<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356295_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officielebekendmakingen.nl 16 januari 2015 gemeenteblad 4498</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel(en) 8a, eerste lid, aanhef en onderdeel a,c,d en e tweede lid, en 10b, vierde lid van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-04-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14RB000156</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage resourceIdentifier="exb-2018-9468">Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015.pdf</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Overbetuwe
                        2015</al><al/><al>Ons kenmerk: 14RB000156</al><al/><al>Nr. 8d</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 4 november
                        2014;</al><al/><al>gelezen het advies van de voorbereidende vergadering van 9 december
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 8a, eerste lid, aanhef en onderdeel a,c,d en e en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid van de Participatiewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet</vet></al><al><vet>gemeente Overbetuwe 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat on¬der:</al><lijst><li nr="a."><al>additioneel werk: primair op de arbeidsinschakeling gerichte
                                    werkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van het college in
                                    het kader van de Participatiewet, de Ioaw of de Ioaz worden
                                    verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                                    leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van betaalde arbeid,
                                    niet zijnde werk in het kader van de Wet sociale
                                    werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en
                                    niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden;</al></li><li nr="c."><al>Anw-er: persoon met een uitkering volgend de Algemene
                                    nabestaandenwet die ingeschreven is bij het UWV
                                    Werkbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a van de Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>duurzame arbeid: algemeen geaccepteerde arbeid die over een
                                    periode van tenminste zes maanden wordt verricht, waarbij sprake
                                    is van volledige uitkeringsonafhankelijkheid;</al></li><li nr="f."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="g."><al>Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="h."><al>Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="i."><al>jongere: persoon jonger als 27 jaar;</al></li><li nr="j."><al>minimumloon: het bruto minimumloon zoals bedoeld in artikel 8,
                                    eerste lid, onderdeel a van de Wet minimumloon;</al></li><li nr="k."><al>nugger: Niet uitkeringsgerechtigde;</al></li><li nr="l."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                                    artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b tot en met e van de Wet
                                    educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
                                    voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 7 en 8 van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="m."><al>SUWI: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="n."><al>trajectplan: overeenkomst tussen college en belanghebbende over
                                    vorm en inhoud van de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="o."><al>voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7, eerste lid
                                    onderdeel a van de Particpatiewet, artikel 35 van de Ioaw of
                                    artikel 35 van de Ioaz;</al></li><li nr="p."><al>vrijwilligerswerk: het verrichten van onbetaalde maatschappelijk
                                    nuttige activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of
                                    zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="q."><al>werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon die in enige vorm
                                    een onderneming drijft en bij wie tenminste één werknemer in
                                    dienst is.</al></li><li nr="r."><al>wet: de Participatiewet;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college in het kader van de Particpatiewet, Ioaw, Ioaz
                                en Anw</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt aan de doelgroep ondersteuning bij de
                                    arbeidsinschakeling en, als dat doel nog niet bereikbaar is, bij
                                    maatschappelijke participatie. Artikel 40, eerste lid van de
                                    Particpatiewet is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze tussen de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen weegt het college af wat, gelet op
                                    de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, met het
                                    oog op arbeidsinschakeling het meest doelmatig is. </al></li><li nr="3."><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                    aan ondersteuning en voorzieningen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan, na afstemming met het UWV Werkbedrijf,
                                    voorzieningen als bedoeld in deze verordening aanbieden aan
                                    personen aan wie het UWV Werkbedrijf een uitkering
                                    verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan, voordat besloten wordt tot een traject en/of
                                    tot de inzet van voorzieningen een onderzoek (laten) doen naar
                                    de mogelijkheden van belanghebbende op de arbeidsmarkt en naar
                                    de geschiktheid van voorzieningen of andere vormen van
                                    begeleiding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 11, aanbieden
                                    aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand
                                    tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 9, 10
                                    en 13 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met
                                    een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Het college houdt bij het aanbieden de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden
                                    hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en
                                    de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>De opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>De noodzakelijkheid van het verrichten van
                                            mantelzorgtaken</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag
                                    over de doeltreffendheid van het beleid. Het verslag bevat in
                                    ieder geval het oordeel van de participatieraad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bieden van ondersteuning</titel></kop><al>Het college biedt aan de doelgroep ondersteuning bij het vinden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid, of als dat doel (nog) niet bereikbaar is,
                            bij maatschappelijke participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Subsidie- en budgetplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan één of meer subsidie- of budgetplafonds
                                    vaststellen voor de verschillende voorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Een specifieke voorziening wordt geweigerd voor zover door
                                    verstrekking het subsidie- of budgetplafond zou worden
                                    overschreden.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen
                                    dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Rechten, verplichtingen en afstemming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belanghebbende aan wie het college een voorziening aanbiedt
                                    is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></li><li nr="2."><al>De belanghebbende die deelneemt aan een voorziening moet voldoen
                                    aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Particpatiewet, de
                                    Ioaw, de Ioaz en de Suwi alsmede aan de verplichtingen die het
                                    college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afstemming en terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een uitkeringsgerechtigde deelneemt aan een voorziening,
                                    maar niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, tweede lid van
                                    deze verordening, dan kan het college de uitkering verlagen
                                    volgens het bepaalde in de Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015.</al></li><li nr="2."><al>Als een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, gebruik
                                    maakt van een voorziening, maar niet voldoet aan het bepaalde in
                                    artikel 6, tweede lid van deze verordening, dan kan het college
                                    de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of
                                    gedeeltelijk van hem terugvorderen.</al></li><li nr="3."><al>Het college is bevoegd de kosten van de voorziening, eventueel
                                    verhoogd met de wettelijke rente, terug te vorderen, voor zover
                                    deze voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn
                                    verstrekt en de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen
                                    begrijpen.</al></li><li nr="4."><al>Het college is tevens bevoegd de kosten van de voorzieningen,
                                    eventueel verhoogd met de wettelijke rente, terug te vorderen,
                                    voor zover de persoon onvoldoende medewerking heeft verleend aan
                                    zijn re-integratie of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de
                                    aangeboden voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Onder de kosten van de voorzieningen wordt verstaan: de netto
                                    uitgekeerde bedragen, verhoogd met de eventuele loonbelasting en
                                    premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens de Wet
                                    op de loonbelasting 1964 inhoudsplichtig is, voor zover de
                                    belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de
                                    Belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                    beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen,
                                    waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder
                                    geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor
                                    zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                    opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Het college legt de van toepassing zijnde voorzieningen in een
                                    trajectplan vast.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die
                                    voortvloeien uit de Participatiewet en deze verordening, aan een
                                    voorziening nadere verplichtingen verbinden.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                            wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                            geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik
                                            wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde
                                            voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld
                                            in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2˚ van de
                                            wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening
                                            onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet
                                            meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                            de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                            behoren gebruik maakt van de aangeboden
                                            voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening
                                            worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                            voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan over de voorzieningen in deze verordening nadere
                                    regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                            aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                            -vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over
                                            subsidies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                            voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
                                            het verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                                            afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                            werkloosheid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                    leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></li><li nr="3."><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></li><li nr="4."><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Sociale activering en vrijwilligerswerk met behoud van
                                uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep als
                                    onderdeel van een traject activiteiten aanbieden in het kader
                                    van sociale activering.</al></li><li nr="2."><al>2. Onder sociale activering wordt verstaan: het verrichten van
                                    onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling of als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk
                                    is op zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde in de gelegenheid
                                    stellen deel te nemen aan maatschappelijk zinvolle activiteiten,
                                    in de vorm van vrijwilligerswerk.</al></li><li nr="4."><al>Het initiatief tot het verwerven van vrijwilligerswerk kan zowel
                                    van het college als van de uitkeringsgerechtigde uitgaan.</al></li><li nr="5."><al>In een trajectplan wordt tenminste vastgelegd het doel van het
                                    sociale activeringstraject en de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="6."><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                    persoon.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt de uitkeringsgerechtigde alleen in staat als
                                    vrijwilliger met behoud van uitkering te werken als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen reguliere arbeid wordt verdrongen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                    behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een
                                    werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                    schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en
                                    inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende
                                    organisatie.</al></li><li nr="3."><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                    arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan als subsidie in de
                                    kosten van deze scholing worden aangeboden.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt nadere regels over de noodzakelijkheid van de
                                    scholing, de duur en de maximale kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                    algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                    werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke
                                    overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de
                                    werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat
                                    verrichten.</al></li><li nr="3."><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet
                                    bedraagt € 100 per zes maanden, mits in die zes maanden
                                    voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen advies in voor de beoordeling of zij
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen
                                    met een indicatieve loonwaarde tussen 40% en 80% van het
                                    wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="3."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college de
                                    volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: fysieke
                                    aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing
                                    van taken, aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding,
                                    werktempo of arbeidsduur, no risk polis, of
                                    loonkostensubsidie</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk. In
                                    verband hiermee overlegt het college met het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                    gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                            arbeidsovereenkomst aangaat met de werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de
                                            werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                                            10d van de wet ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de
                                            gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>Maximaal het volledige loon van de werknemer, minus de
                                            verstrekte loonkostensubsidie. Het is daarbij mogelijk
                                            om een eigen risicoperiode van maximaal twee weken te
                                            hanteren, en</al></li><li nr="b."><al>Maximaal tot 25%boven de dekking voor extra
                                            werkgeverslasten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                    gemeente een verzekering af met een nader te bepalen verzekeraar
                                    en treedt op als verzekeringsnemer. De begunstigde is de
                                    werkgever.</al></li><li nr="4."><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met maximaal twaalf
                                    maanden na indiensttreding van de werknemer bij de
                                    werkgever.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Loonkostensubsidie gericht op re-integratie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                    uitkeringsgerechtigde of een jongere een arbeidsovereenkomst
                                    sluiten, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels over de duur van de subsidie, de
                                    hoogte, de uitbetaling en de verplichtingen die aan de subsidie
                                    worden verbonden. </al></li><li nr="3."><al>De subsidie wordt alleen verstrekt als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen reguliere arbeid wordt verdrongen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Work first</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan degene als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                    f., g. en i. werk aanbieden volgens het zogeheten ‘Work first
                                    model’.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan over het in het eerste lid bepaalde nadere
                                    regels stellen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen artikel van deze verordening buiten
                            toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het
                            belang van duurzame arbeidsinschakeling en maatschappelijke
                            participatie, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening Re-integratieverordening Wwb, Ioaw, Ioaz en Wij
                                    gemeente Overbetuwe 2010, zoals vastgesteld bij besluit van 23
                                    februari 2010, wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening Wwb, Ioaw, Ioaz en Wij
                                    gemeente Overbetuwe 2010, die moet worden beëindigd op grond van
                                    deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt
                                    voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Wwb,
                                    Ioaw, Ioaz en Wij gemeente Overbetuwe 2010 voor de duur: </al><lijst><li nr="a."><al>van 6 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van
                                            deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode
                                            als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.
                                </al></li><li nr="4."><al>De Re-integratieverordening Wwb, Ioaw, Ioaz en Wij gemeente
                                    Overbetuwe 2010 blijft van toepassing ten aanzien van een
                                    voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van
                            bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                            Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>Van 13 januari 2015 .</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>A.J. van den Brink MBA.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs A.S.F. van Asseldonk.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden. </al><al/><al><vet>Participatiewet</vet></al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening: </al><al>- scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel
                    c, van de Participatiewet); </al><al>- de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); </al><al>- participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                    Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van
                    de Participatiewet), en </al><al>- no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al/><al><vet>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers (Ioaw)</vet></al><al>In de artikelen 34, 35, 36 en 38a van de Ioaw zijn vergelijkbare regels
                    opgenomen voor wat betreft het bieden van ondersteuning bij arbeidsinschakeling,
                    het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en
                    participatieplaatsen.</al><al/><al><vet>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen (Ioaz)</vet></al><al>In de artikelen 34, 35, 36 en 38a van de Ioaz zijn vergelijkbare regels
                    opgenomen voor wat betreft het bieden van ondersteuning bij arbeidsinschakeling,
                    het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en
                    participatieplaatsen.</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Zoveel als mogelijk is aangesloten bij de begrippen uit de Participatiewet, Ioaw
