<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356594_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Ridderkerk 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-08-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-82243.html">Elektronsich gemeenteblad, 2014, 82243</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Ridderkerk 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8a">Participatiewet, art. 8, lid 1, aanhef en onderdelen a, c, d en e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8a">Participatiewet, art. 8a, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=10">Participatiewet, art. 10, lid 4, onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-08-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De re-integratieverordening Wet werk en bijstand Ridderkerk 2007 wordt ingetrokken.</al><al>Er is overgangsrecht van toepassing (artikel 17).</al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet Ridderkerk 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeenteRidderkerk</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november
                        2014.</al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet,</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet Ridderkerk 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6, aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8,
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote
                                afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zendt via de tussenrapportage een verslag aan de
                                gemeenteraad over de doeltreffendheid van het beleid. Het
                                jaarverslag bevat tevens het oordeel van de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze Verordening wordt vastgelegd welke voorzieningen het
                                    college in ieder geval kan aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Een voorziening maakt altijd onderdeel uit van een
                                    trajectplan.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die
                                    voortvloeien uit de wet en dezeverordening, door middel van het
                                    vaststellen van beleidsregels, aan een voorziening
                                    nadereverplichtingen verbinden.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                            wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                            geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik
                                            wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde
                                            voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als
                                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                            wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening
                                            onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet
                                            meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                            de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                            behoren gebruik maakt van de aangeboden
                                            voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening
                                            worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                            voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholingstraject aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                    eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien een persoon met een WWB-, IOAW-, IOAZ- of Anw-
                                            uitkering, eenniet-uitkeringsgerechtigde dan wel een
                                            persoon zoals bedoeld in artikel 10lid 2 WWB niet
                                            beschikt over een startkwalificatie, of als de
                                            startkwalificatie onvoldoende aansluit bij de
                                            arbeidsmarkt, wordt een scholingstraject aangeboden die
                                            tot die kwalificatie leidt, en </al></li><li nr="b."><al>Indien scholing wordt aangevraagd door een niet
                                            startgekwalificeerde belanghebbende die de leeftijd van
                                            23 jaar nog niet heeft bereikt, wordt de belanghebbende
                                            gemeld bij de leerplichtambtenaar.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt
                                    <vet>€ 200,- </vet>per zes maanden, mits in die zes maanden
                                voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning /jobcoach</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. De begeleiding is gebonden aan de
                            afspraken die binnen de arbeidsmarktregio zijn gemaakt, waaronder:</al><lijst><li nr="-"><al>De begeleiding zal maximaal gedurende 3 jaar, 1 uur per week
                                    worden geboden. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken</al></li><li nr="-"><al>In de begeleiding kan zowel door de gemeente worden voorzien als
                                    de werkgever daar geen voorziening voor heeft</al></li><li nr="-"><al>De begeleiding moet voldoen aan het daarvoor afgesproken
                                    niveau</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van <vet>zes
                                            maanden</vet> een arbeidsovereenkomst aangaat met een
                                        werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot <vet>1</vet><vet>00</vet><vet>
                                            procent</vet> van het minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al><vet>15 procent</vet> boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li><li nr="c."><al>de vergoeding voor het loon en de extra werkgeverslasten is
                                        maximaal <vet>115 procent </vet>van het minimumloon</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af met een verzekeraar en treedt op als
                                verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met <vet>maximaal 24
                                    maanden</vet> na indiensttreding van de werknemer bij de
                                werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan maximaal een uitstroompremie van € 1000,- toekennen
                                aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de premie bedraagt € 500,- nadat iemand aantoonbaar 6
                                maanden is uitgestroomd als gevolg van het aanvaarden van arbeid, en
                                wederom € 500,- nadat iemand 12 maanden is uitgestroomd als gevolg
                                van werkaanvaarding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of
                                langer op een uitkering aangewezen is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd in <vet>de zevende maand</vet> en
                                    <vet>de dertiende maand</vet> na de indiensttreding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan personen, als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onder a, van de wet, een vergoeding verstrekken voor kosten die
                                    gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Het gaat
                                    hierbij in ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>kosten voor schuldhulpverlening;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Maatwerkinstrument</titel></kop><al>Het college kan, binnen de kaders van de Participatiewet, een
                            re-integratieinstrument, of een combinatie van
                            re-integratieinstrumenten, dusdanig vormgeven, dat deze zo goed mogelijk
                            zijn afgestemd op re-integratie van belanghebbende.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van debepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden vanzwaarwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De <vet>re-integratieverordening Wet werk en bijstand Ridderkerk
                                        2007</vet> wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende
                                        voorziening op grond van de
                                        </cursief><vet>re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                                        Ridderkerk 2007</vet><cursief>, die moet worden beëindigd op
                                        grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor
                                        zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                            </cursief><vet><cursief>Re-integratieverordening
                                        </cursief></vet><vet>Wet werk en bijstand Ridderkerk
                                        2007</vet><cursief> voor de duur:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>van
                                                  </cursief><vet><cursief>een</cursief></vet><vet><cursief>periode
                                                  6 maanden</cursief></vet><cursief>, gerekend vanaf
                                                de inwerkingtreding van deze verordening,
                                                of</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de
                                                periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
                                                a.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="3."><al><cursief>Het college kan na afloop van de in het eerste lid,
                                        onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening
                                        wordt voortgezet.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief> De </cursief><vet><cursief>Re-integratieverordening
                                        </cursief></vet><vet>Wet werk en bijstand Ridderkerk
                                        2007</vet><cursief> blijft van toepassing ten aanzien van
                                        een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste
                                        lid.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                                        <vet>Re-integratieverordening</vet><vet>
