<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>356925_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-30</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officiele bekendmakingen, d.d. 12 januari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, d en e, 8b en 18, Participatiewet, de artikelen 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, en 20, tweede lid, IOAW, alsmede de artikelen 35, eerste lid, onderdeel b, c en d en 20, tweede lid, IOAZ</dcterms:source><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>148-2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening
                            bestuurlijke boete 2015</vet></intitule><regeling><officiele-inhoudsopgave><kop><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="89*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="11*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Inhoud</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Pag</vet><vet>ina</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een
                                        maatregel</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5 Horen van belanghebbende</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6 Afzien van het opleggen van een
                                        maatregel</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2 Maatregel in verband met schending van
                                        de plicht tot arbeidsinschakeling en behoud van
                                        arbeid in de Participatiewet </al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 9 Indeling in categorieën</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 11 Verrekening maatregel en
                                        inkeerbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 12 Inkeerbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 3 Maatregel in verband met schending van
                                        de plicht tot arbeidsinschakeling en behoud van
                                        arbeid in de IOAW/IOAZ</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 13 Indeling in categorieën</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 14 De hoogte en duur van de maatregel</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 4 Maatregel in verband met overige
                                        gedragingen</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 15 Tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid en het niet nakomen van overige
                                        verplichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 16 Maatregel bij verlies van een passende en
                                        toereikende voorliggende voorziening door toepassing
                                        van de bestuurlijke boete</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 17 Zeer ernstige misdragingen</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 5 Recidive </al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 18 Recidive</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 6 Verrekening bestuurlijke boete bij
                                        recidive</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 19 Verrekening met inachtneming beslagvrije
                                        voet</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 7 Handhavingsbeleid</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 20 Beleidsplan en uitvoeringsplan</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 21 Onvoorziene omstandigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 22 De inwerkingtreding en
                                        overgangsrecht</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 23 Citeertitel</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row></tbody></tgroup></table></officiele-inhoudsopgave><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. ……, nr. ……. ;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, d en e, 8b
                        en 18, Participatiewet, de artikelen 35, eerste lid, onderdeel b, c en
                        d, en 20, tweede lid, IOAW, alsmede de artikelen 35, eerste lid,
                        onderdeel b, c en d en 20, tweede lid, IOAZ;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende </al><al><vet>Verordening maatregelen Participatiewet,</vet><vet>
                        IOAW</vet><vet>, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete</vet><vet>
                            2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid die
                                        maatschappelijk aanvaard is;</al></li><li nr="b."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="c."><al>Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: de uitkering waarop ten gevolge van een
                                        verwijtbare gedraging eerder, langer, of tot een hoger
                                        bedrag beroep wordt of is gedaan door een belanghebbende;
                                    </al></li><li nr="e."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de
                                        artikelen 475c tot en met 475e, Wetboek van Burgerlijke
                                        Rechtsvordering;</al></li><li nr="f."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="g."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="h."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="i."><al>maatregel: het tijdelijk verlagen dan wel weigeren van de
                                        uitkering;</al></li><li nr="j."><al>raad: de gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="k."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel
                                        18a, vijfde lid, Participatiewet; </al></li><li nr="l."><al>uitkering: bijstand op grond van de Participatiewet, of een
                                        uitkering op grond van de IOAW, IOAZ of het Bbz;</al></li><li nr="m."><al>uitkeringsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel c, Participatiewet of, voor zover
                                        sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van
                                        de uitkering als bedoeld in artikel 5, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="n."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsbepalingen van de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz, de Awb
                                en het Boetebesluit socialezekerheidswetten zijn op deze verordening
                                en de daarop berustende bepalingen van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende de verplichtingen voortvloeiend uit de
                                Participatiewet, IOAW, IOAZ of het Bbz niet nakomt, dan wel naar het
                                oordeel van het college tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan,
                                wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking op het tweede lid, wordt de maatregel als gevolg van
                                schending van de verplichtingen genoemd in artikel 9, lid 4,
                                afgestemd op de omstandigheden van belanghebbende en diens
                                mogelijkheden om middelen te verwerven, indien het college van
                                oordeel is dat dit, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende
                                redenen daartoe noodzaken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12, Participatiewet; of</al></li><li nr="b."><al>het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dan wel
                                        schending van een van de verplichtingen, genoemd in de
                                        Participatiewet, of in het Bbz; of</al></li><li nr="c."><al>de bijzondere bijstand bestemd is voor woonkosten en premie
                                        arbeidsongeschiktheidsverzekering en verleend wordt aan
                                        zelfstandigen, die bijstand voor het levensonderhoud
                                        krachtens het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur en ingangsdatum van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>het hiermee corresponderende bedrag waarmee de uitkering wordt
                                    verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing: de reden om af te wijken van een
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit kan
                                zowel schriftelijk door middel van een verklaring, als
                                mondeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college werkzaamheden
                                        heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken, of</al></li><li nr="d."><al>in bijzondere situaties geen enkele twijfel bestaat over het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging en/of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of de gedraging meer dan zes
                                maanden vóór constatering ervan heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Het besluit hiertoe wordt
                                gelijkgesteld aan een besluit tot opleggen van een maatregel. Aan
                                belanghebbende wordt hiervan schriftelijk mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan
                                van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel kan worden
                                uitgevoerd als gevolg van de beëindiging van de uitkering, kan het
                                nog niet uitgevoerde deel van de maatregel alsnog ten uitvoer worden
                                gelegd indien de belanghebbende binnen een termijn van zes maanden
                                opnieuw een uitkering ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het
                                levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz
                                hebben ontvangen, kan de maatregel met terugwerkende kracht worden
                                betrokken bij de definitieve vaststelling van die uitkering. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                binnen drie maanden nadat het besluit is genomen heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel is
                                vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van samenloop van meerdere gedragingen die schending
                                opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde
                                verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van
                                de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging
