<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR356045_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Individuele inkomenstoeslag gemeente Amstelveen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.amstelveen.nl - bekendmakingen – verordeningen en reglementen – 24 - 12 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Individuele inkomenstoeslag gemeente Amstelveen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-74</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening Langdurigheidstoeslag vastgesteld op 25 september 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Individuele inkomenstoeslag gemeente Amstelveen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Amstelveen;</al></li><li nr="b."><al>wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: de norm bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de
                                    wet;</al></li><li nr="e."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="f."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering;</al></li><li nr="g."><al>referteperiode: een onafgebroken periode van 36 maanden
                                    voorafgaand aan de datum waarop het recht ontstaat;</al></li><li nr="h."><al>peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de
                                    individuele inkomenstoeslag ontstaat;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening
                            gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet en in de Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet, wordt
                        ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de
                        belanghebbende die:</al><lijst><li nr="a."><al>op de peildatum of gedurende de referteperiode een opleiding volgde
                                als bedoeld in de WTOS dan wel een studie volgde als genoemd in de
                                WSF 2000; of</al></li><li nr="b."><al>op de peildatum of gedurende de referteperiode geen uitzicht had op
                                inkomensverbetering als gevolg van eigen handelen of gemaakte
                                keuzes.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van het inkomen</titel></kop><al>De belanghebbende komt in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag als
                        gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen gemiddeld inkomen
                        niet hoger is geweest dan 110 % van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar </al><lijst><li nr="a."><al>voor alleenstaanden: 40 % van de bijstandsnorm als bedoeld in
                                    artikel 21, onderdeel a van de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouders: 50 % van de bijstandsnorm als bedoeld
                                    in artikel 21, onderdeel a van de wet;</al></li><li nr="c."><al>voor gehuwden: 40 % van de bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                    21, onderdeel b van de wet;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt berekend naar de
                            bijstandsnorm per 1 januari van het kalenderjaar waarin het recht is
                            ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht
                            op de individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13,
                            eerste lid, van de wet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking
                            voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                        verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of
                        onbillijkheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>In gevallen waarin de bepalingen van deze verordening niet voorzien, wordt
                        zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij vergelijkbare situaties met
                        inachtneming van de individuele omstandigheden van de belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2015.</al></li><li nr="2."><al>Op het tijdstip genoemd in het eerste lid wordt de “Verordening
                                Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand gemeente Amstelveen”,
                                zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 25 september 2013,
                                ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening Individuele
                                inkomenstoeslag gemeente Amstelveen”.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. P. Georgopoulou drs. M.M. van 't Veld </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>De Individuele inkomenstoeslag</vet></al><al>De Individuele inkomenstoeslag vindt zijn grondslag in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Daarin is omschreven in welke gevallen en onder welke
                    voorwaarden mensen met een laag inkomen in aanmerking komen voor de toeslag. De
                    gedachte achter de toeslag is dat mensen die langdurig een inkomen op het
                    sociaal minimum hebben, geen financiële ruimte hebben om te reserveren voor
                    onverwachte uitgaven.</al><al/><al><vet>Bevoegdheid gemeenten</vet></al><al>In artikel 36, eerste lid, is de basis voor de individuele inkomenstoeslag
                    opgenomen.</al><al/><al><vet>Doelgroep</vet></al><al>Volgens deze verordening komt iedereen met een inkomen tot 110% van de geldende
                    bijstandsnorm in aanmerking voor de individuele inkomenstoeslag, ongeacht het
                    soort inkomen. De voorwaarden verbonden aan de toekenning van de inkomenstoeslag
                    zijn opgenomen in artikel 2 van de verordening</al><al/><al><vet>Hoogte van de toeslag</vet></al><al>Voor de bepaling van de hoogte van de toeslag wordt uitgegaan van een percentage
                    van de toepasselijke bijstandsnorm en per 1 januari van het toepasselijke
                    kalenderjaar. Door deze systematiek wordt de hoogte van de individuele
                    inkomenstoeslag jaarlijks aangepast.</al><al>De toeslag wordt eenmaal in de 12 maanden verstrekt.</al><al/><al><vet>Laag inkomen</vet></al><al>Een laag inkomen is een inkomen niet hoger dan 110 % van de voor belanghebbende
                    toepasselijke bijstandsnorm. Dit sluit aan bij het minimabeleid voor personen
                    tot de pensioengerechtigde leeftijd. </al><al/><al><vet>Langdurig een laag inkomen</vet></al><al>De huidige referteperiode is 3 jaar, een periode waarvoor ook door het Nibud is
                    aangegeven dat de reserveringsmogelijkheden minimaal worden. Ook sluit dit aan
                    bij het Amstelveens minimabeleid, waarbij onder andere bij de “Regeling duurzame
                    gebruiksgoederen” ook is gekozen voor een periode van 3 jaar. </al><al/><al><vet>Minimabeleid</vet></al><al>Bij het opstellen van de verordening is waar mogelijk uitgegaan van de regels
                    en/of normen zoals zij nu worden toegepast binnen het Amstelveens minimabeleid.