                                        Participatiewet</vet><vet>Ridderkerk 2015</vet>.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Ridderkerkvan 11 december 2014 .</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. J.G. van Straalen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mw. A. Attema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><titel>Voorwoord </titel></kop><al>DeRe-integratieverordening is geen nieuwe verordening. Wel is deze
                        verordening vanwege de invoering van de Participatiewet, en de daarmee
                        gepaard uitbreiding van de doelgroepen, en de gevolgen voor de SW-bedrijven,
                        nieuwe instrumenten bijgekomen. </al><al>Tot de nieuwe instrumenten behoren instrumenten voor werkzoekenden, zoals
                        het aanbieden van beschut werk en de inzet van een jobcoach, maar ook
                        instrumenten voor werkgevers, zoals de no-riskpolis.</al><al>Sommige instrumenten, zoals de Participatieplaats en de bijbehorende premie,
                        zijn van wetswege in deze verordening opgenomen, anderen vallen onder de
                        opdracht aan de arbeidsmarktregio tot harmonisatie van enkele
                        re-integratieinstrumenten (no-riskpolis, jobcoach), en weer anderen hebben
                        we nieuw opgenomen om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen leveren
                        (maatwerk-instrument).</al><al>Omdat het van wetswege verplicht is om regels op te nemen over de
                        Participatieplaats, en de daarbij behorende premie, hebben we ook in de lijn
                        daarmee regels opgenomen voor een uitstroompremie. Doel daarvan is naast het
                        extra stimuleren van uitstroom, en het tegengaan van de armoedeval, want
                        werk moet lonen. De armoedeval–het hebben van minder besteedbaar inkomen bij
                        uitstroom naar werk- treedt geregeld op omdat men na het vinden van werk
                        minder beroep kan doen op voorzieningen, waar men wel aanspraak op kan maken
                        als men nog een uitkering heeft. </al><al>De instrumenten in deze Verordening moeten de mogelijkheid beiden op
                        belanghebbenden een zo’n goed mogelijk aanbod te doen om uitstroom naar werk
                        te bevorderen. Samen met de dienstverlening van het in ontwikkeling zijnde
                        Leerwerkbedrijf, en het Werkgeverservicepunt, en aandacht voor handhaving is
                        mogelijk dat belanghebbenden participeren naar vermogen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met
                        de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij
                        verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van
                        haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht
                        blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de
                        daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het
                        formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing
                        zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van
                        iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend
                        re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven
                        om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de
                        Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk
                        geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom
                        is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het
                        college in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                        regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                                Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede
                                lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c,
                                van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                                Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b,
                                vierde lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                Participatiewet).</al></li></lijst><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                        behandeld.</al><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door
                        personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de
                        Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                                werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                                vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                                onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit
                                arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                                minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in
                                die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                                van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                        aangeboden voorziening.</al><al><vet>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</vet></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                        verordening.</al><al><vet>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</vet></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                        verordening.</al><al><vet>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering</vet></al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                        moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen
                        over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                        functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                        gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele
                        beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het
                        VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling
                        van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het
                        volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten
                        en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                        eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                        voorgaande uitvoering gegeven.</al><al><vet>Grote afstand tot arbeidsmarkt</vet></al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 (voorzieningen
                        werkstages), 5 (sociale activering) en 8 (participatieplaats) aan personen
                        aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
                        De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al><vet>Korte afstand tot arbeidsmarkt</vet></al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6
                        (detacheringsbaan) aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een
                        korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel
                        1.</al><al/><al><vet>Overige voorzieningen</vet></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie
                        het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel
                        7), beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel
                        10), persoonlijke ondersteuning (artikel 11), no-riskpolis (artikel 12),) en
                        uitstroompremies (artikel 13). </al><al><vet>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</vet></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                        omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2,
                        derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet
                        houden.</al><al/><al><vet>Verslag doeltreffendheid</vet></al><al>Het college informeert gedurende het jaar via de tussenrapportage het
                        college over de doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. Het
                        jaarverslag bevat tevens het oordeel van de cliëntenraad bevatten. Dit is
                        geregeld in artikel 2, vierde lid.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                        college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht
                        moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn)
                        mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de
                        afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn
                        op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals
                        het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
                        vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via
                        gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele
                        gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking
                        stelt.</al><al/><al><vet>Beëindigingsgronden</vet></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en
                        in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                        verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen
                        van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze
                        van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                        arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te
                        worden genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                        artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt
                        bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid
                        aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
                        a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering
                        gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid,
                        onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid,
                        onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee
                        aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van
                        die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                        re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                        bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die
