<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356080_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente Dalfsen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-8748.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3ddalfsen%26zkd%3dAlleenInDeTitel%26dpr%3dAlle%26spd%3d20150202%26epd%3d20150202%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad 30-01-2015, nr. 8748</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onderwijshuisvesting gemeente Dalfsen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Wet op het primair onderwijs, artikel 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=76m">Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 76m </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>02-12-2014, nummer 289</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente Dalfsen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 9 december 2014, nummer 289;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg (OOGO) met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs bij
                        verordening te regelen;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de <vet>“Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van
                            de gemeente Dalfsen”</vet></al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente
                            Dalfsen</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om
                                    het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="b."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="c."><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                    artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs of
                                    artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of
                                    gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                    grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                    bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="f."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="g."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of
                                    artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                    primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="i."><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                                    volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="j."><al>programma: programma als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het
                                    primair onderwijs of artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>school: </al><al>1<sup>e</sup>: school voor basisonderwijs: basisschool als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al><al>2<sup>e</sup>: school voor voortgezet onderwijs: school of
                                    scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                    onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                    onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                    praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de
                                    Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="l."><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het
                                    onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="m."><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als
                                    bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voor
                                    voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="n."><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="o."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="p."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="q."><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                                    artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al> voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                                    bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°"><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het
                                            rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of
                                            nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest
                                            geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2°"><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3°"><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een
                                            bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4°"><al>verplaatsing van één of meer bestaande tijdelijke
                                            gebouwen voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5°"><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                            voorziening als bedoeld in 1 tot en met 4;</al></li><li nr="6°"><al> inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het
                                            rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7°"><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de
                                            gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8°"><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van
                                            een lokaal bewegingsonderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en
                            met 4 kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het
                            opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°,
                                2° en 6° wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in
                                bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt vastgesteld op 8% van het geraamde investeringsbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                    wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet
                                    uiterlijk 31 januari van het jaar waarin het betreffende
                                    programma wordt vastgesteld, zijn ontvangen. De aanvraag dient
                                    schriftelijk te worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen, neemt het college
                                    niet in behandeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het
                                            gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°"><al>een prognose van het te verwachten aantal
                                                  leerlingen van de school voor basisonderwijs of
                                                  school voor voortgezet onderwijs als het betreft
                                                  een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in
                                                  artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 6°, 7°
                                                  of 8°, onder de voorwaarde dat de prognose
                                                  overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij
                                                  door het college, al dan niet in samenwerking met
                                                  het bevoegd gezag van de school voor
                                                  basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld,
                                                  welke door het bevoegd gezag wordt
                                                  onderschreven.</al></li><li nr="2°"><al>als de aanvraag betrekking heeft op het geheel
                                                  of gedeeltelijk bekostigen van vervangende
                                                  nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2,
                                                  onderdeel a, onder 1°, of herstel van een
                                                  constructiefout als bedoeld in artikel 2,
                                                  onderdeel b, een bouwkundige rapportage die
                                                  voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak
                                                  van de gevraagde voorziening kan worden
                                                  vastgesteld;</al></li><li nr="3°"><al>als de aanvraag betrekking heeft op het
                                                  bekostigen van een voorziening waarvoor de
                                                  vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke
                                                  kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                                  voor het bekostigen van de voorziening of, als de
                                                  aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van
                                                  een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                                  3, een kostenbegroting.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel
                                            2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding
                                            van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                                            gerealiseerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager uiterlijk 14 februari
                                    schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste
                                    of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot uiterlijk 14
                                    maart (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens
                                    aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de
                                    aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is
                                    gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1
                                    oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is
                                    de aanvrager verplicht dat aantal uiterlijk 14 oktober te
                                    registreren in Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst
                                    Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen
                                    de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de
                                    gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van
                                    ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog
                                    binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag
                                    niet in behandeling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen uiterlijk 14 mei
                                een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn
                                ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader
                                    toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen twee maanden na
                                    de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening waardoor de vergoeding wordt
                                    vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel
                                    is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet
                                    worden aangepast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt in het voorstel tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in
                                    paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                            aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                            overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte
                                            van het geraamde bedrag. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit overleg vindt plaats uiterlijk 1 oktober van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma
                                    betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                    twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                    schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg
                                    en de voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                    kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                    maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                    overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                    overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                    reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag.
                                    Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden
                                    aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                    verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma.
                                    Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie
                                    tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid
                                    van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar
                                    voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag,
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het
                                    beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in
                                    het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of
                                    meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college
                                    bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd
                                    voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het
                                    college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de
                                    Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het
                                    toezenden van het afschrift van het advies.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen
                                    twee weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde
                                    gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een
                                    verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde
                                    lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                                    onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                    voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma
                                    betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond,
                                    het programma en het overzicht worden door het college binnen
                                    twee weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend
                                    gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de
                                    aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde
                                    gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen
                                    besluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                    gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld, treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op
                                    het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit
                                    overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het
                                    uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in artikel 103 van de Wet
                                            op het primair onderwijs en artikel 76n van de Wet op
                                            het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                            aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                            toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                            toetst, en of naar het oordeel van het college
                                            noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                            begroting rekening te houden met feiten en
                                            omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het
                                            moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het
                                            eerder genomen besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            het besteden van de beschikbaar te stellen
                                            middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van
                                            het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen
                                            voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8%
                                            van het geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast
                                    in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen vier
                                    weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken
                                    nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt,
                                    afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht
                                    overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college
                                    binnen vier weken nadat overeenstemming is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het
                                    bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                    college dit binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat
                                    het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                    opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is
                                    bereikt, dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                    voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten,
                                    de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag
                                    houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken,
                                    bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het
                                    bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten.
                                    Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting
                                    voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen zes weken nadat de stukken zijn
                                    ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en
                                    het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder
                                    mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met
                                    drie weken. Als niet binnen deze termijn is besloten, wordt
                                    geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                    begroting en start de bekostiging aan op het door de aanvrager
                                    aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen twee
                                    weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht
                                    wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                    vastgesteld op basis van de offerte met de laagste prijs.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan over het tijdstip waarop de bekostiging start,
                                bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van
                                gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager
                                kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het
                                realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vóór 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                    heeft, geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                    koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij vóór
                                    15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op
                                    bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen worden
                                    voldaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                            onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk
                                            en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                            waarbinnen het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                            inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                            overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden
                                    van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt
                                    door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                            toe te rekenen, en </al></li><li nr="b."><al>de aanvrager vóór 1 september een schriftelijk
                                            gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn
                                            heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist vóór 15 september op een verzoek tot het
                                    verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt
                                    in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt
                                    verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                                voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen
                                twee weken na het ontstaan van de calamiteit schriftelijk ingediend
                                bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                    gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                    waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum
                                    waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als
                                    gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager
                                    heeft vervolgens twee weken om de ontbrekende gegevens aan te
                                    vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet
                                    in behandeling. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken nadat de aanvraag is
                                    ontvangen of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                    zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk
                                    mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van
                                    de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de
                                    artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid, is
                                    daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                    eerste volzin, een termijn van drie weken geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als
                                    bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of
                                    sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan
                                    zendt hij binnen twee weken een afschrift aan het college. De
                                    aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze
                                    verplichtingen wordt voldaan.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school, waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                    overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                    vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                    vastgestelde ruimtebehoefte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                            basisonderwijs en de som van het aantal klokuren gebruik
                                            dat door het college is vastgesteld minder is dan 40
                                            klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door één of meer scholen voor
                                            voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage
                                            III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het
                                            lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het
                                            bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de
                                            lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar
                                            aantoont dat dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door één of meer scholen voor
                                            basisonderwijs of voortgezet onderwijs en de som van de
                                            berekeningswijzen bedoeld onder a en b, minder is dan 40
                                            klokuren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                    betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld
                                    in artikel 10. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo
                                    spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld of binnen
                                    twee weken, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het
                                    bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                    gevorderd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                            wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                            gevorderd wordt of, als het betreft het
                                            bewegingsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt;</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                                genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen
                                overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen in onderling overleg
                                vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen, overlegt het college
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder
                                            van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar het oordeel van het college en het bevoegd
                                            gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                            is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                    gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                    gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken,
                                    worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als
                                    het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming was bereikt. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college om toestemming als
                                    bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair
                                    onderwijs of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt
                                    gesloten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                    bestemming van de te verhuren ruimte.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                onderhoud wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                opgemaakt in opdracht van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel
                                hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd
                                gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of
                                dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het
                                college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door basisonderwijs.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroosteren van het gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks vóór 1 maart voorlopig vast het aantal
                                klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs in
                                het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal
                                leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school
                                staat ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college vóór 1 april een
                                rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs,
