<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR3554_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 07.01 Bouwverordening Zevenaar 2007 (inhoudsopgave en tekst verordening)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 2-7-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Zevenaar 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 147 en 149, Woningwet, Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-06-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-07-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-06-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>8e wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07-059</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, stadsvernieuwing en bouw- en woningtoezicht.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Subsidieplafond</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      nr 07.01 Bouwverordening Zevenaar 2007 (inhoudsopgave en tekst verordening)
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label/>
            <nr/>
            <titel/>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al/>
            <al/>
            <al/>
            <al>Bouwverordening Zevenaar 2007</al>
            <al>
              <vet>
                <cursief>Inhoudsopgave</cursief>
              </vet>
            </al>
            <al>1 Inleidende bepalingen 3</al>
            <al>2 De aanvraag bouwvergunning 4</al>
            <al>Paragraaf 1Gegevens en bescheiden 4</al>
            <al>Paragraaf 2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
                            5</al>
            <al>Paragraaf 3Welstandstoetsing 5</al>
            <al>Paragraaf 4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                            5</al>
            <al>Paragraaf 5Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen 6</al>
            <al>Paragraaf 6Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen 15</al>
            <al>Paragraaf 7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen 17</al>
            <al>3 De melding (vervallen) 20</al>
            <al>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk 21</al>
            <al>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte 24</al>
            <al>Paragraaf 1Staat van open erven en terreinen 24</al>
            <al>Paragraaf 2Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen 25</al>
            <al>Paragraaf 3Aansluiting op de nutsvoorzieningen 25</al>
            <al>Paragraaf 4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid 26</al>
            <al>6 Brandveilig gebruik 27</al>
            <al>Paragraaf 1Gebruiksvergunning 27</al>
            <al>Paragraaf 2Het voorkomen van brand en het beperken van brand
                            en brandgevaar 29</al>
            <al>Paragraaf 3Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            ongevallen bij brand 29</al>
            <al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid 29</al>
            <al>7 Overige gebruiksbepalingen 31</al>
            <al>Paragraaf 1 Overbevolking 31</al>
            <al>Paragraaf 2Staken van het gebruik 31</al>
            <al>Paragraaf 3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                            31</al>
            <al>Paragraaf 4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid 32</al>
            <al>Paragraaf 5Watergebruik 32</al>
            <al>Paragraaf 6Installaties 32</al>
            <al>8 Slopen 33</al>
            <al>Paragraaf 1Sloopvergunning 33</al>
            <al>Paragraaf 2Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
                            36</al>
            <al>Paragraaf 3Verplichtingen tijdens het slopen 37</al>
            <al>Paragraaf 4Vrij slopen 38</al>
            <al>9 Welstand 39</al>
            <al>10 Overige administratieve bepalingen 42</al>
            <al>11 Handhaving 43</al>
            <al>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 44</al>
            <al>Bijlage 1Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning
                            45</al>
            <al>Bijlage 2Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
                            46</al>
            <al>Bijlage 3Gebruikseisen voor bouwwerken 47</al>
            <al>Bijlage 4Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                            niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties 58</al>
            <al>Bijlage 6Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen) 66</al>
            <al>Bijlage 7Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                            buitenriolering op erven en terreinen 67</al>
            <al>Bijlage 8Checklist voor de visuele inspectie van woningen en
                            daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest
                            (vervallen) 68</al>
            <al>Bijlage 8Alternatief - Checklist asbestinventarisatie voor
                            particulieren (vervallen) 69</al>
            <al>Bijlage 9Reglement van orde van de welstandscommissie 70</al>
            <al>Bijlage 10Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                            (brandmeldinstallaties) 78</al>
            <al>Bijlage 11Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                            (ontruimingsintallatie) 81</al>
            <al>Bijlage 12Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                            (vluchtrouteaanduiding) 82</al>
            <al>Toelichting op de Bouwverordening Zevenaar 2007 83</al>
            <al>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning 190</al>
            <al>Leeswijzer 205</al>
            <al>1 Inleidende bepalingen</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>1 In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <al>
              <vet>asbest:</vet> hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter
                            a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al>
            <al>
              <vet>Besluit indieningsvereisten:</vet> het Besluit indieningsvereisten
                            aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57,
                            tweede en derde lid van de Woningwet; </al>
            <al>
              <vet>Besluit bouwwerken:</vet> het Besluit bouwvergunningsvrije en
                            licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43,
                            eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet; </al>
            <al>
              <vet>bouwbesluit:</vet> de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                            artikel 2 van de Woningwet;</al>
            <al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste lid, Woningwet
                            belast zijn met het bouw- en woningtoezicht;</al>
            <al>
              <vet>bouwwerk:</vet> elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                            metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                            hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                            steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                            functioneren;</al>
            <al>
              <vet>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:</vet> hetgeen
                            daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                            Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al>
            <al>
              <vet>gebruiksoppervlakte:</vet> de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                            het Bouwbesluit;</al>
            <al>
              <vet>hoogte van de weg:</vet> de hoogte van de weg zoals die door of
                            namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al>
            <al>
              <vet>NEN:</vet> een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven norm;</al>
            <al>
              <vet>NVN:</vet> een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven voornorm;</al>
            <al>
              <vet>straatpeil:</vet>
            </al>
            <al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de
                            hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al>
            <al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                            grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                            voltooiing van de bouw;</al>
            <al>
              <vet>weg:</vet> alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                            wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers,
                            de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                            de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al>
            <al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al>
            <al>
              <vet>bouwwerk:</vet> een gedeelte van een bouwwerk;</al>
            <al>
              <vet>gebouw:</vet> een gedeelte van een gebouw.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2</nr>
              <titel>Termijnen (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
              <titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel>
            </kop>
            <al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente:</al>
            <al>a het gebied binnen de bebouwde kom;</al>
            <al>b het gebied buiten de bebouwde kom.</al>
            <al>2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                            verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>2 De aanvraag bouwvergunning</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gegevens en bescheiden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.1</nr>
                <titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.2</nr>
                <titel>In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.3</nr>
                <titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.4</nr>
                <titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.5</nr>
                <titel>Bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol <cursief>Bodemonderzoek milieuvergunningen en
                                                BSB </cursief>(SDU, uitgave oktober 1993);</al></li>
                  <li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het <cursief>Protocol Nader Onderzoek deel 1
                                            </cursief>(SDU, uitgave 1994) of de <cursief>Richtlijn
                                                Nader Onderzoek deel 1</cursief> (SDU, uitgave
                                            1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                                            onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                            bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst
                                            van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                                            bedoeld in het <cursief>Protocol Nader Onderzoek deel
                                                1</cursief> (SDU, uitgave 1994) of de
                                                <cursief>Richtlijn Nader Onderzoek deel 1</cursief>
                                            (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li>
                  <li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de
                                    Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onder e van de
                                    Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.6</nr>
                <titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.7</nr>
                <titel>Bouwregistratie (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.8</nr>
                <titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.1</nr>
                <titel>Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.2</nr>
                <titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                    (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.3</nr>
                <titel>Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.4</nr>
                <titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                    (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.5</nr>
                <titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.6</nr>
                <titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven:</al>
              <al>a de naam van de aanvrager;</al>
              <al>b de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al>
              <al>c de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                wordt;</al>
              <al>d de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene
                                wet bestuursrecht.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Welstandstoetsing</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.3.1</nr>
                <titel>Welstandscriteria (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.1</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al>
              <al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al>
              <al>b voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist;
                                en</al>
              <al>c 1 dat de grond raakt, of</al>
              <al>2waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.2</nr>
                <titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.1</nr>
                <titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.2</nr>
                <titel>Anti-cumulatiebepaling</titel>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
                            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare
                                weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                                wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s,
                                vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te
                                verwachten verkeer.</al>
              <al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al>
              <al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten
                                minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                weg hebben van ten minste 4,2 m;</al>
              <al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                                een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                kunstwerken; en</al>