                                waarop de zwaarste maatregel is vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er is sprake van samenloop van meerdere gedragingen als twee of meer
                                gedragingen tegelijkertijd worden geconstateerd en de gedragingen
                                binnen een periode van 30 dagen plaats hebben gevonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Maatregel in verband met schending van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling en behoud van arbeid in de Participatiewet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van de artikelen 9, 9a, 18 en 41, Participatiewet niet of onvoldoende
                            zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of
                            het niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende naar vermogen trachten algemeen
                                            geaccepteerde arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet
                                            voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in het vierde
                                            lid;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om,
                                            in verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            gegeven plaats en tijd te verschijnen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren,
                                            voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als
                                            bedoeld in het vierde lid;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het
                                            opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van
                                            aanpak als bedoeld in artikel 44a, Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende naar vermogen trachten de
                                            mogelijkheden naar uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs
                                            te onderzoeken gedurende de termijn, genoemd in artikel
                                            41, vierde lid, Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55, van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, Participatiewet;</al></li><li nr="f."><al>het uit houding en gedragingen ondubbelzinnig laten
                                            blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onderdeel b, Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder als bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                                            Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie: </al><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de in artikel 18, vierde lid,
                            Participatiewet genoemde verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                    verplichting om ingeschreven te staan bij een
                                    uitzendbureau;</al></li><li nr="c."><al>het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                    in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die
                                    andere gemeente te verhuizen;</al></li><li nr="d."><al>bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                                    reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het
                                    naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="e."><al>bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat
                                    er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen
                                    verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                                    arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een
                                    netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de
                                    belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan;</al></li><li nr="f."><al>het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                                    noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden
                                    of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="g."><al>het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding,
                                    gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;</al></li><li nr="h."><al>het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
                                    waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of
                                    haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede en derde lid, wordt de maatregel, bij
                            gedragingen als bedoeld in het voorgaande artikel, vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verrekent de maatregel als bedoeld in artikel 10,
                                onderdeel d, gespreid over de maand van oplegging en de
                                daaropvolgende twee maanden. De eerste en tweede maand bedraagt de
                                verrekening 35% en de derde maand bedraagt de verrekening 30%. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van belanghebbende is volledige verrekening in de maand
                                van oplegging mogelijk. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, Participatiewet, vindt geen verrekening plaats als
                                bedoeld in het eerst lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inkeerbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 18,
                                vijfde t/m achtste lid, Participatiewet stop zetten, op schriftelijk
                                verzoek van belanghebbende als bedoeld in artikel 18, elfde lid,
                                Participatiewet, indien hij aantoont dat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>uit zijn houding en gedraging blijkt dat hij de verplichtingen als
                                genoemd in artikel 18, vierde lid, Participatiewet ondubbelzinnig
                                nakomt; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het aannemelijk is dat continueren van de maatregel zou leiden tot
                                huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin of andere
                                onaanvaardbare consequenties heeft voor eventuele minderjarige
                                belanghebbende(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het eerste lid is niet mogelijk binnen een maand na
                                ingangsdatum van de maatregel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, vindt stopzetting van
                                de maatregel plaats met ingang van de datum waarop het verzoek als
                                bedoeld in het eerste lid, is ontvangen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, Participatiewet, vindt geen stopzetting plaats.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Maatregel in verband met schending van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling en behoud van arbeid in de IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van de artikelen 13, 20, 37 en 38 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende
                            zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of
                            het niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in
                                    verband met de inschakeling in de arbeid, op een gegeven plaats
                                    en tijd te verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen, als bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel f, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 36, eerste lid, en
                                    37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het uit houding en gedragingen ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel
                                    e, IOAW/IOAZ, niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                    intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                                    alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid,
                                    IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid, anders dan bedoeld in de vijfde
                                            categorie; </al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan een vastgesteld
                                            plan van aanpak.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al></li><li nr="a."><al>het door eigen toedoen verliezen van een inkomen uit of in
                                    verband met arbeid, waarbij:</al><lijst><li nr="i."><al>aan de beëindiging van de dienstbetrekking een dringende
                                            reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van
                                            Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende
                                            ter zake een verwijt kan worden gemaakt; dan wel</al></li><li nr="ii."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                            gevergd.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>het weigeren om hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden, terwijl belanghebbende een uitkering ontvangt op
                                    basis van de IOAW/IOAZ. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, is de maatregel, bij gedragingen als
                            bedoeld in artikel 14, gelijk aan:</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de vierde categorie;</al></li><li nr="e."><al>een eenmalig bedrag ter hoogte van de laatste twee maanden
                                    gederfde netto inkomsten dan wel het gemiddelde van de te
                                    verwachten inkomsten, bij gedragingen van de vijfde
                                    categorie.</al></li></lijst><al>Indien de hoogte van het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld,
                            wordt de maatregel vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm gedurende
                            een maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Maatregel in verband met overige gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en het niet
                                nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, Participatiewet, anders dan het niet behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, vierde lid, aanhef en
                                onderdeel a, wordt afgestemd op het benadelingsbedrag met inbegrip
                                van het onverantwoord bestede vermogen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wegens het niet nakomen van een door het college
