<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356786_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Commissie Bezwaarschriften gemeente Elburg en gemeente Nunspeet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.nunspeet.nl/gemeenteblad">internet</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 7.13 van de Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artikel 2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R.3869</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Commissie Bezwaarschriften</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Commissie Bezwaarschriften gemeente Elburg en gemeente
                            Nunspeet </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Nunspeet;</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 9 december 2014, nummer
                        A.0012367;</al><al>gelet op artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al><al>besluiten:</al><al>vast te stellen de volgende verordening: Commissie Bezwaarschriften
                        gemeenten Elburg en Nunspeet</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raden, de colleges en de burgemeesters van de
                            gemeenten Elburg en Nunspeet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen besluiten op grond van, dan wel die betrekking hebben
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift over belastingen of de Wet waardering
                                    onroerende zaken of direct daaraan gerelateerde zaken;</al></li><li nr="b."><al>artikel 4:18 van de AWB, tenzij het bezwaar zich mede richt
                                    tegen de beschikking op de aanvraag;</al></li><li nr="c."><al>titel 4.4 ‘bestuursrechtelijke geldschulden’ van de AWB, tenzij
                                    het bezwaar zich mede richt tegen de beschikking op de
                                    aanvraag.</al><al/><al>d. de Huisvestingsverordening gemeente Nunspeet 2015</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><al>1.De commissie bestaat uit drie kamers en die behandelen bezwaarschriften op
                        het terrein van:</al><al><cursief>- kamer één</cursief></al><al> de ruimtelijke ordening, bouwen en wonen, milieu, verkeer, de Algemene
                        plaatselijke verordening en overig algemeen en bijzonder bestuursrecht;</al><al><cursief>- kamer twee</cursief></al><al> het sociale zekerheidsrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de
                        Jeugdwet; </al><al><cursief>- kamer drie</cursief></al><al> de rechtspositie van het personeel</al><lijst><li nr="2."><al>Elke kamer bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, die
                                geen deel uitmaken van en niet werkzaam zijn onder
                                verantwoordelijkheid van een verwerend bestuursorgaan en geen
                                ingezetenen zijn van de gemeente Elburg of Nunspeet.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en leden worden door de colleges van Elburg en
                                Nunspeet benoemd, geschorst en ontslagen.</al></li><li nr="4."><al>De colleges kunnen een aantal plaatsvervangende leden benoemen. Voor
                                hen zijn de voor de leden gegeven bepalingen van deze verordening
                                van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De kamers regelen de vervanging van de voorzitter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is een door het college van de gemeente
                            Elburg of Nunspeet aangewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De colleges wijzen de secretarissen aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanwijzing van de voorzitter van de desbetreffende kamer verricht de
                            secretaris alle werkzaamheden die dienstig zijn aan het functioneren van
                            de desbetreffende kamer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de commissieleden worden benoemd voor een termijn van
                            vier jaar. Het is mogelijk één keer herbenoemd te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de commissieleden kunnen op elk moment ontslag nemen.
                            Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of commissieleden blijven
                            hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt binnen zeven
                            werkdagen in handen van de commissie gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het bericht van ontvangst wordt vermeld dat de commissie over het
                            bezwaar zal adviseren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>De commissie onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt voordat
                        de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht daartoe de
                        nodige handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden op grond van de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te
                            winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen op de hoorzitting te verschijnen. Als daaraan kosten zijn
                            verbonden, is vooraf machtiging van het college van de betrokken
                            gemeente vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt plaats en tijdstip van de zitting waarin de
                            belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden gesteld
                            zich door de commissie te laten horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb
                            .</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van het
                            horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                            minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                            verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend
                            orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste
                            tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat minimaal twee leden, onder
                        wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger, aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de commissieleden nemen niet deel aan de behandeling van
                        een bezwaarschrift als daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan zijn.