              <al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al>
              <al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken, voor zover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is,
                                maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen.</al>
              <al>4 Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al>
              <al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al>
              <al>6 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging
                                en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3A</nr>
                <titel>Brandweeringang</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.4</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel>
              </kop>
              <al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al>
              <al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al>
              <al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al>
              <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al>
              <al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al>
              <al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al>
              <al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al>
              <al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.5</nr>
                <titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>De voorgevelrooilijn is:</al>
              <al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al>
              <al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                                rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al>
              <al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al>
              <al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                meter uit de as van de weg;</al>
              <al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.6</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.7</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al>
              <al>a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>b andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al>
              <al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al>
              <al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.8</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>1 Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het
                                bepaalde in het tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod tot
                                het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:</al>
              <al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al>
              <al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                eerste lid, onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken, die
                                naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                erf toelaatbaar zijn;</al>
              <al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al>
              <al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen,
                                die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al>
              <al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al>
              <al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken.</al>
              <al>g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het
                                oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al>
              <al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al>
              <al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al>
              <al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al>
              <al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.9</nr>
                <titel>Bouwen op de weg</titel>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al>
              <al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                onder h, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit
                                bouwwerken;</al>
              <al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al>
              <al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al>
              <al>e andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en
                                bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.10</nr>
                <titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel>
              </kop>
              <al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al>
              <al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al>
              <al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al>
              <al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al>
              <al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al>
              <al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al>
              <al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid voor:</al>
              <al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al>
              <al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al>
              <al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al>
              <al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken bedoelde gebouwen;</al>
              <al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al>
              <al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al>
              <al>g gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                gebaat.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.11</nr>
                <titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al>
              <al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer
                                dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden
                                beschreven, geldt de grootste;</al>
              <al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm
                                van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand
                                van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
              <al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                                bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
              <al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of
                                te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een
                                afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                                geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
              <al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand
                                die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere
                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al>
              <al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing – in het belang van de toetreding van daglicht –
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al>
              <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het
                                gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.12</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.13</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al>
              <al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al>
              <al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al>
              <al>c onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                bouwwerken;</al>
              <al>d onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al>
              <al>e andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al>
              <al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al>
              <al>2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al>
              <al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en
                                f, van het Besluit bouwwerken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.14</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al>
              <al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al>
              <al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al>
              <al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al>
              <al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al>
              <al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al>
              <al>f bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder
                                b, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al>
              <al>h bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al>
              <al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al>
              <al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in
                                artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al>
              <al>l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.15</nr>
                <titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel>
              </kop>
              <al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al>
              <al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel,
                                en</al>
              <al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van
                                ten minste 5 meter.</al>
              <al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing
                                blijven. </al>
              <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in:</al>
              <al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                                gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al>
              <al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan:</al>
              <al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al>
              <al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al>
              <al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                wordt de bestaande toestand verbeterd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.16</nr>
                <titel>Erf bij overige gebouwen</titel>
              </kop>
              <al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid:</al>
              <al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen;</al>
              <al>b indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod
                                tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.17</nr>
                <titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al>
              <al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al>
              <al>b niet toegankelijk zijn.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig
                                is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.18</nr>
                <titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel>
              </kop>
              <al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf
                                of terrein.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.19</nr>
                <titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel>
              </kop>
              <al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige
                                bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij
                                het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al>
              <al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken
                                worden gebouwd.</al>
              <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al>
              <al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                daarvoor geen bezwaar oplevert;</al>
              <al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.20</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                                voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al>
              <al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al>
              <al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al>
              <al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al>
              <al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al>
              <al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al>
              <al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.21</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al>
              <al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al>
              <al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al>
              <al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al>
              <al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen,
                                wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                achtergevelrooilijnen.</al>
              <al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
                                gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn
                                gelegen voorgevelrooilijn.</al>
              <al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al>
              <al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.22</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al>
              <al>2Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                                voorgevel.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.23</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel>
              </kop>
              <al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al>
              <al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al>
              <al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al>
              <al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.24</nr>
                <titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>1 De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                bedragen dan 15 meter.</al>
              <al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.25</nr>
                <titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel>
              </kop>
              <al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.26</nr>
                <titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al>
              <al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.
