<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR355633_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-8747.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3ddalfsen%26zkd%3dAlleenInDeTitel%26dpr%3dAlle%26spd%3d20150203%26epd%3d20150203%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=1&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad 30-01-2015, Nr. 8747</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid, aanhef e onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid n onder b van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">Gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>23-12-2014, nummer 296</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum van inwerkingtreding is 1 januari 2015</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 december 2014,
                        nummer 296; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; </al><al>besluit vast te stellen de Verordening individuele studietoeslag gemeente
                        Dalfsen</al><al/><al><vet>Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag
                            Participatiewet 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                    Participatiewet, en de algemene bijstand; </al></li><li nr="-"><al>peildatum: datum waartegen een persoon individuele
                                    inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="-"><al>referteperiode: periode van 24 maanden voorafgaand aan de
                                    peildatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college
                            vastgesteld formulier. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>individuele studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Doelgroep studietoeslag</titel></kop><al>Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij
                            de arbeidsinschakeling kan een aanvraag indienen voor een individuele
                            studietoeslag. Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat de
                            belanghebbende op de datum van aan aanvraag aan de volgende voorwaarden
                            voldoet, belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>is 18 jaar of ouder; </al></li><li nr="b."><al>heeft recht op studiefinanciering op grond van de Wet
                                    studiefinanciering 2000 of heeft recht op een tegemoetkoming op
                                    grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                    onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al></li><li nr="c."><al>heeft geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
                                    artikel 34 van de Participatiewet, en </al></li><li nr="d."><al>is een persoon van wie is vastgesteld dat hij wegens een
                                    arbeidshandicap met voltijdse arbeid niet in staat is tot het
                                    verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                                    tot arbeidsparticipatie heeft;</al></li><li nr="e."><al>de studie vanwege de arbeidsbelemmering (nog) niet kan
                                    combineren met arbeidsparticipatie;</al></li><li nr="f."><al>geen inkomsten ontvangt anders dan studiefinanciering op grond
                                    van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="g."><al>geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De hoogte en duur van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de toeslag bedraagt 15% van het bruto wettelijk
                                minimum (jeugd) loon dat voor hen geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, zolang de
                                belanghebbende recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of heeft recht op een tegemoetkoming op
                                grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten aanvrager en maximaal vier jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel
                                36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de
                                referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan
                                110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bestaat recht op een gedeeltelijke
                                individuele inkomenstoeslag, wanneer het inkomen op de peildatum
                                hoger is dan 110% van de bijstandsnorm, maar op jaarbasis niet meer
                                bedraagt dan de van toepassing zijnde individuele
                                inkomenstoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 371 voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>€ 474 voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>€ 526 voor gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking tot het eerste lid wordt de individuele inkomenstoeslag
                                voor de belanghebbende(n) als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                                verminderd met het verschil op jaarbasis tussen het inkomen op de
                                peildatum en 110% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie
                                op de peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd met het percentage waarmee
                                de alimentatie jaarlijks per 1 januari van rechtswege wordt verhoogd
                                en worden hierbij naar boven afgerond op € 1.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Regelingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regelingen vast met betrekking tot de uitvoering
                                van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De regelingen, zoals bedoeld in het eerste lid, geven met betrekking
                                tot de individuele studietoeslag in ieder geval aan wanneer een
                                persoon niet in staat is om met voltijdse arbeid het wettelijk
                                minimumloon te verdienen, maar wel mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie heeft en hebben voor de individuele
                                inkomenstoeslag in ieder geval betrekking op de invulling van het
                                begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering' zoals bedoeld in
                                artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening langdurigheidstoeslag Dalfsen 2012 en
                            Participatieverordening schoolgaande kinderen wordt per 1 januari 2015
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                studietoeslag en individuele inkomenstoeslag Dalfsen 2015.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn (openbare)
                        vergadering van 26 januari 2015.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten drs.J. Leegwater</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Verordening individuele studietoeslag gemeente
                        Dalfsen 2015 </titel></kop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag.</al><al>De toeslag wordt aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5
                    onderdeel d Participatiewet). Het betreft een nieuwe vorm van aanvullende
                    inkomensondersteuning voor bepaalde groepen studerenden. Hiermee krijgt het
                    college de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn
                    het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als
                    ze studeren. </al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het college (dit volgt uit artikel 36b lid 1 Participatiewet) en is bedoeld
                    voor arbeidsgehandicapte studenten.</al><al>De gemeenteraad dient in een verordening regels vast te stellen over het
                    verlenen van een individuele studietoeslag (artikel 8 lid 1 onderdeel c
                    Participatiewet). Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de
                    hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Verbeteren positie arbeidsmarkt arbeidsgehandicapten </titel></kop><al>De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat het vooral voor mensen
                    met een arbeidshandicap van belang is de positie op de arbeidsmarkt te
                    verbeteren middels het behalen van een diploma. Werkgevers zijn volgens de
                    wetgever vaak huiverig om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen. De
                    wetgever verwacht dat de drempel om een contract aan te bieden lager is als een
                    werkgever ziet dat iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het
                    verstrekken van een individuele studietoeslag krijgen mensen met een
                    arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een studieregeling stimuleert mensen
                    om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen.