                        Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van kamer 1 is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De zitting van kamer 2 en 3 is niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten als de voorzitter of een van de
                            aanwezige leden van kamer 1 het nodig oordeelt of als een belanghebbende
                            daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de voorzitter vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                            zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                            zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het verslag zoals bedoeld in artikel 7:7 Awb staan de namen vermeld
                            van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvond,
                            of als belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in elkaars
                            tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld,
                            nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen
                            beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek
                            houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                            toegezonden aan de commissieleden, het verwerend orgaan en de
                            belanghebbenden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissieleden, het verwerend orgaan en de belanghebbenden kunnen
                            binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de voorzitter
                            een verzoek richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De
                            voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                            door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                            advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                            voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien
                            die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in artikel
                            15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader
                            verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift moet beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als naar het oordeel van de voorzitter een termijn van twaalf weken,
                            genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, ontoereikend is voor
                            achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en het nemen van een
                            beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig de beslissing te
                            verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                            belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de
                        gemeenten Elburg en Nunspeet verslag uit van haar werkzaamheden in het
                        voorafgaande kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening Commissie Bezwaarschriften Elburg en Nunspeet (vastgesteld op
                        16 december 2010) wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt <vet>met terugwerkende kracht</vet> in werking op 1
                        januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                        bezwaarschriften.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 januari 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.L. van den Broek ir. D.H.A. van Hemmen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders,</ondertekening><ondertekening>In de vergadering van 9. december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>J.J. Kerkhof ir. D.H.A. van Hemmen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld door de burgemeester op 9 december 2014</ondertekening><ondertekening>de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>ir. D.H.A. van Hemmen </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die
                    moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het
                    noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te
                    plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting bij het model zijn zo veel mogelijk
                    onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang zijn in de
                    behandelingsprocedure.</al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen. </al><tussenkop>Ambtelijke commissie</tussenkop><al>Niet elke gemeente kiest voor behandeling van bezwaarschriften door een externe
                    commissie. Mogelijk is dat voor bepaalde categorieën besluiten gekozen wordt
                    voor een ambtelijke commissie. Zo kan er gekozen worden voor een systeem waarbij
                    de commissie adviseert over de ingewikkeldere bezwaarschriften, terwijl de
                    eenvoudige ambtelijk worden afgehandeld. Een ambtelijke commissie hoeft zich
                    niet te houden aan de vereisten uit artikel 7:13 Awb. Doordat niet bij de
                    bevestiging van ontvangst van een bezwaarschrift verplicht moet worden
                    medegedeeld dat een commissie zal adviseren, maar doordat in de wet is bepaald
                    dat dit zo spoedig mogelijk dient te gebeuren heeft een gemeente de tijd en
                    mogelijkheid om bezwaarschriften te scheiden. De in deze verordening opgenomen
                    bepalingen over het horen, de gang van zaken tijdens de hoorzitting en het
                    adviseren aan het bestuursorgaan kunnen ook voor een ambtelijke commissie
                    gelden. Voor het horen door een ambtelijke commissie gelden de bepalingen uit
                    artikel 7:5 Awb.</al><tussenkop>Bestuursorgaan</tussenkop><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart
                    2003, LJN AF6023. is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een
                    adviescommissie is maar ook een bestuursorgaan. In deze Verordening zijn regels
                    opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De raad, het
                    college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee zeggenschap
                    over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo kunnen afspraken
                    met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de
                    bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en
                    beroep is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig
                    een beslissing op het bezwaar kan worden genomen.</al><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan.</al><al>Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als
                    bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet
                    openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt
                    ingediend of indien er een klacht wordt ingediend.</al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuurorgaan of