                                opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55, Participatiewet,
                                dan wel artikel 38, eerste lid, Bbz, wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel, bedoeld in
                                het eerste en tweede lid, vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de uitkeringsnorm
                                gedurende een maand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20% van de
                                uitkeringsnorm gedurende een maand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40% van de
                                uitkeringsnorm gedurende een maand;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100% van de
                                uitkeringsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien geen benadelingsperiode of -bedrag kan worden vastgesteld,
                                bedraagt de maatregel 20% van de uitkeringsnorm gedurende een
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een (beginnend) zelfstandige niet meewerkt aan begeleiding door
                                een door het college aangewezen derde, als bedoeld in artikel 2,
                                derde lid, onderdeel b, Bbz, wordt een maatregel opgelegd van 20%
                                van de uitkeringsnorm gedurende een maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van de bestuurlijke
                                boete</titel></kop><al>In afwijking van het voorgaande artikel wordt, indien belanghebbende
                            geen beroep meer kan doen op een passende en voorliggende voorziening,
                            omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het
                            kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting,
                            een maatregel opgelegd van 100% van de uitkeringsnorm gedurende de
                            eerste drie maanden gerekend vanaf de start van verrekening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover de met
                                de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ belaste personen
                                en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden, wordt
                                een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel als bedoeld
                                in het eerste lid, vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij het
                                        uitoefenen van fysiek geweld tegen personen en/of materiële
                                        zaken;</al></li><li nr="b."><al>75% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij mondelinge
                                        of schriftelijke bedreigingen geuit aan personen als bedoeld
                                        in het eerste en tweede lid;</al></li><li nr="c."><al>50% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij iedere
                                        andere vorm van zeer ernstige misdraging. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede en derde lid:</al><lijst><li nr="1."><al>wordt de hoogte dan wel de duur van de maatregel verdubbeld, als
                                    een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                    van een besluit waarbij een maatregel krachtens de
                                    Participatiewet of IOAW/IOAZ is opgelegd, opnieuw schuldig heeft
                                    gemaakt aan een verwijtbare gedraging die niet valt binnen de
                                    gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    Participatiewet. </al></li><li nr="2."><al>wordt de duur van de maatregel als bedoel in het eerste lid
                                    nogmaals verdubbeld, als een belanghebbende zich binnen twaalf
                                    maanden na toepassing van het eerste lid, opnieuw schuldig maakt
                                    aan een verwijtbare gedraging die niet valt binnen de
                                    gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    Participatiewet, wordt telkens, rekening houdend met de bepaling
                                    van artikel 18, derde lid, Participatiewet. </al></li><li nr="3."><al>bedraagt de maatregel 100% gedurende twee maanden, als een
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een maatregel is opgelegd in verband met een
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan en verwijtbare
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    Participatiewet. </al></li><li nr="4."><al>bedraagt de maatregel telkens 100% gedurende drie maanden, als
                                    een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na toepassing van
                                    het derde lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                    Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verrekening met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid tot verrekening van de
                            recidiveboete zonder inachtneming van het bepaalde in artikel 4:93,
                            vierde lid, zoals die haar toekomt ingevolge artikel 60b van de
                            Participatiewet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Beleidskader en uitvoeringsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt ter nadere toelichting op deze verordening en in
                                aanmerking genomen het bepaalde in artikel 8b, Participatiewet,
                                artikel 35, eerste lid, sub c, IOAW/IOAZ een beleidskader vast,
                                waarin prioriteiten worden aangegeven in het te voeren beleid op het
                                gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                                gebruik van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit kader omvat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de prioriteiten in de handhaving;</al></li><li nr="b."><al>de acties in de handhaving;</al></li><li nr="c."><al>de prioriteiten in de fraudebestrijding;</al></li><li nr="d."><al>de acties in de fraudebestrijding</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt op basis van het in het eerste lid bedoelde
                                beleidskader jaarlijks een uitvoeringsplan Handhaving vast en zendt
                                dit plan ter kennisname aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>De inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015, onder
                                intrekking van de Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ en
                                verrekening bestuurlijke boete.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De op grond van de ingetrokken Verordening maatregelen WWB, IOAW,
                                IOAZ en verrekening bestuurlijke boete opgelegde maatregelen, worden
                                geacht te zijn opgelegd overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op gedragingen die voor de inwerkingtreding van deze verordening
                                plaatsvonden en waarop nog niet is beslist, geldt de voor
                                belanghebbende meest gunstige bepaling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen
                            Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete 2015. </al><al>___</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op18
                        december 2014.</al><al>De griffier, </al><al>……………………,</al><al>De burgemeester, </al><al>…………………….</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatregelen Participatiewet, IOAW, IOAZ en
                        verrekening bestuurlijke boete 2015</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een uitkeringsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. </al><al>Artikel 18, eerste lid, Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. </al><al>Artikel 18, tweede lid, Participatiewet legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en plichten van bijstandsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                    altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden
                    van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde
                    naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, legt het een maatregel op. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het
                    opleggen van een dergelijke maatregel. Het college moet niettemin bij de
                    vaststelling van de maatregel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden
                    en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een
                    maatregel afzien als het daartoe zeer dringende redenen aanwezig acht. </al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, Participatiewet,
                    een aantal arbeidsverplichtingen geüniformeerd. Voor schending van deze
                    verplichtingen geldt dat de Participatiewet regels voorschrift met betrekking
                    tot de op te leggen maatregel. </al><al>Is afgezien van het opleggen van een maatregel wegens het ontbreken van elke
                    vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of
                    vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een maatregel, dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive. </al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts tot doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    een periode waarover de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte
                    of duur bij te stellen. Ten aanzien van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen
                    is artikel 18, elfde lid, Participatiewet van toepassing. </al><al>Een maatregel krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de maatregel wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze maatregel en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen als bedoeld in artikel 9, zesde lid, Participatiewet op grond
                    waarvan de bijstand kan worden verlaagd. </al><al>In andere gevallen waarin een maatregel wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    maatregel en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitatieve sanctie. </al><al>Bij schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                    Participatiewet en artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ wordt een bestuurlijke
                    boete opgelegd. Het opleggen van een maatregel is hierbij niet aan de orde,
