<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR355682_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Katwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-1962.html">Gemeenteblad 2015 nr 1962</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Katwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Participatiewet, artikel 35, onder d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35, onder d van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-04</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>364011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en
                IOAZ Katwijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Katwijk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 28 oktober 2014;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de
                        Participatiewet, artikel 35, onder d van de Wet inkomensvoorziening oudere
                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35, onder d
                        van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen en artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om de tegenprestatie als bedoeld in de
                        Participatiewet bij verordening te regelen;</al><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de volgende verordening: <vet>Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet</vet><vet>, IOAW en IOAZ</vet><vet> Katwijk</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbenden: personen die behoren tot de doelgroep van de
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ; </al></li><li nr="b."><al>intensieve mantelzorg: in beginsel acht uur per week voor de
                                    minimale duur van drie maanden;</al></li><li nr="c."><al>mantelzorg:langdurige zorg die niet in het kader van
                                    een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                    door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; </al></li><li nr="d."><al>tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen door het
                                    college opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige
                                    werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op
                                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: een uitkering op grond van de Participatiewet, de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers (IOAW) en de Wet nkomensvoorziening oudere
                                    en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                    (IOAZ);</al></li><li nr="f."><al>vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en
                                    onbetaald wordt verricht, voor anderen of voor de
                                    samenleving.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                    arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b."><al>niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of
                                    re-integratie;</al></li><li nr="c."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; </al></li><li nr="d."><al>worden verricht naast of in aanvulling op de reguliere
                                    arbeidsmarkt en mag niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een uitkering een
                                tegenprestatie opdragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende; </al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden;</al></li><li nr="e."><al>als belanghebbende al re-integratieactiviteiten verricht,
                                        moet daarmee rekening worden gehouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij dringende redenen in individuele gevallen een
                                tijdelijke ontheffing verlenen van de verplichting om een opgedragen
                                tegenprestatie te verrichten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ontheffing tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vrijgesteld van de plicht tot tegenprestatie is:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende die op het moment van aanvraag voor een
                                        uitkering aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht voor ten
                                        minste acht uur per week, gedurende drie maanden, en welke
                                        minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld
                                        in deze verordening.</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende die deelneemt aan activiteiten in het
                                        kader van een re-integratietraject voor tenminste 24 uur per
                                        week;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende die aantoonbaar intensieve mantelzorg
                                        verricht; </al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende die een parttime baan heeft voor ten
                                        minste 24 uur per week;</al></li><li nr="e."><al>de alleenstaande ouder die op grond van artikel 9a, eerste
                                        lid, van de Participatiewet, op eigen verzoek, een
                                        ontheffing van de arbeidsplicht heeft in verband met de zorg
                                        voor (een) kind(eren) in de leeftijd tot 5 jaar; </al></li><li nr="f."><al>de belanghebbende die duurzaam volledig arbeidsongeschikt is
                                        zoals omschreven in artikel 9, vijfde lid, van de
                                        Participatiewet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat er
                                sprake is van een vrijstellingsgrond als bedoeld in het voorgaande
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt de aard, duur en de omvang van de
                                tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie heeft in beginsel een omvang van acht uur per week
                                voor de duur van zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na de periode zoals genoemd in het tweede lid, kan de tegenprestatie
                                tweemaal worden verlengd voor de duur van 6 maanden nadat is
                                beoordeeld of de omstandigheden en de situatie van de belanghebbende
                                verder onveranderd zijn gebleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien er geen onbeloonde
                                maatschappelijke nuttige werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen
                                worden ingezet als tegenprestatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen
                                maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen
                                gemeentegrenzen voorhanden zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                                beoordeelt het college binnen drie maanden of op dat moment wel
                                werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                                tegenprestatie. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                                Participatiewet, IOAW en IOAZ Katwijk.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 december
                        2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        Katwijk</titel></kop><tussenkop><vet>Algemeen</vet></tussenkop><al>De wet maatregelen WWB, die tegelijkertijd met de Participatiewet op 1 januari
                    2015 in werking treedt, legt de gemeenteraad de verplichting op bij verordening
                    regels te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan mensen met een
                    bijstandsuitkering. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger
                    dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet, artikel 37, eerste lid,
                    onderdeel f van de IOAW en artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAZ. De
                    tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast
                    of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                    arbeidsmarkt. </al><al/><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><tussenkop>Ontheffing tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Afstemmen </tussenkop><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en
                    IOAZ. </al><al/><tussenkop>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al/><tussenkop>Tegenprestatie is geen re-integratie instrument </tussenkop><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie instrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratie
                    inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven
                    uitkering. </al><al/><tussenkop>Verordeningsplicht </tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet, artikel 35, onder d van de IOAW en
                    artikel 35, onder d van de IOAZ. Het is aan de gemeente om de duur, omvang en
                    inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p.