                    een onder verantwoordelijkheid van een bestuurorgaan werkzame instelling, dienst
                    of bedrijf.</al><al>De commissie moet beslissen op Wob verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al>Ook is de commissie bezwaarschriften verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegeven in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten.</al><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan eenieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden
                    afgedaan door de commissie zelf. Eveneens kan een klacht over de commissie
                    worden ingediend bij de Nationale Ombudsman.</al><al>Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en
                    besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit
                    relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de
                    gehele commissie hierover afspraken te maken.</al><tussenkop>Vierde tranche Awb</tussenkop><al>Op 1 juli 2009 trad de vierde tranche van de Awb in werking. Deze tranche
                    beslaat 3 onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al>algemene regels voor betaling en inning van schulden
                            (bestuursrechtelijke geldschulden);</al></li><li nr="-"><al>bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete;</al></li><li nr="-"><al>attributie van bevoegdheden aan ambtenaren.</al></li></lijst><al>Wellicht leidt deze aanvulling van de Awb tot een toename van het aantal
                    bezwaarschriften. Op dit moment is daar echter nog weinig over bekend. </al><tussenkop>Wet dwangsom en beroep</tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep, onderdeel van de Awb, in werking
                    getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is deze wet op de volgende punten
                    van belang.</al><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen één besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim
                    vijf weken zaten tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste
                    waardoor het lastig was om op tijd het eerste bezwaarschrift af te
                    handelen.</al><al>Daarnaast is de beslistermijn als er een commissie is, verlengd van tien naar
                    twaalf weken en de mogelijkheid om te verdagen van vier naar zes weken.</al><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Het bestuursorgaan heeft dan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet, dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1.260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan beroep worden ingesteld bij
                    de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.</al><al>De Wet dwangsom en beroep zorgt ervoor dat bestuursorganen hun interne processen
                    goed inrichten zodat op tijd besluiten genomen kunnen worden. De Commissie
                    Bezwaarschriften maakt onderdeel uit van het proces om tot een beslissing op
                    bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat afspraken worden gemaakt tussen
                    bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie is het belangrijk dat zij zo snel
                    mogelijk de dossiers ontvangen van de ambtelijke organisatie die horen bij het
                    bezwaarschrift. voor het bestuursorgaan is het van belang dat de commissie
                    rekening houdt met de vergadercyclus van bijvoorbeeld het college en dat
                    adviezen op tijd worden aangeleverd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen.</al><tussenkop>Artikel 2. Inleidende bepaling commissie</tussenkop><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar moet worden verstaan.</al><al>Het tweede lid is een facultatieve bepaling. Van de hier geboden mogelijkheid is
                    gebruik gemaakt voor die bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo
                    specifieke materie of voor onderwerpen waarover zulke grote aantallen
                    bezwaarschriften te verwachten zijn dat het wenselijk is daarvoor een andere
                    methodiek van horen en adviseren te hanteren. Dit betreft belastingzaken en
                    WOZ-zaken, inclusief direct daaraan gerelateerde zaken. Ook bezwaarschriften die
                    voortvloeien uit de hiervoor genoemde vierde tranche van de Awb zijn hier
                    uitgezonderd, tenzij het bezwaar zich mede richt tegen de beslissing op de
                    aanvraag zelf. Op grond van de wet zijn de bezwaren tegen de beslissing op de
                    aanvraag en de bezwaren tegen een hieruit voortvloeiende rentebeschikking,
                    kostenbeschikking et cetera aan elkaar gekoppeld. Wij achten het niet wenselijk
                    dat een deel van het bezwaar door de commissie wordt behandeld en een deel
                    buiten advisering van de commissie om wordt afgedaan, omdat hiervoor dan
                    verschillende beslistermijnen zouden gaan gelden. Bezwaarschriften met
                    betrekking tot belastingzaken en WOZ-zaken zijn van behandeling door de
                    commissie uitgezonderd, omdat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ
                    afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en
                    geheimhouding. </al><tussenkop>Artikel 3. Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                    adviescommissie:</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                            (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb)</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid,
                            onder b, van de Awb)</al></li></lijst><al>Gekozen is voor een adviescommissie die volledig bestaat uit leden die geen deel
                    uitmaken van en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het
                    bestuursorgaan. Ook is ervoor gekozen geen leden zitting te laten nemen die
                    wonen in de gemeente Elburg of Nunspeet. </al><al>Bij de keuze voor de samenstelling van de commissie is voor ogen gehouden welk
                    doel met de commissie wordt nagestreefd. In de eerste plaats moeten de personen
                    die de commissie vormen in die mate vakkundig zijn dat van de commissie goede
                    adviezen te verwachten zijn. Hierbij kan gedacht worden aan personen die weten
                    wat er speelt bij de desbetreffende overheid (oud-bestuurders), maar ook aan
                    deskundigen op het gebied van geschillenbeslechting (juristen). De leden van de
                    commissie moeten gevoel hebben voor politieke en bestuurlijke verhoudingen. De
                    taak van de commissie is immers een bestuurlijke heroverweging, die naast de
                    rechtmatigheidstoetsing toetsing van de doelmatigheid omvat.</al><al>Door de bepaling in het derde en vierde lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat indien