                    zodat schending van deze verplichting niet in deze verordening geregeld is. </al><al>In deze verordening wordt geregeld:</al><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en IOAZ</tussenkop><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de IOAW of IOAZ te verlagen of blijvend dan wel tijdelijk te weigeren als een
                    belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of
                    onvoldoende nakomt (artikel 20, IOAW/IOAZ). Er is voor gekozen om met betrekking
                    tot de IOAW en de IOAZ zo veel mogelijk aan te sluiten bij het afstemmingsbeleid
                    binnen de Participatiewet.</al><tussenkop>Afstemmen in het Bbz</tussenkop><al>Deze verordening is ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond van
                    het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het gaat hierbij primair
                    om de verlening van algemene bijstand voor het levensonderhoud en de in de
                    jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en premie
                    arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.</al><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van deze verordening opgenomen gedragingen en
                    maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen gericht op het verkrijgen van
                    arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>de in artikelen 9 en 10 van de Participatiewet opgenomen verplichtingen
                            gelden alleen voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten
                            van arbeid, maar die gedurende ten minsten zes maanden zijn bedrijf of
                            zelfstandig beroep niet of nagenoeg niet uitoefent (artikel 38, derde
                            lid, Bbz).</al></li><li nr="·"><al>de verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de Participatiewet
                            kunnen aan de partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover
                            die partner tevens rechthebbende is voor de Participatiewet en niet zelf
                            een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of fulltime meewerkt in het
                            zelfstandig beroep van de zelfstandige. </al></li></lijst><al>Diverse in hoofdstuk 4 van deze verordening opgenomen gedragingen die leiden tot
                    een maatregel (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en overige
                    verplichtingen, zeer ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen
                    die kunnen leiden tot een maatregel. Artikel 18, tweede lid, Participatiewet is
                    onverkort van toepassing op het Bbz. </al><tussenkop>Regels voor misbruik</tussenkop><al>Artikel 8b, Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel c, IOAW/IOAZ,
                    bepalen dat de gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij
                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                    een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                    Participatiewet, IOAW, IOAZ. In hoofdstuk 7 van deze verordening is dit
                    geregeld.</al><tussenkop>Verrekening van de bestuurlijke boete</tussenkop><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving op 1 januari 2013, is het college verplicht om een boete op te
                    leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. De hoogte
                    is daarbij gelijk aan het bedrag dat teveel aan bijstand is ontvangen. Is er
                    sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting (recidive)
                    dan wordt de boete verhoogd tot 150% van het benadelingsbedrag. Naast deze
                    verhoging krijgt het college de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na
                    oplegging van de boete, de bijstand volledig te verrekenen met de openstaande
                    boetevordering (artikel 60b, Participatiewet). De Participatiewet verplicht de
                    gemeenteraad in artikel 8, eerste lid, onder d, regels te stellen met betrekking
                    tot het gebruik van deze bevoegdheid. Dit is geregeld in hoofdstuk 5 van deze
                    verordening. Voor de IOAW/IOAZ is bij wet dwingend voorgeschreven dat voor
                    maximaal 5 jaar de beslagvrije voet buiten werking wordt gesteld. </al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop><al>De volgende omschrijvingen verdienen enige extra aandacht:</al><tussenkop>Onderdeel a: algemeen geaccepteerde arbeid</tussenkop><al>De aard en omvang van het werk hoeven niet aan te sluiten bij de opleiding,
                    ervaring en wensen. Niet algemeen geaccepteerde arbeid is bijvoorbeeld
                    prostitutie of werkzaamheden waartegen door belanghebbende gewetensbezwaren
                    bestaan.</al><tussenkop>Onderdeel d: benadelingsbedrag</tussenkop><al>Dit betreft een netto benadelingsbedrag als bedoeld in artikel 18a, tweede lid,
                    Participatiewet dan wel een bruto benadelingsbedrag als bedoeld in artikel 20a,
                    tweede lid, IOAW/IOAZ.</al><tussenkop>Onderdeel i: maatregel</tussenkop><al>In afwijking van de Participatiewet wordt ook het blijvend of tijdelijk
                    (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel
                    aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ
                    op dit vlak.</al><tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aan het recht op een uitkering vloeien uit de Participatiewet, IOAW, IOAZ en het
                    Bbz onder meer de volgende verplichtingen voort:</al><lijst><li nr="·"><al>het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="·"><al>de plicht tot arbeidsinschakeling, re-integratie en tegenprestatie;</al></li><li nr="·"><al>de verplichting zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen tegen
                            de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties tijdens
                            het verrichten van hun werkzaamheden;</al></li><li nr="·"><al>de medewerkingsplicht. Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om
                            desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs
                            nodig is voor de uivoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit
                            allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:</al></li><li nr="a."><al>het toestaan van een huisbezoek;</al></li><li nr="b."><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>·overige gedragingen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die
                            verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                            bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In dit lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen
                    maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde, afwijking van de hoogte
                    en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="1."><al>vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="2."><al>vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="3."><al>vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals hoge
                            woonlasten of andere vaste lasten, of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke verlaging en inclusief vakantietoeslag. Voor de IOAW en
                    IOAZ wordt de maatregel opgelegd over de toepasselijke grondslag. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Voor 18 tot 21-jarigen die een lage jongerennorm ontvangen, wordt indien
                    noodzakelijk aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud
                    verleend. Indien de maatregel alleen op de jongerennorm wordt gelegd, zou dit
                    leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarnaast kan de
                    bijzondere bijstand worden verlaagd als de bijstandsbehoeftigheid ontstaan is
                    door eigen verwijtbaar gedrag. Tenslotte kan nog de bijzondere bijstand worden
                    verlaagd indien sprake is van een zelfstandige, voor de aangegeven kosten.</al><tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Het verlagen dan wel weigeren van de uitkering door het opleggen van een
                    maatregel, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt
                    aangegeven wat het besluit in ieder geval moet vermelden. Deze eisen vloeien
                    rechtstreeks voort uit de Awb. Vooral het motiveringsbeginsel is hier van
                    belang.</al><tussenkop>Artikel 5 Horen van belanghebbende</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op grond van de Awb is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende
                    verplicht bij de voorbereiding van besluiten. In dit artikel wordt het horen van
                    de belanghebbende in beginsel verplicht gesteld voordat een maatregel wordt
                    opgelegd. </al><al>In de volgende situaties wordt volstaan met een verzoek aan belanghebbende om
                    een schriftelijke verklaring (al dan niet d.m.v. een voorgedrukt formulier) in
                    te dienen:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of niet tijdig indienen van het mutatieformulier;</al></li><li nr="2."><al>het niet of niet tijdig indienen van het statusformulier;</al></li><li nr="3."><al>het niet of niet tijdig indienen van documenten die nodig zijn voor de
                            bepaling van het recht dan wel de voortzetting van bijstand, zoals
                            bankafschriften en inkomensspecificaties.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit lid bevat een aantal uitzonderingen op de hoorplicht. De onderdelen a en b
                    zijn in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Awb. Met de in
                    onderdeel c genoemde ‘derde’ wordt in ieder geval bedoeld: een
                    re-integratiebedrijf aan wie het college bepaalde werkzaamheden ter inschakeling
                    van personen in de arbeid heeft uitbesteed. Tenslotte bepaalt onderdeel d dat
                    van horen kan worden afgezien in zeer bijzondere situaties, waarin voor het
                    college de ernst van de gedraging, maar vooral de mate van verwijtbaarheid
                    absoluut duidelijk is. </al><tussenkop>Artikel 6 Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt’, is geregeld in artikel 18, negende lid,
                    Participatiewet en artikel 20, derde lid, IOAW/IOAZ. Rekening houdend met het
                    feit dat het moeilijk is aan te geven welke specifieke gedragingen in principe
                    altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit, wordt
                    aan de hand van individuele feiten en omstandigheden, de verwijtbaarheid
