tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al/><al><vet>3.6 Terrein </vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair </vet></al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school. Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting-
                    en hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd. </al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen. </al><al/><al><vet>3.8 Medegebruik </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a. </al><al/><al/><al><vet>3.9 Herstel van constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al/><al><vet>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening </vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al/><al><vet>1.1 </vet><vet>Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen </al><lijst><li nr="-"><al>1 km over de veilige begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik van
                            ten minste 20 klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 15 klokuren</al></li><li nr="-"><al>of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li></lijst><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>1.2 </vet><vet>Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                    bouwkundige rapportage, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen </al><lijst><li nr="-"><al>1 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik van
                            ten minste 20 klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 15 klokuren</al></li><li nr="-"><al>of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li></lijst><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>1.3 </vet><vet>Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen </al><lijst><li nr="-"><al>1 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik van
                            ten minste 20 klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 15 klokuren</al></li><li nr="-"><al>of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van één of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li></lijst><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><al>a1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                    1.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen </al><lijst><li nr="-"><al>1 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik van
                            ten minste 20 klokuren,</al></li><li nr="-"><al>3,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 15 klokuren</al></li><li nr="-"><al>of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                            van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en</al></li></lijst><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>d. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw.</al><al/><al><vet>1.5 </vet><vet>Terrein </vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.6 </vet><vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/><al><vet>1.7 </vet><vet>Eerste inrichting meubilair </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><al>a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een
                    deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al/><al><vet>1.8 </vet><vet>Medegebruik </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><al/><al><vet>1.9</vet><vet>Herstel constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>1.10 </vet><vet>Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 500 m over de veilig begaanbare
                    weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                    onderwijs, 2 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                    door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs<cursief>, </cursief>3,5
                    km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten
                    minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km over de veilig begaanbare weg
                    gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs
                    gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>2.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                    bouwkundige rapportage, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 500 m over de veilig begaanbare
                    weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                    onderwijs, 2 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                    door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km over de veilig
                    begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                    speciaal onderwijs of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 500 m over de veilig begaanbare
                    weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                    onderwijs, 2 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                    door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km over de veilig
                    begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                    speciaal onderwijs of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><al>a1. het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of</al><al>a2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2
                    onder a, in aanmerking komt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 500 m over de veilig begaanbare
                    weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                    onderwijs, 2 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik
                    door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km over de veilig
                    begaanbare weg gemeten bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                    speciaal onderwijs of 7,5 km over de veilig begaanbare weg gemeten bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al><al>d. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding,
                    zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van
                    vervangende bouw.</al><al/><al><vet>2.5 Terrein </vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><al/><al><vet>2.7 Eerste inrichting meubilair </vet>De noodzaak van eerste inrichting
                    meubilair blijkt uit: </al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting meubilair is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><al>a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder het
                    specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al/><al><vet>2.8 Medegebruik </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door de gemeente
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><al/><al><vet>2.9 Herstel constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>2.10 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al><vet>3.1 Nieuwbouw </vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1500 meter over de veilig
                    begaanbare weg gemeten gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan
                    wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al/><al><vet>3.2 Vervangende bouw </vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                    bouwkundige rapportage, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1500 meter over de veilig
                    begaanbare weg gemeten gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan
                    wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al/><al><vet>3.3 Uitbreiding </vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1500 meter over de veilig
                    begaanbare weg gemeten gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan
                    wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al/><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: </al><al>a1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of</al><al>a2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde bij
                    3.2 onder a, in aanmerking komt en</al><al>b. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1500 meter over de veilig
                    begaanbare weg gemeten gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan
                    wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en het feit dat de kosten van
                    ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw.</al><al/><al><vet>3.5 Terrein </vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is. </al><al/><al><vet>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit: </al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en</al><al>b. het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/><al><vet>3.7 Medegebruik </vet></al><al/><al><vet>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><al/><al><vet>3.7.2 Huur van een sportterrein </vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit: </al><al>a. het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag
                    niet beschikt over een eigen sportveld en</al><al>b. er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                    bevoegd gezag.</al><al/><al><vet>3.8 Herstel constructiefouten </vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al><al/><al><vet>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses </titel></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al><al/><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><al>a. het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al><al>b. de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al><al>c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding
                    van het voedingsgebied;</al><al>d. de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als
                    gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al><al>e. de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;</al><al>f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                    school en</al><al>g. het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al/><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. </al><al/><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag. </al><al/><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering
                    worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met
                    betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. </al><al/><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Ridderkerk.</al><al/><al>In afwijking van het bepaalde in deze bijlage geldt voor richtingen waarbij
                    kerkelijke gebondenheid of een uitermate groot voedingsgebied een wezenlijke rol
                    spelen dat in overleg met het college onder door dit college vast te stellen
                    voorwaarden van de in deze bijlage vastgestelde prognosesystematiek kan worden
                    afgeweken. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al><al/><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit </vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. </al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    onderwijskundige, culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden. </al><al/><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T- en
                        B-dislocaties) met </vet></al><al><vet>een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'. </al><al/><al><vet>Basisschool </vet></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
                    groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het
                    aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw
                    betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan
                    of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld. </al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is 'overgedimensioneerd', dient een relatie
                    te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen
                    waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo,
                    vastgesteld met behulp van tabel 1, 2 en 3 hieronder voor respectievelijk
                    huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke
                    bouwaard. </al><al/><al><vet>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard </vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30
                                        leerlingen worden gehuisvest</al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige
                                        vernieuwingen) </al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>350 </al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>465</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>580</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>785</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>900</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>1.015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>1.130</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>1.245</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>1.360</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>1.475</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>1.590</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>1.705</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>en vervolgens te verhogen met 115 m2 ten behoeve van één
                                        groep leerlingen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal,
                                        wordt de minimale bvo opgehoogd met 90 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan
                                        31 leerlingen worden gehuisvest </al></entry></row><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige
                                        vernieuwingen) </al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>330</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting
                    </vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>305</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>410</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>515</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>710</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>815</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>920</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>1.025</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m2 </al><al>ten behoeve van één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting
                    </vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>100</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>180</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>260 </al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>340</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>420</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80 m2 </al><al>ten behoeve van één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het aantal lokalen de
                    capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan
                    het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de normatieve
                    bvo behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal waarmee de bvo van het gebouw is
                    overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken
                    van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid. </al><al/><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is het aantal lokalen, verminderd met één. Het aantal lokalen wordt
                    verminderd met twee indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen. Het
                    aantal lokalen wordt verminderd met drie indien het gebouw bestaat uit meer dan
                    26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het
                    aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de
                    vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet
                    meegeteld. </al><al/><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al/><al>Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd, dient er een relatie
                    te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het
                    aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling. Het aantal groepen
                    waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo,
                    vastgesteld met behulp van tabel 4 hieronder voor huisvesting met een permanente
                    bouwaard. Voor huisvesting met een tijdelijke bouwaard wordt gebruikgemaakt van
                    tabel 2 en 3. </al><al/><al><vet>Tabel 4 Gebouwen met een permanente bouwaard </vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Permanente gebouwen voor een speciale school voor
                                        basisonderwijs</al></entry></row><row><entry><al>vaste voet m2</al></entry><entry><al>inclusief</al></entry><entry><al>m2 per groep</al></entry><entry><al>toeslag extra ruimte</al></entry></row><row><entry><al>670</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>105</al></entry><entry><al>125</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vaste voet aan bvo is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit
                    aantal is in de kolom 'inclusief' aangegeven. </al><al/><al>De toeslag extra ruimte omvat een aantal extra m2 voor het creëren van een extra
                    lokaal, niet zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De
                    toeslag extra ruimte wordt toegekend bij het vormen van de 12e groep. </al><al/><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, is het aantal lokalen de
                    capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan
                    het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 2, 3 of 4, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de normatieve
                    bvo, behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal m2 waarmee de bvo van het gebouw is
                    overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken
                    van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid. </al><al/><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </vet></al><al/><al><vet>Basisschool </vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en
                    3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt
                    uitgegaan van 115 m2 BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw
                    met een permanente bouwaard en van 80 m2 per groep leerlingen indien sprake is
                    van een gebouw met een tijdelijke bouwaard. </al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>De capaciteit van dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het
                    aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter
                    dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld. Voor dislocaties
                    voor speciale scholen voor basisonderwijs is de 'overdimensionering' niet te
                    bepalen. </al><al/><al><vet>1.3 </vet><vet>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. </al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. </al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. </al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. </al><al/><al><vet>1.4 </vet><vet>Terrein </vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al/><al><vet>1.5 </vet><vet>Inventaris </vet></al><al>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen
                    van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket
                    en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de
                    aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd. </al><al/><al><vet>a. </vet><vet>onderwijsleerpakket </vet></al><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan
                    de hand van de volgende twee stappen: </al><lijst><li nr="-"><al>het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk
                            aan het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket noodzakelijk is bij
                            aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na
                            inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen onderwijsleerpakket is
                            verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het
