<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR355544_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 26-01-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 8 lid 1 sub c Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14INT808</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld bij raadsbesluit van 11 december 2015, 2014?12-14, 14
                        INT808</al><al>De raad van de gemeente West Maas en Waal,</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        november 2014, </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet,</al><al>besluit vast te stellen de</al><al/><al><vet>“Verordening individuele studietoeslag Participatiewet
                    West Maas en Waal 2015”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend met een door het college vastgesteld formulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                            mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college ook zelf vaststellen of
                            een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van
                            het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele studietoeslag wordt slechts één maal in een periode van 6
                            maanden aan een persoon toegekend, ook als betrokkene meerdere
                            opleidingen tegelijk volgt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien betrokkene voortijdig zijn opleiding staakt, dient hij hierover
                            de gemeente onverwijld te informeren en kan de gemeente de toeslag (naar
                            rato) terugvorderen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 238,00 op maandbasis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform
                            de ontwikkelingen van het bedrag als bedoeld in artikel 21 onder a van
                            de Participatiewet. De bedragen worden naar boven afgerond op hele
                            euro's. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele studietoeslag
                        Participatiewet West Maas en Waal 2015. </al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr. G.E.M. Gieling Th.A.M. Steenkamp</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening individuele studietoelage Participatiewet
                        2015</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                    mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                    minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze
                    studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt.
                    Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel
                    in zijn mars heeft. </al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie
                    te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het
                    voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan. </al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen. </al><al>Er geldt voor deze toeslag, anders dan voor bijzondere bijstand volgens artikel
                    35 Participatiewet, geen middelen toets op inkomen.</al><tussenkop>Verordeningsplicht </tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een
                    verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking
                    hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag </tussenkop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    ´verzoek´ als ´aanvraag´. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden van een persoon – een individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag: </al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is,</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos),</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft, en,</al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li></lijst><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    Wtos-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt, is niet in de
                    Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                    individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een
                    individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft
                    op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal – als aanvrager van
                    de toeslag – aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een
                    bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen. </al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Indienen verzoek </tussenkop><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling: </al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen; </al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                            35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c,
                            van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend; </al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;
                        </al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet; </al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, </al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en.
                        </al></li><li nr="-"><al>niet-uitkeringsgerechtigden. </al></li></lijst><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                    individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld
                    in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend,
                    bepaalt artikel 1 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan
                    middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien
                    als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
                    schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de
                    aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet. </al><tussenkop>Artikel 2. Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon </tussenkop><al>Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                    college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden,
                    een individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon
                    op de datum van de aanvraag: </al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is; </al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en </al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li></lijst><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium wint het college advies in bij
                    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het gaat om advies met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is
                    tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft. Hier wordt gebruik gemaakt van het UWV omdat deze
                    organisatie vaak al het bedoelde oordeel moet bepalen in het kader van
                    doelgroepbepaling, beschut werk, en dergelijke. Is het UWV in een situatie nog
                    geen oordeel gevraagd vanuit een andere invalshoek dan kan het college ook zelf
                    vaststellen of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het
                    verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft. </al><tussenkop>Artikel 3. Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen </tussenkop><al>Doorgaans kan een persoon halfjaarlijks starten met een opleiding. Voor de
                    beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele
                    studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is geregeld dat een
                    persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan
                    komen voor een individuele studietoeslag (artikel 3 van deze verordening).
                    Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan hij
                    opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. </al><al>In lid 2 is geregeld dat de gemeente de studietoeslag ten dele kan
                    terugvorderen, indien betrokkene de opleiding binnen de zes maanden staakt.
                    Hiermee voorkomen we eventueel misbruik van deze studietoeslag. Door een
                    ´kan-bepaling´ op te nemen, bieden we ruimte om individueel maatwerk te leveren.
                    Als we de studietoeslag terugvorderen, doen we dit naar rato van het aantal
                    maanden dat de betrokkene de opleiding niet meer volgt. </al><tussenkop>Artikel 4. Hoogte individuele studietoeslag </tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de
                    voorwaarden toegekend. Daarbij kiezen we voor een bedrag van € 238,00 op
                    maandbasis. Met de € 238,- is aangesloten op de Wwb-norm voor een alleenstaande
                    plus toeslag. Het gaat immers nu om bijstand. Overigens hanteert het UWV nu ook
                    al 25% van het minimumloon + de optie om ook nog 25% vrij te laten van inkomsten
                    uit arbeid. Het bedrag van € 238,- is aan te merken als redelijk bedrag. </al><al>Als gekozen wordt voor periodieke uitbetaling van de individuele studietoeslag
                    is er sprake van een periodieke versterkking van bijzondere bijstand. Dit heeft
                    voor een gemeente fiscale gevolgen, omdat die bijstand niet bestedingsgebonden
                    is, maar inkomensaanvullend. Eenmalige bijzondere bijstand is een onbelaste
                    verstrekking. Daarom verstrekken we de individuele toeslag in één keer, via één
                    bedrag van maximaal € 1.428,- (dat is 6 x € 238,-) voor een periode van zes
                    maanden. </al><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor
                    een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een
                    individuele studietoeslag. </al><al>In het tweede lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. </al><tussenkop>Artikel 5. Betaling individuele studietoeslag </tussenkop><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag geregeld. Een individuele studietoeslag wordt eenmalig in één
                    bedrag uitbetaald. Dit is het bedrag zoals neergelegd in artikel 4. Na zes
                    maanden kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. Dit volgt uit artikel 3. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>