                                waarbij het college rekening houdt met de volgende
                                uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs bedoeld
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                        lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste
                                        ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is
                                vastgesteld, vóór 15 april in kennis van het rooster. Hierbij worden
                                per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                        ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                        bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                        plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 mei reageren op het
                                voorstel</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg
                                over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 mei. In
                                het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college stelt het rooster voor 15 juni definitief vast
                                en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar
                                is. Het aantal klokuren dat door het college in totaal extra wordt
                                ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school,
                                tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee het college
                                heeft ingestemd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling wordt aangehaald als ‘Verordening onderwijshuisvesting
                                gemeente Dalfsen’</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De “Verordening voorzieningen huisvesting van de gemeente Dalfsen”,
                                in werking getreden op 1 januari 2009, wordt bij de inwerkingtreding
                                van deze regeling ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking op 1 februari 2015.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 26 januari 2015.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten drs. J. Leegwater</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><divisie><kop><titel/></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                        voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                        bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van
                        aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: voorzieningen voor bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>Lesgebouwen</titel></kop><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding
                        met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal)
                        worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente
                        bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                                en: </al><lijst><li nr="1°."><al><sup/>als het voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                        voorziening betreft, waarbij een overeenkomstig bijlage II
                                        opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende
                                        ten minste vijftien jaar kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2°."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                        betreft, waarbij een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                        prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste
                                        vier jaar kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en </al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren. </al></li></lijst><al><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                                rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal
                                leiden tot de gewenst levensduurverlenging van ten minste 20
                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                en:</al><lijst><li nr="1°."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                        betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                        aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste
                                        vijftien jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht,
                                        of</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                        betreft, waarbij een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                        prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten
                                        minste vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht,
                                        en</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren. </al></li></lijst><al><vet>A.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A vastgestelde capaciteit van
                                een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs of voortgezet
                                onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                                vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en
                                de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs of voor
                                voortgezet onderwijs gelijk of groter is dan de drempelwaarde,
                                bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al><lijst><li nr="1°."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                        betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                        aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens
                                        vijftien jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht</al></li><li nr="2°."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                        betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                        aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier
                                        jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="3°."><al>de prognose op basis van de laatste teldatum voor het
                                        indienen van de aanvraag aantoont, dat het aantal leerlingen
                                        dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het
                                        gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren</al></li></lijst><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen
                                of uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                                en:</al><lijst><li nr="1°."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                        betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                        aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens
                                        vijftien jaar kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2°."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                        betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                        aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier
                                        jaar kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                                college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende
                                bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig
                        als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is,
                                waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan
                                voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in
                                redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke
                                voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde
                                tijdsduur.</al></li></lijst><al><vet>A.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel
                        daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als
                        bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1<sup>o</sup> tot en met
                        4<sup>o</sup> en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is
                        om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet
                        voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.</al><al><vet>A.7 Eerste inrichting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en
                                meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening
                                wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit
                                van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is
                                bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste
                                aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en
                                hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter
                                is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie
                                deelnemende scholen. </al></li></lijst><al><vet>A.8 Medegebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs of
                                een school voor voortgezet onderwijs is aanwezig als het verschil
                                tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde
                                capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                ruimtebehoefte:</al><lijst><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage
                                        III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont
                                        dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde
                                        aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar
                                        noodzakelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of
                                ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste twee
                                kilometer, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                                begaanbare en eigen weg. </al></li><li nr="3."><al>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen.</al></li></lijst><al><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                        bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die
                        hersteld moeten worden.</al><al><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere
                            omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daarvan is aanwezig
                        als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het
                        desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</titel></kop><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                            ingebruikneming</vet></al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor
                                het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig
                                NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat
                                onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste
                                levensduurverlenging van ten minste 20 jaar of dit het gevolg is van
                                een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                                oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het
                                effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="1°."><al>de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                                        aanmerking brengt;</al></li><li nr="2°."><al>het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor
                                        vervanging in aanmerking komt, of</al></li><li nr="3°."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel
                                        van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten
                                        van vervangende bouw en</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                                bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                                komende lokalen bewegingsonderwijs voor een school voor
                                basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van:</al><lijst><li nr="1°."><al>ten minste 20 klokuren, binnen 1,5 km gemeten langs de
                                        kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg
                                        of</al></li><li nr="2°."><al> ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de
                                        kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg
                                        of</al></li><li nr="3°."><al><sup/><sup/>ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km gemeten
                                        langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                                        veilige weg of</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>B.2 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel
                        daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>B.3 Eerste inrichting </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                                bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en</al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs nog
                                niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is
                                verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet
                                onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                                bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>B.4. Huur van een sportterrein voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                        buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen
                        sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag
                        onmogelijk is.</al><al><vet>B.5 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente
                        vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor
                        binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen
                        plaats is.</al><al><vet>B.6 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                        bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die
                        hersteld moeten worden.</al><al><vet>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                        meubilair als gevolg van schade daarin is aanwezig als door de opgetreden
                        bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                        gehinderd.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>- Prognosecriteria</titel></kop><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor
                            basisonderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een
                            periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin
                            de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de
                            analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het
                            indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
                            Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van
                            de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent
                            berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie
                            van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. </al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de
                            relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode,
                            een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van
                            de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al></li></lijst><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote
                            deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving
                            van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een school voor voortgezet
                            onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens
                            uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot
                            het voedingsgebied worden gerekend. </al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                            beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                            toegepast.</al></li></lijst><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                            leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                            leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al><vet>D. Prognose school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool;</al></li><li nr="d."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen
                            en</al></li><li nr="e."><al>de plaats waar het onderwijs gegeven moet worden gegeven. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                        ruimtebehoefte</titel></kop><divisie><kop><titel/></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: vaststellen capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: vaststellen ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: vaststellen aanvullende ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij het realiseren van nieuwe
                                voorzieningen.</al></li><li nr="-"><al>deel E: meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                                vloeroppervlakte van schoolgebouwen</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>Vaststellen capaciteit</titel></kop><al><vet>A.1 Uitgangspunten. </vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                        vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van
                        een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                        vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                        ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                        doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel
                        niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al><vet>A.1.1 School voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs of
                                voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte
                                van een gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De
                                capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met het
                                werkelijk aantal vierkante meter als gebruik schoolgebouw niet meer
                                mogelijk is voor onderwijsdoeleinden tijdens de uren volgens het
                                schoolrooster en het college vooraf hiervoor toestemming heeft </al></li><li nr="3."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet
                                onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de
                                lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                                de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997
                                gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek
                                indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte
                                als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al><vet>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                            bouwaard</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                        vastgesteld.</al><al><vet>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                        dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college besloten welk
                        gebouw wordt afgestoten.</al><al><vet>A.1.4 Terrein</vet></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop
                        het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is
                        gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de
                        kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein, wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen
                        voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                        voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De
                        bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de
                        omvang van de aanwezige inventaris.</al><al><vet>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                        gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>Vaststellen ruimtebehoefte</titel></kop><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald
                                aan de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De
                                ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen
                                BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen
                                vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de
                                ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De
                                ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een
                                toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto vloeroppervlakte (BVO), afgerond
                                op hele vierkante meter</al><al>L = aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                                waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn
                                ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T = toeslag in m2 bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante
                                meter</al><al>G = gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><lijst><li nr="1°."><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van
                                        alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="2°."><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter
                                        grootte van 6 % van het aantal ingeschreven leerlingen,
                                        waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De
                                        uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel
                                        getal;</al></li><li nr="3°."><al>als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van
                                        het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom
                                        vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven
                                        leerlingen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>B.1.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                                bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale
                                ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het
                                totaal van twee componenten, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component, en;</al></li><li nr="2."><al>een vaste voet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a
                                opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen
                                met het aantal leerlingen dat op de school voor voorgezet onderwijs
                                staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van
                                de soort onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling
                                volgt.</al></li><li nr="3."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de
                                hoofdvestiging van de instelling is 980 m2 bruto vloeroppervlakte.
                                Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële
                                beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in
                                verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet
                                van 550 m2 bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging
                                komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per
                                instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de
                                vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en)
                                wordt aangeboden.</al></li><li nr="4."><al>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                                        normoppervlakten;</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet per instelling;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector,
                                        uitgedrukt in bruto m2, en</al></li><li nr="d."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                                        praktijkonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de
                                toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in
                                onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden
                                bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering
                                voor een orthopedagogisch didactisch centrum.</al></li></lijst><al><vet>Tabel 2.a - Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                            onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al><vet>Tabel 2.b - Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                            ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke nevenvestiging </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs op 1,5 klokuur per week
                                        per groep leerlingen 6 jaar en ouder</al></li><li nr="b."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op
                                        3,75 klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte
                                bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs.
                                Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig
                                tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is
                                als volgt: (aantal leerlingen * 32 * m2 bruto vloeroppervlakte
                                bewegingsonderwijs per leerling) + 460. Voor het
                                leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een
                                aangepaste formule gehanteerd:(aantal leerlingen * 32 * m2 bruto
                                vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) + 322.</al></li></lijst><al><vet>Tabel 3 - Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokalen
                            bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO per leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda</al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>C</nr><titel>Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</titel></kop><al><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                        deel B vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                        bestaan. </al><al><vet>C.1.1. Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B
                        vastgesteld.</al><al><vet>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                                ingebruikneming of medegebruik</al><al> wordt voor een:</al></li><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs vastgesteld als het verschil tussen de
                                overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig
                                deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de
                                drempelwaarde van 55 m2 bruto vloeroppervlakte voor een voorziening
                                basisonderwijs</al></li><li nr="b."><al>school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen
                                de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de
                                overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter
                                is dan 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2.
                                Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de
                                overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de
                                overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de
                                overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%.