                            ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                            beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen
                            burgemeester en wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van het
                            laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het
                            ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de
                            WBO, voor minder groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het
                            bevoegd gezag van de school dit aan.</al></li><li nr="-"><al>het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden
                            geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Omrekentabel onderwijsleerpakket</al></entry></row><row><entry><al>OUD</al></entry><entry><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>b. </vet><vet>meubilair </vet></al><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van
                    de volgende twee stappen: </al><lijst><li nr="-"><al>het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het
                            aantal groepen waarvoor meubilair noodzakelijk is bij aanvang van het
                            schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de
                            WBO, voor meer groepen meubilair is verstrekt, toont het college dit aan
                            door middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de
                            correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het desbetreffende
                            schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder
                            tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste
                            aanschaf van meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van
                            de WBO, voor minder groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd
                            gezag van de school dit aan.</al></li><li nr="-"><al>het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden geconverteerd
                            met behulp van onderstaande omrekentabel:</al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al> Omrekentabel meubilair</al></entry></row><row><entry><al>OUD</al></entry><entry><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>22</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>27</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>29</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>31</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>33</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>34</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair
                    worden afzonderlijk vastgelegd. </al><al/><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten </vet></al><al/><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte </vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 26
                    klokuren. </al><al/><al/><al><vet>1.6.2 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al/><al><vet>1.6.3 Inventaris </vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><al/><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al/><al>(Vanwege het ontbreken van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de
                    gemeente Ridderkerk is deze paragraaf niet uitgewerkt)</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over: </al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al/><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al><al/><al><vet>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                        een </vet></al><al><vet>tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                    bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bvo van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'. </al><al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voor zover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al><al/><al><vet>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld. </al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit. De vaststelling van de
                    rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na overleg tussen het
                    bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist. </al><al/><al><vet>3.3 Terrein </vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. </al><al/><al><vet>3.4 Inventaris </vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris. </al><al/><al><vet>3.5 Gymnastiekruimten </vet></al><al/><al><vet>3.5.1 Gymnastiekruimte </vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 33
                    uur. </al><al/><al><vet>3.5.2 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al/><al><vet>3.5.3 Inventaris </vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn. </al><al/><al/><al/><al><vet>DEEL B </vet></al><al><vet>Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>1. </vet><vet>School voor basisonderwijs </vet></al><al/><al><vet>1.1 Lesgebouwen </vet></al><al/><al><vet>Basisschool </vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een
                    aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                    van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt
                    voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule
                    onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                    ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b. De formatie die
                    aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen formatie
                    onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en
                    schoolgewicht (D). </al><al/><lijst><li nr="a."><al>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                                <vet>blijvend gebruik</vet> bestemde voorziening voor een
                            basisschool: </al></li></lijst><al><vet>G = A + B + C</vet></al><al>Waarbij: </al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. </al><al>Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. </al><al>A= het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande
                    aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,05. Het verkregen getal A wordt niet
                    afgerond. </al><al>B= het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 0,0343. Het verkregen getal B wordt niet afgerond. </al><al>C= 1,5642 minus het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 0,0115. Indien de uitkomst van deze berekening negatief is,
                    wordt de factor C op 0 bepaald. </al><al>Het verkregen getal C wordt niet afgerond. </al><al/><lijst><li nr="b."><al>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                                <vet>tijdelijk gebruik</vet> bestemde voorziening voor een
                            basisschool: </al></li></lijst><al><vet>G = A + B + C + D + E </vet></al><al>Waarbij: </al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. </al><al>Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. </al><al>A= </al><al> a. het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente
                    teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,05. </al><al>b.(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal leerlingen
                    van 4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de
                    school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,05. Het verkregen getal wordt niet
                    afgerond. </al><al>B= </al><al> a. het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente teldatum 1
                    oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0343. </al><al>b. indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO het aantal leerlingen
                    van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0343. Het verkregen getal wordt niet
                    afgerond. </al><al>C= </al><al> a. 1,5642 minus het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1
                    oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0115. </al><al>b. indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO: 1,5642 minus het totaal
                    aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 0,0115. Indien de uitkomst van deze berekening
                    negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. </al><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>D=</al><al> a. 0,0179 x het schoolgewicht, bedoeld in artikel 27 van het
                    Bekostigingsbesluit WPO op basis van het totaal aantal leerlingen op de meest
                    recente teldatum. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>b. indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO: 0,0179 x het
                    schoolgewicht, bedoeld in artikel 27 van het Bekostigingsbesluit WPO op basis
                    van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op
                    de school is ingeschreven. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>E= aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op
                    basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs. </al><al/><al><vet>Scholen met dislocaties</vet></al><al>Indien een basisschool één of meerdere dislocaties heeft in Ridderkerk, waarbij
                    het voedingsgebied van de hoofdlocatie en de dislocatie substantieel van elkaar
                    afwijken, zal bij het bepalen van de ruimtebehoefte de berekening gemaakt
                    worden, alsof de (dis)locatie een afzonderlijke school was. Burgemeester en
                    wethouders stellen vast of er sprake is van een substantieel afwijkend
                    voedingsgebied. </al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het
                    aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 14. Het
                    verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond. 1.2 </al><al/><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten </vet></al><al/><al><vet>Basisschool </vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per groep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen.