                    6). </al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><al/><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><tussenkop>Belanghebbende </tussenkop><al>In beginsel heeft iedere uitkeringsgerechtigde de verplichting ‘iets terug te
                    doen’ voor de uitkering in de vorm van een tegenprestatie. Dit betekent dat
                    alleen aan mensen die een uitkering ontvangen een tegenprestatie kan worden
                    opgelegd. De tegenprestatie kan niet worden opgelegd aan niet-
                    uitkeringsgerechtigden die door gemeenten worden ondersteund bij het zoeken naar
                    werk.</al><al/><tussenkop>Intensieve mantelzorg</tussenkop><al>In artikel 1 is het begrip intensieve mantelzorg opgenomen. Namelijk in beginsel
                    acht uur per week voor de duur van drie maanden. Enerzijds omdat dit een
                    landelijk gehanteerde richtlijn is en anderzijds omdat de wet de mogelijkheid
                    biedt om mantelzorgers met een zorgtaak van gelijke omvang te ontheffen van de
                    verplichte tegenprestatie. Concreet betekent dit dat bij de beoordeling of
                    iemand een tegenprestatie moet worden opgelegd rekening wordt gehouden met de
                    volgende omstandigheden:</al><al/><tussenkop>Mantelzorg </tussenkop><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: </al><al/><al>Langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden
                    aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al><al/><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 lid c van deze verordening
                    bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende
                    aantoonbaar intensieve mantelzorg verricht en voor zover het verrichten van
                    mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al/><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al></li></lijst><al/><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C. </al><al/><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het
                    protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt
                    omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                    gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. </al><al/><al>Als belanghebbende al activiteiten verricht in de vorm van mantelzorg of
                    vrijwilligerswerk, conform de richtlijn van in beginsel acht uur per week voor
                    drie maanden, dan komen deze activiteiten in aanmerking voor invulling van de
                    tegenprestatie. Hierbij dient te worden aangetekend dat deze richtlijn een
                    minimum is en dat een meer substantiëler invulling van de tegenprestatie
                    (afhankelijk van de persoonlijke situatie van belanghebbende) niet is
                    uitgesloten.</al><al/><tussenkop>Tegenprestatie</tussenkop><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te laten verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                    samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of
                    ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van
                    melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is
                    vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De
                    tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden te verrichten,
                    naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing
                    van de arbeidsmarkt.</al><al/><tussenkop>Uitkering</tussenkop><al>Een uitkering op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere
                    en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de van de Wet
                    Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ).</al><al/><tussenkop>Vrijwilligerswerk</tussenkop><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig verband
                    onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving. De VNG
                    verwijst bij de begripsomschrijving vrijwilligerswerk naar de zogenaamde
                    draaischijf van Movisie. Movisie heeft een draaischrijf ontwikkeld waaraan een
                    gemeente aan de hand van acht onderdelen de definitie kan bepalen. Zie hiervoor:
                    www.movisie.nl/draaischijf.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 2 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van
                    de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van
                    een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring
                    en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                    opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in
                    staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Artikel 2 van deze verordening bevat regels omtrent de inhoud van de
                    tegenprestatie. Deze omvat een kaderstellende omschrijving van de werkzaamheden
                    die door het college kunnen worden ingezet als tegenprestatie. De kaderstellende
                    omschrijving heeft als voordeel dat het college niet is beperkt in het aanwijzen
                    van werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Hierdoor kan het
                    college snel inspelen op nieuwe activiteiten die als tegenprestatie kunnen
                    worden ingezet. </al><al/><tussenkop>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden </tussenkop><al>In artikel 2 van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn.