                    Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma
                    is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn
                    mars heeft. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor
                    deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.</al><al>Uit de Memorie van Antwoord blijkt het volgende. Een vereiste voor de
                    individuele studietoeslag isdat een student niet in staat is met voltijdse
                    arbeid het WML te verdienen. Dit leidt ertoe dat studenten die per uur wel het
                    WML kunnen verdienen hier niet voor in aanmerking komen. Doel van de
                    studietoeslag is om studenten met een beperking een bron van inkomsten te geven
                    ter vervanging van inkomsten uit een bijbaan.</al><al/><al><cursief>Achtergrond</cursief></al><al>De gemeente is niet verplicht om een studietoelage te verstrekken. Hiertoe het
                    volgende: bijna zeven op de tien studerenden hebben een bijbaantje naast hun
                    studie. Er is geen verschil naar geslacht en leeftijd. Thuiswonenden werken net
                    iets vaker dan uitwonende studenten (73% tegen 69%). </al><al>Gemiddeld verdienen studenten € 354 euro per maand. Met de leeftijd nemen de
                    inkomsten uit debijbaan toe (gemiddeld van 241 euro per maand voor studerenden
                    van 19 jaar of jonger tot 570 eurovoor studenten van 24 jaar of ouder). Bron:
                    Nibud. Studentenonderzoek 2011-2012.</al><al>Als studenten door een handicap/beperking geen bijbaantje kunnen nemen, is het
                    redelijk een financiële compensatie te bieden.</al><al/><al><cursief>Vast te leggen regels in regelingen</cursief></al><al>In regelingen kan het college nadere regels stellen aan wie een
                    individuele studietoeslag kan worden verstrekt. In de regelingen kunnen ook
                    groepen worden uitgesloten van het recht op individuele studietoeslag. </al><al>De voorwaarden dat een belanghebbende recht moet hebben op studiefinanciering of
                    een WTOS-tegemoetkoming, moet niet zodanig worden geïnterpreteerd dat
                    belanghebbende ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet
                    ontvangen. Het is voldoende dat hij recht heeft op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming. Of recht hierop bestaat is afhankelijk van de gekozen opleiding,
                    de leeftijd en het inkomen van een belanghebbende.</al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 Participatiewet zijn niet van toepassing bij
                    verlening van de individueleinkomenstoeslag (artikel 36b lid 2 Participatiewet).
                    Een individuele studietoeslag wordt op aanvraagverleend (artikel 36b lid 1
                    Participatiewet). Artikel 43 Participatiewet is daarbij niet van
                    toepassing(artikel 36b lid 2 Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend
                    bij het college. Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden
                    verstrekt als belanghebbende met de toeslag schulden wil aflossen. Artikel 49
                    Participatiewet is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag
                    (artikel 36 lid 5 Participatiewet). Ook artikel 52 Participatiewet is niet van
                    toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36 lid 5 Participatiewet).
                    Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt in de vorm
                    van een voorschot.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting individuele inkomenstoeslag</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening inde algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, inbeginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid.</al><al>Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als
                    een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het betekent niet dat in het
                    geheel geen individuele inkomenstoeslag verstrekt mag worden. Het college kan in
                    regelingen aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele
                    inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                    inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan
                    wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een
                    arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten op grond van artikel 8, tweede van de
                    Participatiewet regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele
                    inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels
                    moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt
                    gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze
                    verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 110%
                    van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van
                    de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in
                    (wetsinterpreterende) regelingen aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht
                    op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de
                    Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening.