                    Ten behoeve van de bepaling van het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van
                    de formule:</al><al><vet>G = A + B + C + D</vet></al><al>De componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen
                    in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel
                    B, onder 1.1. Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt
                    aangesloten bij het normatieve overzicht 'splitsing aantal groepen leerlingen'
                    zoals weergegeven in tabel 5. </al><al/><al><vet>Tabel 5 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G) </vet></al><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen
                    leerlingen (G) in groepen 4- en 5-jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen
                    ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening. Aangezien de
                    groepsgrootteverkleining in een aantal stappen wordt doorgevoerd, is in de tabel
                    voor verschillende jaren de splitsing 4- en 5-jarigen en groepen 6- tot en met
                    12-jarigen gegeven. Vanaf 2002 wordt uitgegaan van de volledige doorvoering van
                    de groepsgrootteverkleining. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry><al>Aantal groepen 4/5-jarigen</al></entry><entry><al>Aantal groepen 6/12-jarigen</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>31</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>32</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>22</al></entry></row><row><entry><al>33</al></entry><entry><al>10</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>34</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>35</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>36</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>37</al></entry><entry><al>11</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>38</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>39</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>27</al></entry></row><row><entry><al>40</al></entry><entry><al>12</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>41</al></entry><entry><al>13</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>42</al></entry><entry><al>13</al></entry><entry><al>29</al></entry></row><row><entry><al>43</al></entry><entry><al>13</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>44</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>45</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>31</al></entry></row><row><entry><al>46</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>47</al></entry><entry><al>14</al></entry><entry><al>33</al></entry></row><row><entry><al>48</al></entry><entry><al>15</al></entry><entry><al>33</al></entry></row><row><entry><al>49</al></entry><entry><al>15</al></entry><entry><al>34</al></entry></row><row><entry><al>50</al></entry><entry><al>15</al></entry><entry><al>35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt
                    uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de
                    beschikking heeft over een speellokaal. Per groep met leerlingen van 6 jaar en
                    ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal groepen
                    wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De
                    'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale
                    school voor basisonderwijs is 14. Het verkregen getal wordt alleen naar boven
                    afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval
                    wordt het getal naar beneden afgerond. </al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal groepen bepaald
                    aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. </al><al/><al><vet>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste
                        aanschaf onderwijsleerpakket en meubilair </vet></al><al/><al><vet>Basisschool </vet></al><al>De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten: </al><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>b. meubilair</al><al/><al><vet>Ad a. onderwijsleerpakket </vet></al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen
                    uitgegaan van de onderstaande formule:</al><al><vet>G = A + B + C + D + E </vet></al><al>De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals
                    opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage
                    III, deel B, onder 1.1. </al><al/><al><vet>Ad b. meubilair </vet></al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de
                    onderstaande formule: </al><al><vet>G = A + B + C</vet></al><al>De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in
                    de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B,
                    onder 1.1. </al><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>Het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het
                    aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De N-factor is bepalend voor de
                    groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 14.
                    Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond. </al><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al/><al>(Vanwege het ontbreken van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de
                    gemeente Ridderkerk is deze paragraaf niet uitgewerkt)</al><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al><vet>3.1 Lesgebouwen </vet></al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten: </al><al>1. een leerlinggebonden component;</al><al>2. een vaste voet.</al><al/><al><vet>Ad 1 Een leerlinggebonden component </vet></al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt. </al><al/><al><vet>Ad 2 Een vaste voet </vet></al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg. </al><al/><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. </al><al/><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. </al><al/><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald. </al><al/><al><vet>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                        voortgezet onderwijs </vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg </al></entry><entry><al>Ruimtetype </al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>6,18</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry><al>TLW </al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,41</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>7,07</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,98</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>5,47</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>8,99</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>4,44</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>12,72</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,95</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>0,89</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,56</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,25</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>3,06</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,33</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>2,10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,71</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>4,22</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>4,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,53</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry><al>GLW </al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,94</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,37</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>2,34</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO </al></entry><entry><al>Algemeen </al></entry><entry><al>5,03</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,41</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek </al></entry><entry><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al><vet>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                        ruimtebehoefte voortgezet onderwijs </vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>980</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>550</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>299</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>196</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>168</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>117</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (bvo) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 bvo. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is. </al><al/><al><vet>3.2 Gymnastiekruimten </vet></al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. </al><al/><al><vet>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                        voortgezet onderwijs </vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,66</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,26</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>- </al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>DEEL C </vet></al><al><vet>De bepaling van de omvang van de toekenning </vet></al><al/><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen. </al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al/><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten
                    minste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald
                    zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte'. Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande
                    gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze
                    bijlage: 'De bepaling van de capaciteit'. Uitbreiding van het gebouw vindt
                    plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en
                    uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het
                    gebouw. </al><al/><al>Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang
                    van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een
                    bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting
                    een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
                    betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal
                    bevat. Een tweede toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend
                    indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.2 </vet><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw<cursief>,</cursief> wordt bepaald door
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                        gebouw<cursief>,</cursief> wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                    noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het
                    verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. </al><al/><al>Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat.
                    Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding
                    ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat
                    het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede tijdelijke voorziening
                    voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal wordt toegekend indien de
                    omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat. </al><al/><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling van de capaciteit'.
                    Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                        jaar<cursief>,</cursief> noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. </al><al/><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening verplaatsing van
                    noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het aantal
                    groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al><vet>1.3 </vet><vet>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D. </al><al/><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd
                    en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor
                    het aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief
                    kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, laatst bekende
                    teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van
                    deel B van deze bijlage. </al><al/><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                    eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke
                    eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal groepen, op basis van het
                    aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het
                    indienen van de aanvraag, laatst bekende teldatum. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage. </al><al/><al>Voor een basisschool wordt een toeslag onderwijsleerpakket tweede speellokaal
                    toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.