                            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.27</nr>
                <titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al>
              <al>a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al>
              <al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn
                                of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al>
              <al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.28</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al>
              <al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al>
              <al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien
                                de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al>
              <al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al>
              <al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al>
              <al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                het Besluit bouwwerken, en indien:</al>
              <al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                gebaat;</al>
              <al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al>
              <al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid,
                                van het Besluit bouwwerken;</al>
              <al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al>
              <al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al>
              <al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet
                                voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                behoren;</al>
              <al>j draagconstructies voor een reclame;</al>
              <al>k vrijstaande schoorstenen;</al>
              <al>l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.29</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel>
              </kop>
              <al>1 In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de
                                verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding
                                van de maximale bouwhoogte. </al>
              <al>2 De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en
                                wethouders worden verleend indien:</al>
              <al>a de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro;</al>
              <al>b de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de
                                provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al>
              <al>c het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al>
              <al>3 Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande
                                dat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                        schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                        inbrengen;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                        wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                        bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                        verdagen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.30</nr>
                <titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van
                                auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het
                                gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
                                gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al>
              <al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto’s.</al>
              <al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al>
              <al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten bij langsparkeren
                                ten minste 1,80 meter bij 5,00 meter en ten hoogste 2,50 meter bij
                                6,00 meter bedragen en bij haaksparkeren ten minste 2,25 meter bij
                                5,00 meter en ten hoogste 2,50 meter bij 6,00 meter;</al>
              <al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst – ten minste 3,00 meter bij 5,00 meter bedragen,
                                en bij voorkeur 3,50 meter bij 5,00 meter.</al>
              <al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al>
              <al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste en het derde lid:</al>
              <al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al>
              <al>b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.1</nr>
                <titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.2</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1"><al>Een gebruiksfunctie:</al><lijst>
                    <li nr="a"><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is
                                                gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                                deze verordening aangegeven waarde boven het
                                                meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit; </al></li>
                    <li nr="b"><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt
                                                dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                                verordening aangegeven grenswaarden; </al></li>
                    <li nr="c"><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                                bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                                bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                                grenswaarde;</al></li>
                    <li nr="d"><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                                bouwlagen dan in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                                aangegeven;</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535,
                                uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al>
              <lijst>
                <li nr="2"><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                        woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte
                                        slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte
                                        waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van
                                        waaruit de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen
                                        worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een
                                        brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is
                                        van één of meer van de volgende situaties:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een
                                                verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere
                                                richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10
                                                meter;</al></li>
                    <li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                                waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht
                                                alsmede de op dit gedeelte aangewezen
                                                verblijfsruimten is groter dan 200
                                                m<sup>2</sup>;</al></li>
                    <li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                                betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.3</nr>
                <titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel>
              </kop>
              <al>1 De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld
                                in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is
                                uitgevoerd als:</al>
              <al>a niet-automatische bewaking; of</al>
              <al>b gedeeltelijke bewaking; of</al>
              <al>c volledige bewaking; </al>
              <al>zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening,
                                of</al>
              <al>d ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en
                                risicoruimten.</al>
              <al>2 Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een bouwwerk
                                aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de
                                alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                                deze verordening.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.4</nr>
                <titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel>
              </kop>
              <al>1 Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave
                                1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al>
              <al>2 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een
                                door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van
                                eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1
                                uitgave 2002.</al>
              <al>3 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer,
                                is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling
                                Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een
                                certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter
                                zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een
                                schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten
                                minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                                vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.5</nr>
                <titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                    alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit
                                    het bouwwerk kunnen vluchten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage
                                    11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.6</nr>
                <titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien
                                    van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2,
                                    tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende
                                    verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.7</nr>
                <titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel>
              </kop>
              <al>1 Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575,
                                uitgave 2004.</al>
              <al>2 Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van
                                eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.8</nr>
                <titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel>
              </kop>
              <al>1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes
                                dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen
                                vluchten.</al>
              <al>2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12
                                van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.9</nr>
                <titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel>
              </kop>
              <al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                                verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in
                                NEN 6088, uitgave 2002.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.10</nr>
                <titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval
                                    van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                    toepassing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.11</nr>
                <titel>Gelijkwaardigheid</titel>
              </kop>
              <al>1 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie
                                wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige
                                toepassing.</al>
              <al>2 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van
                                overeenkomstige toepassing.</al>
              <al>3 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                aanwezig is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.6.12</nr>
                <titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel>
              </kop>
              <al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het
                                goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een
                                calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het
                                publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die
                                mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat
                                bouwwerk mogelijk maakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.1</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.2</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.3</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel>
              </kop>
              <al>1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m.</al>
              <al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                                bejaarden.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid:</al>
              <al>a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                m<sup>2</sup>;</al>
              <al>b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al>
              <al>c voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69
                                van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.4</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al>1 De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën
                                moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. </al>
              <al>Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                openbare riolering aanwezig is. </al>
              <al>2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al>
              <al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de
                                voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen
                                de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet
                                of moeten kruisen;</al>
              <al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                afvalwater en faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                                natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen. </al>
              <al>3 Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede
                                staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor
                                andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid
                                of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft. </al>
              <al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                                verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is:</al>
              <al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                openbaar riool zijn gelegen;</al>
              <al>b voor agrarische bedrijven.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.5</nr>
                <titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                aangesloten, gelden de volgende bepalingen: </al>
              <al>a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;</al>
              <al>b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een
                                gierput of een rottingput met overstort;</al>
              <al>c leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen
                                verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden;</al>
              <al>d leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen
                                niet lozen op een rottingput. </al>
              <al>2 De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten: </al>
              <al>a zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht
                                kan optreden; en</al>
              <al>b zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                                bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in
                                verband met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de
                                bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand
                                van de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel. </al>
              <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:</al>
              <al>a van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                is;</al>
              <al>b van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en
                                de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel
                                de infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een
                                rottingput. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.6</nr>
                <titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel>
              </kop>
              <al>1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al>
              <al>2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al>
              <al>3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al>
              <al>4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn.</al>
              <al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al>
              <al>5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm.</al>
              <al>6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn.</al>
              <al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
                                het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.7</nr>
                <titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>3 De melding (vervallen)</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.1</nr>
              <titel>De wijze van melden (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2</nr>
              <titel>Welstandscriteria (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.1</nr>
              <titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien:</al>
            <al>a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning
                            geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al>
            <al>b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                            werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                            stilliggen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.2</nr>
              <titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel>
            </kop>
            <al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al>
            <al>a de bouwvergunning;</al>
            <al>b andere vergunningen en ontheffingen;</al>
            <al>c het bouwveiligheidsplan;</al>
            <al>d een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot
                            toepassing van </al>
            <al> bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.3</nr>
              <titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.4</nr>
              <titel>Het uitzetten van de bouw</titel>
            </kop>
            <al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            – onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde –
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig:</al>
            <al>a het straatpeil is aangegeven;</al>
            <al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                            uitgezet.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.5</nr>
              <titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <al>1 Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                            bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                            voorwaarden van de bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de
                            aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in
                            kennis te worden gesteld:</al>
            <al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                            begrepen;</al>
            <al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                            proefpalen daaronder begrepen;</al>
            <al>c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al>
            <al>2 Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                            worden gesteld van het storten van beton.</al>
            <al>3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                            het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.6</nr>
              <titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel>
            </kop>
            <al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouw-besluit nodig acht.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.7</nr>
              <titel>Bemalen van bouwputten</titel>
            </kop>
            <al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.8</nr>
              <titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel>
            </kop>
            <al>1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                            moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                            veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de
                            weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige
                            bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al>
            <al>2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                            wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse
                            werktijd niet inbegrepen:</al>
            <al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
                            van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                            uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door
                            anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al>
            <al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand,
                            dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan
                            de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al>
            <al>3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                            elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                            aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                            voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                            gewaarborgd.</al>
            <al>4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen
                            of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                            veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.9</nr>
              <titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel>
            </kop>
            <al>1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                            werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding
                            van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden
                            indien gevaar of hinder te duchten is. </al>
            <al>2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst
                            en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en
                            de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals
                            leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al>
            <al>3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                            niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                            afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                            tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.10</nr>
              <titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel>
            </kop>
            <al>1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen
                            en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft,
                            voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van
                            onderhoud verkeren.</al>
            <al>2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                            werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                            omgeving optreedt.</al>
            <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                            schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                            veroorzaken, verbieden.</al>
            <al>4 Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                            werk te gebruiken krachtwerktuig:</al>
            <al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al>
            <al>b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al>
            <al>c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                            gebruikt.</al>
            <al>5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                            indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu
                            waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van
                            toepassing is.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.11</nr>
              <titel>Bouwafval</titel>
            </kop>
            <al>1Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                            volgende fracties:</al>
            <al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                            Afvalstoffenlijst</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL;
                                    Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9).</al></li>
              <li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al></li>
              <li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al></li>
              <li nr="d."><al>overig afval.</al><lijst>
                  <li nr="2"><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder
                                            d, en de fracties, bedoeld in het</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al>voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden
                            worden gehouden.</al>
            <al>3Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject
                            minder bedraagt dan</al>
            <al>de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig
                            bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor
                            tijdelijke opslag.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.12</nr>
              <titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1"><al>Van het gereedkomen </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                            riolering, alsmede van</al><al> leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en
                                            vloeren beneden straatpeil;</al></li>
                  <li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                            alsmede van de thermische isolatie in</al><al> andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van
                                            de onder a en b bedoelde </al><al> werkzaamheden in kennis worden gesteld. </al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al>2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                            mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden
                            onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al>
