<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356679_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Soesttitel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Soest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Soester Courant 4 februari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Soest</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8, lid 1 (aanhef en onderdeel b) en lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB 15-01 (verseon 1225989)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inkomenstoeslag</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Soesttitel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 9 december
                            2014</vet></al><al/><al>-overwegende dat</al><al/><al><vet>Het wettelijk verplicht is voor de gemeente een verordening vast te
                            stellen waarin geregeld is hoe de gemeente omgaat met de verstrekking
                            van een individuele inkomenstoeslag voor personen van 21 jaar of ouder
                            doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd;</vet></al><al/><al>-gelet op</al><al/><al><vet>Artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                            Participatiewet;</vet></al><al/><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De "Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Soest"
                                vast te stellen;</al></li><li nr="2."><al>De ingangsdatum van de verordening vaststellen op 1 januari 2015.
                            </al></li></lijst><al><vet>VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG 2015 GEMEENTE Soest</vet></al><al>De verordening is een nadere uitwerking van artikel 36 van de
                        Participatiewet, zoals deze luidt vanaf 1 januari 2015.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van Soest.</al></li><li nr="b."><al>wet: Participatiewet.</al></li><li nr="c."><al>uitkeringsgerechtigde: persoon die een uitkering heeft ingevolge de
                                Participatiewet, de Ioaw: (Inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers), de Iow (Wet
                                inkomensvoorziening oudere werklozen of de Ioaz (Inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                zelfstandigen).</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de
                                wet.</al></li><li nr="e."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li><li nr="f."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering.</al></li><li nr="g."><al>Zelfstandige huisvesting: een woning of kamer waarvoor de bewoner
                                huur of eigenaarslasten voldoet. Van het voeren van een zelfstandige
                                huishouding is geen sprake als de belanghebbende inwoont bij een of
                                beide ouders of indien de belanghebbende langdurig (langer dan een
                                half jaar) verblijft in een AWBZ bekostigde
                                (verpleeg)inrichting.</al></li><li nr="h."><al>peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet komt in aanmerking voor
                            de individuele inkomenstoeslag de persoon die een onafgebroken periode
                            van 24 maanden (referteperiode) een zelfstandige huishouding heeft
                            gevoerd, in die referteperiode aangewezen is geweest op een laag inkomen
                            en geen uitzicht heeft op een inkomensverbetering. De periode van
                            verblijf in een asielzoekerscentrum telt mee voor de vaststelling van de
                            24 maanden termijn aangezien er bij de Regeling verstrekking
                            asielzoekers sprake is van een minimumuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een laag inkomen is sprake indien het inkomen in de referteperiode
                            niet hoger is geweest dan 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm,
                            plus in die referteperiode maximaal het bedrag dat wettelijk vrijgelaten
                            kan worden als inkomstenvrijlating in de wet, als bedoeld in artikel 31,
                            lid 2 onder n. Indien er aan de inkomenseis wordt voldaan in de
                            referteperiode wordt er van uitgegaan dat er geen uitzicht is op een
                            inkomensverbetering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van gehuwden en samenwonenden dienen beide belanghebbenden aan
                            alle voorwaarden voor toekenning te voldoen. Zie ook artikel 7, derde
                            lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel, lid 1, betreffende de referteperiode van 24
                            maanden, heeft een geldigheid van 1 jaar. 1 jaar na inwerkingtreding van
                            deze verordening zal dit beleid worden geëvalueerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>(geen) zicht op inkomensverbetering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 3, lid 2 wordt de belanghebbende, die een opleiding
                        volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF
                        2000 of dit heeft gedaan gedurende de ononderbroken periode van 24 maanden,
                        geacht wel zicht op inkomensverbetering te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geldend maken van het recht</titel></kop><al>Om het recht geldend te maken dient een verzoek/aanvraag ingediend te
                        worden. Een individuele inkomenstoeslag is een vorm van bijzondere bijstand.