                    Voor een basisschool wordt een toeslag meubilair tweede speellokaal toegekend
                    indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal. </al><al/><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt de omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair,
                    dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                    meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor
                    reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en
                    de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                    voor het aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd, op basis van de,
                    voor het indienen van de aanvraag, laatst bekende teldatum. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>1.4 Gymnastiekruimten </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al/><al><vet>2. </vet><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>(Vanwege het ontbreken van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de
                    gemeente Ridderkerk is deze paragraaf niet uitgewerkt)</al><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al><vet>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw<cursief>,</cursief> wordt bepaald aan
                    de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar
                    noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de
                    hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze
                    bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><al/><al><vet>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. </al><al/><al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. </al><al/><al><vet>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting. </al><al/><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>3.4 Gymnastiekruimten </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym)
                    : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. Hierop wordt het aantal
                    in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A,
                    paragraaf 3.5.1). </al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt
                    een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322. </al><al/><al/><al/><al><vet>DEEL D </vet></al><al><vet>Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen </vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84 m2,
                            vanaf de veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum netto
                            oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte leslokaal: 42 m2 netto.</al></li></lijst><al/><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>(Vanwege het ontbreken van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de
                    gemeente Ridderkerk is deze paragraaf niet uitgewerkt)</al><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>theorielokaal: </al></entry><entry><al>42 m2</al></entry></row><row><entry><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry><al>60 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry><al>60 m2</al></entry></row><row><entry><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry><al>80 m2</al></entry></row><row><entry><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry><al>50 m2</al></entry></row><row><entry><al>werkplaats:</al></entry><entry><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry><al>restaurant:</al></entry><entry><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4 Gymnastiekruimten </vet></al><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al><al/><al/><al/><al><vet>III-1 overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'
                    </vet></al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw: </al><lijst><li nr="-"><al>De bruto-vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de
                            bruto-vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op
                            alle vloerniveaus.</al></li><li nr="-"><al>De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                            buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                            vloerhoogte.</al></li><li nr="-"><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de
                            bruto-vloeroppervlakte te worden gerekend.</al></li><li nr="-"><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="-"><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li><li nr="-"><al>Tot de bruto-vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een
                            vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m2.</al></li></lijst><al/><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="-"><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend.</al></li><li nr="-"><al>Indien de bruto-vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen
                            de netto-oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De
                            bruto-vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden
                            nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</al></li><li nr="-"><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt de bruto-vloeroppervlakte bepaald door de
                            nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte
                            &gt; 2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</al></li><li nr="-"><al>Voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte.</al></li></lijst><al/><al><vet>III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'
                    </vet></al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW of gegevens ontbreken.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen. </al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al/><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>Financiële normering </titel></kop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al><al>- deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al><al>- deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al><al>- deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><al/><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen </vet></al><al/><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                    (paragrafen 1.1, 1.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een
                    bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten)
                    van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van
                    een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                    uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de
                    bouwvoorbereiding in mindering gebracht. </al><al/><al>De in dit deel opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2014. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2006 en gecorrigeerd met de MEV-indexcijfers over de jaren 2007 tot en met 2014.
                    De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.5).</al></li></lijst><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                    kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor paalfundering;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw.</al></li></lijst><al/><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet>Kosten voor terreinen </vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen
                    kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke
                    diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor
                    de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de
                    gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal
                    benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>Bouwkosten </vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                    staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat
                    uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de
                    in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al/><al/><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet (incl. twee groepen)</al></entry><entry><al>€ 653.274</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 127.807</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet (incl. vier groepen)</al></entry><entry><al>€ 1.057.939</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 122.547</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 145.889</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor paalfundering </vet></al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het
                    gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig zijn. De
                    kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te
                    weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is
                    uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee respectievelijk vier groepen) en