            <al>3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                            die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning
                            verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is
                            bepaald. </al>
            <al>4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                            bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden
                            bij het bouwtoezicht gemeld.</al>
            <al>5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.13</nr>
              <titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel>
            </kop>
            <al>1 Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                            buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste
                            twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden
                            gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al>
            <al>a het niet verwerken van bevroren materialen;</al>
            <al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al>
            <al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                            vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                            beneden 2 graden Celsius is.</al>
            <al>2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.14</nr>
              <titel>Verbod tot ingebruikneming (vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Staat van open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.1</nr>
                <titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel>
              </kop>
              <al>1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al>
              <al>2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al>
              <al>a drassigheid;</al>
              <al>b stank;</al>
              <al>c verontreiniging;</al>
              <al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al>
              <al>e aanwezigheid van begroeiing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.2</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het
                                overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al>
              <al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al>
              <al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten
                                minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                weg hebben van ten minste 4,2 m;</al>
              <al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                                een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                kunstwerken; en</al>
              <al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al>
              <al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel
                                tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen.</al>
              <al>4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al>
              <al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel>
              </kop>
              <al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al>
              <al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit; </al>
              <al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al>
              <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al>
              <al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al>
              <al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al>
              <al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al>
              <al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.1</nr>
                <titel>Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel>
              </kop>
              <al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12
                                van overeenkomstige toepassing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.2</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen,
                                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                    logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.3</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.4</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.5</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.1</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.2</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.3</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al>
              <al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al>
              <al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m.</al>
              <al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al>
              <al>a woningen voor bejaarden;</al>
              <al>b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al>
              <al>c woningen die niet worden verhuurd;</al>
              <al>d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.4</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al>1 De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in
                                artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                openbaar riool.</al>
              <al>2 Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al>
              <al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al>
              <al>b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                                riool zijn gelegen;</al>
              <al>c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al>
              <al>d op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime
                                gier- of beerput aanwezig is.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.5</nr>
                <titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al>
              <al>a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al>
              <al>b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al>
              <al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al>
              <al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.6</nr>
                <titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.7</nr>
                <titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.4.1</nr>
                <titel>Preventie</titel>
              </kop>
              <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6 Brandveilig gebruik</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gebruiksvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.1</nr>
                <titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel>
              </kop>
              <al>1 Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning
                                van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of
                                te houden, waarin:</al>
              <al>a meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders
                                dan in een één- of meergezinshuis;</al>
              <al>
                <cursief>b</cursief>
                <cursief> (vervallen)</cursief>
              </al>
              <al>c aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al>
              <al>d aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan
                                tien lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal
                                worden verschaft;</al>
              <al>e een brandcompartiment is gelegen dat, op grond van de bepalingen
                                inzake grote</al>
              <al>brandcompartimenten van het Bouwbesluit, met toepassing van en
                                overeenkomstig het</al>
              <al> Brandbeveiligingsconcept “Beheersbaarheid van Brand” is
                                gerealiseerd.</al>
              <lijst>
                <li nr="2"><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                        slechts voorwaarden verbinden in het belang van het
                                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken
                                        van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen
                                        bij brand. </al></li>
                <li nr="3"><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                        vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of
                                        verandering van de omstandigheden gelegen buiten het
                                        bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning,
                                        kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe
                                        voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of
                                        intrekken.</al></li>
                <li nr="4"><al>Indien sprake is van een bedrijfsverzamelgebouw waarop
                                        artikel 6.1.1, eerste lid sub a van </al><al> toepassing is:</al><al> a dient de eigenaar te beschikken over een
                                        gebruiksvergunning voor álle </al><al> gemeenschappelijke ruimten en dient voor al deze ruimten
                                        tezamen (ook voor zover </al><al> hierin minder dan 50 personen zullen verblijven) één
                                        gebruiksvergunning aan te </al><al> vragen;</al><al> b dienen de afzonderlijke gebruikers een gebruiksvergunning
                                        voor de niet- </al><al> gemeenschappelijke gedeelten te bezitten, voor zover in de
                                        betreffende gebouwdelen </al><al> artikel 6.1.1, eerste lid sub a van toepassing is;</al><al> c wordt de beheerder / eigenaar verantwoordelijk geacht
                                        voor de instandhouding van </al><al> alle gemeenschappelijke brandveiligheidsvoorzieningen in
                                        het gehele pand. Dus ook </al><al> voor zover deze voorzieningen zich bevinden in een
                                        individuele ruimte van een </al><al> gebruiker in het bedrijfsverzamelgebouw.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.2</nr>
                <titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel>
              </kop>
              <al>1 Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd
                                als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al>
              <al>2 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden
                                moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid genoemde
                                bijlage.</al>
              <al>3 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in drievoud
                                worden ingediend.</al>
              <al>4 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al>
              <al>5 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen.</al>
              <al>6 De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan
                                wel worden gewaarmerkt.</al>
              <al>7 Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                blijken.</al>
              <al>8 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een
                                bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.3</nr>
                <titel>In behandeling nemen</titel>
              </kop>
              <al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde
                                eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en
                                4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en
                                wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te
                                geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.4</nr>
                <titel>Termijn van beslissing</titel>
              </kop>
              <al>1 Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste
                                zes weken verdagen.</al>
              <al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al>
              <al>a voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over
                                die vergunning nog niet hebben beslist;</al>
              <al>b voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van
                                bestuursdwang of opleggen van een last onder dwangsom dan wel een
                                besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is genomen wegens
                                strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in
                                artikel 1b van de Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid
                                vermelde termijn is verzonden, doch aan dit besluit nog niet is
                                voldaan.</al>
              <al>4 De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is
                                beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a
                                van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het besluit als
                                bedoeld onder letter b van het derde lid en burgemeester en
                                wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.5</nr>
                <titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel>
              </kop>
              <al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                volgende omstandigheden zich voordoet:</al>
              <al>a de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan
                                in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een
                                brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan
                                geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt;</al>
              <al>b de bouwvergunning is geweigerd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.6</nr>
                <titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel>
              </kop>
              <al>1 Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken
                                indien:</al>
              <al>a blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens hebben verleend;</al>