                    en Ioaz.</al><al/><al><cursief>Doelgroep </cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft personen: </al><al>- die algemene bijstand ontvangen; </al><al>- als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b, van de Wet werk en
                    inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wia), artikel 35, vierde lid, onderdelen
                    b, van de Wia en artikel 36, derde lid, onderdelen b, van de Wia tot het moment
                    dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                    jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die
                    twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                    Participatiewet is verleend; </al><al>- als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; </al><al>- met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet (hierna: ANW); </al><al>- met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: Ioaw); </al><al>- met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: Ioaz);</al><al>- zonder uitkering; </al><al>En, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door de gemeente
                    aangeboden voorziening. </al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. </al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Opdracht college in het kader van de Participatiewet, IOAW, IOAZ
                        en Anw</vet></al><al>De Participatiewet geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden
                    van ondersteuning. Hoewel personen aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is
                    er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de persoon dat
                    mogelijk het liefst zou zien. Het is aan het college om zorg te dragen voor
                    voldoende aanbod van voorzieningen, waarbij het te maken heeft met beperkte
                    financiële middelen. De vraag naar ondersteuning zal afhankelijk zijn van een
                    veelheid aan sociaal-economische factoren.</al><al/><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de Participatiewet. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en
                    consistentie. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college
                    specifieke opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale opdracht
                    om uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te stimuleren. In de
                    Participatiewet is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                    voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van
                    de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste lid van
                    de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college te koppelen,
                    kan de gemeente aangeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te
                    willen zetten.</al><al/><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de Participatiewet dat de
                    gemeente evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en
                    rekening moet houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar
                    vooral in de uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt
                    wordt.</al><al/><al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er moet
                    altijd een alternatief voorhanden zijn.</al><al/><al>Het vierde lid is een vertaling van artikel 7, derde lid van de Participatiewet.
                    Hierin is geregeld dat, ondanks de verantwoordelijkheidsverdeling tussen
                    gemeente en UWV Werkbedrijf zoals neergelegd in de Wet Suwi, de gemeente aan
                    personen die van het UWV een uitkering ontvangen een voorziening kan
                    aanbieden.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Evenwichtige verdeling en financiering</vet></al><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. </al><al/><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt </cursief></al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 9 (voorzieningen
                    werkstages), 10 (sociale activering) en 13 (participatieplaats) aan personen aan
                    die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De
                    doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><al/><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt </cursief></al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 11 (detacheringsbaan)
                    aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1. </al><al/><al><cursief>Overige voorzieningen </cursief></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel 12),
                    beschut werk (artikel 14), persoonlijke ondersteuning (artikel 16), no-riskpolis
                    (artikel 15) en loonkostensubsidie (artikel 17).</al><al/><al><cursief>Verslag doeltreffendheid </cursief></al><al>Het college zendt tweejaarlijks een verslag over de doeltreffendheid van het
                    re-integratiebeleid. Dit verslag moet het oordeel van de cliëntenraad bevatten.
                    Dit is geregeld in artikel 3, vierde lid</al><al/><al><vet>Artikel 4 Bieden van ondersteuning</vet></al><al>Uitgangspunt is de personen te ondersteunen bij het re-integreren op de
                    arbeidsmarkt.</al><al>In de eerste plaats wordt geprobeerd om de persoon via de kortste weg toe te
                    leiden naar algemeen geaccepteerde arbeid. Daarmee wordt niet alleen de tijd
                    tussen de inzet van het instrument en de werkaanvaarding bedoeld, maar ook de
                    inspanningen die het kost om dat doel te bereiken. Alleen als
                    arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort,
                    kan zelfstandige maatschappelijke participatie een doel van de inzet van
                    voorzieningen zijn.</al><al/><al><vet>Artikel</vet><vet> 5 </vet><vet>Subsidie- en budgetplafonds</vet></al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan
                    gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken voor
                    specifieke voorzieningen (tweede lid) kan de raad bij verordening subsidie- en
                    budgetplafonds instellen.</al><al/><al>De Participatiewet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen
                    reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te
                    gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus
                    is dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per
                    voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er
                    naar een ander instrument wordt uitgeweken. </al><al/><al>Met dit artikel wordt de bevoegdheid van het college om plafonds in te stellen
                    geregeld. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de
                    verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al><al/><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden (eerste lid). Een subsidieplafond moet wel bekendgemaakt
                    worden vóór de periode waarvoor deze geldt (artikel 4:27, eerste lid Awb). </al><al/><al>In het derde lid wordt de mogelijkheid open gehouden om ook een plafond in te
                    stellen voor het maximaal aantal personen dat in aanmerking komt voor een
                    voorziening.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Rechten, verplichtingen en afstemming</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6 Verplichtingen van de belanghebbende</vet></al><al>In de Participatiewet is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden
                    bij het recht op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en
                    consistentie zijn in het eerste en tweede lid de verplichtingen volgens de
                    Participatiewet geformuleerd. </al><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn
                    reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden.