                    een bedrag per groep. </al><al/><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet (incl. twee groepen)</al></entry><entry><al>€ 9.197</al></entry><entry><al>€ 13.377</al></entry><entry><al>€ 21.354</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 1.863</al></entry><entry><al>€ 3.150</al></entry><entry><al>€ 5.638</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet (incl. vier groepen)</al></entry><entry><al>€ 14.434</al></entry><entry><al>€ 22.235</al></entry><entry><al>€ 37.205</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 1.710</al></entry><entry><al>€ 2.891</al></entry><entry><al>€ 5.174</al></entry></row><row><entry><al>-Bedrag toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 2.036</al></entry><entry><al>€ 3.442</al></entry><entry><al>€ 6.160</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal </vet></al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte gerealiseerd kan
                    worden. </al><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 100.024</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 101.481</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 102.489</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;=20 meter</al></entry><entry><al>€ 104.436</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw </vet></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude
                    schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna
                    worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt
                    gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie. </al><al>De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele verhuiskosten)
                    zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per groep,
                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden. </al><al/><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw</al></entry><entry><al>€ 5.076</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw</al></entry><entry><al>€ 2.539</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.1 Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                    brutovloeroppervlakte (maximaal 9 groepen) is onderstaand de financiële
                    normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van
                    de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Kosten voor terrein </vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal, inclusief fundering op
                    staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De
                    vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze
                    vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte
                    worden gerealiseerd. </al><al/><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 92.240</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 147.860</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 94.959</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 137.723</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 163.956</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van de
                    uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering
                    op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er
                    zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en
                    langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag en een bedrag per groep. </al><al/><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 4.129</al></entry><entry><al>€ 5.385</al></entry><entry><al>€ 8.640</al></entry></row><row><entry><al>Per groep</al></entry><entry><al>€ 654</al></entry><entry><al>€ 1.693</al></entry><entry><al>€ 3.424</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1&lt;15</al></entry><entry><al>15&lt;20</al></entry><entry><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 4.166</al></entry><entry><al>€ 5.434</al></entry><entry><al>€ 8.719</al></entry></row><row><entry><al>Per groep</al></entry><entry><al>€ 595</al></entry><entry><al>€ 1.547</al></entry><entry><al>€ 3.126</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag extra ruimte</al></entry><entry><al>€ 709</al></entry><entry><al>€ 1.841</al></entry><entry><al>€ 3.722</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal </vet></al><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte gerealiseerd kan
                    worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een afzonderlijk speellokaal steeds in
                    combinatie met een uitbreiding van ten minste één groep (lokaal) plaatsvindt. </al><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 115.717</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry><al>€ 116.228</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 m</al></entry><entry><al>€ 117.042</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;=20 m</al></entry><entry><al>€ 118.396</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige
                    toekenning van een ander lokaal, wordt voor zowel een basisschool als een
                    speciale school voor basisonderwijs de vergoeding op basis van de volgende
                    bedragen bepaald: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry><al>€ 207.927</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry><al>€ 213.886</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering 15&gt;=20 m</al></entry><entry><al>€ 215.188</al></entry></row><row><entry><al>Lengte paalfundering &gt;20 m</al></entry><entry><al>€ 216.244</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw</vet></al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet>1.1 Tijdelijke voorziening </vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                    hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk
                    gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie
                    </vet>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                    noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto-vloeroppervlakte: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Per groep:</al></entry><entry><al>80 m2</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor eerste groep:</al></entry><entry><al>20 m2</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie:</al></entry><entry><al>160 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                    standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt
                    voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren, ook te
                    beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een permanent
                    hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke).
                    Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven. De vergoeding bestaat uit een vast
                    bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen voor de beide toeslagen. In deze
                    bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag
                    voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering niet
                    noodzakelijk is. </al><al/><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>(zonder paalfundering)</al></entry></row><row><entry><al>Vast bedrag</al></entry><entry><al>€ 37.965</al></entry><entry><al>€ 37.614</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 74.637</al></entry><entry><al>€ 70.363</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag eerste groep</al></entry><entry><al>€ 18.659</al></entry><entry><al>€ 17.591</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag hoofdlocatie</al></entry><entry><al>€ 149.275</al></entry><entry><al>€ 140.752</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen </vet></al><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de
                    bruto-vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m2 per groep. De vergoeding bestaat uit
                    een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de
                    bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en
                    inrichting van terreinen (tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering
                    niet noodzakelijk is). </al><al/><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Vast bedrag</al></entry><entry><al>€ 21.341</al></entry><entry><al>(€ 17.136)</al></entry></row><row><entry><al>Bedrag per groep</al></entry><entry><al>€ 78.207</al></entry><entry><al>(€ 76.246)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen </vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><al/><al><vet>1.1 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair </vet></al><al/><al><vet>Basisschool </vet></al><al>De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor
                    onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen
                    bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal groepen.
                    Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                    verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.