                            </al></li></lijst><al><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt
                        op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend
                        gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar
                        noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening moet het verschil:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs ten minste 40 m2 bruto
                                vloeroppervlakte bedragen, en</al></li><li nr="b."><al>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde
                                onder C.1.2, eerste lid, onder b.</al></li></lijst><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan
                                wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                                noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren
                                met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten
                                aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in
                                deel D. </al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al><lijst><li nr="1°."><al>onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de
                                        eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair
                                        voor een school basisonderwijs, en</al></li><li nr="2°."><al>leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de
                                        eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor
                                        een school voor voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de
                                        omvang van de toegekende voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van
                                een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt
                                omgezet in specifieke o werkplaatsruimte bedraagt het verschil
                                tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                                en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                                ruimte.</al></li><li nr="d."><al>d. herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                                gebouw, onderwijsleerpakket, leer-en hulpmiddelen en meubilair in
                                geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                                activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                                het onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                                nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs
                                wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs vastgesteld op het
                                        verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                                        vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste
                                        lid vastgestelde ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="b."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de
                                        overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte
                                        als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van
                                        de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                                bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs wordt
                                vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                                vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld
                                in deel D, onder D.3.</al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding
                                van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                                lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                                aanschaf van het meubilair, wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald
                                als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door
                                andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld
                                of wordt uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                                herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in
                                geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de
                                feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                                zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>D</nr><titel>Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</titel></kop><al><vet>D.1 Terreinoppervlakte</vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijs geldt voor het verharde gedeelte
                        (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 m2 per leerling met een
                        minimum van 300 m2 netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600
                        m2 netto.</al><al><vet>D.2 Speellokaal</vet></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 m2 netto.</al><al><vet>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                minstens 252 m2 netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met
                                een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>E</nr><titel>- Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte
                            van schoolgebouwen</titel></kop><al><vet>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                        2580.</al><al><vet>E.</vet><vet>2</vet><vet> Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.2.1 Basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend
                                van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto
                                vloeroppervlakte gerekend;</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                                lokalen bewegingsonderwijs wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandige
                                lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend
                                tot het hart van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al><vet>E.2.2. </vet><vet>Voortgezet onderwijs</vet></al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte
                        van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto
                        vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                        opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens:</al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op
                                elk vloerniveau, en;</al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                groter dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al><vet>E.2.3 Uitzonderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                                ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                                ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen
                                staande verdiepingen, fietsenstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw
                                worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet
                                meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>– Normbedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><divisie><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>– Indexering</titel></kop><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met
                        de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al><vet>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="2*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen,
                                            jaar t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                            inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in
                                            woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in
                                            woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen,
                                            jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                            bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="2*"/><colspec colname="col3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colwidth="2*"/><colspec colname="col5" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1
                                            juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni
                                            jaar t)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                            overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                            sector)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                            overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                            sector)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1
                                            juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni
                                            jaar t-1)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>- Normbedragen</titel></kop><al>De normbedragen voor 2015 zijn berekend op basis van bovenstaande
                        systematiek en onderstaand weergegeven. Alle in dit deel genoemde bedragen
                        zijn inclusief BTW.</al></divisie><divisie><kop><nr>A.</nr><titel>Nieuwbouw met permanente bouwaard</titel></kop><al><vet>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                                kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                        vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft,
                                        toeslag paalfundering;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van
                                een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen
                                bedoeld in paragraaf B.</al></li></lijst><al><vet>A.2 </vet><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na
                        aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch
                        eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden
                        opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de
                        situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten van een
                        terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw op dezelfde
                        plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het oude
                        gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al><vet>A.3.1. Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantel m2
                                en een bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte. Met deze
                                vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig bijlage III, deel C,
                                vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 645.888,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.105,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.3.3 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                                uitbreiding</al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor de projecten vanaf 460 m2
                                bruto vloeroppervlakte uit een vast bedrag per voorziening en een
                                vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 m2 bruto vloeroppervlakte worden geen
                                sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn
                                namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten
                                per m2 bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per m2
                                bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al><lijst><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage
                                        III, deel C, vastgesteld aantal m2 per type ruimte van de
                                        voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per
                                        ruimtesoort:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>460&lt;2.500m2</al></entry><entry><al>&gt;=2.500 m2</al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.729,25</al></entry><entry><al>€ 1.026,25</al></entry><entry><al>€ 1.001,67</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.688,97</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.050,93</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="b."><al>sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de
                                        algemene vaste voet of de vaste voet voor de algemene sectie
                                        of de werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit
                                        de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende
                                        voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande
                                        bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>460&lt;2.500m2</al></entry><entry><al>&gt;=2.500 m2</al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 109.111,49</al></entry><entry><al>€ 109.111,49</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 214.177,61</al></entry><entry><al>€ 299.040,94</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 39.602,15</al></entry><entry><al>€ 39.602,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>Tot de algemene specifieke ruimte behoren:</al><lijst><li nr="a."><al> (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                        gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie,
                                        en;</al></li><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                        kantoorpraktijk, etaleren.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>techniek algemeen: </al><lijst><li nr="1°."><al>bouwtechniek;</al></li><li nr="2°"><al>machinale houtbewerking;</al></li><li nr="3°"><al>meten, </al></li><li nr="4°"><al>elektrotechniek, </al></li><li nr="5°"><al> installatietechniek, </al></li><li nr="6°"><al>lasserij, </al></li><li nr="7°"><al>metaal, </al></li><li nr="8°"><al>voertuigentechniek, en</al><al> mechanische techniek;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="d."><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>De overige ruimte behoren tot de categorie algemene ruimte.</al></li></lijst><al><vet>A.3.4 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de
                                normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende
                                aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een
                                aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte
                                in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en
                                wordt bepaald op basis van de volgende formules:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1.000 m2 </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter </al></entry><entry><al>€ 3.180,75 + (€ 16,69 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter </al></entry><entry><al>€ 3.386,31 + (€ 28,23 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry><al>€ 3.780,70 + (€ 52,14 * A)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Uitbreiding &gt; 1.000 m2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Paallengte 1 tot 15 meter </al></entry><entry><al>€ 3.884,27 + (€ 5,84 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 15 tot 20 meter </al></entry><entry><al>€ 5.066,39 + (€ 15,17 * A)</al></entry></row><row><entry><al>Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry><al>€ 7.693,73 + (€ 30,67 * A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt,
                                is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per m2
                                goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt €
                                10,84 per m2 terrein.</al></li></lijst><al><vet>A.3.5</vet><vet>. Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw school voor primair onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs
                                plaatsvindt op dezelfde plaats, moet het desbetreffende terrein,
                                nadat de bouw is afgerond, worden hersteld en moeten de leerlingen
                                verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde
                                vergoeding voor deze kosten is gebaseerd op een vast bedrag per m2
                                bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                                volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al> € 44,81</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al> € 30,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></li></lijst></divisie><divisie><kop><nr>B.</nr><titel>Uitbreiding met permanente bouwaard</titel></kop><al><vet>B.1 Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                        permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs tot 1.035 m2 bruto
                        vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van
                        toepassing.</al><al><vet>B.2. Kosten terrein</vet></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                        overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                        uitbreiding benodigde terrein.</al><al><vet>B.3.1. Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                        schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal m2,
                                en een bedrag per m2. Met deze vergoedingsbedragen moet de
                                overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>B.3.2. Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="55*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="45*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.583,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 63.055,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.259,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.3.3. Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                        omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij de
                        uitbreiding.</al><al><vet>B.3.4. Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                        omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                        uitbreiding.</al></divisie><divisie><kop><nr>C.</nr><titel>Tijdelijke voorziening</titel></kop><al><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd
                                op de investeringslasten</al><lijst><li nr="a."><al>van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij
                                        is onderscheid gemaakt tussen:</al></li><li nr="b."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                        hoofdlocatie</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor
                                        tijdelijk gebruik bestemd</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>gebouw, en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                gebouwen. In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden
                                met het bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van
                                huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al></li></lijst><al><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                        terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                        A.2.</al><al><vet>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                            hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en
                        een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten
                        van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en de
                        eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al><vet>C.3.2. Vergoeding basisschool</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.782,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 24.521,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 903,92</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.3.3. Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op
                        basis van de vergoedingsformule € 550,26 * A + € 37.831,59, waarbij A het
                        overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal m2 bruto
                        vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><al><vet>C.4.1. </vet><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</vet><vet> primair onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening
                                bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                                zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de
                                toeslag voor herstel en inrichting van terreinen. </al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                                hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw,
                                herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing
                                van de leerlingen.</al></li></lijst><al><vet>C.4.2 Vergoeding basisschool</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 20.675,64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.783,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 947,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                        bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al></divisie><divisie><kop><nr>D.</nr><titel>Eerste inrichting</titel></kop><al><vet>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                        bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                        toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al><vet>D.1.2 Vergoeding basisschool</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="63*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.361,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 134,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>D.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw,
                                niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming,
                                niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw.