                        Dit betekent dat de hoofdregel voor het aanvragen van bijzondere bijstand
                        geldt en dat is dat behoudens bijzondere omstandigheden de ingangsdatum de
                        datum aanvraag is. Een eventueel vervolgrecht ontstaat 12 maanden na die
                        datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Behouden re-integratiestimulans</titel></kop><al>De uitkeringsgerechtigde die een individuele inkomenstoeslag ontvangt en die
                        uitstroomt uit de rechtgevende uitkering naar reguliere arbeid behoudt
                        gedurende het eerstvolgende vervolgjaar recht op een individuele
                        inkomenstoeslag, indien het inkomen uit arbeid in dat vervolgjaar minder
                        bedraagt dan 115% van de voor die situatie geldende bijstandsnorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden: 3.2 % van de voor hen geldende bijstandsnorm,
                                    inclusief vakantietoeslag op jaarbasis;</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders: 90% van het bedrag van de individuele
                                    inkomenstoeslag voor gehuwden;</al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaanden: 70% van het bedrag van de individuele
                                    inkomenstoeslag voor gehuwden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedragen die volgen uit het vorige lid worden afgerond op hele euro’s
                            naar boven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste, tweede lid en derde lid is de situatie
                            op de peildatum bepalend</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Onvoorziene gevallen en hardheidsclausule</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college. Het
                        college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken in bijzondere
                        situaties waarin toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van
                        overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangehaald worden als: Verordening individuele
                        inkomenstoeslag 2015 gemeente Soest.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De “Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2009 gemeente
                        Soest” wordt met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Soest, 22 januari 2015</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.van Vliet MPM AA R.T. Metz</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimum inkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de WWB in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen.
                    Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de
                    langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale)
                    bijzondere bijstand. </al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden
                    bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het
                    college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan
                    de voorwaarden daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen
                    niet in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag en in welke
                    gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. In de onderhavige
                    verordening is al sprake van een nadere uitwerking en zullen nadere regels van
                    het college van burgemeester en wethouders vooralsnog bij ongewijzigde
                    omstandigheden niet nodig zijn.</al><al>Artikel 36 van de wet blijft de basis van de individuele inkomenstoeslag, maar
                    de nieuwe tekst laat meer ruimte voor gemeentelijke invulling van de regels. In
                    artikel 8 staat een bepaling dat gemeenten in een verordening regels moeten
                    vastleggen met betrekking tot de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de
                    wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen Dit
                    is bedoelde verordening.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht op te nemen met
                    betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van
                    de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de
                    wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de
                    Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De
                    individuele inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers
                    toegekend tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen
                    betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen
                    vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                    langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                    voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                    Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend
                    mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de Participatiewet en
                    onderhavige verordening. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting nodig hebben worden hier
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen
                    heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van
                    de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht
                    op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de
                    meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een
                    persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij
                    sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid,
                    van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In het eerste en tweede lid worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig
                    en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene
                    toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie, plus in die referteperiode
                    maximaal het bedrag dat wettelijk vrijgelaten kan worden als inkomstenvrijlating
                    in de wet, als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder n (Per 1 juli 2014 bedraagt
                    dit 6 maal € 193,- is € 1.158,- in totaal). Dit bedrag wijzigt bij iedere
                    normwijziging van de bijstand. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er
                    geen recht op een individuele inkomenstoeslag. Bepaald is ook dat er geen zicht
                    mag zijn op een inkomensverbetering. </al><al>Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet
                    het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36,
                    tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in
                    ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><al>Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op
                    inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus
                    teruggekeken. Verder is bepaald dat wil er recht zijn op een individuele
                    inkomenstoeslag de belanghebbende een zelfstandige huishouding moet hebben
                    gevoerd tijdens de referteperiode. De individuele inkomenstoeslag is zowel in de
                    oude als de nieuwe regeling bedoeld voor personen en huishoudens die door een
                    gebrek aan inkomen geen mogelijkheden hebben te reserveren voor
                    vervangingsuitgaven van duurzame gebruiksgoederen. Personen die geen
                    zelfstandige huishouding voeren hebben in veel mindere mate te maken met
                    vervangingsuitgaven. Op grond daarvan is in de verordening bepaald dat wil er
                    recht zijn op een individuele inkomenstoeslag er sprake moet zijn van het voeren
                    van een zelfstandige huishouding. Van het voeren van een zelfstandige
                    huishouding is zoals aangegeven in de begripsbepaling in artikel 1 geen sprake
                    als de belanghebbende inwoont bij een of beide ouders of indien de
                    belanghebbende langdurig verblijft in een AWBZ bekostigde
                    verpleeginrichting.</al><al>In het derde lid staat dat het recht op langdurigheidstoeslag bij gehuwden of
                    samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen.