                    Dit doet recht aan het uitgangspunt van zo min mogelijk regels en maakt het voor
                    de klanten en de uitvoering eenduidiger en daardoor eenvoudiger. </al><al/><al><vet>Geen ambtshalve verstrekking</vet></al><al>In de wet wordt bepaald dat het college op verzoek van de belanghebbende de
                    toeslag op aanvraag verstrekt. Dit sluit de mogelijkheid voor ambtshalve
                    toekenning uit. Het kabinet geeft hierbij aan dat het gaat om een vorm van
                    bijzondere bijstand, waarbij geldt dat voor elk individueel geval beoordeeld
                    moet worden of er een recht bestaat.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>In artikel 36, lid 1 van de wet is geregeld dat belanghebbende een verzoek
                        kan indienen voor de verlening van de individuele inkomenstoeslag. Voorheen
                        diende een aanvraag schriftelijk te worden gedaan zoals bedoeld in artikel
                        4:1 van de Awb. Na de aanvraag volgde dan een beschikking met de beslissing
                        op de aanvraag. </al><al>Om te voorkomen dat een mondeling verzoek ook aangemerkt kan worden als een
                        verzoek tot verlening van de toeslag wordt een formulier beschikbaar gesteld
                        door het college. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals
                        bedoeld in artikel 4:1 van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al><vet>Onder a</vet> worden studenten expliciet uitgesloten van de toeslag. In
                        zijn algemeenheid mogen studenten, in de eerste drie jaar na het beëindigen
                        van de studie, in staat worden geacht na afronding van hun studie door
                        werkaanvaarding een inkomensstijging te realiseren. </al><al>Daarnaast wordt verwacht dat studenten in veel gevallen een te hoog inkomen
                        hebben (gehad) om in aanmerking te komen voor de individuele inkomenstoeslag
                        vanwege de WSF-toelage. Vanwege de ruime bijverdienregeling in de WSF kunnen
                        studenten ruim bijverdienen en zal het totale inkomen al snel boven de
                        toepasselijke bijstandsnorm liggen. Bij studenten zal in principe geen
                        toetsing plaatsvinden op het inkomen.</al><al><vet>Onder b</vet>:</al><al>Een substantieel deel van de belanghebbenden heeft een bijstandsuitkering.
                        Aan veel belanghebbenden zijn de re-integratie- en arbeidsverplichtingen
                        opgelegd. Bij het schenden van deze verplichtingen wordt, afhankelijk van de
                        gedraging, een passende maatregel opgelegd.</al><al>Sub b biedt de mogelijkheid om een belanghebbende, die tijdens de
                        referteperiode door eigen toedoen op de peildatum geen zicht heeft op
                        inkomensverbetering, de individuele inkomenstoeslag te weigeren. Er moet in
                        dat geval sprake zijn van een verband tussen de handeling of de keuze van
                        een belanghebbende en het als gevolg hiervan ontbreken van zicht op
                        inkomensverbetering. </al><al>Voorbeelden hiervan zijn het weigeren van betaald werk en een bewuste en
                        vrijwillige keuze voor een parttime baan met een inkomen lager dan de
                        bijstandsnorm, terwijl naar objectieve maatstaven meer uren kan worden
                        gewerkt met een betere inkomenspositie als gevolg.</al><al>Als gedurende de referteperiode een afstemming is opgelegd vanwege een
                        gedraging die ertoe leidde dat geen ‘algemeen geaccepteerde arbeid werd
                        aanvaard, verkregen of behouden’ (gedragingen als bedoeld in artikel 18,
                        vierde lid, onderdeel a, c, d, e en g van de Participatiewet en artikel 37,
                        eerste lid, onderdeel a, c en d van de IOAW respectievelijk de IOAZ) is dit
                        een reden om een aanvraag voor een inkomenstoeslag af te wijzen. De
                        belanghebbende heeft immers als gevolg van eigen handelen geen zicht op
                        inkomensverbetering.</al><al>In andere gevallen kunnen gedurende de referteperiode meerdere afstemmingen
                        aan een belanghebbende zijn opgelegd voor gedragingen die elk afzonderlijk
                        als minder ernstig worden bestempeld, maar gecumuleerd leiden tot ontbreken
                        van zicht op inkomensverbetering. Dit kan eveneens een reden zijn voor
                        weigering van een inkomenstoeslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van het inkomen</titel></kop><al>In dit artikel wordt het begrip ‘laag inkomen’ uitgedrukt als percentage van
                        het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm. Voor werkenden zal
                        gekeken moeten worden naar het inkomen, afgezet tegen de persoonlijke
                        situatie (alleenstaand, alleenstaande ouder, gehuwden). Het begrip
                        ‘langdurig’ wordt uitgedrukt in de referteperiode van drie jaar (zie ook de
                        begripsomschrijving).</al><al>Bij een laag inkomen wordt het totaal aan netto inkomen over de
                        referteperiode van 3 jaar afgezet tegen het totaal van de voor
                        belanghebbende geldende bijstandsnorm x 110 % over deze drie jaar. Is het
                        inkomen hoger dan bestaat er geen recht op de individuele
                        inkomenstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><al>In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Uitgegaan wordt van
                        een percentage van de toepasselijke bijstandsnorm. Door deze systematiek
                        wordt de hoogte van de individuele inkomenstoeslag jaarlijks aangepast.</al><al><cursief>Toeslag voor alleenstaande ouders</cursief></al><al>Tot 1 januari 2015 was er een onderscheid in de hoogte van de bijstandsnorm
                        van een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Dit verschil kwam ook tot
                        uitdrukking in de hoogte van de individuele inkomenstoeslag voor een
                        alleenstaande en een alleenstaande ouder.</al><al>Vanaf januari 2015 is de systematiek gewijzigd. De norm van een
                        alleenstaande en een alleenstaande ouder is gelijk getrokken en het verlies
                        aan inkomen voor een alleenstaande ouder wordt gedeeltelijk gecompenseerd
                        door een verhoging van het kindgebonden budget. </al><al>Om een verschil te houden in de Individuele inkomenstoeslag voor een
                        alleenstaande en een alleenstaande ouder, wordt het percentage van de norm,
                        in afwijking met een alleenstaande, vastgesteld op 50%. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>