                                Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog
                                niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van
                                de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil
                                tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is
                                vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                                ruimtetype. De hoogte van de vergoeding per ruimtetype wordt bepaald
                                op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>Functie</al></entry><entry><al>m2</al></entry></row><row><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 158,31</al></entry></row><row><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>€ 370,01</al><al>€ 226,35</al><al>€ 303,90</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry><al>€ 388,19</al><al>€ 751,75</al><al>€ 1.437,23</al><al>€ 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2."><al>Als in plaats van uitbreiding van een schoolgebouw medegebruik van
                                een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris
                                slechts toegekend als de inventaris in de voor medegebruik
                                aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><nr>E.</nr><titel>Lokalen bewegingsonderwijs</titel></kop><al><vet>E.1 Bouwkosten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                                bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 m2
                                bedraagt € 678.992,42 als deze op het schoolterrein gerealiseerd kan
                                worden, of € 692.725,44 als deze op een afzonderlijk terrein
                                gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van
                                fundering op staal en inrichting van het terrein. </al></li><li nr="2."><al>Als paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven op
                                basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Vergoeding</al></entry></row><row><entry><al> 1&lt;15 meter</al></entry><entry><al>€ 13.657,18</al></entry></row><row><entry><al> 15&lt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 18.827,13</al></entry></row><row><entry><al> &gt;20 meter</al></entry><entry><al>€ 26.441,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><al><vet>E.2 Uitbreiding</vet></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het
                        bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                        bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van
                        140 m2 netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid
                        tot een oppervlakte van 252 m2. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding</al></entry><entry><al>Normbedrag</al></entry><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Alinea­</al></entry><entry><al>Alinea­</al></entry></row><row><entry><al>Alinea­</al></entry><entry><al>Alinea­</al></entry><entry><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry><al>&gt; 20 meter</al></entry></row><row><entry><al>112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 157.755,32</al></entry><entry><al>€ 6.114,09</al></entry><entry><al>€ 10.589,94</al></entry><entry><al>€ 17.313,39</al></entry></row><row><entry><al>120 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 191.773,25</al></entry><entry><al>€ 7.645,09</al></entry><entry><al>€ 13.234,02</al></entry><entry><al>€ 21.641,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.3 OLP/meubilair/leer- en hulpmiddelen</vet></al><al><vet>E.3.1 OLP/meubilair school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                        voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool bedraagt €
                        51.392,63.</al><al><vet>E.3.2 Meubilair/leer- en hulpmiddelen voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor
                        een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry colname="colA"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="colB"><al>Leer- en hulpmiddelen</al></entry><entry colname="colC"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 64.724,70</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 65.810,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 50.490,18</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 51.575,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 21.950,77</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 23.036,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 14.294,33</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 14.294,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.650,09</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.650,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                        bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                        middel van: </al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente,
                                of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><nr>F.</nr><titel>Vergoeding feitelijke kosten</titel></kop><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                        wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met
                        8% voor de kosten van technische advisering, voor zover het een voorziening
                        betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al></divisie><divisie><kop><nr>G.</nr><titel>Huur sportvelden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per
                                jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8
                                weken € 20,97 per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat
                                uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt
                                over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat
                                door de gemeente is gefinancierd.</al></li></lijst></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>– Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                        voorziening</titel></kop><divisie><kop><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11
                        vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde
                        voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het
                        programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een
                        rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die
                        voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke
                        voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen
                        worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden
                        opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al></divisie><divisie><kop><nr>2.</nr><titel>Onderscheid voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                                voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                                hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                        inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of
                                        leer- en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket of
                                        meubilair of leer- en hulpmiddelen, en;</al></li><li nr="g."><al>medegebruik. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                                hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                        terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende
                                nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze
                                voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit
                                en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan
                                het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><nr>3</nr><titel>Hoofd- en subprioriteit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                                onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2,
                                eerste lid, onder a, genoemd voorzieningen de ruimtebehoefte
                                vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen
                                omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen
                                bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden
                                moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om
                                op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van
                                het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden
                                de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                                voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                                komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                        herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                        herschikking van schoolgebouwen, en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs
                                        en sportterreinen opheft. </al></li></lijst></li></lijst></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                        gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening
                        onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het
                        grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke
                        nevenvestiging, dislocatie). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de
                        Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO)
                        door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze
                        hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan
                        inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen
                        bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden
                        aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de
                        onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de
                        onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening.
                        Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de
                        minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding
                        (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college
                        wijst een dergelijke aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100,
                        eerste lid, onder a, van de WPO en artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om
                        aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen
                        uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
                        dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO en artikel 77 van de WVO).
                        Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de
                        voorzieningen onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis
                        worden vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de
                        Verordening financiële en materiële financiële gelijkstelling.</al><al><onderstreept>Onderdeel </onderstreept><onderstreept> a</onderstreept><onderstreept>. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>1<sup>o</sup> Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip
                                vervangende nieuwbouw.</al></li><li nr="-"><al>2<sup>o </sup><sup/>Uitbreiding is het gevolg van een toename van
                                het aantal leerlingen op de school. Het bevoegd gezag komt voor het
                                bekostigen van een uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan
                                de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en
                                de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage III,
                                deel C, opgenomen drempelwaarde.</al></li><li nr="-"><al>3<sup>o</sup> Ingebruikgeving kan plaatsvinden als de aanvraag voor
                                het bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of
                                uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een
                                gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een
                                onderwijsgebouw dat geheel leegstaat en nog een onderwijsbestemming
                                heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van
                                een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw
                                geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de
                                betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor
                                basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het
                                huisvesten van een school voor voortgezet onderwijs. Het in gebruik
                                geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie
                                8<sup>o</sup>.<sup/></al></li><li nr="-"><al>4<sup>o</sup> Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die
                                gelet op de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit
                                betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in
                                semipernanente gebouwen is gerealiseerd. </al></li><li nr="-"><al>5<sup>o</sup> Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van
                                nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en
                                uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein
                                noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen
                                investering en de oppervlakte van het terrein. </al></li><li nr="-"><al>6<sup>o</sup>/7<sup>o</sup> Onderwijsleerpakket en meubilair wordt
                                in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste
                                voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                                bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie
                                dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat
                                een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning
                                van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal
                                leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft het
                                bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij
                                toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de
                                drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende
                                nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd
                                gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft
                                ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C.</al></li><li nr="-"><al>8<sup>o</sup> Medegebruik is het gebruik van ruimte in een
                                schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat
                                juridisch eigenaar is, niet nodige heeft voor het huisvesten van het
                                aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan
                                sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de
                                leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen
                                drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                                ingeroosterd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</onderstreept> Voor
                        de omschrijving van het begrip constructiefouten is aangesloten bij een
                        'definitie' die in het verleden door jurisprudentie tot stand is gekomen.
                        Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert, kan voor
                        het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
                        worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van
                        het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de
                        reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt
                        opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze
                        voorziening past binnen het door het college vastgestelde
                        bekostigingsplafond.</al><al><onderstreept>Onderdeel c. Herstel van schade</onderstreept></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                        ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                        verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere” omstandigheden zich niet uitputtend
                        laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband
                        met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of
                        de aanvraagprocedure in het kader van de spoedeisendheid (de voortgang van
                        het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het
                        college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen
                        verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al><onderstreept>Ad d. Huur van een sportterrein</onderstreept> Deze
                        voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet
                        onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B,
                        onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet
                        onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een
                        sportterrein voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het
                        schoolbestuur niet beschikt oer een eigen sportterrein en geen gebruik kan
                        maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat
                        de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van
                        de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het
                        bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                        Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit
                        ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt
                        aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de
                        voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het
                        voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor
                        aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                        plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de
                        feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming
                        resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft
                        voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding
                        plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes
                        plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een
                        voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd.
                        Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het
                        totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                        vastgestelde investeringskrediet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><al> Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs
                        worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of
                        op basis van feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse
                        voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in
                        bijlage IV, deel B. </al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag
                        aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag,
                        onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke
                        kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in
                        de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de
                        andere situatie een financieel nadeel. Bij het financieel voordeel moet het
                        schoolbestuur de beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor
                        het is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                        vastgesteld op basis van de ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                        artikel 13, eerste lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al><vet>Artikel 5 Informatieverstrekking</vet> Dit artikel verplicht bevoegd
                        gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om
                        de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze
                        te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 WPO en artikel 76w van de WVO). Deze
                        informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van
                        een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele
                        gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                                secretaris en</al><al> bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres
                                school, telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma schriftelijk wordt
                        ingediend. Als noodzakelijke gegevens niet aanwezig zijn voor het beoordelen
                        van de aanvraag dan worden deze opgevraagd. Ook kan het zijn dat het college
                        hiertoe een aanvraagformulier vaststelt. Voor het overzicht wordt geen
                        aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de
                        aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar worden gehonoreerd
                        (zie artikel 96 van de WPO en 76c van de WVO en toelichting bij artikel
                        13).</al><al/><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde
                        gezagsorganen een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan
                        (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag
                        worden ingediend. De reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen
                            onvolledige aanvraag</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Dit lid bevat welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het
                        college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van
                        bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de
                        benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een
                        leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Het college en het
                        bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose
                        opstelt voor alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend
                        is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor
                        basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen van
                        eenleerlingenprognose.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet
                        stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende
                        gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de
                        ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het
                        college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor
                        bezwaar en beroep vastbare beslissing. </al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                        nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                        ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze
                        gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de
                        ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school
                        staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen
                        van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het
                        aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig
                        beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de
                        wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het
                        programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan
                        worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt
                        toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is
                        voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is.
                        De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent
                        dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit
                        om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep
                        vatbare beslissing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al> Dit artikel verplicht het college om alle bevoegd gezagsorganen een
                        overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit
                        overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
                        aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is
                        ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit
                        betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de
                        aanvragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te
                        geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete
                        aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het
                        bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt
                        voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei
                        vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                        kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na
                        het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming
                        op één of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg
                        plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt
                        bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde
                        kosten die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend.
                        Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is
                        afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is
                        overgelegd</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies OnderwijsraadLid 1-4</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1-4</onderstreept></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma wordt vastgesteld, overleg
                        te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In afwijking
                        van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen van
                        de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 WPO en
                        artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht
                        overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle
                        bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde
                        gezagsorganen kan het college besluiten het overleg in te richten per
                        onderwijssector (primair en voortgezet onderwijs). Het overleg over de
                        voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder
                        gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn.