                    Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet
                    het college rekening houden met de omstandigheden van depersoon. In artikel 36,
                    tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden inieder
                    geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening. Aangezien
                    de langdurigheidstoeslag niet (meer) met terugwerkende kracht kan worden
                    toegekend, kan uitsluitend aanspraak gemaakt worden op een langdurigheidstoeslag
                    als de aanvraag vóór 1 januari 2015 is ingediend en de peildatum ook voor deze
                    datum ligt. Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een
                    datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan
                    aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen
                    voorwaarden.</al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnende referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting Verordening individuele studietoeslag Dalfsen
                    2015 </tussenkop><al>Enkel die bepalingen die een nadere toelichting behoeven worden hier
                    behandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) ofde Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening.</al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 24 maandenvoorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 6
                    onder ‘Langdurig’.</al><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>Door personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de
                    Participatiewet kan een verzoek om een individuele studietoeslag schriftelijk
                    worden ingediend. Dit betreft personen die het college ondersteunt bij
                    arbeidsinschakeling:</al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen; </al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                            35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c,
                            van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend; </al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;
                        </al></li><li nr="·"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet; </al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, </al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en.
                        </al></li><li nr="·"><al>niet-uitkeringsgerechtigden. </al></li></lijst><al>Op grond van artikel 36 Participatiewet kan een verzoek worden ingediend om een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><al>Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, 10 van de
                    Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een
                    verzoek om een individuele studietoeslag of een individuele inkomenstoeslag
                    zoals bedoeld in artikel 36 respectievelijk 36b van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3. Doelgroep studietoeslag</tussenkop><al>Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kaneen aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b lid 1 Participatiewet spreekt overigens zowel over verzoek als
                    aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op deindividuele
                    omstandigheden van een belanghebbende - individuele inkomenstoeslag
                    verlenen.</al><al>Hiervoor is vereist dat belanghebbende op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="b."><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeftop een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de
                            Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ontvangt;</al></li><li nr="c."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van
                            deParticipatiewet;</al></li><li nr="d."><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij wegens een arbeidshandicap
                            met voltijdsearbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                            minimumloon, doch welmogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;</al></li><li nr="e."><al>de studie vanwege de arbeidsbelemmering (nog) niet kan combineren met
                            arbeidsparticipatie;</al></li><li nr="f."><al>geen inkomsten ontvangt anders dan studiefinanciering op grond van de
                            Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="g."><al> geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening.</al></li></lijst><al>De voorwaarden die tijdens de datum van aanvraag gelden, gelden ook voor de
                    voortzetting van het recht op de individuele studietoeslag. Deze bepaling onder
                    d. sluit aan bij de doelgroepbepaling van het instrument loonkostensubsidie en
                    zorgt ervoor dat gemeenten geen apart beoordelingsinstrument hoeven te
                    ontwikkelingen. Dit draagt in grote mate bij aan de uitvoerbaarheid van de
                    studietoeslag.</al><al>De bepaling onder g. geeft de voorliggende voorzieningen aan. Hierbij kan
                    gedacht worden aan destudieregeling van het UWV.</al><tussenkop>Artikel 4. De hoogte en duur van de toeslag</tussenkop><al>In dit artikel is de hoogte van de toeslag opgenomen. Aan een persoon die
                    voldoet aan de voorwaarden voor een individuele toeslag wordt deze
                    toegekend.</al><al>De toeslag bedraagt 15% van het wettelijk minimumloon dat voor de leeftijd van
                    belanghebbende van toepassing is. Dat staat ongeveer gelijk aan één dag per week
                    werken in een bijbaan. Hoe hoger de leeftijd, hoe hoger het bedrag dat