                    nodig het functioneren van de commissieleden evalueert. Als een commissielid
                    niet naar behoren functioneert, is het in eerste instantie de commissie die
                    hierop actie zal ondernemen, Het is immers een zelfstandig bestuursorgaan. De
                    voorzitter speelt hierbij een rol. Mocht een commissielid niet zelf ontslag
                    nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden. Het ligt voor de
                    hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken hebben
                    plaatsgehad en dat er een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van het college
                    om een commissielid te schorsen, kan gedacht worden aan een situatie waarbij het
                    functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg
                    hierover, wordt geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door
                    het college van leden van een Commissie Bezwaarschriften. Aanleiding was een
                    vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de
                    Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van
                    het college om leden van de Commissie Bezwaarschriften te ontslaan wegens een
                    vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een
                    onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom moet aan de commissie
                    ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar
                    onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met
                    de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat
                    een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het
                    bestuurorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een
                    adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het
                    bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de
                    Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                    bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets
                    te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een
                    periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van
                    een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><tussenkop>Instelling kamers</tussenkop><al>In verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp, is de commissie nu
                    opgesplitst in kamers. </al><tussenkop>Artikel 4. Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 5. Zittingsduur</tussenkop><al>Gekozen is voor een zittingsduur van vier jaar, met de mogelijkheid tot
                    herbenoeming voor vier jaar. Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van
                    dat ontslag bepalen. Hij kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel
                    nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling
                    van het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden
                    ook feitelijk de functie te blijven vervullen. </al><tussenkop>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="-"><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="-"><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12):</al></li><li nr="-"><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="-"><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het
                            besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8).</al></li><li nr="-"><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de
                            verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel 6:9, tweede
                            lid).</al></li><li nr="-"><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat ingediende
                            bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="-"><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, is
                            niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li><li nr="-"><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15):</al></li><li nr="-"><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij het
                            bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat een
                            commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een later
                            stadium: zie ook de opmerkingen in paragraaf 3 onder ambtelijke
                            commissie (artikel 6:14).</al></li><li nr="-"><al>Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 0.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 0.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook mogelijk. Wel is het zo dat het
                    bestuursorgaan deze weg expliciet moet openstellen (art.2:15 Awb). Dit geeft de
                    gemeente ook de mogelijkheid om een apart e-mail adres in te richten voor de
                    ontvangst van bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail een
                    bezwaarschrift heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet
                    heeft toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                    brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail
                    ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden
                    verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Op grond van het derde lid van artikel 6:15 Awb moet namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend beschouwen
                    als de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. De in artikel 7:13, tweede lid,
                    bepaalde melding dat een commissie over het bezwaar zal adviseren, is van belang
                    omdat hierdoor de beslistermijn van zes weken wordt verlengd tot twaalf weken
                    met een verdagingsmogelijkheid van zes weken (artikel 7:10). Wellicht ten
                    overvloede wordt hier opgemerkt dat het aanbeveling verdient indieners al in een
                    zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte te brengen van de te volgen
                    procedure.</al><tussenkop>Artikel 7. Bemiddeling</tussenkop><al>Deze bepaling is bij de herziening van 2010 toegevoegd. Alternatieve
                    geschillenbeslechting wordt bij de meeste bestuursorganen en rechtbanken op een
                    bepaalde manier toegepast. Veel voorkomende vormen zijn (pre)-mediation of een
                    andere aanpak. Bij de andere aanpak wordt vaak na ontvangst van het
                    bezwaarschrift meteen gebeld naar de bezwaarde. Op deze manier kunnen
                    misverstanden worden rechtgezet, het besluit nader worden toegelicht etc. Dit
                    kan leiden tot intrekking van het bezwaarschrift.</al><al>Mediation is een formelere vorm. Hierbij kan onder begeleiding van een mediator
                    naar een oplossing gezocht worden waarmee beide partijen uit de voeten kunnen.