              <al>b blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                                voorwaarde van de vergunning;</al>
              <al>c van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na
                                het onherroepelijk worden van de vergunning;</al>
              <al>d van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer
                                geen gebruik is gemaakt;</al>
              <al>e het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond
                                van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het
                                stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                beschermen.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat
                                zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1.7</nr>
                <titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel>
              </kop>
              <al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig
                                zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor
                                de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.2.1</nr>
                <titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel>
              </kop>
              <al>1 Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                verordening.</al>
              <al>2 Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                bouwwerk met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in
                                woonfuncties te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per
                                onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.2.2</nr>
                <titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel>
              </kop>
              <al>1 In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                brandgevaarlijke stof aanwezig.</al>
              <al>2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al>
              <al>a de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende
                                stoffen niet wordt overschreden, met dien verstande dat de totale
                                toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen honderd kilogram of
                                liter is,</al>
              <al>b de betreffende stof zodanig is verpakt</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is,
                                        en</al></li>
                <li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan
                                        ontsnappen, en</al><al> c de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van
                                        de op de verpakking </al><al> aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen). </al></li>
              </lijst>
              <al>3 Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                op:</al>
              <al> a de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor;</al>
              <al>b de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander
                                warmteontwikkelend </al>
              <al> toestel;</al>
              <al>c voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en</al>
              <al>d het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5 aangegeven
                                maximum </al>
              <al> hoeveelheid van de betreffende stof voor zover dat bij of krachtens
                                de Wet </al>
              <al> milieubeheer is toegestaan.</al>
              <al>4Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                onder a, worden volledig </al>
              <al>4 meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is
                                gevuld met een vloeistof die in </al>
              <al>4 bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.2.3</nr>
                <titel>Opslag en verwerking stoffen (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.3.1</nr>
                <titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen
                                    (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.3.2</nr>
                <titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de
                                zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al>
              <al>a middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                bestrijding van brand;</al>
              <al>b middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen
                                en dieren bij brand.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.4.1</nr>
                <titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en
                                met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open
                                erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li>
                <li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li>
                <li nr="c."><al>het vluchten wordt belemmerd.</al></li>
              </lijst>
              <al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze
                                wet genoemde wet van toepassing is.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Overbevolking</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.1.1</nr>
                <titel>Overbevolking van woningen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.1.2</nr>
                <titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staken van het gebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.1</nr>
                <titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al>
              <al>a bouwvalligheid van het bouwwerk;</al>
              <al>b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.2</nr>
                <titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel>
              </kop>
              <al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.3</nr>
                <titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel>
              </kop>
              <al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.1</nr>
                <titel>(vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.2</nr>
                <titel>Hinder</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of
                                terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten, of werktuigen te
                                gebruiken, waardoor:</al>
              <al>a overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                het bouwwerk, het open erf of terrein;</al>
              <al>b op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door: geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al>
              <al>c instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt;</al>
              <al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.4.1</nr>
                <titel>Preventie</titel>
              </kop>
              <al>1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al>
              <al>2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Watergebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.5.1</nr>
                <titel>Verboden gebruik van water</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Installaties</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.6.1</nr>
                <titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel>
              </kop>
              <al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>8 Slopen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Sloopvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.1</nr>
                <titel>Sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>1 Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder
                                begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van
                                burgemeester en wethouders (sloopvergunning).</al>
              <al>2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen
                                ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan
                                wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders kunnen aan hun
                                besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al>
              <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen aan de sloopvergunning ondermeer
                                voorschriften verbinden over:</al>
              <al>a de veiligheid tijdens het slopen;</al>
              <al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al>
              <al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                afval;</al>
              <al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de
                                gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor
                                zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al>
              <lijst>
                <li nr="4"><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het
                                        derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het
                                        selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de
                                        tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties
                                        gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                                        Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                        met betrekking tot asbest voorschriften over het
                                        afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                        sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                        plaatsvinden.</al></li>
                <li nr="5"><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                        indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een
                                        seizoensgebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over
                                        het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het
                                        zesde lid van artikel 45 van de Woningwet.</al></li>
                <li nr="6"><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de sloopvergunning het
                                        volgende voorschrift verbinden: Uiterlijk twee weken voor
                                        aanvang van de sloopwerkzaamheden moeten de eigenaren en/of
                                        gebruikers van de nabijgelegen bouwwerken worden bericht
                                        omtrent het tijdstip van aanvang van de sloopwerkzaamheden.
                                        Bij deze mededeling moet in ieder geval worden geattendeerd
                                        op eventuele wenselijkheid van een inventarisatie van de
                                        bouwkundige staat van deze bouwwerken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.2</nr>
                <titel>Aanvraag sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>1 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                formulier.</al>
              <al>2 De aanvraag moet inhouden:</al>
              <al>a correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al>
              <al>b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al>
              <al>c naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                belast;</al>
              <al>d de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te
                                slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk; Indien
                                de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan
                                één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het
                                negende lid is gewaarmerkt;</al>
              <al>e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de
                                sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele
                                bouwwerk wordt gesloopt;</al>
              <al>f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van
                                het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al>
              <al>g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor
                                een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen
                                gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te
                                breiden bouwwerk;</al>
              <al>h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                plaatsvinden;</al>
              <al>en voorts, indien van toepassing:</al>
              <al>i het sloopveiligheidsplan.</al>
              <al>3 In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn
                                indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                overgelegd:</al>
              <al>a een afschrift van een volledig asbestinventarisatierapport,
                                conform BRL 5052, uitgevoerd door een BRL 5052 gecertificeerd
                                asbest-onderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in
                                het te slopen bouwwerk bevindt;</al>
              <al>b een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 16 oktober 1998 (=
                                datum van verwerking in de gemeentelijke bouwverordening van de
                                vierde serie wijzigingen van de Model-bouwverordening d.d. 1 juli
                                1997) dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit
                                blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;
                                indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1
                                januari 1994, dient tevens een schriftelijke verklaring van de
                                aanvrager te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te
                                slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende
                                materialen zijn toegepast;</al>
              <al>c een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd
                                na 1 januari 1994;</al>
              <al>d bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing
                                vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen:
                                een schriftelijke verklaring van de bouwer van het te slopen
                                bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip
                                van de bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij
                                asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al>
              <al>e bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring
                                van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen
                                asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager
                                dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                is.</al>
              <al>4 Indien - gelet op het derde lid - wordt vermoed dat het bouwwerk
                                asbest bevat of de aanvrager </al>
              <al> weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest
                                bevindt wordt met een </al>
              <al> volledig asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                                aangetoond of dit juist is, en zo </al>
              <al> ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig </al>
              <al> bedrijf wordt overgelegd, moeten bij de aanvraag </al>
              <al> andere gegevens worden overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig
                                is, en zo ja, waar dit </al>
              <al> asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan
                                indien</al>
              <al> a de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het
                                verwijderen van </al>
              <al> asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen, of </al>
              <al> b een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de
                                aanvraag is gevoegd.</al>
              <al>5 Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat
                                een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk
                                is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159,
                                blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                                vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van
                                dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden
                                gevoegd.</al>
              <al>6 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in tweevoud
                                worden ingediend.</al>
              <al>7 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al>
              <al>8 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen, dan wel indien zij betrekking heeft op
                                asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van
                                hetzelfde project.</al>
              <al>9 De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten
                                door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel
                                gewaarmerkt worden.</al>
              <al>10 Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                                bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.</al>
              <al>11 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een
                                bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld. </al>
              <al>12 Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                asbest.</al>
              <al>13 Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking
                                heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel
                                8.2.1.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.3</nr>
                <titel>In behandeling nemen</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden
                                ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                                stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid de
                                door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een
                                door hen te stellen termijn.</al>
              <al>Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat over
                                het verwijderen van asbest en uit gegevens waarover de gemeente
                                beschikt blijkt dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zich in
                                het te slopen bouwwerk asbest bevindt.</al>
              <al>2 Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.4</nr>
                <titel>Termijn van beslissing</titel>
              </kop>
              <al>1 Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
                                Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken
                                verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo
                                spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al>
              <al>2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om sloopvergunning is
                                ingediend, indien het slopen uitsluitend is bedoeld om asbest of
                                asbesthoudende producten uit een bouwwerk te verwijderen.</al>
              <al>3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid houden
                                burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning
                                krachtens artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een
                                provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een
                                leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                                dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist
                                en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding
                                eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van
                                vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen
                                beslissing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.5</nr>
                <titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een
                                bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij
                                de aanvraag om sloopvergunning – voor zover voor beide aanvragen
                                dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd – worden verwezen
                                naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag
                                om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te
                                worden ingediend.</al>
              <al>2 In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing
                                op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op
                                de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen
                                gelijktijdig zijn ingediend.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.6</nr>
                <titel>Weigeren sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al>
              <al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al>
              <al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd;</al>
              <al>c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale
                                of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet
                                is verleend;</al>
              <al>d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is
                                verleend;</al>
              <al>e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond
                                van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is
                                verleend.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.7</nr>
                <titel>Intrekking sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>1 Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                indien: </al>
              <al>a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al>
              <al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al>
              <al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al>
              <al>2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat
                                zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.2.1</nr>
                <titel>Sloopmelding</titel>
              </kop>
              <al>1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening van
                                een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al>
              <al>a geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al>
              <al>b asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al>
              <al> mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is meegedeeld dat geen sloopvergunning
                                is vereist.</al>
              <al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                                logiesverblijf.</al>
              <al>2 Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al>
              <al>3 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in tweevoud
                                worden ingediend.</al>
              <al>4 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al>
              <al>5 In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard
                                en het gebruik van het bouwwerk.</al>
              <al>6 Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al>
              <al>7 Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al>
              <lijst>
                <li nr="8"><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid </al><al> voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering,
                                        opslag en afvoer van asbest. </al></li>
                <li nr="9"><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht de </al><al> voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de
                                        voorschriften die bij of krachtens de </al><al> artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                                        zijn gesteld, in acht te nemen.</al></li>
              </lijst>
              <al>10 Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al>
              <al>11 Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot
                                en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.2.2</nr>
                <titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al>
              <al>a geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al>
              <al> b verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                van kassen;</al>
              <al> c rem-frictiematerialen;</al>
              <al> d pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al>
              <al> e pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een </al>
              <al> nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.1</nr>
                <titel>Veiligheid op sloopterrein</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.2</nr>
                <titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel>
              </kop>
              <al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.3</nr>
                <titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>1 De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, opdragen aan een BRL 5050 gecertificeerd
                                bedrijf.</al>
              <al>2 De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                                krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al>
              <al>3 De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al>
              <al>4 De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.4</nr>
                <titel>Plichten van degene die sloopt</titel>
              </kop>
              <al>1 Indien wordt gesloopt en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt
                                dat bij de aanvraag voor de sloopvergunning niet is vermeld, is
                                degene die sloopt verplicht de sloopwerkzaamheden onmiddellijk te
                                staken en hiervan terstond melding te doen aan bouw- en
                                woningtoezicht. De sloop mag pas worden hervat na toestemming van
                                bouw- en woningtoezicht.</al>
              <al>2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste zeven dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden schriftelijk te worden gemeld. De
                                sloop mag niet worden begonnen voordat deze melding, voor akkoord
                                ondertekend door bouw- en woningtoezicht, is terug ontvangen.</al>
              <al>3 Uiterlijk veertien dagen na het einde van de sloopwerkzaamheden,
                                dient Het meldingsformulier einde sloop volledig ingevuld, compleet
                                met de in de sloopvergunning vereiste schriftelijke documenten of
                                kopieën daarvan, ingediend te worden bij bouw- en
                                woningtoezicht.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.5</nr>
                <titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel>
              </kop>
              <al>1 Voorzover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk
                                wordt gesloopt. Indien het bouwwerk voorzien is van een asbestdak en
                                ook aan de binnenzijde asbest is toegepast, dient eerst het aan de