                    betrokkenen ontvangen.</al><al>In onderstaande tabel zijn de bruto bedragen opgenomen per maand.</al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="14*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="14*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>19</al></entry><entry colname="col4"><al>20</al></entry><entry colname="col5"><al>21</al></entry><entry colname="col6"><al>22</al></entry><entry colname="col7"><al>23 en ouder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bruto WML in <cursief>euro’s</cursief> (2014)</al></entry><entry colname="col2"><al>680,30</al></entry><entry colname="col3"><al>785,00</al></entry><entry colname="col4"><al>919,55</al></entry><entry colname="col5"><al>1.084,00</al></entry><entry colname="col6"><al>1.270,90</al></entry><entry colname="col7"><al>1.495,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15%</al></entry><entry colname="col2"><al>102,05</al></entry><entry colname="col3"><al>117,75</al></entry><entry colname="col4"><al>137,93</al></entry><entry colname="col5"><al>162,60</al></entry><entry colname="col6"><al>190,64</al></entry><entry colname="col7"><al>224,28</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    studietoeslag voor beiden geldt. Dit betekent dat als zij afzonderlijk aan de
                    voorwaarden voldoen, zij ook afzonderlijk in aanmerking komen voor de
                    toeslag.</al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In dit artikel is een indexeringsbepaling opgenomen. Door het opnemen van deze
                    bepaling wordt voorkomen dat de verordening telkens opnieuw moet worden
                    vastgesteld ten behoeve van indexatievan de bedragen.</al><tussenkop>Artikel 5. De frequentie van de betaling</tussenkop><al>In artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet is bepaald dat de situatie op
                    de datum van aanvraag bepalend is. De individuele studietoeslag wordt
                    maandelijks uitbetaald. Daarbij wordt aangesloten bij de betaling van algemene
                    bijstand voor levensonderhoud.</al><tussenkop>Artikel 6. Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    'langdurig’ en onder 'laag' wordt verstaan.</al><tussenkop>Langdurig</tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening.</al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 110% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd.</al><al>Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de
                    toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan
                    is geen sprake meer van eenmarginale overschrijding van de bijstandsnorm die
                    niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is
                    immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de
                    bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.</al><al>Als het inkomen van 110% wordt overschreden, dan wordt toch een individuele
                    toeslag toegekendals de overschrijding minder is dan de hoogte van de toeslag.
                    De overschrijding van de grens van 110% wordt op de toe te kennen individuele
                    inkomenstoeslag in mindering gebracht.</al><tussenkop>Artikel 7. Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. Bij de hoogte van
                    de inkomenstoeslag is aansluiting gezocht bij de langdurigheidstoeslag.</al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag degehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag.</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dankomt de rechthebbende partner
                    wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat</al><al>hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al><al>Dat is geregeld in het tweede lid.</al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In het vijfde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk
                    te communiceren.</al><tussenkop>Artikel 8. Regelingen</tussenkop><al>Het college stelt regelingen vast met betrekking tot de uitvoering van deze
                    verordening. Hierin worden twee aspecten beschreven.</al><al>Ten eerste wordt met betrekking tot de individuele studietoeslag beschreven
                    wanneer een persoon niet in staat is om met voltijdse arbeid het wettelijk
                    minimumloon te verdienen maar wel mogelijkheden heeft tot
                    arbeidsparticipatie.</al><al>Het tweede onderdeel betreft de individuele inkomenstoeslag. Het college legt in
                    regelingen vast op welke wijze rekening wordt gehouden met de 'de krachten en
                    bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om
                    tot inkomensverbetering te komen.'</al><tussenkop>Artikel 9. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Behoeft geen bespreking.</al><tussenkop>Artikel 10. Intrekken oude verordening</tussenkop><al>Behoeft geen bespreking.</al><tussenkop>Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen bespreking.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag
                            Participatiewet 2015 </al><al>Hoofdstuk 1 algemene bepalingen </al><al>Artikel 1. Begrippen </al><al>Artikel 2 Indienen verzoek </al><al>HOOFDSTUK 2 individuele studietoeslag </al><al>Artikel 3. Doelgroep studietoeslag </al><al>Artikel 4. De hoogte en duur van de toeslag </al><al>Artikel 5. Betaling individuele studietoeslag </al><al>HOOFDSTUK 3 INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG </al><al>Artikel 6. Langdurig laag inkomen </al><al>Artikel 7. Hoogte individuele inkomenstoeslag </al><al>HOOFDSTUK 4 OVERIGE BEPALINGEN </al><al>Artikel 8 Regelingen </al><al>Artikel 9 Hardheidsclausule </al><al>Artikel 10. Intrekken oude verordening </al><al>Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel </al><al/><al>Algemene toelichting Verordening individuele studietoeslag gemeente
                            Dalfsen 2015 </al><al>Verbeteren positie arbeidsmarkt arbeidsgehandicapten </al></bijlage></regeling></body></cvdr>