                    Belangrijk is dat beide partijen deze stap nemen en afspraken die hierbij horen
                    worden formeel in een overeenkomst vastgelegd.</al><al>De keuze om al dan niet tot mediation over te gaan is aan het bestuursorgaan,
                    dat ook de grenzen van de onderhandelingsruimte dient vast te stellen.</al><al>Het is de commissie die na ontvangst van een bezwaarschrift kan beoordelen of
                    een bemiddelingspoging zinvol is. In de praktijk zal de secretaris een
                    initiërende rol hebben om een bemiddelingsvoorstel zowel bij de commissie als de
                    behandelende afdeling voor te leggen.</al><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging mogelijk
                    is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen is het van belang dat, indien er gesproken wordt over mogelijke
                    oplossingen buiten de bezwaarprocedure om, formeel wordt vastgelegd dat de
                    beslistermijn van het bezwaarschrift wordt opgeschort tot het moment dat aan de
                    secretaris wordt meegedeeld wat de uitkomst van de bemiddelingspoging is.</al><tussenkop>Artikel 8. Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Op grond van artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de
                    toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke
                    voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of
                    een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde
                    bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><al>-<vet>Artikel 2:1, tweede lid</vet></al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al>-<vet>Artikel 6:6</vet></al><al>Als niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, wordt vastgesteld door
                    de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn daarvoor
                    op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen
                    aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er
                    sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een
                    termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Een zorgvuldige formulering
                    van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en waarin de termijn wordt
                    gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal
                    duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie verbonden is aan het
                    niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze
                    waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn: het
                    bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De uiteindelijke
                    beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens mag niet zonder meer geconcludeerd worden dat er in zo'n situatie
                    sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>-<vet>Artikel 6:17</vet></al><al>Als iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het
                    bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval aan
                    de gemachtigde.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voor zover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter. Het is niet nodig om in de
                    bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers van de belanghebbende toe
                    te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de aanvraag en het primaire
                    besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><al>-<vet>Artikel 7:4, tweede lid</vet></al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte terinzagelegging. Stukken
                    toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken in te
                    zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al>-<vet>Artikel 7:6, vierde lid</vet></al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt: ”Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn
                    gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens
                    het horen buiten zijn aanwezigheid.”</al><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><tussenkop>Artikel 9. Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of de voorzitter bij de voorbereiding van de te
                    behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><tussenkop>Ad d.</tussenkop><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op artikel 6:19
                    Awb. In dit artikel wordt bepaald dat als een bestuursorgaan een intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter. Deze beslissing is dus niet aan het bestuursorgaan dat het
                    bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook niet mogelijk zijn, gelet
                    op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is bepaald dat de commissie,
                    voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, beslist over de
                    toepassing van artikel 7:3. Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich.
                    Daarnaast moet in het uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op
                    teruggekomen worden. Dat is noodzakelijk omdat op grond van artikel 7:12 Awb bij
                    de beslissing op een bezwaarschrift, als van het horen is afgezien, aangegeven
                    moet worden op welke grond dat is geschied.</al><tussenkop>Artikel 11. Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Op grond van het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Verder is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al>Verder is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene moet wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op papier te bevestigen</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen. Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is
                    ermee volstaan de tekst ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting
                    bij artikel 8).</al><tussenkop>Artikel 7:4</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift
                            en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan
                            het horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                            inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voor zover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43). In de bezwaarschriftprocedure is voor inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><tussenkop>Artikel 7:8</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen
                            en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><tussenkop>Artikel 12. Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in
                    het kader van de bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de
                    adviescommissie, terwijl advisering door de voltallige commissie, bestaande uit
                    drie leden, heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119, 5). In de
                    Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen van mr. H. Piefers : “Horen
                    en adviseren door een onvolledige bezwaarschriftencommissie”.</al><tussenkop>Artikel 13. Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb. Ook al is de
                    voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast dat
                    automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is (Rb.