                    Voor degene zonder uitkering moeten daarom in deze verordening voorwaarden aan
                    het re-integratietraject worden gekoppeld. Deze gelden dan vanzelfsprekend ook
                    voor de bijstandsgerechtigde. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de
                    mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren,
                    bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Ook is denkbaar
                    dat gemaakte kosten van belanghebbende worden teruggevorderd, als door
                    verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste resultaat leidt. Om die
                    mogelijkheid open te houden is het wenselijk dat de belangrijkste voorwaarden
                    voor het behalen van succes als verplichting zijn opgenomen. Natuurlijk heeft de
                    belanghebbende ook rechten. Deze rechten zijn elders in wet- of regelgeving
                    ondergebracht. Tegen beslissingen op grond van deze verordening staat bezwaar en
                    beroep open op grond van de Awb. Het recht op inzage in gegevens en zonodig
                    correctie daarvan is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al/><al><vet>Artikel 7 Afstemming en terugvordering</vet></al><al>Het eerste en tweede lid biedt de verbinding met de Afstemmingsverordening als
                    de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al/><al>Echter, voor personen zonder uitkering, Anw-ers en personen in gesubsidieerde
                    arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in
                    het derde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een
                    deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan vorderen. </al><al/><al>In het derde lid is aangegeven dat het college terug kan vorderen, als de
                    voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verstrekt, eventueel
                    verhoogd met de wettelijke rente. </al><al>In het vierde lid is aangeven dat terugvordering ook plaats kan vinden als de
                    persoon onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn re-integratie of
                    onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de voorziening.</al><al>In het vijfde lid is bepaald wat wordt verstaan onder de kosten van de
                    voorzieningen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Voorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8 Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al><al>In de lijn van de systematiek van deze verordening strekt dit artikel ertoe
                    enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid
                    geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen
                    bevat.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat alle afspraken rondom de arbeidsinschakeling
                    vastgelegd moeten worden in een trajectplan. Daarmee dus ook alle aangeboden
                    voorzieningen.</al><al/><al>Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een persoon gedurende het traject op gezette tijden met
                    de consulent de voortgang bespreekt.</al><al/><al>Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>Het vijfde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten. De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de
                    doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op
                    een laag inkomensniveau zitten.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Werkstage</vet></al><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</cursief></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage</cursief></al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een
                    persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid,
                    onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als
                    een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen
                    geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                    tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                    persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden
                    aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het
                    college bevoegd hem een werkstage aan te bieden.</al><al/><al><cursief>Doel van de werkstage</cursief></al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan
                    twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van
                    specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’,
                    waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als
                    passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren
                    werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al><cursief>Opstellen schriftelijke overeenkomst</cursief></al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                    wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen,
                    evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog
                    eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><al/><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:&#x2028;- eigen initiatief van de
                    werknemer;&#x2028;- handicap;&#x2028;- ouderdomspensioen;&#x2028;- vermindering van werktijd op
                    initiatief van de werknemer, of&#x2028;- gewettigd ontslag om dringende redenen.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Sociale activering en vrijwilligerswerk met behoud van
                        uitkering</vet></al><al>Volgens de Participatiewet en de Ioaw moet ook sociale activering uiteindelijk
                    gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                    arbeidsinschakeling echter pas op zeer lange termijn een reëel doel. Voor deze
                    personen is het voorkomen van sociaal isolement de eerste doelstelling. Het
                    verrichten van vrijwilligerswerk draagt bij aan het bereiken van deze