                        lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg
                        deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen
                        die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de
                        hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in
                        het overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al><onderstreept>Lid 5-</onderstreept><onderstreept>8</onderstreept></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zes lid, van de WPO en artikel
                        76m WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad om
                        advies vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma
                        voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure
                        die moet worden gevolgd voor het vragen van dit advies. De adviesaanvraag
                        moet betrekking hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het
                        vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de
                        aspecten van vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Het college
                        is in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de
                        Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het
                        verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de
                        adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De
                        Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van
                        vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de
                        stukken die hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om
                        advies wordt gevraagd, is het van belang dat het college goed in de gaten
                        houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                        noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt
                        het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                        gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw
                        bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsrad
                        adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van
                        adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in
                        artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op
                        grond van artikel 3:6, tweede lid het college het programma voorzieningen
                        huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet
                        binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond
                        van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens
                        beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen
                        van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad
                        worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de
                        motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de
                        gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een
                        (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen
                        erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een,
                        meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                        uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het
                        college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                        daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                        schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van
                        zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                        betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                        ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan
                        de stukken die moeten leiden tot een besluit van het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                        honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen
                        van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in
                        dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van
                        het programma en overzicht.<noot id="d4147e4452"><noot.nr> 1
                                    </noot.nr><noot.al>LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.</noot.al></noot><sup/>. Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het
                        investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                        bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle
                        aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden
                        gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of
                        per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te
                        voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel
                        voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste voorzieningen
                        niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare
                        investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een
                        instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de
                        zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                        een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit
                        noodzakelijk is, het overzicht wordt vastgesteld voor 31 december van het
                        lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt
                        het programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent
                        dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in
                        aanmerking komen. Op grond van artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd
                        gezag, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen, de
                        mogelijkheid om in deze situatie de procedure van bezwaar en beroep te
                        volgen. De overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële)
                        gevolgen voor het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><al> Artikel 95 van de WPO en 76f van de WVO vermelden de criteria die het
                        college moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening
                        huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening
                        huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO en 76g van de
                        WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het
                        vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen
                        wordt bekendgemaakt.</al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept>Het programma en overzicht
                        zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers ontvangen deze beschikkingen
                        binnen een termijn van twee weken nadat het programma en overzicht zijn
                        vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen
                        (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het
                        programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening moet
                        plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de Awb moet het
                        college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding van het
                        besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma en
                        overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan
                        het vaststellen van het programma is in de verordening opgenomen dat het
                        besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden. </al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                        overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                        overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als het
                        overzicht ter inzage wordt gelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                        overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te
                        komen tot het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de
                        voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van deze
                        afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden
                        onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject
                        voorkomen.</al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO en artikel 76n van de WVO is
                        opgenomen dat het college binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag
                        in overleg treedt over de uitvoering van het programma. De in dit overleg
                        gemaakte afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage 'voor
                        zover van toepassing' betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn
                        opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn
                        opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan
                        noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat het indienen van
                        het bouwplan en de desbetreffende begroting voor een op het programma
                        opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken
                        moeten worden, zijn o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het
                                bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel
                                103, eerste lid, van de WPO en artikel 76n, eerste lid van de WVO.
                                Het alternatief is dat het college de voorziening tot stand brengt
                                (artikel 103, tweede lid, van de WPO en artikel 76n, tweede lid, van
                                de WVO. In het overleg moet worden vastgesteld of van deze
                                mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden
                                de mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele accommodatie
                                wordt gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals
                                die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal m2
                                bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het
                                moment van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                                goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                                nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen,
                                waardoor het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het
                                overleg wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze
                                mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van
                                het bouwplan en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende
                                vergoeding te herzien;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over
                                de besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van
                                verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang van het
                                project (zie ook toelichting artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                                voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure
                                te volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de
                                genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor
                                het college feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag
                                aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op
                                basis van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de
                                aanbesteding wel relevant voor het bepalen voor de hoogte van het
                                definitieve investeringsbedrag.</al></li><li nr="-"><al>Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de
                                Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving<noot id="d4147e4517"><noot.nr>
                                            2 </noot.nr><noot.al>Enkele relevante begrippen zijn werken, diensten en
                                        leveringen. Onder de definitie ‘werken’ vallen
                                        bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en
                                        dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij
                                        beslissend. Onder de definitie ‘diensten’ vallen de door
                                        opdrachtnemers uit te voeren werkzaamheden als onderhoud en
                                        reparatie, vervoer, boekhouding en dergelijke, waarbij een
                                        eventuele levering van fysieke producten van bijkomende orde
                                        is ten opzichte van de omvang van de uit te voeren
                                        werkzaamheden. Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij
                                        beslissend. Onder de definitie ‘leveringen’ vallen de door
                                        leveranciers te leveren prestaties bij de aankoop, leasing,
                                        huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van fysieke
                                        producten, zoals meubilair of onderwijsleerpakket en
                                        dergelijke. Het gaat daarbij per definitie om activiteiten
                                        of werkzaamheden die niet zijn opgenomen in Bijlage 1 en/of
                                        Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG. </noot.al></noot>.<sup/> Om recht te doen aan het bouwheerschap van het
                                bevoegd gezag is wat de gemeenteraad heeft vastgesteld in het
                                gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als
                                er geen Europese regelgeving van toepassing is, niet van toepassing.
                                Wel moet rekening worden gehouden met de hoogte van het Europese drempelbedrag<noot id="d4147e4525"><noot.nr>
                                            3 </noot.nr><noot.al><sup>[3]</sup><sup/><sup/>In de richtlijn 2004/18/EG
                                        zijn drempelbedragen opgenomen. Deze drempelbedragen worden
                                        eenmaal in de twee jaar opnieuw vastgesteld door de Europese
                                        Commissie. Is de geraamde waarde van de opdracht exclusief
                                        BTW gelijk aan of hoger dan het vastgestelde drempelbedrag
                                        dan moet Europees worden aanbesteed. De drempelbedragen voor
                                        de jaren 2014 en 2015 zijn vastgesteld en opgenomen in de
                                        tabel.</noot.al></noot><sup/>. </al></li></lijst><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                        overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                        voorgelegd.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                        afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald
                        dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de
                        aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk
                        heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming
                        bestaat over de wijze van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager
                        niet in met het verslag, dan is nader overleg noodzakelijk met als doel
                        alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens
                        te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook
                        schriftelijk door beid partijen vastgelegd.</al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                        bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing
                        aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden.
                        Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium
                        al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer
                        vergt. Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de
                        aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging
                        een aanvang neemt.</al><al><onderstreept>Lid 4</onderstreept></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                        wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag
                        is opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit
                        neemt. Dit besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het
                        besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de
                        aanvrager gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling
                        is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de
                        mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging;
                            toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;
                            overleggen offertes</titel></kop><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat
                        het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk
                        plan naar het oordeel van het college gezien de aard van de voorziening niet
                        vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan
                        de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid).</al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit
                        het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de
                        bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes. </al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het
                        overleg deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 WPO en artikel 76n
                        van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op
                        basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de
                        kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het bouwplan wordt
                        goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de
                        bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt
                                bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van
                                de bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op
                                grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven
                                beschikking (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en
                                toegekende bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                                afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd.
                                Maakt bevoegd gezag aanspraak op:</al><lijst><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal
                                        getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                                        normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het
                                        normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt
                                        een inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het
                                        definitieve bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen.
                                        De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor
                                        het programma was namelijk een raming van de kosten. Deze
                                        begroting had toen als functie te komen tot het vaststellen
                                        van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het
                                        programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen
                                        van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het
                                        programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging
                                        afwijken van de begroting die is ontvangen als onderdeel van
                                        de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering
                                        van een voorziening die volgens de offertelijn wordt
                                        gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de
                                        begroting.</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk
                        moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee
                        de bekostiging.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college
                        niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde
                        goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en
                        het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna
                        de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De
                        fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de
                        uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager.
                        Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het
                        college het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform
                        het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO en artikel 76j van de
                        WVO.</al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding de laagste
                        prijs bepalend is. Dit is conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet
                        2012. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de
                        WPOen artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de vrijheid om
                        per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de bekostiging
                        beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de concrete
                        omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het
                        investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn
                        financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat
                        wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                                uitbetaald;</al></li><li nr="-"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                                uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan
                                de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat
                                (automatische verwerking met valutadata in financiële
                                administratie), en</al></li><li nr="-"><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de
                                nota’s van het bevoegd gezag.</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                        tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                        vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt
                        verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een
                        relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de
                        formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het
                        bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd
                        gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan
                        worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle
                        rekeningen die op het project betrekking hebben, of een
                        accountantsverklaring.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>De data 1 en 15 oktoberzijn gekozen met het oog op het moment dat de
                        gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                        noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in
                        het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of
                        dat de realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt
                        vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend
                                begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet
                                gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het
                                beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit
                                besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw
                                moet worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang
                        voor het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting
                        van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat,
                        als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het
                        recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op
                        een voorziening.</al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                        voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                        omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen.
                        Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om
                        de gestelde termijnen te verlengen.</al><al><onderstreept>Lid 4</onderstreept></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                        verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden
                        gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het
                        eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het
                        college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid
                        genoemde datum niet haalbaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen</label><nr>17-20</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                        wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                        aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                        indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte
                        termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere
                        aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren
                        komen in de omschrijving van aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend
                        karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in
                                een andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                                asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                        voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6
                                van de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma,
                                of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst
                                wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het
                                bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar
                        worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet
                        bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch)
                        worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de
                        melding moet de aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                        grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd
                        gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de
                        aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een
                        calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening
                        geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer
                        kan vinden.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor
                        het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                        beslistermijn een korte periode aangehouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                        aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de
                        bijlagen I tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het
                        element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen
                        uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In
                        tegenstelling tot de reguliere procedure kan het college bij de
                        spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de
                        relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste
                        lid, van de WPO en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en artikel
                        76k, eerste lid, van de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                        toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen</label><nr>21-27</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO en
                        artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de gemeenteraad bij
                        verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik en de verhuur.