                    vastgesteld.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is het gegeven
                    dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden is bepaald dat het
                    college geen maatregel oplegt voor een gedraging die langer dan zes maanden vóór
                    constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord ‘dringend’ blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate
                    van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële
                    of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een maatregel af te zien, omdat dit inherent is aan het opleggen van een
                    maatregel. </al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen dient in
                    een beschikking te worden vastgelegd. Dit is van belang omdat belanghebbende van
                    deze beschikking kennis moet kunnen nemen en daarnaast omdat de toepassing van
                    recidive mede gebaseerd moet zijn op een eerder afgegeven beschikking. </al><tussenkop>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en); en</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering. </al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    eenvoudigste manier van het opleggen van een maatregel. Dan hoeft niet te worden
                    overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het teveel
                    betaalde bedrag. Om die reden is in dit lid bepaald dat een maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan
                    van de voor die maand geldende uitkering. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In de situatie dat de uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald aan de
                    uitkeringsgerechtigde, kan een maatregel worden opgelegd zonder dat een bedrag
                    moet worden teruggevorderd. Het tweede lid geeft de bevoegdheid aan het college
                    om in een dergelijk geval wel een maatregel met terugwerkende kracht op te
                    leggen. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een maatregel kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een maatregel is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft. Als een maatregel niet of niet volledig ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de maatregel of dat deel van de maatregel dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Om dit te kunnen effectueren is dit lid opgenomen. </al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    maatregel toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het vierde lid regelt het opleggen van een maatregel in geval van een uitkering
                    voor levensonderhoud op grond van het Bbz. Hier vindt na afloop van een boekjaar
                    een definitieve vaststelling van de uitkering plaats. Bij deze vaststelling kan
                    een opgelegde maatregel worden betrokken.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd, waar hij aan toe is. </al><al>Het college is bevoegd na afloop van de periode waarvoor de maatregel is
                    getroffen opnieuw een maatregel op te leggen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan moet
                    het college de maatregel aan een herbeoordeling onderwerpen. De herbeoordeling
                    vindt plaats voordat de termijn van drie maanden is verstreken. Het spreekt voor
                    zich dat de heroverweging moet uitmonden in een nieuw, voor bezwaar en beroep
                    vatbaar, besluit.</al><tussenkop>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen die zijn genoemd in deze verordening. In
                    dat geval wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de
                    duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste
                    maatregel is gesteld.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid dient in samenhang met het derde lid te worden gelezen. Het
                    tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen die zijn genoemd in deze
                    verordening. Dit wordt ‘meerdaadse samenloop’ genoemd. In dat geval wordt voor
                    het bepalen van de hoogte en de duur van de maatregel, uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. Een optelling van maatregelen
                    vindt dan niet plaats.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Er is sprake van samenloop als bedoeld in het tweede lid, als:</al><lijst><li nr="1."><al>de gedragingen hebben plaatsgevonden binnen een periode van dertig
                            dagen; en</al></li><li nr="2."><al>het college de verwijtbare gedragingen tegelijkertijd heeft
                            geconstateerd. </al></li></lijst><al>Als het college binnen de periode van dertig dagen constateert dat er sprake is
                    van meerdere verwijtbare gedragingen, maar de constatering niet tegelijkertijd
                    plaats vindt, is er geen sprake van samenloop maar van recidive. Al na het
                    constateren van de eerste overtreding dient immers een besluit te worden
                    genomen. Wat zich hierna – binnen een periode van 12 maanden –voor doet, valt
                    onder recidive; in ieder geval niet onder samenloop. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Maatregel in verband met schending van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling en behoud van arbeid in de Participatiewet </tussenkop><al>Zoals vermeld zijn sinds 1 januari 2015 een aantal arbeidsverplichtingen in de
                    Participatiewet geüniformeerd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in artikel 18,
                    vierde lid, Participatiewet en in deze verordening ingedeeld in de vierde
                    categorie van artikel 9. De geüniformeerde verplichtingen gelden alleen in de
                    Participatiewet en niet in de IOAW en IOAZ. Daarnaast is het college op grond
                    van artikel 20, IOAW/IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren
                    als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven,
                    maar dit nalaat. In de Participatiewet is het college in een dergelijk geval
                    bevoegd om de uitkering te verlagen. </al><al>In verband met deze verschillen worden de verplichtingen in deze verordening in
                    drie hoofdstukken ingedeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>Hoofdstuk 2: Maatregel in verband met schending van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling en behoud van arbeid in de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>Hoofdstuk 3: Maatregel in verband met schending van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling en behoud van arbeid in de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="·"><al>Hoofdstuk 4: Maatregel in verband met overige gedragingen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9 Indeling in categorieën</tussenkop><al>De artikelen 9, 10 en 18 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In de
                    aanhef van dit artikel komt tot uitdrukking dat de in artikel 9 beschreven
                    gedragingen niet uitsluitend gedragingen betreffen die een schending opleveren
                    van de in artikel 9, eerste lid, Participatiewet vastgelegde verplichtingen tot
                    arbeidsinschakeling, maar ook gedragingen die een schending vormen van
                    verplichtingen met betrekking tot arbeid, re-integratie en sociale activering,
                    die gebaseerd zijn op artikelen 9, 9a, 18 en 41. </al><al>De gedragingen worden in vier categorieën onderscheiden, waarbij de ernst van de
                    gedraging het onderscheidende criterium is. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid. De vierde categorie betreft de geüniformeerde
                    verplichtingen zoals beschreven in artikel 18, vierde lid, Participatiewet.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende te
                    laten registreren bij het UWV en geregistreerd te blijven.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt. Hier gaat het onder andere om de eigen verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbende om bijvoorbeeld (voldoende) te solliciteren naar algemeen
                    geaccepteerde arbeid. Negatieve gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking
                    komen in de wijze waarop belanghebbende zich opstelt bij een verzoek om, in
                    verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te
                    verschijnen. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In de derde categorie gaat het voornamelijk om gedragingen die direct een
                    aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer
                    voortduren daarvan. </al><al>Bij gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, voor zover dit niet
                    voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in het vierde lid, kan gedacht worden
                    aan:</al><lijst><li nr="·"><al>negatieve gedragingen bij deelname aan voorzieningen;</al></li><li nr="·"><al>het stellen van irreële eisen of ongebruikelijke werktijden.</al></li></lijst><al>Per 1 januari 2015 geldt de verplichting tot het opstellen, uitvoeren en
                    evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a, Participatiewet
                    niet meer alleen voor jongeren, maar voor iedere uitkeringsgerechtigde. </al><al>Als de belanghebbende hier onvoldoende aan meewerkt, wordt een maatregel conform
                    deze categorie opgelegd. </al><al>Onder plan van aanpak wordt verstaan: ieder plan dat voldoet aan de vereisten
                    van artikel 44a, Participatiewet.</al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een uitkering met een plan
                    van aanpak en werkt hij vervolgens niet mee aan de uitvoering en de evaluatie
                    van dit plan van aanpak dan kan het college besluiten in plaats van en maatregel
                    op te leggen, de uitkering en de ondersteuning in te trekken. Het college zal
                    hiertoe niet snel overgaan maar eerst met een maatregel conform deze categorie
                    proberen het gedrag van de jongere te verbeteren. </al><al>Als een jongere zich heeft gemeld voor een uitkering en tijdens de wettelijke
                    zoektijd van vier weken ondubbelzinnig uit zijn houding en gedrag laat blijken
                    dat hij geen inspanningen heeft gepleegd en onwillig blijft om aan het werk te
                    gaan, weigert het college de uitkering op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onder d, Participatiewet. De jongere heeft dan ook geen recht op ondersteuning.