                    doelstelling en het perspectief op arbeidsinschakeling, hoe klein dat ook is,
                    zal toenemen.</al><al/><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat
                    dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen
                    gebruik wordt gemaakt van een voorziening</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.</al><al/><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 11 </vet><vet>Detacheringsbaan</vet></al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden.</al><al/><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.</al><al/><al>Voor derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Scholing</vet></al><al>In het kader van de trajecten richting arbeidsmarkt kan scholing noodzakelijk
                    zijn. Daar het aanbod van scholing bijzonder divers is en daarbij ook de duur en
                    kosten erg variabel zijn, is het noodzakelijk om voor het aanbod hiervan nadere
                    randvoorwaarden vast te stellen.</al><al/><al>In het eerste lid is bepaald dat enige vorm van scholing aangeboden kan
                    worden.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan worden als
                    voorziening die door de gemeente ingekocht wordt als in de vorm van een
                    subsidie. Dit laatste kan van belang zijn als de persoon op eigen initiatief met
                    een voorstel tot scholing komt die door het college noodzakelijk wordt geacht,
                    doch niet bestaat binnen het reguliere aanbod.</al><al>Het derde lid maakt het mogelijk om door het formuleren van een evenwichtige
                    beoordeling een minder willekeurig scholingsbeleid te voeren en geeft het
                    college de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de noodzakelijkheid, de
                    duur en de maximaal te vergoeden kosten van scholing.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Participatieplaats</vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                    ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al/><al>Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is
                    gekozen voor een premiebedrag van telkens €100 per zes maanden.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>In het rapport <cursief>Nieuw beschermd werk in regio Arnhem</cursief> heeft
                    gemeente Overbetuwe vastgelegd hoe zij invulling wil geven aan het nieuw
                    beschermd werk na invoering van de Participatiewet. Dit rapport is tot stand
                    gekomen in samenwerking met tien andere gemeenten in regio Arnhem en partners
                    uit het werkveld (waaronder het UWV, Presikhaaf bedrijven en
                    zorgaanbieders).</al><al/><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al>Ten behoeve van de voorziening beschut werk voert de gemeente een voorselectie
                    uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking
                    kunnen komen voor beschut werk. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij
                    deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college
                    uitsluitend personen met een geschatte loonwaarde van 40% tot 80% van het
                    wettelijk minimumloon selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een
                    beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit criterium
                    sluit aan bij de regionale en Overbetuwse invulling van het nieuw beschermd werk
                    (zie het rapport <cursief>Nieuw beschermd werk in regio Arnhem</cursief>).</al><al>Daarin is opgenomen dat inwoners met een (geschatte) verdiencapaciteit tussen
                    40% en 80% van het wettelijk minimumloon in aanmerking komen voor ondersteuning
                    bij betaald werk in het kader van het nieuw beschermd werk.</al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</al><al/><al><cursief>Advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><al/><al><cursief>Dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Namelijk:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry nameend="col3" namest="col2"><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry nameend="col3" namest="col2"><al>uitsplitsing van taken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry nameend="col3" namest="col2"><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding (waaronder
                                        begeleiding voor de werkgever volgens het coach-de-coach
                                        principe of jobcoaching voor de werknemer);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry nameend="col3" namest="col2"><al>werktempo of arbeidsduur;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>een no risk polis (zoals opgenomen in artikel 12 van deze
                                        verordening);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>loonkostensubsidie (zoals opgenomen in de verordening
                                        loonkostensubsidie gemeente Overbetuwe).</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang
                    van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Het
                    college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid). In het marktbewerkingsplan van het regionale
                    werkgeversservicepunt Gelderland-Midden, waaraan ook gemeente Overbetuwe
                    deelneemt, worden doelstellingen en gerichte acties opgenomen over de omvang van
                    het aanbod van beschut werk en om op zoek te gaan naar “sociale ondernemers” die
                    (voor)bereid zijn om mensen uit de doelgroep voor het nieuw beschermd werk in
                    dienst te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 15 No-riskpolis</vet></al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al/><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis. </al><al/><al><cursief>Voorwaarden </cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duren. </al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente. </al><al/><al><cursief>Hoogte vergoeding </cursief></al><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><al>- het loon van de werknemer minus de verstrekte loonkostensubsidie; </al><al>- maximaal tot 25% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><al/><al><cursief>Contract met verzekeraar </cursief></al><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten met de verzekeraar. De gemeente treedt op als