                    Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste
                    aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt
                    toegepast van 10%. </al><al/><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen</al></entry><entry><al>OLP</al></entry><entry><al>Meubilair</al></entry><entry><al>Totaal</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>€ 47.339</al></entry><entry><al>€ 28.255</al></entry><entry><al>€ 75.594</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>€ 53.871</al></entry><entry><al>€ 37.969</al></entry><entry><al>€ 91.840</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>€ 67.037</al></entry><entry><al>€ 47.987</al></entry><entry><al>€ 115.024</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>€ 73.809</al></entry><entry><al>€ 57.701</al></entry><entry><al>€ 131.510</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 7.170</al></entry><entry><al>€ 6.779</al></entry><entry><al>€ 13.949</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag tweede speellokaal</al></entry><entry><al>€ 965</al></entry><entry><al>€ 6.483</al></entry><entry><al>€ 7.418</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al>De vergoeding voor eerste inrichting voor onderwijsleerpakket en meubilair voor
                    een speciale school voor basisonderwijs bestaat uit: een vaste voet inclusief
                    vier groepen, een bedrag voor elke volgende groep en een toeslag bij de vorming
                    van de twaalfde groep. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vaste voet (incl. vier groepen)</al></entry><entry><al>€ 139.533</al></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 14.560</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag bij de twaalfde groep</al></entry><entry><al>€ 18.761</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien de toekenning van het aantal groepen eerste inrichting en meubilair één
                    of meer van de eerste vier groepen omvat, wordt de vaste voet naar rato
                    toegekend. </al><al/><al><vet>1.1 Gymnastiek </vet></al><al/><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </vet></al><al/><al><vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 700.819 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 714.993 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 14.096</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 19.433</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 27.292</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Uitbreiding </vet></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                    oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde
                    uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school
                    voor basisonderwijs er als volgt uit: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 162.826</al></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 197.937</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>112-120m2</al></entry><entry><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 6.311</al></entry><entry><al>€ 7.890</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 10.930</al></entry><entry><al>€ 13.660</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry><al>€ 17.870</al></entry><entry><al>€ 22.338</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>OLP/meubilair </vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 51.331</al><al/><al/><al><vet> 1 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>Er zijn geen scholen voor speciaal onderwijs in Ridderkerk. Gelet hierop is dit
                    hoofdstuk niet uitgewerkt.</al><al/><al/><al><vet>2 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3);
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></li></lijst><al/><al>De in dit deel opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2014. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2006 en gecorrigeerd met de MEV-indexcijfers over de jaren 2007 tot en met 2014.
                    De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw en uitbreiding </vet></al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B). </al><al/><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><al>- kosten van terreinen;</al><al>- bouwkosten.</al><al/><al><vet>Kosten van terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. </al><al/><al><vet>Bouwkosten </vet></al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B. </al><al/><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte. </al><al/><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                    bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor
                    de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al/><al/><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry><al>&gt;=25002</al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.785</al></entry><entry><al>€ 1.059</al></entry><entry><al>€ 1.034</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.744</al></entry><entry><al>€ 1.410</al></entry><entry><al>€ 1.410</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.117</al></entry><entry><al>€ 1.784</al></entry><entry><al>€ 1.784</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li></lijst><al/><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst><al/><al>De overige ruimte is algemene ruimte. Bedragen voor de sectie-afhankelijke
                    kosten per voorziening (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry><al>€ 105.749</al></entry><entry><al>€ 105.749</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry><al>€ 207.577</al></entry><entry><al>€289.826</al></entry></row><row><entry><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry><al>€ 38.383</al></entry><entry><al>€ 38.383</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><al/><al><vet>Aanvullende normkosten</vet></al><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling. In de hiervoor genoemde
                    vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal
                    echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een
                    bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport. De
                    vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw
                    in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van
                    de volgende formules: </al><al/><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry><al>€ 3.283</al></entry><entry><al>+ (€ 17.23 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry><al>€ 3.495</al></entry><entry><al>+ (€ 29.14 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry><al>€ 3.902</al></entry><entry><al>+ (€ 52.14 * A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry><al>€ 4.010</al></entry><entry><al>+ (€ 6,04 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry><al>€ 5.229</al></entry><entry><al>+ (€ 15.65 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry><al>€ 7.941</al></entry><entry><al>+ (€ 31.66 * A )</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,18 per m2
                    terrein. </al><al/><al><vet>1.1 Tijdelijke voorziening </vet></al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. </al><al/><al>De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: </al><al>- nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al><al>- huur van tijdelijke lokalen.</al><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen </vet></al><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: </al><al/><al>€ 567,95* A + € 39.047</al><al/><al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.
                    Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening. </al><al/><al><vet>Huur van tijdelijke lokalen </vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>1.1 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair </vet></al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk
                    van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen
                    de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de
                    hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al/><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Algemene ruimte</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 159</al></entry></row><row><entry><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzoring/mode en commmercie</al></entry><entry><al>€ 369</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry><al>€ 227</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>€ 304</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al></entry><entry><al>€ 387</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Consumptief</al></entry><entry><al>€ 751</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Grafische techniek</al></entry><entry><al>€ 1.436</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Landbouw</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></li></lijst><al/><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al/><al><vet>1.1 Gymnastiek voortgezet onderwijs </vet></al><al/><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 700.819 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk </al><al>€ 714.993 (op afzonderlijk terrein). De vergoeding voor de bouwkosten van een
                    gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten
                    voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn
                    hierin niet begrepen. </al><al/><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry><al>€ 14.096</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry><al>€ 19.433</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry><al>€ 27.292</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal </vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><al>a. Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs
                    wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag
                    vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding
                    wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                    het primair onderwijs.</al><al>Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt,
                    wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het
                    aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege
                    het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de
                    VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel
                    van het klokuurbedrag te vergoeden. </al><al>b. Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                    school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten
                    verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding
                    wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                    het primair onderwijs.</al><al>c. Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                    gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                    (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de
                    school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van
                    deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het
                    vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor
                    de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                    deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al><al/><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden. </al><al/><al/><al/><al><vet>Huur sportvelden </vet></al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 17,36 per klokuur. </al><al/><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</vet></al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Meubilair</al></entry><entry><al>L.h.m</al></entry><entry><al>Totaal</al></entry></row><row><entry><al>Eerste lokaal</al></entry><entry><al>€ 1.084</al></entry><entry><al>€ 64.647</al></entry><entry><al>€ 65.731</al></entry></row><row><entry><al>Tweede lokaal</al></entry><entry><al>€ 1.084</al></entry><entry><al>€ 50.430</al></entry><entry><al>€ 51.514</al></entry></row><row><entry><al>Derde lokaal</al></entry><entry><al>€ 1.084</al></entry><entry><al>€ 21.925</al></entry><entry><al>€ 23.009</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 14.277</al></entry><entry><al>€ 14.277</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 1.649</al></entry><entry><al>€ 1.649</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1 Indexering </vet></al><al/><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn gebaseerd op van het prijspeil van
                    1 juli 1996 en gecorrigeerd met de MEV-indexcijfers over de jaren 2007 tot en
                    met 2014. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in
                    het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                    vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het
                    programma bekendgemaakt. Het college volgt hierin de indexeringscijfers zoals
                    deze door de VNG worden aangeleverd.</al><al/><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling </vet></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al/><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. Voor de voorzieningen
                    onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                    verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’
                    (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over
                    de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande
                    jaar. Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100”
                    over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn,
                    worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede
                    kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al/><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. Voor de
                    voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en
                    de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer
                    'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt
                    op de derde dinsdag in september. </al><al/><al/><al><vet>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten </vet></al><al/><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan. </al><al/><al><vet>Europese aanbesteding </vet></al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt,
                    worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de
                    Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende
                    bedragen: </al><lijst><li nr="-"><al>207.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al></li><li nr="-"><al>5.186.000 euro (exclusief BTW) voor werken. </al></li></lijst><al/><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing. </al><al/><al><vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag </vet></al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag is de Aanbestedingswet 2012 van
                    toepassing. </al><al/><al/><al><vet>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven </vet></al><al/><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de
                    Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding. Tenzij partijen anders
                    overeenkomen is deze vergoeding gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij
                    meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke
                    programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt
                    bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. </al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al><vet>1. </vet><vet>Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al/><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit. </al><al/><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: </al><al>1. voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op
                    te heffen; </al><al>2. voorzieningen noodzakelijk om een adequaat huisvestingsniveau te handhaven; </al><al/><al>Ad 1 Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen. </al><al/><al>Ad 2 Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                    ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, herstel van
                    constructiefouten en herstel of vervanging van schade in bijzondere
                    omstandigheden vormen de tweede hoofdprioriteit. </al><al/><al/><al><vet>2. </vet><vet>Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</vet></al><al/><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor de hoofdprioriteit 2 de
                    subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien
                    meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen,
                    worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast. Onder
                    lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten
                    en overige nevenruimten binnen het gebouw. Onder het begrip overige ruimte
                    vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein. </al><al/><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                        bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking: </vet></al><al>a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; </al><al>b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                    schoolgebouwen en </al><al>c. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft. </al><al/><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                        huisvestingsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking: </vet></al><al>a. als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige
                    rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                    kwaliteit wordt toegekend; </al><al>b. vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens
                    het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste
                    score qua kwaliteit wordt toegekend; </al><al>c. vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                    waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al><al>d. vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend; </al><al>e. vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend. </al><al/><al/><al><vet>Toelichting </vet></al><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen – alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet spoedeisend zijn – een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeve de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlage I tot en met
                    IV.</al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente
                    niet aan de toepassing van de urgentiecriteria. Met de hieronder gehanteerde
                    indeling in hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk.</al><al>De zorg voor een adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het
                    vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al><al>a. elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden;</al><al>b. vervanging en herstel dat absoluut noodzakelijk is om de voortgang van het
                    onderwijs niet in gevaar te brengen, wordt vergoed;</al><al>c. voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair wordt vergoed.</al><al/><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan van invloed zijn op het budget
                    voor de volgende programma’s en op de mogelijkheden andere minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen. In de subprioriteiten is met een enkelvoudige criteria
                    gewerkt om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd te maken. De gemeente kan
                    één integraal budget vaststellen voor alle drie de onderwijssectoren tezamen.
                    Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die systematiek is in de
                    modelverordening uitgegaan. De gemeente kan ook deelbudgetten vaststellen. Dat
                    dient dan echter vóór de beoordeling van de voorzieningen plaats te vinden. Een
                    dergelijke handelswijze komt overeen met die van het ministerie vóór 1997.</al><al>Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de
                    systematiek van de modelverordening te geschieden door een wijziging van de
                    urgentiecriteria , en dus door een wijziging van de verordening. De
                    voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden opgenomen
                    als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog subprioriteiten worden
                    onderscheiden.</al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt).</al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen.</al><al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                    huisvestingsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteit 2 is een volgorde
                    qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het gehele gebouw een zekere mate
                    van onderhoud of aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor
                    (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten en niet lesgebouwen.</al><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>