<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356829_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Zaanstad 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, nr. 84044</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Participatiewet Zaanstad 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-04-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/230772</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomens- en studietoeslag Zaanstad
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zaanstad,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11
                        november 2014; nr 2014/230864.</al><al/><al>gelet op de artikel 108, tweede lid en artikel 147, eerste lid van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en c, tweede en derde lid van
                        de Participatiewet;</al><al/><al>gezien het advies van de Cliëntenraad WWB, Ioaz en Ioaw;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening individuele inkomens- en
                        studietoeslag Participatiewet Zaanstad 2015.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van
                                        de Participatiewet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Peildatum: Datum waarop een persoon individuele
                                        inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="c."><al>Referteperiode: Een onafgebroken periode van 60 maanden
                                        voorafgaand aan de peildatum;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek om toekenning van een individuele inkomenstoeslag of
                            individuele studietoeslag, zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid en
                            artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet, wordt ingediend op een
                            door het college vastgestelde wijze.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere beleidsregels stellen, die verband houden met de
                            uitvoering van de deze verordening en legt deze voor aan de raad voor
                            een zienswijze.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Individuele inkomenstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitsluiting</titel></kop><al>Er bestaat geen recht op individuele inkomenstoeslag als de
                            belanghebbende op de peildatum of tijdens de referteperiode een
                            opleiding volgt of heeft gevolgd als bedoeld in de Wtos, dan wel een
                            studie volgt of heeft gevolgd als genoemd in de WSF 2000.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een belanghebbende heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in
                                artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de
                                referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan
                                maximaal 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een deel van de referteperiode een gedeelte van een kalenderjaar
                                betreft, mag het gemiddelde inkomen over deze periode niet meer
                                bedragen dan maximaal 110% van de voor belanghebbende van toepassing
                                zijnde bijstandsnorm over die periode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van perioden, waarin een belanghebbende is uitgesloten
                                van het recht op bijstand, wordt een belanghebbende voor de
                                toepassing van het eerste lid geacht minimaal een inkomen te hebben
                                gehad van 100% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte van de individuele toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per 12 maanden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden € 605,00;</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders € 545,00;</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande € 385,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum
                                bepalend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht
                                op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13,
                                eerste lid van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot
                                in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte
                                die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
                                gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>De beleidsregels, zoals bedoeld artikel 3 hebben voor de individuele
                            inkomenstoeslag in elk geval betrekking op de invulling van het begrip
                            “omstandigheden” zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid van de
                            Participatiewet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Individuele studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Recht op studietoeslag heeft een belanghebbende die naar het oordeel van
                            het college:</al><lijst><li nr="1."><al>niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimum
                                    loon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie;</al></li><li nr="2."><al>niet in staat is om het minimumloon te verdienen, vanwege een
                                    medische urenbeperking.</al></li><li nr="3."><al>De beleidsregels met betrekking tot de individuele
                                    studietoeslag, zoals bedoeld in artikel 3, hebben in elk geval
                                    betrekking op de medisch adviseur bij wie het college advies in
                                    kan winnen als zich een situatie voordoet als genoemd in het
                                    eerste en tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte en frequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele studietoeslag bedraagt een percentage van de
                                bijstandsnorm voor gehuwden, bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van
                                de wet. Dit percentage is voor personen in de leeftijd van:</al><lijst><li nr="a."><al>18 tot en met 20 jaar: 11,5%;</al></li><li nr="b."><al>21 jaar: 16%;</al></li><li nr="c."><al>22 jaar: 18,5%;</al></li><li nr="d."><al>23 jaar en ouder: 22%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Toekenning en beëindiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De individuele studietoeslag wordt niet eerder toegekend dan
                                    vanaf de eerste dag van de maand waarop de aanvraag is
                                    aangevraagd.</al></li><li nr="2."><al>De individuele studietoeslag wordt verstrekt voor de duur dat
                                    belanghebbende voldoet aan de aan de individuele studietoeslag
                                    verbonden voorwaarden.</al></li><li nr="3."><al>De individuele studietoeslag wordt tussentijds beëindigd zodra
                                    de studie wordt gestaakt of belanghebbende niet langer voldoet
                                    aan het gestelde in art. 36b, eerste lid van de
                                    Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomens- en studietoeslag Participatiewet Zaanstad 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><al>De Verordening individuele inkomenstoeslag WWB Zaanstad 2013 wordt
                            ingetrokken met ingang van 1 januari 2015.</al><al/><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>raadsgriffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. De individuele inkomenstoeslag voorziet in extra inkomen voor die
                        personen, die in deze positie zitten.</al><al>De individuele inkomenstoeslag is een discretionaire bevoegdheid. Dit
                        betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als
                        een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. </al><al>In deze verordening zijn regels opgenomen die in betrekking hebben op de
                        wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag
                        inkomen’ en wanneer er sprake is van een laag inkomen. Daarnaast is in de
                        verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald.</al></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen individuele studietoeslag</titel></kop><al>De Participatiewet kent een studieregeling: de individuele studietoeslag. De