                    De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie
                    dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                    arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                    werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes
                    die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden
                    gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><tussenkop>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </tussenkop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2 van deze verordening genoemde
                    voorwaarden. </al><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><tussenkop>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</tussenkop><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan
                    een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te bepalen. </al><al/><tussenkop>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </tussenkop><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie instrument. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14). </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al/><tussenkop>Factoren opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>In artikel 3, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht. </al><al/><tussenkop>onderdeel a: tegenprestatie 'naar vermogen' </tussenkop><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze
                    werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><tussenkop>onderdeel b: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                    belanghebbende </tussenkop><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening
                    gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het
                    opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts
                    wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                    omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                    belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al/><tussenkop>onderdeel c: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende </tussenkop><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten
                    werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een
                    belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door
                    belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                    belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                    tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                    krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar
                    zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                    belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst
                    met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                    voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen
                    keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan
                    het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                    belanghebbende. </al><al/><tussenkop>onderdeel d: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                    belanghebbende </tussenkop><al>Het college houdt bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met
                    het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                    maatschappelijke activiteit verricht, kan het college besluiten deze
                    maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de
                    omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe
                    leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                    tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                    voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                    gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en
                    houdt daarbij rekening met de duur en omvang. </al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college houdt bij
                    het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele gegeven
                    dat een belanghebbende al vrijwilligerswerk verricht. Indien belanghebbende al
                    vrijwilligerswerk verricht kan het college ook besluiten vrijwilligerswerk aan
                    te merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de
                    minimale en maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 5
                    van deze verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol
                    spelen. </al><al/><al><cursief>onderdeel e: Re-i</cursief><cursief>ntegratieactiviteiten door
                        belanghebbende </cursief></al><al>Het college houdt bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met
                    het eventuele gegeven dat een belanghebbende re-integratieactiviteiten verricht.
                    Het college kan in deze gevallen besluiten dat aan personen die voor tenminste
                    24 uur per week deelnemen aan een re-integratietraject, geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen. De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat deze personen
                    zich volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht,
                    zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. De
                    tegenprestatie mag immers het accepteren van passende arbeid of re-integratie
                    inspanningen niet belemmeren aangezien werk boven uitkering als uitgangspunt
                    geldt.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Ontheffing tegenprestatie </tussenkop><al>Artikel 4 regelt dat indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken -
                    aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing
                    verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9,
                    tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld
                    in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><al/><al>Artikel 4 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien een belanghebbende aantoonbaar intensieve mantelzorg verricht en het
                    college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering
                    heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met
                    betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of
                    sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip
                    mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. </al><al/><tussenkop>Weigering tegenprestatie </tussenkop><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 5 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie. </al><al/><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    30). </al><al/><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie </tussenkop><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor in
                    beginsel acht uur per week voor zes maanden. Na deze periode kan de duur
                    tweemaal worden verlengd met zes maanden nadat is beoordeeld of de
                    omstandigheden en de situatie van de belanghebbende verder onveranderd zijn
                    gebleven. Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de
                    tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet beperkt
                    in duur en in omvang. </al><al/><al>Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt ingezet. De
                    tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een
                    belanghebbende. Bovendien is het verstandig de tegenprestatie relatief gering in
                    omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de internationale
                    bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te
                    blijven (artikel 4 EVRM).</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Geen werkzaamheden voorhanden </tussenkop><al>Artikel 6, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen
                    tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De
                    Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een
                    tegenprestatie te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51). Indien
                    het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat geen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen drie maanden
                    een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden
                    zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie. </al><al/><al>In artikel 7 lid 2 is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>