                    verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid). </al><al/><al><cursief>Duur no-riskpolis </cursief></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot twaalf maanden na indiensttreding van
                    de werknemer bij de werkgever.</al><al/><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        verantwoordelijk </cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Persoonlijke ondersteuning</vet></al><al>In artikel 16 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn</al><al/><al><vet>Artikel 17 Loonkostensubsidie gericht op re-integratie</vet></al><al>Het gaat hier om een niet-structurele loonkostensubsidie, zoals bedoeld in
                    artikel 10d van de Participatiewet. Nadere regels over structurele
                    loonkostensubsidie zijn vastgelegd in de Verordening Loonkostensubsidie gemeente
                    Overbetuwe 2015.</al><al/><al>Het specifieke beleid van de gemeente ten aanzien van loonkostensubsidie als
                    re-integratieinstrument komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie
                    (eventueel gekoppeld aan de mate van productiviteit), de termijn en de aan de
                    subsidie verbonden verplichtingen (bijvoorbeeld bieden van scholing en
                    begeleiding. Naast de reguliere loonkostensubsidie wordt er voor gekozen om de
                    werkgever die de werknemer aansluitend in vaste dienst neemt een aanvullende
                    subsidie of bonus toe te kennen.</al><al/><al>Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij expliciet
                    wordt aangeven dat het primair gaat om een re-integratievoorziening. Tevens is
                    hier bepaald dat alleen de doelgroep uitkeringsgerechtigden voor deze
                    loonkostensubsidie in aanmerking komt. Dit is bepaald om deze vorm van uitstroom
                    beschikbaar te stellen voor de groep waarvoor de gemeente ook financieel
                    verantwoordelijk is. Overigens kan de loonkostensubsidie ook aan
                    re-integratiebedrijven worden verstrekt die via artikel 21 een
                    uitkeringsgerechtigde in dienst hebben en deze vervolgens hebben gedetacheerd
                    bij een onderneming.</al><al/><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid nadere regels te stellen over de
                    hoogte van de subsidie, de termijn, en de praktische uitvoering (aanvraag,
                    informatieverplichtingen, terugvordering, etc.).</al><al>Voor het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 9, vierde lid
                    van de verordening over werkstages.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Work first</vet></al><al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden een Work first project op te
                    starten. Het doel van Work first is om personen van een bepaalde doelgroep, bij
                    wijze van spreken, 24 of 48 uur na bijstandsaanvraag voor een bepaalde periode
                    en voor een bepaald aantal uur werk of andere activiteiten aan te bieden.
                    Ondertussen blijft de persoon op zoek naar regulier werk. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 19 Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><al><vet>Artikel 20 Intrekking oude regeling</vet></al><al>In artikel 20 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 8, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 20,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van zes maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is
                    verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010. Wordt
                    niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd,
                    bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning
                    bij de arbeidsinschakeling. De periode van zes maanden begint te lopen vanaf het
                    moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Voortzetten toegekende voorzieningen</cursief></al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW,
                    IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010 worden dus in beginsel behouden tot zes
                    maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan
                    het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 20, derde
                    lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten.
                    Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college
                    is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een
                    persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-
                    integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze
                    verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Voortzetting is niet mogelijk</cursief></al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na zes maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening
                    WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010 of als de voorziening is
                    toegekend voor een kortere duur dan zes maanden na inwerkingtreding van de
                    verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan
                    de duur van de oorspronkelijke toekenning.</al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening WWB, IOAW,
                    IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010 van toepassing (artikel 20, vierde lid, van
                    deze verordening).</al><al/><al><vet>Artikel 21 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i249659.pdf">Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Overbetuwe 2015.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>