                        individuele studietoeslag biedt het college de mogelijkheid mensen, van wie
                        is vastgesteld dat ze door een arbeidshandicap niet in staat zijn het
                        minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als
                        ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de
                        arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand
                        gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft.</al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje
                        in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen
                        een stuk hoger, omdat de kans op een baan later kleiner is. De
                        studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te
                        gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie
                        voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te
                        combineren met een bijbaan.</al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van
                        bijzondere bijstand maar is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                        inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze
                        niet in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al>Alleen de artikelen die een toelichting behoeven worden hier toegelicht.</al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Voor zover in dit artikel niet anders geformuleerd, hebben de begrippen in
                        deze verordening dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene
                        wet bestuursrecht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Het college bepaalt op welke wijze een verzoek kan worden ingediend. Dit kan
                        zowel schriftelijk, digitaal via internet of beiden zijn. Afhankelijk van de
                        wijze waarop een aanvraag kan worden ingediend, wordt een schriftelijk of
                        digitaal formulier vastgesteld en beschikbaar gesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Individuele inkomenstoeslag</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitsluiting</titel></kop><al>De individuele inkomenstoeslag richt zich op personen, die langdurig een
                        laag inkomen hebben en daardoor geen financiële ruimte hebben om te
                        reserveren voor onverwachte uitgaven.</al><al>Studerenden hebben tijdelijk een laag inkomen. Zodra zij hun studie hebben
                        afgerond worden zij in staat geacht zich een inkomen te verwerven, dat uit
                        komt boven het sociaal minimum. Zij worden daarom niet gerekend tot de
                        doelgroep van deze regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Het begrip ‘langdurig laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat
                        gemiddeld per kalenderjaar niet hoger is dan 110% van de bijstandsnorm die
                        voor belanghebbende van toepassing was, gerekend over een periode van vijf
                        jaar.</al><al>Na vijf jaar op een inkomen aangewezen te zijn geweest, dat niet meer
                        bedroeg dan 110% van de bijstandsnorm, is er over het algemeen weinig
                        reserveringsruimte over en is een extra inkomensondersteuning in de vorm van
                        een individuele inkomenstoeslag nodig.</al><al>De methode van het kijken naar het gemiddelde loon per kalenderjaar maakt
                        dat iemand, die wegens werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven
                        het sociaal minimum heeft gehad, niet zonder meer zijn recht op individuele
                        inkomenstoeslag verliest. </al><al>Een dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het
                        aanvaarden van (tijdelijk) werk. Dat geldt temeer als een belanghebbende
                        geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur van dit werk. </al><al>Het is echter niet de bedoeling dat een belanghebbende perioden waarin hij
                        een inkomen boven de bijstandsnorm heeft kan middelen met perioden waarin
                        hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond een lager inkomen
                        heeft, zoals bijvoorbeeld detentie, geen recht op bijstand had. </al><al>Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie de partner is uitgesloten van
                        het recht op individuele inkomenstoeslag. Daarom wordt in het derde lid
                        bepaald dat dergelijke perioden voor het berekenen van het gemiddelde
                        inkomen meetellen als perioden waarin tenminste 100% van de bijstandsnorm is
                        ontvangen. Het woord “minimaal” in het derde lid maakt, dat als er in
                        bedoelde perioden in werkelijkheid meer inkomen dan de bijstandsnorm is
                        geweest, dit hogere werkelijke inkomen moet meetellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Recht op individuele studietoeslag</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                        WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                        studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding,
                        leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de
                        Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                        individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. </al><al>Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat
                        een persoon recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De
                        aanvrager zal voor de toeslag aannemelijk moeten maken dat hij recht op
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een
                        beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde
                        opleiding te overleggen. </al><al>In artikel 3 en het derde lid wordt aangegeven dat het college beleidsregels
                        op kan stellen om de medische situatie van belanghebbende te beoordelen. Het
                        college kan bepalen dat eventueel advies wordt ingewonnen bij een medisch
                        adviseur, bijvoorbeeld een keuringsarts bij het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen. Het gaat om advies over het oordeel of een persoon
                        met voltijdse arbeid wel of niet in staat is tot het verdienen van het
                        wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        heeft.</al><al>Een medisch onderzoek is niet altijd nodig. Bijvoorbeeld doordat al
                        voldoende informatie over belanghebbende bij de gemeente of het Sociaal
                        Wijkteam aanwezig is, waardoor een medisch deskundigenonderzoek niet nodig
                        is om de verdiencapaciteit van belanghebbende te beoordelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte en frequentie</titel></kop><al>De hoogte van de toeslag is gebaseerd op het netto wettelijk minimumloon en
                        het werken op één dag in de week. Daarbij wordt voor de leeftijdsgroep 18
                        tot en met 20 jaar een toeslag gehanteerd, omdat in deze leeftijdscategorie
                        slechts een klein verschil in hoogte van het wettelijk minimumloon is. Vanaf
                        21 jaar worden de verschillen groter, waardoor het dit verschil ook in de
                        toeslag tot uiting moet komen. </al><al>Ziet belanghebbende mogelijkheden om, ondanks zijn medische beperking, iets
                        bij te verdienen, dan worden deze inkomsten niet op de individuele
                        studietoeslag in mindering gebracht. De achtergrond hiervan is, dat hierdoor
                        een extra stimulans ontstaat werkervaring op te doen en zo de kans op
                        betaalde arbeid te vergroten als de studie is afgerond. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Toekenning en beëindiging</titel></kop><al>Het recht op de studietoeslag blijft voortduren zolang belanghebbende aan de
                        voorwaarden voor het verkrijgen van de individuele inkomenstoeslag voldoet. </al><al>Bij de toekenning van de individuele inkomenstoeslag wordt daarom de
                        verplichting opgelegd, dat belanghebbende de gemeente informeert als zijn
                        situatie wijzigt en daardoor het recht op de toeslag vervalt.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>