<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356961_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">elektronisch gemeenteblad week 4 d.d. 21-1-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 54 en 58 tot en met 60c van de Participatiewet, artikelen 17, 25, 26 en 28 van de IOAW, artikelen 17, 25, 26 en 28 van de IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terug- en invordering
            Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Sittard-Geleen;</al><al>gelet op: - de artikelen 54 en 58 tot en met 60c van de Participatiewet - de
                        artikelen 17, 25, 26 en 28 van de IOAW - de artikelen 17, 25, 26 en 28 van
                        de IOAZ;</al><al>overwegende dat het wenselijk is om regels vast te stellen over het gebruik
                        van de in bovenvermelde bepalingen neergelegde bevoegdheden tot opschorting,
                        herziening, intrekking, terug- en invordering;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen: Beleidsregels opschorting, herziening, intrekking, terug-
                        en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting
                                        en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de
                                        uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting
                                        1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en
                                        premies niet verrekend kunnen worden met de door het college
                                        af te dragen loonbelasting en premies
                                        volksverzekeringen;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Sittard-Geleen;</al></li><li nr="c."><al>fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of
                                        tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van
                                        het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht;</al></li><li nr="d."><al>inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17,
                                        eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid
                                        van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel
                                        30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="e."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="f."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="g."><al>uitkering: de door het college verleende bijstand in het
                                        kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader
                                        van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>Participatiewet: de Participatiewet.</al></li><li nr="i."><al>WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot
                                herziening, intrekking, terugvordering en brutering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het college acht zich verplicht tot de aanpak van fraude en
                                        de terugvordering van ten onrechte en/of teveel verstrekte
                                        uitkering. In dit verband:</al><lijst><li nr="a."><al>herziet dan wel trekt het college het recht op
                                                uitkering in, indien de uitkering tot een te hoog
                                                bedrag dan wel ten onrechte is verleend;</al></li><li nr="b."><al>maakt het college ten volle gebruik van de
                                                bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar op
                                                grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van
                                                de Participatiewet alsmede artikel 25, tweede lid en
                                                artikel 26 van de IOAW en IOAZ toekomt.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Op grond van dringende redenen kan het college besluiten geheel of
                                gedeeltelijk van opschorting, herziening, intrekking, en/of terug-
                                en invordering af te zien. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De teveel ontvangen uitkering wordt bruto teruggevorderd wanneer de
                                loonbelasting, premies volksverzekeringen en inhoudingen
                                Zorgverzekeringswet niet verrekend kunnen worden met de
                                Belastingdienst en/of het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terug- en
                            invordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitzonderingen</titel></kop><al>Geheel of gedeeltelijk afzien van vorderingen is niet van toepassing op
                            vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn
                            gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen
                            worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1 onder b, ziet
                                het college af van het nemen van een terugvorderingbesluit indien de
                                terug te vorderen uitkering een bedrag van € 150,00 op netto basis
                                per kalenderjaar niet te boven gaat en de terugvordering uitsluitend
                                een gevolg is van de gemeente aan te rekenen factoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2<vet><cursief>.</cursief></vet>Indien de
                                uitkering wordt beëindigd vanwege werkaanvaarding en als gevolg
                                hiervan voor belanghebbende aanspraak bestaat op de aanvullende
                                alleenstaande ouderkorting, de inkomensafhankelijke
                                combinatiekorting of de heffingskorting minstverdienende partner van
                                de Belastingdienst wordt afgezien van terugvordering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>3.Indien bij de beëindiging van de uitkeringsverlening blijkt dat
                                voor belanghebbende aanspraak bestaat op de (alleenstaande)
                                ouderenkorting wordt afgezien van terugvordering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van vorderingen die niet ten
                                gevolge van de schending inlichtingenplicht zijn ontstaan.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2, lid 1 onder b, besluit het college af te
                                zien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering
                                indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende vijf jaar volledig aan zijn
                                        betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van
                                        de hoofdsom van de vordering heeft voldaan;</al></li><li nr="b."><al>gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
                                        betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
                                        achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
                                        daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
                                        invordering betrekking hebbende kosten, alsnog betaald en
                                        ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft
                                        voldaan;of</al></li><li nr="c."><al>gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
                                        aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan
                                        verrichten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval de restantvordering niet hoger is dan € 150,00, nadat de
                                termijn genoemd in de aanmaning is verstreken en aflossing
                                achterwege is gebleven, wordt deze buiten invordering gesteld als er
                                op basis van de beschikbare gegevens geen verrekening ex art. 6:127
                                Burgerlijk Wetboek of vereenvoudigd derdenbeslag op loon of
                                uitkering mogelijk is<vet><cursief>.</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid, aanhef,
                                onder a. en b., slechts genomen als de belanghebbende daarom
                                schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het eerste lid,
                                aanhef, onder c., en het tweede lid wordt uitsluitend ambtshalve
                                besloten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar
                                is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in
                                die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d
                                van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is
                                gegaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het op basis van dit artikel, lid 1 tot en met 4 genomen besluit tot
                                (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien
                                op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of
                                onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
                                of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van vorderingen die zijn ontstaan
                                als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit af te zien van terugvordering of van verdere
                                terugvordering van uitkering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende tien jaar volledig is voldaan aan de
                                        betalingsverplichtingen en ten minste 75% van de hoofdsom
                                        van de vordering heeft voldaan;</al></li><li nr="b."><al>gedurende tien jaar niet volledig is voldaan aan de
                                        betalingsverplichtingen, maar het achterstallige bedrag over
                                        die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
                                        wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende
                                        kosten, alsnog heeft betaald;</al></li><li nr="c."><al>gedurende tien jaar nadat de termijn genoemd in de laatste
                                        aanmaning is verstreken geen betaling is verricht en het
                                        niet aannemelijk is dat hij dat in de toekomst wel gaat
                                        doen; of</al></li><li nr="d."><al>de restantvordering minder dan 75% van de hoofdsom bedraagt,
                                        niet hoger is dan € 150,00 en nadat de termijn genoemd in de
                                        laatste aanmaning is verstreken en geen betaling is verricht
                                        wordt deze buiten invordering gesteld als er op basis van de
                                        beschikbare gegevens geen verrekening ex art. 6:127
                                        Burgerlijk Wetboek of vereenvoudigd derdenbeslag op loon of
                                        uitkering mogelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend
                                ambtshalve besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij
                                schulden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet en
                                artikel 29a van de IOAW en IOAZ, schort het college de
                                aflossingsverplichting op indien de belanghebbende de volledige
                                medewerking verleent aan de totstandkoming van een minnelijke
                                regeling of aan een traject gebaseerd op de WSNP.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het minnelijke schuldsaneringtraject met goed gevolg is
                                doorlopen of het WSNP traject met een schone lei is afgehandeld
                                besluit het college tot het afzien van de (restant) vordering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>INVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Besluit tot terug- en invordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het
                                besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87
                                van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gelijktijdig met het terugvorderingbesluit afgegeven
                                invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van (het saldo van) de vordering;</al></li><li nr="b."><al>de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te
                                        voldoen;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid voor belanghebbende om een betalingsregeling
                                        te treffen;</al></li><li nr="e."><al>de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de
                                        betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb
                                        over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over
                                        aanmaning en invordering bij dwangbevel;</al></li><li nr="f."><al>de vermelding dat het aangaan van nieuwe
                                        schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling
                                        van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens
                                        bijzondere onvoorziene omstandigheden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Aflossing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien mogelijk dient de belanghebbende de vordering in één keer af
                                te lossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aflossing in één keer niet mogelijk is en belanghebbende een
                                betalingsregeling wenst te treffen, vindt de aflossing van de
                                vordering in maandelijkse termijnen plaats waarbij de hoogte van de
                                maandelijkse aflossing in principe inkomensonafhankelijk wordt
                                berekend op basis van: de hoogte van het terugvorderingsbedrag, een
                                maximale aflossingsperiode, een minimaal aflossingsbedrag.</al><lijst><li nr="a."><al>bedrag ≤ € 2500,00, maximaal 36 maanden, minimaal €25,00 per
                                        maand;</al></li><li nr="b."><al>bedrag &gt; € 2500,00 en ≤ € 5000,00, maximaal 60 maanden,
                                        minimaal € 60,00 per maand;</al></li><li nr="c."><al>bedrag &gt; € 5000,00, maximaal 120 maanden, minimaal €
                                        100,00 per maand;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een uitkering ontvangt en een derde (anders
                                dan het college) beslag wil leggen, wordt de aflossing bepaald op
                                het voor beslag vatbare bedrag als aangegeven in art 457d van het
                                wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op grond van bijzondere individuele omstandigheden kan de hoogte van
                                het maandelijks te betalen bedrag op verzoek van belanghebbende