                        kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond
                        van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Werkstage</vet></al><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                        beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst
                        de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                        arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                        gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                        bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen.
                        De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                        overeenkomst.</al><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft
                        bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                        verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden
                        van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage
                        in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken
                        van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een
                        onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een
                        vergoeding van gemaakte kosten.</al><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de
                        doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de
                        arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is
                        geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door
                        langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze
                        verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon
                        gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op
                        een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de
                        arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                        persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan
                        worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat
                        geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                        werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven.
                        Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake
                        is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                        opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                        ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of
                        het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het
                        gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een
                        persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en
                        samenwerken met collega’s.</al><al> Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                        overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage
                        worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                        overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet
                        gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als
                        er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een
                        vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door
                        afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.]</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5. Sociale activering</vet></al><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht
                        te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                        arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                        staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale
                        activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van
                        onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                        arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                        zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                        c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering
                        kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding,
                        verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of
                        buurt.</al><al>Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot
                        de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                        zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde
                        arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening
                        (artikel 5, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                        activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig
                        moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik
                        wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan
                        een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke
                        voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote
                        afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit
                        nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig
                        kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het
                        einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                        persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op
                        sociale activering.</al><al> College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten
                        in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de
                        duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien
                        de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te
                        rigide termijn moeilijk zijn.</al><al>Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Detacheringsbaan</vet></al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                        dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen.
                        In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                        vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband.
                        Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden
                        door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een
                        detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om
                        detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste
                        tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld
                        als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de
                        wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen
                        werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de
                        inhoud van het werk. Voor derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij
                        het artikel over werkstages.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Scholing</vet></al><al><vet>Startkwalificatie</vet></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een
                        diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan
                        worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                        startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                        scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie.
                            <cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                        mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                        sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                        Participatiewet). [<cursief>Dit is voor de volledigheid opgenomen in het
                            derde lid.</cursief>]</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                        persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over
                        een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing
                        of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                        werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                        gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft
                        aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als
                        dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                        bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing
                        of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                        het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                        de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Participatieplaats</vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot
                        de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de
                        vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van
                        de Participatiewet [<cursief>en het eerste lid van artikel 8 van deze
                            verordening</cursief>]). Het college kan dan ook enkel aan personen van
                        27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats
                        aanbieden.</al><al> Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de
                        te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het
                        (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een
                        participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of
                        het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat
                        een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan
                        volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan
                        realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot
                        maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden
                        wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op
                        arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de
                        Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.
