<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356280_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag gemeente Overbetuwe 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">officielebekendmakingen.nl 16 jan.2015 gemeenteblad 4513</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag gemeente Overbetuwe 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14RB000154</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9467</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag gemeente Overbetuwe 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening individuele studietoeslag</al><al/><al/><al>Ons kenmerk: 14RB000154</al><al/><al>Nr. 8e</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 4 november
                        2014;</al><al/><al>gelezen het advies van de voorbereidende vergadering van 9 december
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 8, eerste lid, onderdeel c, van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al><vet>Verordening individuele studietoeslag</vet></al><al><vet>gemeente Overbetuwe 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdel
                                a, van de Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een
                                individuele studietoeslag, indien deze persoon op de datum van de
                                aanvraag: </al><lijst><li nr="a."><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="b."><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                        studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming
                                        op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                        onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="c."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel
                                        34 van de Participatiewet heeft; en</al></li><li nr="d."><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse
                                        arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                                        minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                        heeft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de
                                Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in
                        aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een individuele studietoeslag bedraagt 10% van het op de datum van
                                aanvraag geldende bruto wettelijk minimumloon voor een volledige
                                werkweek voor een periode van zes maanden.</al></li><li nr="2."><al>De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking en
                        werkt terug tot 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele studietoeslag
                        gemeente Overbetuwe 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 13 januari 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink MBA.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. A.S.F. van Asseldonk.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting verordening individuele studietoeslag gemeente Overbetuwe
                    </titel></kop><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                    mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                    minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze
                    studeren. </al><al>Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma
                    is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn
                    mars heeft. Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra
                    steuntje in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te
                    lenen een stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een
                    studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te
                    gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor
                    het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met
                    een bijbaan. </al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen. </al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op om in
                    een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking
                    hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Discretionaire bevoegdheid </cursief></al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het college. Dit betekent dat het college aan personen die voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, een individuele
                    studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe niet is gehouden. Het college kan in
                    beleidsregels aangeven of bepaalde groepen niet in aanmerking komen voor een
                    studietoeslag. Het college kan in plaats daarvan - en in aanvulling op artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet - in beleidsregels aangeven wie, wanneer
                    en op grond van welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele
                    studietoeslag. </al><al/><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag </cursief></al><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al><al>- 18 jaar of ouder is; </al><al>- recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000
                    of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt, is niet in de
                    Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                    individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een
                    individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft
                    op studiefinanciering of een tegemoetkoming. </al><al>De persoon zal - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij
                    recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een
                    beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde
                    opleiding te overleggen. </al><al/><al>- geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet.</al><al/><al>- met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al><al/><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet de aanvrager indienen bij het college. Een
                    individuele studietoeslag verstrekt het college niet als lening als een persoon
                    met de studietoeslag schulden wil aflossen. </al><al>Artikel 49 van de Participatiewet is namelijk niet van toepassing op de
                    individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>Ook artikel 52 van de Participatiewet is niet van toepassing op de individuele
                    studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet). Dit maakt dat
                    het college de individuele studietoeslag niet kan verstrekken in de vorm van een
                    voorschot. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Indienen verzoek </vet></al><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling: </al><al>- personen die algemene bijstand ontvangen; </al><al>- personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35,
                    vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet
                    werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                    in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                    minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; </al><al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; </al><al>- personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet; </al><al>- personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; </al><al>- personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al><al>- niet-uitkeringsgerechtigden. </al><al/><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                    individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon moet op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet. </al><al/><al>Dit houdt in dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al><al/><al>- 18 jaar of ouder is; </al><al>- recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000
                    of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al><al>- geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet heeft; </al><al>- een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in
                    staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie heeft. </al><al/><al>Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de manier waarop de aanvrager het verzoek
                    als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet indienen,
                    bepaalt artikel 1, lid 2, van deze verordening dat de aanvrager de aanvraag moet
                    indienen met een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek als in
                    bovengenoemd artikel van de Participatiewet wordt gezien als een aanvraag zoals
                    bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag
                    (artikel 4:1 van de Awb) die de aanvrager ondertekent en ten minste de naam en
                    het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de
                    beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). </al><al>De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op
                    de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen
                    (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek merkt het college
                    hiermee dus niet aan als een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld
                    in artikel 36b van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen
                    </vet></al><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking
                    komen voor een individuele studietoeslag. Hiermee sluiten we aan bij de
                    halfjaarlijkse inschrijf- en startmomenten die doorgaans gelden voor
                    opleidingen; doorgaans kan een persoon halfjaarlijks starten met een opleiding. </al><al>Voor de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een
                    individuele studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag
                    beoordeeld (artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is
                    geregeld dat een persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in
                    aanmerking kan komen voor een individuele studietoeslag (artikel 2 van deze
                    verordening). Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij
                    aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan
                    hij opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Hoogte individuele studietoeslag </vet></al><al>In artikel 3 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de
                    voorwaarden toegekend. Een individuele studietoeslag bedraagt 10% van het bruto
                    wettelijk minimumloon voor een volledige werkweek voor een periode van zes
                    maanden. Het betreft het wettelijk minimumloon zoals dat geldt op de datum van
                    aanvraag, rekening houdend met de leeftijd van een persoon. </al><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor
                    een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een
                    individuele studietoeslag. </al><al>Artikel 3, tweede lid, van deze verordening, bepaalt dat bedragen op hele euro’s
                    worden afgerond. De hoogte van het wettelijk minimumloon stelt het ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid halfjaarlijks vast. De hoogte wordt
                    gepubliceerd op de website van het ministerie van SZW.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Betaling individuele studietoeslag </vet></al><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag geregeld. </al><al>Een individuele studietoeslag betaalt het college eenmalig in één bedrag uit.
                    Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 3 van deze verordening. </al><al>Een persoon moet op de datum van de aanvraag voldoen aan de voorwaarden in
                    artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet. Als een persoon op enig moment
                    na de aanvraag hier niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen voor het
                    recht op een individuele studietoeslag. Dit betekent dat het dus kan voorkomen
                    dat een persoon geen recht op studiefinanciering meer heeft, maar wel nog recht
                    heeft op uitbetaling van een eerder toegekende individuele studietoeslag
                    aangezien uitsluitend de situatie op de datum van de aanvraag bepalend is. </al><al>Na zes maanden kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. Dit volgt uit artikel 2 van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Citeertitel </vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i249654.pdf">Verordening individuele studietoeslag gemeente Overbetuwe 2015.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>