                    Zie voor de uitzondering artikel 7, derde lid.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In dit artikel worden studenten expliciet uitgesloten van de
                    langdurigheidstoeslag. Zij worden niet geacht te behoren tot de doelgroep van de
                    individuele inkomenstoeslag (in de oude wettelijke bepalingen waren studenten
                    ook uitgesloten). De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met
                    hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is
                    van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is een vorm van bijzondere bijstand en dat
                    betekent dat het recht geldend gemaakt kan worden met toepassing van de regels
                    die gelden voor de verlening van bijzondere bijstand. De vaststelling van de
                    voorwaarden waaronder bijzondere bijstand wordt verleend is een gemeentelijke
                    autonome bevoegdheid. Dit betekent in beginsel dat de datum aanvraag de
                    ingangsdatum is mits op die datum aan alle voorwaarden voor toekenning wordt
                    voldaan (zie eventueel ook de toelichting onder artikel 1 peildatum). Een
                    vervolgrecht ontstaat vervolgens na 12 maanden (als ook dan aan alle voorwaarden
                    van toekenning wordt voldaan). Dit onder andere om te voorkomen dat de gemeente
                    geconfronteerd wordt met aanvragen en toekenningen over meerdere voorgaande
                    (reeds financieel afgesloten) jaren.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Om uitkeringsgerechtigden te (blijven) stimuleren arbeid te aanvaarden met
                    inkomsten gelijk of hoger dan de bijstandsnorm is bepaald dat er nog recht op
                    een individuele inkomenstoeslag blijft bestaan gedurende het vervolgjaar vanaf
                    de voorgaande datum van toekenning van de individuele inkomenstoeslag. Hierdoor
                    wordt ook een eventuele armoedeval geheel of gedeeltelijk voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de
                    hoogte vastgesteld op 3.2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond
                    op hele euro’s naar boven. Onder de oude wet waren er toeslagen op de
                    bijstandsnorm voor een alleenstaande en voor alleenstaande ouders. Het nieuwe
                    systeem in de wet is anders (alleenstaande ouders krijgen bijstand naar de norm
                    voor een alleenstaande en een toeslag via de belastingdienst). Daarom wordt er
                    voor de categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden bij de bepaling van
                    de hoogte van de toeslag gekozen voor een afgeleide van de toeslag van
                    echtparen. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de
                    toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70%
                    van de toeslag voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding
                    gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3.2%)
                    hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een
                    apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de
                    normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 juli
                    2014) bedraagt 3.2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag
                    een bedrag van € 523,-.</al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op
                    individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de
                    rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag.
                    Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste
                    lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als
                    slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze
                    rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de
                    hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is
                    geregeld in het derde lid.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om
                    op onvoorziene </al><al>zaken en niet geregelde zaken een besluit te kunnen nemen en dat er in bepaalde
                    gevallen kan worden afgeweken van deze verordening als er sprake is van een
                    klaarblijkelijke hardheid. Al onder de algemene toelichting is aangegeven dat
                    (verdere) nadere regels in beginsel niet nodig zijn.</al><tussenkop>Artikel 9 en 11</tussenkop><al>De ingangsdatum van de verordening is 1 januari 2015 en de oude verordening
                    wordt ingetrokken per dezelfde datum. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>