                        Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van lesgebouwen
                        die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen school.</al><al>De artikelen 21 t/m 27 worden door het college toegepast als het college een
                        aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                        huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                        aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                        medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden
                        voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen
                        op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor
                        het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw,
                        vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het
                        college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een
                                tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                        door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen
                        (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met
                        de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk
                        zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                        leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                        capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage
                        III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening
                        gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid
                        gemaakt in leegstand bij een school voor basisonderwijs of een school voor
                        voortgezet onderwijs. Dit betekent dat het college kan besluiten leegstand
                        die wordt vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan
                        een school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                        huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen
                        huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het
                        vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit
                        waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek,
                        overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd
                        gezag een andere bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk
                        onderwijsgebruik.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                        bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs
                        kan op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden
                        ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere
                        lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal
                        bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is. Voor scholen voor
                        het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan van minimaal
                        32 lesuren<noot id="d4147e4797"><noot.nr> 4
                                    </noot.nr><noot.al><sup>[4]</sup><sup/> In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd
                                het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van 50
                                minuten, met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de
                                leerlingen. Voor het vaststellen van de capaciteit en de
                                ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs voor het voortgezet
                                onderwijs wordt zodoende gerekend met een klokuur.</noot.al></noot><sup/> en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs
                        het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het voortgezet
                        onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal
                        bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs minder dan 26 klokuren zijn
                                ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere school voor
                                basisonderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal
                                ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs[, een speciale school voor
                                basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                speciaal onderwijs] minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn
                                ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet
                                onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40
                                lesuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn
                                medegebruik mogelijk is door:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs als de klokuren medegebruik
                                        passen binnen de 26 klokuren, en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de
                                        resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                        onderwijssector geldende reële schooltijden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                        medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge
                        regeling hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te
                        doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die
                        medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle
                        leerlingen te huisvesten. Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling
                        hebben geregeld moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het
                        college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale
                        situatie is gecreëerd. </al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt
                        in onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt
                        gevorderd. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college
                        zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het
                        vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van
                        bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het
                        vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg
                        over het programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij
                        het voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma
                        bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het
                        programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een
                        afzonderlijk besluit van het college.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                        voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor
                        het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                        meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                        Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                        gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid
                        hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is
                        de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo
                        kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft
                        genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden
                        met het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in
                        de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al><onderstreept>Lid 4</onderstreept></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                        deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                        worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende
                        welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv.
                        worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk
                        zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het
                        vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de
                        eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat
                        uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik
                        gaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te
                        maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde
                        gezagsorganen moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik
                        overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden
                        vergoedt. Dit is redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook
                        bij het gebruik van de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen.
                        Deze werkelijke kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële
                        instandhouding die het schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten
                        niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte subsidiëring van de
                        medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een gedeelte van de school in
                        medegebruik heeft geven de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel
                        waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook
                        afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die
                        voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Als tussen de
                        betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen
                        vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen
                        van het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan bijv. worden dat een
                        onafhankelijke derde het definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                        maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden
                        zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde
                        activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het
                        schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw
                        wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet
                        in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit
                        dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van
                        het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming
                        met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd
                        gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke
                        wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd
                        gezag kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol
                        spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd
                        gezag minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                        onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het
                        instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden
                        zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van
                        die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het
                        overleg en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                        noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige
                        maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 25 (bedrag van de
                        vergoeding ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor
                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd
                        gezag vrij om een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te
                        sluiten bij de systematiek die is opgenomen in artikel 25.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in
                        het overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het
                        college. Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker
                        al of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de
                        medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een
                        aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt
                        gevormd door het besluit tot vordering door college.</al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                        beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen
                        dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                        worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden
                        door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw
                        waarvan het bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor
                        verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is uitsluitend de
                        verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet, als het
                        (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college
                        toestemming voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van het college is
                        een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Bij het aanvragen
                        van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd gezag het college
                        inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in
                        de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur en de in de
                        komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast betrekt
                        het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                        ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                        toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een
                        aanvraag wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een
                        schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toetst het college het
                        verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van
                        de WPOen artikel 76s van de WVO is het niet toegestaan om een
                        onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                                1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de
                                school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                        voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor
                        het onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat
                        de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                        voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                        college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                        gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs
                        bepaald worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                        exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                        investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van
                        de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw)
                        vast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><al>In artikel 110 van de WPOen artikel 76u van de WVO is geregeld in
                        welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een
                        (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over het
                        algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld
                        aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het opheffen
                        van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW. Overdracht door
                        het bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt
                        uitsluitend plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of
                        verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch
                        eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het
                        schoolgebouw en -terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte van
                        een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een overdracht kan ook plaatsvinden
                        als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is gerealiseerd. Als dit
                        noodzakelijk is wordt in de door het college en bevoegd gezag gezamenlijk
                        opgestelde en ondertekende acte opgenomen een termijn waarin het
                        schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt
                        geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit
                        onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle
                        gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd
                        moet worden. </al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen
                        van het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een
                        gebouw door het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft
                        het opmaken van een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van
                        gelijke behandeling van het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële
                        zin gekozen worden voor een gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd
                        gezag, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er
                        dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat
                        het buiten gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                        plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld
                        aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat
                        van onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van
                        overdracht. </al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin
                        een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het
                        oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een
                        bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het
                        college overleg met het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de
                        opdracht en over de instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt
                        voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q. meningsverschillen ontstaan
                        over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op grond
                        van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd
                        worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of
                        bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd).</al><al><onderstreept>Lid 5</onderstreept></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken
                        van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd
                        gezag met deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen
                        worden dat het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                                onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                                college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van
                        de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal
                        zijn. Er kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide
                        partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan.
                        Alternatief is dat het college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op
                        grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft
                        gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw
                        behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al><onderstreept>Lid 6</onderstreept></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is
                        om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een
                        vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit
                        nog te laten vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als
                        het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op
                        termijn bijv. te verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroosteren
                            en gebruik</titel></kop><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en
                        kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een
                        derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs
                        is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te
                        stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende
                        ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B.
                        Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van het college om een rooster
                        bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door een
                        school voor basisonderwijs van lokalen bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt
                        in het aantal klokuren. Het aantal klokuren is afhankelijk is van het aantal
                        gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van het aantal
                        formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen afhankelijk van het aantal
                        leerlingen dat op de school is ingeschreven fluctueert het aantal klokuren
                        jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal leerlingen. Voor het
                        verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse procedure tot
                        aanvragen in het kader van het programma en de spoedprocedure niet het
                        geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het
                        verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen
                        bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen
                        de bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een
                        uitbreiding of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 29 een afzonderlijke procedure
                        opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van
                        het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal
                        gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op
                        basis van het aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan
                        vaststellen. Stelt het college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat
                        een lokaal bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de
                        procedure voor het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening
                        starten. Door deze procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig
                        zicht heeft op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs,
                                inclusief de accommodaties die op grond van de onderwijswetgeving
                                behoren tot de zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school
                                geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                                gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                                gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk
                                gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 1 maart op basis van de teldatum 1 oktober
                                het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start
                                schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 1 april daaropvolgend een conceptrooster op
                                dat als basis kan dienen voor het rooster bewegingsonderwijs van het
                                lopende schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van
                                mutaties in het aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen vóór 15 april
                                daaropvolgend in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster
                                bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 mei op het aangeboden
                                conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 15 mei
                                een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende
                                schooljaar vast voor 15 juni.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                        bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is
                        vastgesteld. Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande
                        accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden
                        dan de kosten van deze extra klokuren doorberekend, tenzij er sprake is van
                        bijzondere omstandigheden waardoor meer klokuren noodzakelijk zijn en
                        waarmee het college heeft ingestemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten
                        jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV
                        integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de
                        onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door de
                        gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de
                        normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het jaarlijks aanpassen
                        van de normbedragen wordt gedelegeerd aan het college. De uitgangspunten
                        voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A. Het wettelijk
                        verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een wijziging van de
                        verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het toezenden van de
                        voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop
                        te reageren.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>– Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><divisie><kop><titel/></kop><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het
                        vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is
                        onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen
                        bewegingsonderwijs. </al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>–Lesgebouwen</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen
                        van de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                        dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                        hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten.
                        Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                        hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                        Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening
                        voor een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze
                        aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                                huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te
                                huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                                is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is
                        op basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het
                        college beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                                ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (=
                                brutovloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de
                                school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                        noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de
                        (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode
                        noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de
                        periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode
                        waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de
                        leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het
                        aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de
                        aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                        uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                        aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende
                        jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend
                                omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor
                                deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen
                                als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere
                                voorziening goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                        bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                        vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                        huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                        onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een
                        rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand
                        gebouw.</al><al><onderstreept>A.1 Nieuwbouw</onderstreept></al><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw
                        instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een
                        onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze
                        nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al><onderstreept>A.2 Vervangende bouw</onderstreept></al><al>Vervangende nieuwbouwkan het gevolg zijn van een tweetal
                        situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van
                        een gebouw. Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en
                        om verschillen in de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een
                        volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis
                        gesteld een rapportage op grond van NEN 2767.Uitgangspunt van deze
                        methode is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en
                        bevindingen worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een
                        afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van
                        keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te
                        bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt
                        van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige
                        elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities
                        wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een
                        vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de
                        vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in
                        aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek
                        vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn.