                        Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                        beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                        concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                        persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling,
                        dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat
                        geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende
                        lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke
                        beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al><vet>Premie</vet></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht
                        op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden
                        na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                        Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het
                        college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de
                        arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd
                        worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De
                        premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                        van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie
                        begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet
                        bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de
                        armoedeval worden betrokken. Er is gekozen voor een premie van telkens €
                        200,- per zes maanden.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                        doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                        een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig
                        heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                        verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al><vet>Stap 1: voorselectie</vet></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente
                        een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke
                        mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In
                        de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.
                        Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met
                        een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij
                        uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand
                        tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een
                        grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen
                        behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                        beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                        Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit
                        de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de
                        beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte
                        omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie hebben. </al><al><vet>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen</vet></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                        betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk
                        behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van
                        landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                        Participatiewet). </al><al><vet>Stap 3: besluit gemeente</vet></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                        Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van
                        het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten
                        het advies niet te volgen.</al><al><vet>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</vet></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                        beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                        Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                        publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort
                        tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld
                        worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook
                        kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere
                        werkgevers werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                        verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                        worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in
                        deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het
                        aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt.
                        Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de
                        gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken
                        maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze
                        mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.</al><al><vet>Omvang beschut werk</vet></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                        hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod
                        is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                        werkgevers. Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang
                        van het aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al><vet>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject</vet></al><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                        ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel
                        zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn
                        voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en
                        volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college
                        uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                        personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                                geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                        jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                        school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                        kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                        mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook
                        worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot
                        27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen
                        behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                        onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                        artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat
                        een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat
                        de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in
                        aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                        Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere
                        uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning
                        bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                        omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                        jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                        hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit
                        gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen
                        die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de
                        Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                        Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning</vet></al><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                        Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en
                        gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het
                        verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                        systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk
                        zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid
                        niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                        heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                        uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                        reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><al><vet>Jobcoach</vet></al><al>Personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (in het kader van