                                binnenzijde aanwezige asbest conform BRL 5050 te worden
                                verwijderd.</al>
              <al>2 Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al>
              <al>3 Binnen twee dagen nadat de asbestsanering is vrijgegeven door een
                                daartoe gecertificeerd</al>
              <al>laboratorium, maar in ieder geval voordat de overige
                                sloopwerkzaamheden worden gestart, dient het asbest te zijn
                                afgevoerd van de slooplocatie naar een daartoe bevoegde
                                verwerkingsinrichting.</al>
              <al>4 Het is verboden om sloopwerkzaamheden uit te voeren indien op het
                                sloopterrein nog asbest</al>
              <al>verpakt of onverpakt aanwezig is.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.6</nr>
                <titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                                    (vervallen)</titel>
              </kop>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vrij slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.4.1</nr>
                <titel>Sloopafval algemeen</titel>
              </kop>
              <al>1 Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in
                                de navolgende fracties:</al>
              <al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al>
              <al>b steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al>
              <al>c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al>
              <al>d met PAKS verontreinigde materialen;</al>
              <al>e asfalt;</al>
              <al>f dakgrind;</al>
              <al>g overig afval.</al>
              <al>2Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>9 Welstand</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.1</nr>
              <titel>De advisering door de welstandscommissie</titel>
            </kop>
            <al>De tekst van <cursief>alternatief 1</cursief> treedt in werking op 1
                            januari 2003 en vervalt op 1 april 2003.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 1 </cursief>(vervallen)</al>
            <al>De tekst van <cursief>alternatief 2 </cursief>treedt in werking op 1
                            april 2003.</al>
            <al>
              <cursief>Alternatief 2</cursief>
            </al>
            <al>1 De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan het
                            Gelders Genootschapdie uit haar midden personen voordraagt als lid van
                            de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                            welstandscommissie.</al>
            <al>2 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                            aanvragen voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in
                            artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie
                            baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde
                            welstandscriteria.</al>
            <al>3 Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                            welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in
                            strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders
                            baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde
                            welstandscriteria.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.2</nr>
              <titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel>
            </kop>
            <al>1 De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en vier
                            leden, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van
                            architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al>
            <al>2 Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen
                            bij afwezigheid kunnen vervangen.</al>
            <al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                            minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                            beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al>
            <al>4 De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                            ten opzichte van het gemeentebestuur.</al>
            <al>5 De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                            plaatsvervanger.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.3</nr>
              <titel>Benoeming en zittingsduur</titel>
            </kop>
            <al>1 De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                            welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                            burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                            gemeenteraad.</al>
            <al>2 De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                            van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor
                            een periode van ten hoogste drie jaar.</al>
            <al>3 Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                            deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de
                            voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.4</nr>
              <titel>Jaarlijkse verantwoording</titel>
            </kop>
            <al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li>
              <li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li>
              <li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li>
            </lijst>
            <al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.5</nr>
              <titel>Termijn van advisering</titel>
            </kop>
            <al>1 De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                            lichte bouwvergunning uit binnen een week nadat door of namens
                            burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al>
            <al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            reguliere bouwvergunning uit binnen twee weken nadat door of namens
                            burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al>
            <al>3 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen twee weken nadat door of
                            namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al>
            <al>4 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                            welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde
                            leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies.
                            Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven
                            indien de termijn van afdoening van de aanvraag om</al>
            <al>a een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid,
                            sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken;</al>
            <al>b een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste
                            lid, sub van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken;</al>
            <al>c een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste
                            lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</tussenkop>
        <al>1 De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De
                    agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt
                    in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en
                    wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot
                    niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                    klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                    ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                    beoordeling als de adviezen.</al>
        <al>2 Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de
                    aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                    welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                    bouwplan.</al>
        <al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                    behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de
                    aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering
                    van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al>
        <al>4 Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde
                    van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld,
                    voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht
                    in de toelichtende fase en de beraadslagingen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</tussenkop>
        <al>1 De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren
                    aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                    en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al>
        <al>2 In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de
                    welstandscommissie.</al>
        <al>3 Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en
                    wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot
                    niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                    klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                    ten grondslag te leggen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</tussenkop>
        <al>1 De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al>
        <al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en
                    wethouders gevoegd bij de aanvraag om een bouwvergunning.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</tussenkop>
        <al>1 Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft
                    een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te
                    sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet
                    dan nadat:</al>
        <al>a op het voornemen inspraak is verleend;</al>
        <al>b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al>
        <al>2De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in
                    de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</al>
        <tussenkop>10 Overige administratieve bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</tussenkop>
        <al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
                    moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor
                    het laatstelijk is gebruikt.</al>
        <tussenkop>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</tussenkop>
        <al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                    woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning
                    als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel
                    8.1.1 op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op
                    aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan
                    degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</al>
        <tussenkop>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                    woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</tussenkop>
        <al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening
                    en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                    voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze verordening
                    behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken
                    norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen
                    en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al>
        <tussenkop>11 Handhaving</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
                    (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</tussenkop>
        <al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig
                    ander </al>
        <al>verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht,
                    geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde
                    verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn
                    dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                    gezien.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                    en terreinen</tussenkop>
        <al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                    gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis
                    van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet
                    van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van
                    de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning </tussenkop>
        <al>1 Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 54 van de
                    brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 maart 1976
                    geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.</al>
        <al>2 Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking – hoe ook genaamd –
                    verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit
                    d.d. 17 maart 1976, blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is
                    verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12.6 Slotbepaling</tussenkop>
        <al>1 Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is
                    afgekondigd.</al>
        <al>2 Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al>
        <al>a de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23 september 1987 en
                    alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al>
        <al>b de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 23
                    september 1987 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                    brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken
                    stelt.</al>
        <al>3Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening Zevenaar 2007</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>