                        'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van
                        het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld
                        in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een
                        beginnende veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder
                        conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                        staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk
                        is.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                        schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                        minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                        activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                        (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van
                        een bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of
                        in de afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft
                        plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan
                        kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in
                        overleg tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in
                        onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden
                        gemaakt over het bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd
                        gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit
                        doel hoeft in te zetten.</al><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn een
                        herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te
                                ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het
                                huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene
                                schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere
                                schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil,
                                eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij
                                een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw
                                voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de
                                schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw
                                worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                                herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen
                                heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte
                                uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere
                                schoolgebouw kan worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                                ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                                herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                                bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                                wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan
                        is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt
                        bereikt en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is,
                        dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire
                        neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de
                        vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de
                        verkoop van de bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat
                        hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur,
                        gelden die het bevoegd gezag van het rijk ontvangt voor het bekostigen van
                        de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als
                        medefinanciering worden ingezet.</al><al><onderstreept>A.3 Uitbreiding</onderstreept></al><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande capaciteit van het
                        schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van
                        het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is
                        dan groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III).
                        Het is aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra
                        capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college
                        rekening houden met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere
                        schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding
                        van het schoolgebouw bijv. medegebruik toekennen.</al><al><onderstreept>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</onderstreept></al><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is
                        afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand
                                alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een
                                bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het
                                huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet
                                relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo
                                ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te
                                zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de
                                leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                                belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen
                                noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig
                                geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het college
                                kan besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de
                                investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te
                                maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met
                                (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van
                                volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                                ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al><lijst><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde
                                        is</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</onderstreept></al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                        nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                        gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen
                        (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op
                        dit punt kan het college een afweging maken tussen het verplaatsen en het
                        bekostigen van een nieuwe voorziening.</al><al><onderstreept>A.6 Terrein</onderstreept></al><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die niet
                        automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het
                        schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd.
                        Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk
                        is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening
                        rekening mee gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het
                        programma.</al><al><onderstreept>A.7 Eerste inrichting</onderstreept></al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                        school voor basisonderwijs<cursief>. </cursief>Eerste inrichting leer- en
                        hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor voortgezet onderwijs. Voor
                        alle onderwijssectoren is de bekostiging van de eerste
                        inrichtinggekoppeld aan het aantal m<sup>2</sup> bruto
                        vloeroppervlakte waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt
                        toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één
                        school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie
                        ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent
                        dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op
                        bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de
                        gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de
                        voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt
                        uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw.
                        Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke
                        scholen is toegekend.</al><al><onderstreept>A.8 Medegebruik</onderstreept></al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van
                        het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van
                        middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht
                        te hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van
                                de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                                vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal
                                leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol
                                is).</al></li></lijst><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                        medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening
                        bij medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte
                        die in aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de
                        verordening is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling
                        voldoende begaanbare en veilige weg’. Dit criterium sluit aan bij de
                        Verordening leerlingenvervoer gemeente Dalfsen </al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw
                        van scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt
                        vastgesteld op basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit
                        (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de
                        school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de
                        berekende genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor
                        medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al>Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs en een school
                                voor voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor
                                medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd,
                                maar waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde
                                eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen
                                huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                                gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is
                                ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze
                                ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw
                                vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al><onderstreept>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                            bewoner</onderstreept></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                        medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen
                        moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken
                        voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen
                        voor rekening van de gemeente.</al><al><onderstreept>A.9 Herstel van constructiefouten</onderstreept></al><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening huisvesting
                        onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is
                        het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een
                        constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de
                        constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker
                        van de constructiefout aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit
                        verband speelt ook het moment waarop bekostiging voor een constructiefout
                        wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad van State
                        uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur
                        verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan
                        worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het
                        moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen van bekostiging
                        lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel dat, gelet op
                        de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een
                        constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud<noot id="d4147e5233"><noot.nr> 5
                                    </noot.nr><noot.al>LJN BJ7202, Raad van State, 200809152/1/H2.</noot.al></noot>.<sup/> Het herstel van een constructiefout is eveneens geen
                        voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd
                        gezag als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd
                        gezag (artikel 100, tweede lid, van de WPOen artikel 76k, tweede
                        lid, van de WVO<noot id="d4147e5241"><noot.nr> 6
                                    </noot.nr><noot.al>BX8979, Raad van State, 201200195/1/A2.</noot.al></noot>.<sup/></al><al><onderstreept>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                            omstandigheden</onderstreept></al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandighedenis van toepassing als het bevoegd gezag
                        geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk,
                        storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde
                        (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging
                        wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na
                        brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door
                        een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose
                        daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een
                        ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade
                        veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was
                        mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van
                        het bevoegd gezag komen.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>– Voorzieningen voor bewegingsonderwijs</titel></kop><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                        traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                        gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                        juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een
                        derde.</al><al><onderstreept>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                            ingebruikgeving</onderstreept></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen
                        is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden
                        ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal
                        bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                        gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in
                        plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te
                        vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college
                        overleg met het bevoegd gezag. Voor het bekostigen van deze voorzieningen
                        geldt de Verordening financiële en materiële gelijkstelling.</al><al><onderstreept>B.3 Eerste inrichting</onderstreept></al><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het lokaal
                        bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een
                        bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal
                                wordt vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                                bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de
                        toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting
                        naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze
                        vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging
                        eerste inrichting verstrekt.</al><al><onderstreept>B.5 Medegebruik</onderstreept></al><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal
                        bewegingsonderwijswordt vastgesteld op basis van het rooster
                        bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen voor
                        primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster
                        bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het voortgezet
                        onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>– Prognosecriteria</titel></kop><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, onder c, is
                    het bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                    (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik
                    nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De
                    leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de door
                    de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang voor het
                    vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>– Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                        ruimtebehoefte</titel></kop><divisie><kop><titel/></kop><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                        huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                        wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die
                        wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup> bruto
                        vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft
                        gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze
                        capaciteit wordt wel geregistreerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>– Vaststellen capaciteit</titel></kop><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup>
                        bruto vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden
                        beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                                (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college
                        opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk
                        belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden
                        (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van
                        artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college
                        worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de
                        gemeentelijke administratie beschikt het college over de meest actuele bruto
                        vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een
                        gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie voor het
                        vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg
                        van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet
                        volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het
                        schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige
                        indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het
                        college vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt
                        over dit verzoek een besluit. Besluit het college aan het verzoek van het
                        bevoegd gezag te voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto
                        vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die
                        geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college
                        een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw
                        ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding
                        geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de
                        ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al><vet>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</vet></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van
                        huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal
                        leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden
                        beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit
                        te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt
                        overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een gebouw is
                        waarvoor het college een huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor
                        het college een huurvergoeding betaalt wordt als eerste buiten gebruik
                        gesteld. Als het college van mening is dat het buiten gebruik stellen van
                        een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen
                        het bevoegd gezag en het college.</al><al><vet>A.1.4 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte
                        van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen
                        dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar
                        groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als
                        een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het
                        met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                        vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris </vet></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                        bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                        bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                        schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                        uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte.
                        Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd
                        waarop het bevoegd gezag tot die datum aanspraak maakte.</al><al><vet>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                        belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                        basisonderwijs of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet
                        onderwijs kan worden ingeroosterd.</al><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk
                        aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of
                        de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                        geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal
                        bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit
                                van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                                gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het
                                afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                                geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt
                                op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet
                                afzonderlijk geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is
                        wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                        bewegingsonderwijs.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>– Vaststellen ruimtebehoefte</titel></kop><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen
                        dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag
                        op de school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                        vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst
                        van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze
                        ruimtebehoefte noodzakelijk is. </al><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijsen een school
                        voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het aantal leerlingen
                        vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling.
                        Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste
                        voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging
                                met spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                        basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                        bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal
                        ongewogen leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven
                        vermenigvuldigd met 5,03 m<sup>2</sup> per leerling. Op aanvullende
                        ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’
                        staan ingeschreven. De aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de
                        ‘gewichtensom’. De som van de basisruimtebehoefte en de aanvullende
                        ruimtebehoefte is de totale ruimtebehoefte.</al><al><vet>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de
                        basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet,
                        vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met de
                        m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de
                        onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt
                        toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en
                        de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet
                        toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een
                        nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door
                        de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven beschikking. </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school
                        voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de
                        beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan
                        uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming
                        heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de
                        betreffende licenties.</al><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                        totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                        ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is
                        afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school
                        voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het
                        aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die
                        het college hanteert bij het vaststellen van de materiële vergoeding.