                    Als de jongere gedurende de zoektijd onvoldoende activiteiten heeft ontplooid en
                    hij wel recht heeft op een uitkering en ondersteuning wordt een maatregel
                    ingevolge deze categorie opgelegd. </al><al>Artikel 9a, Participatiewet, geeft het college de bevoegdheid om alleenstaande
                    ouders met kinderen tot vijf jaar, op verzoek, te ontheffen van de
                    arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a,
                    Participatiewet. Ontheffing van de re-integratieverplichting als bedoeld in
                    artikel 9, eerste lid, onderdeel b, Participatiewet is niet mogelijk. Mocht uit
                    houding en gedragingen van de ouder ondubbelzinnig blijken dat hij zijn
                    verplichtingen op grond van dit artikel niet wil nakomen, dan trekt het college
                    op grond van artikel 9a, vijfde lid, Participatiewet, de ontheffing in. Naast
                    deze intrekking schrijft artikel 9a, twaalfde lid, Participatiewet, voor dat het
                    college de bijstand verlaagt.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De hier genoemde gedragingen betreffen de geüniformeerde verplichtingen zoals
                    beschreven in artikel 18, vierde lid, Participatiewet. </al><al>De reisduur zoals genoemd in onderdeel d, betreft de reisduur per openbaar
                    vervoer. Dat mogelijkerwijs sprake is van tijdelijk werk doet niet af aan de
                    toepasselijkheid van de betreffende bepaling. Datzelfde geldt voor
                    reiskostenvergoedingen. </al><al>Het opleggen van een verhuisverplichting zoals beschreven in onderdeel e,
                    betreft een ultimum remedium. Allereerst dienen de mogelijkheden van de lokale
                    en regionale arbeidsmarkten te zijn onderzocht; een reisduur van 3 uur per dag
                    dient bijvoorbeeld geen uitkomst te bieden. Ook dient de verhuizing ervoor te
                    zorgen dat de bijstandsafhankelijkheid kan worden beëindigd. Daarnaast dient
                    rekening te worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Hierbij kan
                    gedacht worden aan:</al><lijst><li nr="·"><al>de duur van de werkloosheid;</al></li><li nr="·"><al>mogelijke (ontwrichtende) gevolgen voor het gezin en sociaal
                            netwerk;</al></li><li nr="·"><al>de tijdelijkheid van de arbeid en de kansen om aansluitend een vaste
                            aanstelling of andere arbeid te krijgen;</al></li><li nr="·"><al>de aard van de arbeid.</al></li></lijst><al>Onderdeel g ziet onder andere toe op contacten met re-integratiebedrijven en
                    potentiële werkgevers. De kleding of het gedrag in de context van de
                    (on)mogelijkheden om een einde te maken aan uitkeringsafhankelijkheid is hierbij
                    bepalend. Als kleding, persoonlijke verzorging of gedrag niet aan
                    werkaanvaarding in de weg staan, zijn er geen gevolgen voor het recht op
                    bijstand. Als dat echter wel het geval is en de bijstandsgerechtigde weigert om
                    de belemmeringen aan te passen, dan is er sprake van een verwijtbare gedraging
                    waarop een maatregel volgt. </al><tussenkop>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Dit artikel bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het of onvoldoende voldoen aan de plicht tot
                    arbeidsinschakeling en behoud van arbeid. </al><al>De consequentie van het door de belanghebbende niet nakomen van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen, is geregeld in artikel 18, vijfde lid, Participatiewet.
                    Door het college wordt dan de bijstand verlaagd met 100% voor een bij de
                    verordening vastgestelde periode van ten minste één en ten hoogste drie maanden.
                    In onderdeel d van dit artikel wordt hier invulling aan gegeven. </al><tussenkop>Artikel 11 Verrekening maatregel </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid om een maatregel wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting, te verrekenen. Als het gaat om een maatregel
                    op grond van artikel 10, onderdeel d, mag het bedrag van de maatregel worden
                    verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de
                    twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het
                    bedrag van de maatregel worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin,
                    Participatiewet).</al><al>De maatregel wordt ambtshalve verrekend over drie maanden. De eerste maand en
                    tweede maand wordt 35% van de maatregel verrekend en de derde maand 30%. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Belanghebbende kan verzoeken om verrekening niet te spreiden over meerdere
                    maanden, maar de volledige verrekening ineens toe te passen. Dit is mogelijk. In
                    dat geval wordt het resterende bedrag van de maatregel verrekend bij de
                    eerstvolgende uitbetaling. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Verrekening vindt niet plaats als een maatregel is opgelegd vanwege het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel
                    18, vierde lid, onderdeel a, Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 12 Inkeerbepaling</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Als belanghebbende tot inkeer is gekomen en dit aantoonbaar maakt, kan de
                    maatregel beëindigd worden zodat belanghebbende weer de volledige uitkering
                    ontvangt (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Dit gebeurt alleen op
                    schriftelijk verzoek van de belanghebbende indien hij daarbij aantoont dat hij
                    voldoet aan het bepaalde in het eerste lid. Het is aan de belanghebbende om te
                    bepalen op welke manier hij dit aantoont. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De maatregel wordt niet eerder stopgezet dan nadat één maand is geëffectueerd.
                    Als bijvoorbeeld op grond van artikel 11 in de eerste maand 35% van de maatregel
                    wordt verrekend, is stopzetting van de maatregel mogelijk vanaf de tweede maand.
                    Dit betekent dat feitelijk maar 35% geëffectueerd wordt. De overige 65%
                    vervallen met toepassing van de inkeerbepaling. In geval van recidive wordt
                    altijd minimaal 100% ingehouden in de eerste maand. Vanaf de tweede maand is
                    toepassing van de inkeerbepaling mogelijk. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De maatregel wordt gestopt met ingang van de datum dat het verzoek van
                    belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, is ontvangen. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De maatregel wordt niet gestopt als deze het gevolg is vanwege het niet
                    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, zoals bedoeld in
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, Participatiewet</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Maatregel in verband met schending van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling en behoud van arbeid in de IOAW/IOAZ </tussenkop><al>De artikelen 13, 14 en 18 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                    artikel 13 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ ingedeeld
                    in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 14 een gewicht toegekend in
                    de vorm van de hoogte en duur van de maatregel. De categorieën zijn gerangschikt
                    naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    maatregelen die gelden bij schending van verplichtingen op grond van de
                    Participatiewet. </al><tussenkop>Artikel 13 Indeling in categorieën</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende te
                    laten registreren bij het UWV en geregistreerd te blijven.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt. Hier gaat het onder andere om de eigen verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbende om bijvoorbeeld te solliciteren naar algemeen geaccepteerde
                    arbeid. Ook het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                    mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt in deze categorie. Negatieve
                    gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop
                    belanghebbende zich opstelt bij een verzoek om, in verband met de inschakeling
                    in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In de derde categorie gaat het voornamelijk om gedragingen die direct een
                    aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer
                    voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde
                    beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de
                    kansen op arbeidsinschakeling verminderen. Binnen deze categorie vallen
                    bijvoorbeeld negatieve gedragingen bij sollicitaties. </al><al>Verder vallen hieronder de door het college aangeboden voorzieningen die gericht
                    zijn op het mogelijk maken van deelname aan de arbeidsmarkt, zoals de verwijzing