                        de garantiebanen) kunnen aanspraak maken op begeleiding op de werkplek,
                        zogenaamde jobcoaching;</al><lijst><li nr="1."><al>de jobcoach kan worden ingezet vanaf de eerste werkdag. De jobcoach
                                kan, indien van toepassing, ook worden ingezet bij een
                                proefplaatsing.</al></li><li nr="2."><al>met betrekking tot de opleidingseisen die gesteld worden aan de
                                jobcoach, wordt aangesloten bij de eisen die het UWV stelt (zie
                                erkenningskader uitvoering persoonlijke ondersteuning 2012 van het
                                UWV, paragraaf 2.7.1)</al></li><li nr="3."><al>er zijn werkgevers die eigen jobcoaches in dienst hebben. De
                                werkgever die zijn eigen jobcoach wil inzetten krijgt die
                                mogelijkheid, mits akkoord door de werknemer en mits de jobcoach
                                voldoet aan de minimale kwaliteitseisen en opleidingseisen en
                                uiteraard in overleg met de gemeente. Indien de werkgever zijn eigen
                                jobcoach niet wenst in te zetten c.q. de werkgever geen eigen
                                jobcoach heeft dan levert de gemeente een jobcoach (een jobcoach in
                                dienst bij de gemeente of een externe jobcoach,
                                gemeentelijkekeuze).</al></li><li nr="4."><al>Jobcoaching wordt voor de duur van maximaal 3 jaar ingezet met als
                                maximum een inzet van 52 uur per persoon per jaar. Slechts in hele
                                uitzonderlijke gevallen en mits goed onderbouwd kan hiervan worden
                                afgeweken (maatwerk).</al></li><li nr="5."><al>Een jobcoach kan ook ingezet worden voor personen die in staat zijn
                                het WML te verdienen, maar die een structurele functionele beperking
                                hebben (medisch uren beperkten);</al></li></lijst><al>Een jobcoach ondersteunt/begeleidt een persoon (werknemer) met een
                        structurele functionele beperking gedurende een maximale periode bij het
                        verrichten van zijn taken op zijn/haar werkplek. Verder is van belang dat de
                        ondersteuning noodzakelijk is in die zin, dat de werknemer zonder die
                        ondersteuning in redelijkheid niet zijn/haar werkzaamheden zou kunnen
                        verrichten. </al><al>De voorziening persoonlijke ondersteuning heeft ten doel dat een werknemer
                        wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                        een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn
                        (zie TK 2013–2014, 33 161, nr. 107, p. 115).</al><al>Aan het einde van een geslaagde jobcoaching kan de werknemer zelfstandig
                        zijn werk uitvoeren en/of is de werkgever zelf in staat de werknemer te
                        begeleiden op zijn werkplek. Jobcoaching heeft tot doel om de werknemer te
                        ondersteunen bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken. De
                        bedoeling is om mensen met beperkingen te ondersteunen bij het behouden van
                        werk.</al><al>Voorgesteld wordt om jobcoaching in te zetten voor onderstaande twee
                        doelgroepen:</al><lijst><li nr="1."><al>Doelgroep loonkostensubsidie: personen die niet in staat zijn het
                                Wettelijk Minimumloon (WML) te verdienen en waarvoor, ter
                                compensatie hiervan om hen aan het werk te krijgen op de reguliere
                                arbeidsmarkt, loonkostensubsidie wordt ingezet. Veelal zal het hier
                                gaan om de doelgroepen van de garantiebanen; en</al></li><li nr="2."><al>Personen met een structurele functionele beperking die wel in staat
                                zijn het WML te verdienen en waarvoor geen loonkostensubsidie wordt
                                ingezet maar voor wie de inzet van jobcoaching (als werkvoorziening)
                                wel noodzakelijk is. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om personen met
                                een medische urenbeperking. </al></li></lijst><al>De jobcoach wordt ingezet vanaf moment van plaatsing op regulier werk (vanaf
                        de eerste dag dat het arbeidscontract inwerking treedt). Het is uiteraard
                        toegestaan dat de jobcoach vooraf, ter voorbereiding van de eerste werkdag,
                        contact heeft met de werknemer om zaken af te stemmen, eventueel een
                        begeleidingsplan op te stellen en kennis te maken. </al><al>Aanvullend op bovenstaande is het ook mogelijk, indien van toepassing, de
                        jobcoach in te zetten bij een proefplaatsing. Dit wordt ook aangeraden
                        vanuit de ervaring dat hierdoor de kans op succes en daarmee doorstroming
                        naar regulier werk toeneemt.</al><al/><al><vet>Artikel 12. No-riskpolis</vet></al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor
                        werkgevers vergoeden (eerste lid). De no-riskpolis is een belangrijk
                        instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met
                        arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de
                        werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                        arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                        een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is
                        (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                        werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                        behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor
                        de no-riskpolis.</al><al/><al><vet>Voorwaarden</vet></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor
                        een no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                        no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal <vet>6
                            maanden</vet> duren. </al><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort
                        tot de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                        functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever
                        een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet
                        ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben
                        binnen de gemeente.</al><al><vet>Hoogte vergoeding</vet></al><al>Het college kan de kosten van de no-riskpolis vergoeden voor werkgevers.
                        Niet elke verzekering komt voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor zijn
                        regels gesteld in het tweede lid. Voor vergoeding komt uitsluitend een
                        no-riskpolis in aanmerking die ten hoogste vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot <vet>100</vet><vet> procent</vet> van
                                het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al><vet>15 procent</vet> boven de dekking voor extra
                                werkgeverslasten.</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding voor het loon van de werkgever en voor de
                                werkgeverslasten is maximaal 115%.</al></li></lijst><al><vet>Contract met verzekeraar</vet></al><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                        verzekering afsluiten met een verzekeraar. De gemeente treedt op als
                        verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid).</al><al><vet>Duur vergoeding no-riskpolis</vet></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot <vet>24 maanden</vet> na
                        indiensttreding van de werknemer bij de werkgever (derde lid).</al><al><vet>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        verantwoordelijk</vet></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet.
                        Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus
                        zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis
                        over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b
                        van de Ziektewet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Uitstroompremie</vet></al><al>Om verschillende redenen kan het voorkomen dat het besteedbare inkomen na
                        het aanvaarden van werk onbedoeld lager is dan ten tijde van een uitkering.
                        Dat kan zijn door bijvoorbeeld verschuivingen in de afschrijvingsmomenten
                        door derden, of het minder beroep kunnen doen op voorzieningen (armoedeval).