                                afwijkend van lid 1 en lid 2 worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in de
                                terugvorderingsbeschikking geldt als opgelegde
                                betalingsverplichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor zover een overeengekomen betalingsverplichting stipt en correct
                                wordt nagekomen gedurende de aflossingstermijn, wordt het
                                aflossingsbedrag niet meer gewijzigd, tenzij in het
                                terugvorderingsbesluit bij de oplegging van de betalingsverplichting
                                anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De betalingstermijn als bedoeld in artikel 4:86 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, eindigt op de eerste dag van de tweede maand volgende
                                op de datum van het terugvorderingsbesluit waarbij de minimale
                                betalingstermijn 6 weken bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de
                            Participatiewet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en
                            ongeacht de in artikel 9 genoemde betalingstermijn gaat het college
                            indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering
                            over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op
                            uitkering in het kader van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Invorderingsvolgorde bij verrekening</titel></kop><al>In het geval een belanghebbende een Participatiewet, IOAW of
                            IOAZ-uitkering ontvangt en er sprake is van meerdere vorderingen en/of
                            boetes hanteert het college de volgende regels als het gaat om de
                            volgorde van de inning van vorderingen en boetes door middel van
                            verrekening.</al><al>Uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>bij samenloop van vordering(en) en boete(s) moet eerst op de
                                    boete worden afgelost;</al></li><li nr="b."><al>bij samenloop van vorderingen moet op de oudste vordering als
                                    eerste moet worden afgelost;</al></li><li nr="c."><al>Daar waar gesproken wordt aflossingsvolgorde van vorderingen en
                                    boetes heeft die volgorde ook betrekking op de op die vordering
                                    of boete betrekking hebbende incassokosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Dwanginvordering</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een
                            betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet
                            meer nakomt, wordt het terugvorderingbesluit ten uitvoer gelegd door
                            middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>verrekening met de uitkering ingevolge de Participatiewet op
                                    grond van artikel 60 lid 3, lid 4 Participatiewet; of indien
                                    deze mogelijkheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>incasso nadat een dwangbevelbesluit is genomen vindt plaats via
                                    beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g,
                                    behoudens artikel 479e lid 2 R of beslag in de zin van het
                                    Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op
                                    basis van de executoriale titel die is verbonden aan een
                                    dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de per
                                    omgaande gestarte betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen
                                    als bedoeld in artikel 4:117 Awb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door
                                belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging
                                van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende
                                afschriften van bewijsstukken, tot:</al><lijst><li nr="a."><al>wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting,
                                        omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde
                                        periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen
                                        voldoen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een
                                besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid en deelt dit
                                aan belanghebbende mee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de
                                lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende
                                redenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstel van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan
                                wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende
                                duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de
                                gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering
                                over te gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit
                                verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat
                                belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van
                                de openstaande schuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het college,
                                indien het een fraudevordering betreft, aan de verlening van
                                (verder) uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende indien hij
                                over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken, dit vermogen -
                                voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende uitkeringsnorm
                                - aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als
                                bedoeld in het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel
                                        ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten; en</al></li><li nr="b."><al>is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van
                                        de Participatiewet van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de nader
                                overeengekomen aflossing niet nakomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Wettelijke rente bij uitstel</titel></kop><al>Voor de periode dat uitstel is verleend wordt geen wettelijke rente in
                            rekening gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Rente en kosten</titel></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel
                            17 wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op
                            de invordering betrekking hebbende kosten, indien de invordering is
                            overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidregels opschorting,
                            herziening, intrekking terug- en invordering Participatiewet, IOAW en
                            IOAZ”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De beleidsregels treden in werking per 1 januari 2015 en komen per deze
                            datum in de plaats van de Beleidsregels Terugvordering WWB, vastgesteld
                            op 14 maart 2006.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>