                        Beschikt de school voor basisonderwijs niet over een speellokaal, dan
                        bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de
                        leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als
                        de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                        geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>C</nr><titel>– Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</titel></kop><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit –
                                vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de drempelwaarde<noot id="d4147e5464"><noot.nr>
                                            7 </noot.nr><noot.al>Drempelwaarde:</noot.al><noot.al>- 55
                                        m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening
                                        school voor basisonderwijs; </noot.al><noot.al>- 50
                                        m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening
                                        speciale school voor basisonderwijs of voor een school voor
                                        (voortgezet) speciaal onderwijs;</noot.al><noot.al>- 40
                                        m2 bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening
                                        voor een school voor basisonderwijs, een speciale school
                                        voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal
                                        onderwijs, en</noot.al><noot.al>-
                                        10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2
                                        voor een school voor voortgezet onderwijs.</noot.al></noot><sup/></al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al><lijst><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op
                                        bekostigen voorziening,</al></li><li nr="-"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak
                                        op het bekostigen van een voorziening op basis van de
                                        uitkomst van stap 3.</al></li></lijst></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                        vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                        geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft
                        de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                        geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een
                        lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van
                        een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een
                        lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het
                        college hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs
                        de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is
                        een huurvergoeding te betalen. </al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                        uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om
                        de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke
                        bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft
                        deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het
                        vaststellen van het aantal m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw
                        bekeken of het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de
                        geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze
                        situatie zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een
                        bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot
                        het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het
                        toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie
                        met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is
                        afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit een
                        vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en
                        de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele
                        (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                        investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten
                        van een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw
                        uit te breiden. </al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                        voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte
                        minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de
                        bestaande capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is
                        afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening
                        uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend
                                de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen
                                rekening gehouden met de drempel van 10%;</al></li><li nr="-"><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend
                                het aantal m<sup>2</sup> dat de 10% overschrijdt, de aanvullende
                                ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de bestaande
                                capaciteit opvangen<noot id="d4147e5507"><noot.nr>
                                            8 </noot.nr><noot.al>LJN
                                        BW5954, Raad van State, 201107376/1/A2.</noot.al></noot><sup/>.</al></li></lijst><al><vet>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde
                        voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk
                        van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode
                        van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik
                                bestemde huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                                huisvesting.</al></li></lijst><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                        ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw.
                        Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                        gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand
                        in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de
                        afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan
                        worden gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                        schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                        oppervlakte voor een school voor basisonderwijsis opgenomen in
                        deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke
                        parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                        is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                        voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                        medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze
                        voorziening.</al><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                        betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de
                        bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor
                        schoolgebouwen. </al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>D</nr><titel>- Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</titel></kop><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                        bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen.
                        Daarbij moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het
                        Bouwbesluit.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>– Normbedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO en artikel 76m, derde lid, van de
                        WVOverplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het
                        bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend.
                        Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft een
                        relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke
                        voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen </al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is
                        de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak
                        belasting (artikel 133 van de WPO en artikel 96c.1 van de
                            WVO<cursief>).</cursief> Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet
                        bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>A</nr><titel>– Indexering</titel></kop><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                        prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                        normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                        MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                        gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de
                        gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 31 van de
                        verordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Deel</label><nr>B</nr><titel>– Normbedragen</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Vergoeding voorbereidingskrediet</titel></kop><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 15 van de verordening is de mogelijkheid
                        opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                        voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van het normbedrag
                        zoals opgenomen in deze bijlage, of op percentage van het geraamde bedrag
                        van de feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is
                        vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al
                        beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het
                        bedrag van de vastgestelde bekostiging. </al></divisie><divisie><kop><nr>A en B.</nr><titel>Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</titel></kop><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                        kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en
                        zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijsopgebouwduit
                                een:</al><lijst><li nr="1)"><al>startstartbedrag, inclusief een aantal m2 bruto
                                        vloeroppervlakte en</al></li><li nr="2)"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><lijst><li nr="1)"><al>vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                        spreidingsnoodzaak)</al></li><li nr="2)"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                        toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort
                                        (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al></li></lijst></li></lijst><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit
                                bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto
                                vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                                vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                        voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                        worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                        vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk
                        van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend
                        voor bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een
                        speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn
                        niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk
                        kunnen variëren.</al><al><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                        kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop,
                        aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor
                        rekening van de gemeente komen</al><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of
                        door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting
                        (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent
                        gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is
                        afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van
                        eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk
                        zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                        realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                        vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                                voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur
                                van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten
                        van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan
                        te kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat
                        gelet op de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten
                                van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente
                                bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke
                                huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk
                                is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een
                                huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan
                                tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan
                                huur.</al></li></lijst><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor
                        basisonderwijsbestaatuit een basisbedrag en een bedrag
                        per m<sup>2</sup>. </al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag
                        van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet
                        onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van
                        vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging
                        eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen
                        noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen
                                voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het
                                verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot
                                algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt
                                de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie
                                zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan
                                bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening
                                aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                        bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten
                        wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a,
                        en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de
                        kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten
                        van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen
                        onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een
                        constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet
                        genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van
                        technische advisering<noot id="d4147e5728"><noot.nr> 9
                                    </noot.nr><noot.al>BD3606 Raad van State, 200705694/1.</noot.al></noot>.<sup/></al><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van
                        het college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat
                        uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met
                        gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de
                        investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor
                        rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor
                        voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de
                        exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door
                        degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig
                        voor rekening van het bevoegd gezag. </al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt
                        alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet
                        onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs van de gemeente
                            Dalfsen </al><al>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen </al><al>Artikel 1 begripsbepalingen </al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting </al><al>Artikel 3 Voorbereidingskrediet </al><al>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen </al><al>Artikel 5 Informatieverstrekking </al><al>HOOFDSTUK 2 Programma en overzicht </al><al>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma </al><al>Artikel 6 Indienen aanvraag </al><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen
                                    aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag </al><al>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen </al><al>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht </al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting </al><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                                    Onderwijsraad </al><al>Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht </al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht </al><al>Artikel 12 Bekendmaken besluiten vaststellen
                                    bekostigingsplafond, programma en overzicht </al><al>Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma </al><al>Artikel 13 Overleg wijze van uitvoering </al><al>Artikel 14 Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip
                                    aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe
                                    feiten en omstandigheden; overleggen offertes </al><al>Artikel 15 Aanvang bekostiging </al><al>Artikel 16 Vervallen aanspraak op bekostiging </al><al>HOOFDSTUK 3 Aanvragen met spoedeisend karakter </al><al>Paragraaf 3.1 Aanvraag </al><al>Artikel 17 Indienen aanvraag </al><al>Artikel 18 Inhoud aanvraag </al><al>Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit </al><al>Artikel 19 Tijdstip beslissing </al><al>Artikel 20 Uitvoering beslissing </al><al>HOOFDSTUK 4 Medegebruik en verhuur </al><al>Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie </al><al>Artikel 21 Aanduiden omstandigheden </al><al>Artikel 22 Omschrijving leegstand </al><al>Artikel 23 Nalaten vorderen </al><al>Artikel 24 Overleg en mededeling </al><al>Artikel 25 Vergoeding </al><al>Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden </al><al>Artikel 26 Overleg en mededeling </al><al>Paragraaf 4.3 Verhuur </al><al>Artikel 27 Verzoek toestemming college </al><al>HOOFDSTUK 5 Einde gebruik gebouwen en terreinen </al><al>Artikel 28 Staat van onderhoud </al><al>HOOFDSTUK 6 Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door basisonderwijs.
                        </al><al>Artikel 29 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare
                                capaciteit; inroosteren van het gebruik </al><al>HOOFDSTUK 7 slotbepalingen </al><al>Artikel 30 Beslissing college in gevallen waarin de verordening
                                niet voorziet </al><al>Artikel 31 Indexering </al><al>Artikel 32 Slotbepaling </al><al/><al>Bijlage I Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen
                        </al><al>Deel A Lesgebouwen </al><al>Deel B Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs </al><al>Bijlage II - Prognosecriteria </al><al>Bijlage III Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en
                            aanvullende ruimtebehoefte </al><al>Deel A Vaststellen capaciteit </al><al>Deel B Vaststellen ruimtebehoefte </al><al>Deel C Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </al><al>Deel D Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                        </al><al>Deel E - Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                            vloeroppervlakte van schoolgebouwen </al><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering </al><al>Deel A – Indexering </al><al>Deel B - Normbedragen </al><al>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard </al><al>B. Uitbreiding met permanente bouwaard </al><al>C. Tijdelijke voorziening </al><al>D. Eerste inrichting </al><al>E. Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>F. Vergoeding feitelijke kosten </al><al>G. Huur sportvelden </al><al>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                            aangevraagde voorziening </al><al>1. Algemeen </al><al>2. Onderscheid voorzieningen </al><al>3 Hoofd- en subprioriteit </al><al>Toelichting </al><al>Artikelsgewijze toelichting </al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting </al><al>Artikel 3 Voorbereidingskrediet </al><al>Artikel 4 Vaststellen vergoeding voorzieningen </al><al>Artikel 5 Informatieverstrekking </al><al>Artikel 6 Indienen aanvraag </al><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag;
                                niet behandelen onvolledige aanvraag </al><al>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen </al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
                            </al><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                                OnderwijsraadLid 1-4 </al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond </al><al>Artikel 12 Inhoud programma </al><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering </al><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overleggen offertes </al><al>Artikel 15 Aanvang bekostiging </al><al>Artikel 16 Vervallen aanspraak op bekostiging </al><al>Artikelen 17-20 Aanvragen met spoedeisend karakter </al><al>Artikel 17. Indienen aanvraag </al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag </al><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing </al><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing </al><al>Artikelen 21-27 Medegebruik en verhuur </al><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden </al><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand </al><al>Artikel 23. Nalaten vorderen </al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling </al><al>Artikel 25. Vergoeding </al><al>Artikel 26. Overleg en mededeling </al><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college </al><al>Artikel 28. Staat van onderhoud </al><al>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare
                                capaciteit; inroosteren en gebruik </al><al>Artikel 31. Indexering </al><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen
                        </al><al>Deel A –Lesgebouwen </al><al>Deel B – Voorzieningen voor bewegingsonderwijs </al><al>Bijlage II – Prognosecriteria </al><al>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en
                            aanvullende ruimtebehoefte </al><al>Deel A – Vaststellen capaciteit </al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte </al><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </al><al>Deel D - Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                        </al><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering </al><al>Algemeen </al><al>Deel A – Indexering </al><al>Deel B – Normbedragen </al><al>Vergoeding voorbereidingskrediet </al><al>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard </al></bijlage></regeling></body></cvdr>