                    van de belanghebbende naar re-integratiebedrijven, het verplicht stellen van
                    deelname aan (om)scholing waaronder het regelmatig verschijnen op school, en
                    alles wat betrekking heeft op de begeleiding van belanghebbende naar werk,
                    waaronder ook begrepen, sociale activering. </al><al>Ook de situatie dat een alleenstaande ouder met een ontheffing van de
                    arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 38, IOAW/IOAZ uit houding en
                    gedragingen ondubbelzinnig laat blijken dat hij zijn verplichtingen op grond van
                    artikel 37, eerste lid, onderdeel e, IOAW/IOAZ niet wil nakomen, valt onder deze
                    categorie. In die situatie trekt het college op grond van artikel 38, vijfde
                    lid, onderdeel d, IOAW/IOAZ, de ontheffing in. Naast deze intrekking schrijft
                    artikel 38, twaalfde lid, IOAW/IOAZ voor dat het college de uitkering verlaagt </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De gedragingen die onder de vierde categorie vallen, betreffen het niet behouden
                    van werk en het niet meewerken aan een vastgesteld plan van aanpak. Hiermee
                    wordt uitdrukking gegeven aan het belang dat gehecht wordt aan het plan van
                    aanpak, waarin o.a. de verantwoordelijkheid van de belanghebbende centraal
                    staat. Bovendien wordt bij de opstelling van het desbetreffende plan rekening
                    gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende om de weg naar
                    betaalde arbeid te vergemakkelijken. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De in het vijfde lid genoemde gedragingen, betreffen gedragingen waarvoor het
                    college op grond van artikel 20, IOAW/IOAZ bevoegd is om de uitkering blijvend
                    of tijdelijk te weigeren. Dit in tegenstelling tot de gedragingen die genoemd
                    zijn in de voorgaande leden en een verlaging van de uitkering tot gevolg hebben. </al><tussenkop>Artikel 14 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Dit artikel beschrijft de standaard maatregelen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>De onderdelen a tot en met d hebben een procentuele verlaging van de uitkering
                    tot gevolg. Onderdeel e betreft een weigering van de uitkering tot een eenmalig
                    bedrag ter hoogte van de laatste twee maanden gederfde netto inkomsten, dan wel
                    het gemiddelde van de te verwachten inkomsten. Als de hoogte van het
                    benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld, dan wordt de uitkering geweigerd
                    ter hoogte van 100% van de uitkering gedurende een maand. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Maatregel in verband met overige gedragingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en het niet
                    nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt ten grondslag dat iedereen in beginsel in zijn eigen
                    bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men
                    een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat men alles zal moeten doen en
                    nalaten ter voorkomen van een beroep op bijstand. Leidt een gedraging ertoe dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand, dan is veelal sprake van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid in het bestaan. </al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond,
                    waardoor hij niet langer beschikt over middelen en als gevolg daarvan een
                    bijstandsuitkering aanvraagt, het college bij de toekenning van de bijstand
                    hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. </al><al>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    bestaan, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="·"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="·"><al>het niet of te laat aanvragen van een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="·"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="·"><al>geen beroep meer kunnen doen op een passende en toereikende voorliggende
                            voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke
                            boete in het kader van het bij herhaling schenden van de
                            inlichtingenverplichting;</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55, Participatiewet
                    biedt hiertoe de mogelijkheid als het gaat om de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>Voorbeelden van verplichtingen op grond van artikel 55, Participatiewet
                    zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>medische hulp zoeken om aanwezige medische klachten te doen verminderen
                            of verdwijnen, zodat de belanghebbende sneller (weer) aan het werk
                            kan;</al></li><li nr="·"><al>meewerken aan een behandeling om verslavingsproblemen aan te
                            pakken;</al></li><li nr="·"><al>meewerken aan schuldhulpverlening als er sprake is van het hebben van
                            schulden;</al></li><li nr="·"><al>in bezwaar gaan tegen een afwijzing van een andere uitkering;</al></li></lijst><al>Als het gaat om verplichtingen gericht op het wegnemen van belemmeringen, dan
                    gaat het bij artikel 55, Participatiewet voornamelijk om het ondernemen van
                    actie, waardoor een belemmering wordt weggenomen. Dit in tegenstelling tot de
                    verplichting als bedoeld in artikel 9, derde lid, onderdeel a van deze
                    verordening, waarbij de gedraging zelf belemmerend werkt voor de inschakeling
                    van arbeid. </al><al>Uit artikel 38, eerste lid, Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                    college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                    beroepsuitoefening, moet nakomen. Als hij dit niet of onvoldoende nakomt, geeft
                    hij blijk van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening en wordt een maatregel opgelegd. Verplichtingen op grond van
                    artikel 38, eerste lid, Bbz kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op:</al><lijst><li nr="·"><al>beperking van de bedrijfskosten;</al></li><li nr="·"><al>verbetering van de omzet;</al></li><li nr="·"><al>vermindering van de privé-uitgaven.</al></li></lijst><al>Als later blijkt dat de zelfstandige niet (volledig) aan de gestelde
                    verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot beëindiging van de bijstand, of
                    voortzetting van de bijstand met een maatregel. Uiteraard is het opleggen van
                    een maatregel alleen aan de orde, indien er nog sprake is van een lopende
                    Bbz-uitkering. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het
                    benadelingsbedrag.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Als geen benadelingsbedrag of –periode kan worden vastgesteld – dat komt
                    bijvoorbeeld bij bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende
                    specifieke verplichtingen voor – dan geldt een maatregel van 20% van de
                    bijstandsnorm voor een maand.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Dit lid behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 16 Maatregel bij verlies van een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening door toepassing van de bestuurlijke boete</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2013 geldt een aangescherpt sanctieregime voor alle sociale
                    zekerheidswetten. Er geldt een vergelijkbaar boeteregime (boete ter hoogte van
                    de teveel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan).</al><al>Anders dan bij de Participatiewet, is voor alle andere sociale zekerheidswetten
                    (waaronder de IOAW en IOAZ) bij wet dwingend voorgeschreven dat het uitstaande
                    boetebedrag voor een termijn van maximaal 5 jaar moet worden verrekend zonder
                    rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit betekent dat belanghebbende
                    zodra de verrekening wordt geëffectueerd geen beschikking meer heeft over de
                    uitkering en indien andere middelen ontbreken een beroep kan doen op bijstand. </al><al>Het feit dat het recht op een passende en toereikende voorziening door toedoen
                    van belanghebbende verloren gaat, wordt aangemerkt als tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid en levert een maatregelwaardige gedraging op. Het artikel
                    is zo geschreven dat belanghebbende in een feitelijk met de recidiverende
                    bijstandsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. Als er geen beroep kan
                    worden gedaan op de voorliggende voorziening zoals een IOAW of WW-uitkering,
                    omdat deze uitkering volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het
                    kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenverplichting, wordt een
                    maatregel van 100% gedurende de eerste drie maanden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 17 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale maatschappelijk verkeer in alle gevallen als