                    Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><tussenkop>Artikel 14. Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover
                    niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend. In de desbetreffende verordeningsbepaling is vastgelegd dat
                    de hoorzitting in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze
                    regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld als bijzonder persoonlijke zaken van
                    familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk
                    karakter aan de orde komen. De zitting moet worden onderscheiden van de
                    beraadslaging van de commissie, die op grond van artikel 16 van de verordening
                    achter gesloten deuren plaatsvindt. Ingeval de Commissie Bezwaarschriften
                    adviseert over bezwaren op grond van de Participatiewet, de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning of de Jeugdwet, vinden de zittingen achter gesloten deuren plaats. </al><tussenkop>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                    niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht. Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van
                    de besluitvorming in de bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet
                    voorgeschreven in de Awb) dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig
                    met de beslissing op het bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Het
                    verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan
                    hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te
                    worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><tussenkop>Artikel 16. Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat als het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><tussenkop>Artikel 17. Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat. Het
                    horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 12); de
                    advisering moet plaatsvinden door een commissie die voldoet aan de eisen van
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt, is
                    niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Een adviescommissie mag alleen
                    adviseren: ze kan geen (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van
                    State, Afdeling bestuursrechtspraak 06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    wordt een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting gedaan. De Commissie Bezwaarschriften adviseert in dat geval ook
                    over dit verzoek en geeft aan of er recht is op een vergoeding en zo ja over de
                    hoogte van het bedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan het Besluit
                    proceskosten bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 18. Uitbrengen advies en verdaging</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb twaalf weken,
                    behalve in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid
                    van verdaging. De desbetreffende bepaling verlangt van de voorzitter dat als hij
                    voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het
                    bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen. Het besluit
                    tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn artikel 3:41
                    tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling van besluiten
                    regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel van
                    toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat
                    het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><tussenkop>Afronding van de procedure</tussenkop><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 18 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift moet
                    beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna moet
                    gebeuren. Als het bezwaar ontvankelijk is, moet op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaatsvinden. Is een bezwaarschrift niet
                    ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing
                    niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen
                    van de wet zich ook moet uitstrekken tot beleidsmatige en bestuurlijke
                    aspecten.</al><al>De heroverweging moet ex nunc plaatsvinden, dat wil zeggen dat rekening moet
                    worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De feiten en
                    omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen zijn van
                    belang.</al><al>Daarnaast moet de heroverweging op grondslag van het bezwaar geschieden. Hieruit
                    vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los staan van de
                    aangevoerde bezwaren, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het bestuursorgaan
                    moet daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar hun strekking
                    opvatten. Als bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt dat deze, ondanks een
                    beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer bedoeld zijn, dan moet
                    daarmee rekening worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit niet in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel. In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het
                    bezwaarschrift moet berusten op een deugdelijke motivering die bij de
                    bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat als
                    van het advies van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van
                    die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.
                    Ten slotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    als beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan bij
                    de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><tussenkop>Artikel 19. Jaarverslag</tussenkop><al>In de praktijk blijkt dat de Commissie Bezwaarschriften jaarlijks verslag
                    uitbrengt aan de raad, het college en de burgemeester over haar werkzaamheden.
                    De invulling van dit verslag is aan de commissie gelaten. Voor de hand ligt dat
                    wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn ingediend, wat de werkvoorraad
                    was bij aanvang van het kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn uitgebracht, wat de
                    adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond et cetera) of het
                    bestuursorgaan contrair heeft besloten, in welke gevallen beroep wordt ingediend
                    en wat de uitkomst van dit beroep is.</al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de Commissie Bezwaarschriften wordt
                    dit in het jaarverslag vermeld. Het jaarverslag is ook een instrument voor de
                    commissie om aan de bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op
                    het gebied van juridische kwaliteit.</al><tussenkop>Artikel 20. Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 21. Inwerkingtreding</tussenkop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voor zover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><tussenkop>Artikel 22. Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                    bezwaarschriften</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>