                        Om dit effect tegen te gaan, en iemand extra te stimuleren om werk te
                        aanvaarden is eenmalig een uitstroompremie beschikbaar die op aanvraag in 2
                        termijnen wordt uitgekeerd. </al><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk bij als een
                        persoon die algemene bijstand ontving, duurzaam uitstroomt. De premie kan
                        worden aangevraagd in de <vet>7 maand</vet> en <vet>13 maand</vet> na
                        indiensttreding. </al><al>Onder langdurig werkloze wordt verstaan een persoon die gedurende een
                        aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer aangewezen is (geweest)
                        op een uitkering. In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een
                        eenmalige premie kan worden verstrekt (artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                        van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie
                        vrijgelaten (artikel 31, zevende lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><vet>Artikel 14. Overige vergoedingen</vet></al><al>De gemeente vergoedt, ter stimulering van de arbeidsinschakeling, kosten die
                        daaraan bijdragen.</al><al>In dit artikel zijn genoemd reiskosten, kosten voor kinderopvang en
                        schuldhulpverlening.</al><al>Vergoeding van kosten schuldhulpverlening is toegevoegd, omdat het hebben
                        van schulden een</al><al>grote belemmering is bij re-integratie. In individuele gevallen kan het
                        college besluiten ook andere</al><al>kosten te vergoeden als dit direct bijdraagt aan het verwerven van een
                        inkomen. Het kan onder</al><al>andere bijvoorbeeld gaan om een vergoeding voor een vervoersmiddel of
                        computer. De bijdrage</al><al>moet in een redelijke relatie staan tot het te verwerven inkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Maatwerkinstrument</vet></al><al>De lijst van instrumenten en voorzieningen in deze verordening is, zoals
                        eerder is gesteld, niet uitputtend of limitatief. Een re-integratietraject
                        is maatwerk, en dient zo goed mogelijk afgestemd te worden op de
                        mogelijkheden van de persoon, de vraag van de arbeidsmarkt, en de
                        mogelijkheden van de gemeente. Het Maatwerkinstrument biedt de mogelijkheid
                        om de verschillende voorzieningen zo goed mogelijk hierop af te stemmen en,
                        indien nodig, een ander instrument, of combinatie van instrumenten, aan te
                        bieden. Die mogelijkheid is des te meer nodig nu de doelgroep uitgebreid
                        wordt. Te denken valt aan o.a. een traject die leidt tot inkomen uit arbeid
                        als zelfstandige (freelance, zzp). Ook kan gedacht worden aan een vergoeding
                        voor een werkgever voor meerkosten die hij aantoonbaar moet maken in verband
                        met het in dienstnemen van een belanghebbende, waaronder een extra opleiding
                        e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Hardheidsclausule</vet></al><al>‘Onbillijkheden van zwaarwegende aard’ moeten bezien worden tegen het licht
                        van de bedoeling van de Participatiewet in het algemeen, en deze Verordening
                        in het bijzonder: werken/participeren naar vermogen. Als toepassing van een
                        van de artikelen van deze Verordening aantoonbaar dit doel zou bemoeilijken,
                        dan moet in de betreffende casus daarvan afgeweken worden.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</vet></al><al>In artikel 15 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                        voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond
                        van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                        voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie
                        waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na
                        inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het
                        denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel
                        in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van
                        deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van
                        artikel 3, tweede lid, van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit
                        te voorkomen is in artikel 15, tweede lid, geregeld dat dergelijke
                        voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                        voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van <vet>6
                            maanden</vet> of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is
                        verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                            <vet>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand Ridderkerk
                        2007</vet>. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de
                        voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen
                        aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode
                        van <vet>6 maanden</vet> begint te lopen vanaf het moment van
                        inwerkingtreding van deze verordening.</al><al> Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de <vet>Re-integratieverordening Wet
                            werk en bijstand Ridderkerk 2007</vet> worden dus in beginsel behouden
                        tot <vet>6 maanden</vet> na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop
                        van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt
                        voortgezet (artikel 15, derde lid). Hierbij kan het college rekening houden
                        met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt
                        bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                        dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt
                        van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                        inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                        overeenkomst.</al><al> Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na <vet>6 maanden</vet> is niet
                        mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet
                        meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de
                            <vet>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand Ridderkerk 2007</vet>
                        of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan <vet>6
                            maanden</vet> na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening
                        dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                        oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de <vet>Re-integratieverordening Wet
                            werk en bijstand Ridderkerk 2007</vet> van toepassing (artikel 15,
                        vierde lid, van deze verordening).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>