                    onacceptabel kan worden beschouwd. Hieronder valt in ieder geval elke vorm van
                    ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van
                    pogingen daartoe. Hierbij kan gedacht worden aan schoppen, slaan of het (dreigen
                    met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan
                    een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe
                    in enige vorm, wordt als zeer ernstige misdraging gezien. </al><al>Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben, zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (poging tot) opsluiting in een ruimte zijn ook als zeer ernstige
                    misdragingen te beschouwen.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, Participatiewet. Dit betekent dat er geen samenhang meer hoeft te
                    zijn tussen de zeer ernstige misdraging en het niet nakomen van een of meer
                    verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.</al><al>Het betreft hier bepaalde agressieve handelingen c.q. gedragingen van
                    belanghebbende tegenover medewerkers van de gemeente en/of medewerkers van
                    instellingen/bedrijven die op grond van wettelijke bepalingen respectievelijk
                    contractuele basis zich bezig houden met bepaalde facetten van de uitvoering. </al><al>Met de zinsnede ‘tijdens het verrichten van de werkzaamheden’ wordt aangegeven
                    dat de gedraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    wet. Dat is niet het geval als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen:
                    dan is alleen het strafrecht van toepassing.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de maatregel wordt onderscheid gemaakt
                    tussen:</al><lijst><li nr="·"><al>fysiek geweld tegen personen en/of materiële zaken;</al></li><li nr="·"><al>bedreigingen geuit aan personen als bedoeld in het eerste en tweede
                            lid;</al></li><li nr="·"><al>verbaal geweld (zowel mondeling als schriftelijk).</al></li></lijst><al>Onderdeel a: bij fysiek geweld tegen personen of materiële zaken, ongeacht of er
                    sprake is van toegebracht letsel respectievelijk schade, wordt een maatregel
                    opgelegd van 100% procent gedurende een maand. Dit soort geweld wordt als de
                    zwaarste vorm van agressie beschouwd en derhalve het zwaarst (in relatie tot
                    andere vormen van geweld) gesanctioneerd.</al><al>Onderdeel b: bedreigingen gericht tegen personen worden met 75% van de
                    bijstandsnorm gedurende een maand gesanctioneerd. Hierbij wordt rekening
                    gehouden met de geestelijke schade die een bepaalde bedreiging kan
                    toebrengen.</al><al>Onderdeel c: bij overige zeer ernstige misdragingen – in al zijn vormen – wordt
                    een maatregel opgelegd van 50% gedurende een maand. Hier kan bijvoorbeeld
                    gedacht worden aan het verbaal dan wel schriftelijk chanteren, intimideren,
                    kleineren of schelden.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>verbaal geweld;</al></li><li nr="·"><al>schriftelijk geweld;</al></li><li nr="·"><al>discriminerende opmerkingen;</al></li><li nr="·"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="·"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="·"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="·"><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dat verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke, kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Recidive</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Recidive</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Indien er binnen twaalf maanden – na bekendmaking van het besluit waarbij een
                    maatregel wordt opgelegd of wordt afgezien van maatregeloplegging wegens
                    dringende redenen – sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag, dan wordt de
                    grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van duur dan wel de hoogte van de maatregel. </al><al>In geval van recidive wordt de maatregel als bedoeld in de volgende artikelen in
                        <onderstreept>hoogte</onderstreept> verdubbeld:</al><lijst><li nr="·"><al>artikel 10, onderdeel a tot en met c;</al></li><li nr="·"><al>artikel 14, onderdeel a tot en met c.</al></li></lijst><al>In geval van recidive wordt de maatregel als bedoeld in de volgende artikelen in
                        <onderstreept>duur</onderstreept> verdubbeld:</al><lijst><li nr="·"><al>artikel 14, onderdeel d en e;</al></li><li nr="·"><al>artikel 15</al></li><li nr="·"><al>artikel 17</al></li></lijst><al>Er is in dit lid een uitzondering gemaakt voor de gevallen waarin de
                    recidiverende gedraging een geüniformeerde arbeidsverplichting betreft als
                    bedoeld in artikel 18, vierde lid, Participatiewet. De wet schrijft zelf al
                    regels voor met betrekking tot recidive, zodat hier in het derde lid een aparte
                    bepaling over is opgenomen. </al><al>Als de eerste gedraging niet een geüniformeerde verplichting betreft, maar de
                    tweede gedraging wel, dan is er geen sprake van recidive. In dat geval wordt een
                    maatregel opgelegd op grond van artikel 10, onderdeel d van deze verordening. </al><al>Als de eerste gedraging een geüniformeerde verplichting betreft en de tweede
                    gedraging niet, dan is wel sprake van recidive en geldt een verdubbeling van de
                    maatregel op grond van dit lid. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan is er sprake van volharding
                    en wordt de duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid nogmaals
                    verdubbeld. </al><al>Er is een uitzondering gemaakt, voor het geval dat de recidiverende gedraging
                    een geüniformeerde verplichting betreft. Zie hiervoor de uitleg bij het tweede
                    lid. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging 100% gedurende twee maanden. Dit
                    valt binnen de in artikel 18, zesde lid, Participatiewet gegeven marges. Het
                    hoeft hierbij niet om dezelfde geüniformeerde verplichting te gaan. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging 100% gedurende drie maanden. De hoogte en duur
                    van deze maatregel is bepaald in artikel 18, zevende en achtste lid,
                    Participatiewet. </al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><tussenkop>Artikel 19 Verrekening met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Het college is verplicht om de boete te verrekenen met de lopende uitkering. Bij
                    de verrekening moet in beginsel rekening worden gehouden met de beslagvrije
                    voet. Is er sprake van een boete wegens recidive, dan heeft het college de
                    bevoegdheid om de eerste drie maanden na oplegging van de recidiveboete de
                    bijstand volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. Dit geldt
                    zowel voor de recidiveboete als voor een wellicht openstaand bedrag in verband
                    met een eerdere boete. De gemeenteraad moet in een verordening bepalen hoe wordt
                    omgegaan met de bevoegdheid tot het tijdelijk buiten werking stellen van de
                    beslagvrije voet bij verrekening van de boete. Dit geldt alleen voor de
                    Participatiewet. In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot
                    volledige verrekening. Bij amendement is deze verplichting omgezet in een
                    bevoegdheid zodat de gemeente de mogelijkheid heeft om, waar volledige
                    verrekening onwenselijke effecten heeft, de verrekening aan te passen of de
                    beslagvrije voet volledig te respecteren. In deze verordening is ervoor gekozen
                    om de beslagvrije voet ook bij verrekening van de bestuurlijke boete bij
                    recidive, vanaf het begin volledig te respecteren.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Handhavingsbeleid</tussenkop><tussenkop>Artikel 20 Beleidskader en uitvoeringsplan</tussenkop><al>De gemeenteraad moet bij verordening vaststellen welke uitgangspunten worden
                    gehanteerd voor het financiële beleid en beheer. Daarbij moet worden gewaarborgd
                    dat aan de eisen van de rechtmatigheid wordt voldaan. Een goed beheer brengt
                    bovendien met zich mee dat ook voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding
                    van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het ontmoet geen bezwaren deze bepaling in
                    te lijven bij deze verordening. Op deze wijze wordt immers ook voldaan aan de
                    verplichting de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik bij verordening
                    vast te leggen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 21 Onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 22 De inwerkingtreding en overgangsrecht</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 23 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>