<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR355345_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Capelle aan den IJssel 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-76967.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dprimair%2bonderwijs%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dCapelle%2baan%2bden%2bIJssel%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d2%26rpp%3d10%26_page%3d1%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=5&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad Jaargang 2014 nr. 76967</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Capelle aan den IJssel 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Artikel 149 van de Gemeentewet, </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-03-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>604612</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Capelle aan</al><al>den IJssel 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Capelle aan den IJssel 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Capelle aan den IJssel 2015</vet></al><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 18 november 2014;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100</al><al>van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>gezien het advies van de raadscommissie Dienstverlening en Economie van 1 december 2014;</al><al>b e s l u i t :</al><al>onder gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Capelle aan</al><al>den IJssel 2012, vast te stellen de <vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente</vet></al><al><vet>Capelle aan den IJssel 2015</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een</al></li><li nr="-"><al>voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de</al></li><li nr="-"><al>Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of</al></li><li nr="-"><al>artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de</al></li><li nr="-"><al>expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school</al></li><li nr="-"><al>die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van</al></li><li nr="-"><al>de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op</al></li><li nr="-"><al>het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16,</al></li><li nr="-"><al>tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is</al></li><li nr="-"><al>gebracht;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 Wet op het primair onderwijs, artikel 94 Wet op de</al></li><li nr="-"><al>expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en</al></li><li nr="-"><al>materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op</al></li><li nr="-"><al>de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al><vet>- </vet>school:</al></li><li nr="-"><al>1°. school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in</al></li><li nr="-"><al>artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>2°. school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal</al></li><li nr="-"><al>onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet</al></li><li nr="-"><al>speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor</al></li><li nr="-"><al>speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de</al></li><li nr="-"><al>expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de</al></li><li nr="-"><al>Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="-"><al>3°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend</al></li><li nr="-"><al>wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor</al></li><li nr="-"><al>voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5</al></li><li nr="-"><al>van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard</al></li><li nr="-"><al>van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs</al></li><li nr="-"><al>kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de</al></li><li nr="-"><al>Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik</al></li><li nr="-"><al>voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de</al></li><li nr="-"><al>prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:</al><al>a.voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:</al><al>1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking</al><al>is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of</al><al>gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;</al><al>2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al>3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten</al><al>van een school;</al><al>4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een</al><al>school;</al><al>5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en</al><al>met 4°;</al><al>6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet</al><al>eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al><al>7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het Rijk of de gemeente is</al><al>bekostigd;</al><al>8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school</al><al>in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of</al><al>bewegingstherapie;</al><al>b.herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen</al><al>gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare</al><al>materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al><al>c.herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en</al><al>hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al><al>d.huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor</al><al>voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en 2°, kan een aanvraag voor het</al><al>bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden</al><al>ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><al>1.Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 6° en 7°, wordt de</al><al>vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.</al><al>2.Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de</al><al>feitelijke kosten.</al><al>3.De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8%</al><al>(bij projecten tot een bruto vloeroppervlakte van 2500 m²), respectievelijk 5% (bij grotere</al><al>projecten) van het aangegeven normbedrag, genoemd in Bijlage IV. Bij de uiteindelijke</al><al>genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende)</al><al>nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de</al><al>bouwvoorbereiding in mindering gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren</al><al>van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college</al><al>vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>1.Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd</al><al>gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin van het</al><al>betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een</al><al>door het college vastgesteld formulier.</al><al>2.Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige</titel></kop><al><vet>aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is</al></li></lijst></li></lijst><al>bestemd;</al><lijst><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande</al></li></lijst><al>uit:</al><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs,</al><al>de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of voortgezet</al><al>speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor</al><al>een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, onder de voorwaarde</al><al>dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in</al><al>samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een</al><al>actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven;</al><al>2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van</al><al>vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of</al><al>herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige</al><al>rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde</al><al>voorziening kan worden vastgesteld;</al><al>3°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de</al><al>vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke</al><al>kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het</al><al>bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.</al><lijst><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°,</al></li></lijst><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.</al><al>2.Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld</al><al>in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de</al><al>gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de</al><al>aanvraag niet in behandeling.</al><al>3.Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal</al><al>leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt</al><al>vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de</al><al>Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet</al><al>binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de</al><al>aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de</al><al>datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen 3 dagen is</al><al>verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een opgave van de aanvragen</al><al>die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden</al><al>genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><al>1.Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt</al><al>plaats binnen 2 maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al><al>2.Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een</al><al>voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van</al><al>oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast.</al><al>3.Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het</al><al>programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3:</al><al>a.de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt</al><al>uitgegaan, en</al><al>b.als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt</al><al>over de hoogte van het geraamde bedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><al>1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde</al><al>gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen</al><al>inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al><al>2.Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast</al><al>te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken</al><al>voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het</al><al>overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al><al>3.De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun</al><al>zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het</al><al>overleg van deze zienswijzen in kennis.</al><al>4.Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar</al><al>voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de</al><al>reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een</al><al>maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al><al>5.Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te</al><al>brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde</al><al>omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking</al><al>te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van</al><al>richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden</al><al>opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al><al>6.Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad.</al><al>Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het</al><al>beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al><al>7.Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door</al><al>het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of</al><al>meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de</al><al>bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies</al><al>uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader</al><al>bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit</al><al>aan bij het toezenden van het afschrift van het advies.</al><al>8.Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de</al><al>Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg</al><al>een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><al>1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde</al><al>voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.</al><al>2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan</al><al>het jaar waarop het programma betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><al>1.De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht</al><al>worden door het college binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend</al><al>gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het</al><al>college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al><al>2.De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al>1.Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de</al><al>aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd.</al><al>In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en</al><al>worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><al>a.het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs<cursief>, artikel 101</cursief></al><al><cursief>van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs</cursief>;</al><lijst><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt</al></li></lijst><al>uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al><al>d.de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel</al><al>van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te</al><al>houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment</al><al>waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden</al><al>herzien;</al><al>e.de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te</al><al>stellen middelen;</al><al>f.de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt, met als uitgangspunt dat op opdrachten onder</al><al>het Europese drempelbedrag de richtlijnen zoal vastgelegd in het Besluit</al><al>overheidsaanbestedingen van toepassing zijn;</al><al>2.De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt</al><al>het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag 4 weken na het</al><al>overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk</al><al>reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht</al><al>overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al><al>3.Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat</al><al>overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt.</al><al>Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>4.Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat</al><al>het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het</al><al>bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen</titel></kop><al><vet>wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>1.Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag</al><al>het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de</al><al>bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de</al><al>hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd</al><al>gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het</al><al>bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al><al>2.Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de</al><al>desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder</al><al>mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de</al><al>gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de</al><al>begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt</al><al>de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de</al><al>desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum</al><al>waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.</al><al>3.De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch</al><al>meest voordelige inschrijving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in</al><al>termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat</al><al>de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de</al><al>op het programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al>1.Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een</al><al>bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor</al><al>15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging kan vervallen als niet aan</al><al>deze verplichtingen wordt voldaan.</al><lijst><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het</al></li></lijst></li></lijst><al>aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;</al><al>c.huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de</al><al>duur van de overeenkomst;</al><lijst><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al><lijst><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde</al></li></lijst></li></lijst><al>termijn veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de</al></li></lijst><al>termijn heeft ingediend bij het college.</al><al>4.Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn.</al><al>Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt</al><al>verlengd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs</al><al>geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken) na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het</al><al>college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><al>1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste</al><al>lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.</al><al>2.Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend</al><al>schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft</al><al>vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het</al><al>college de aanvraag niet in behandeling.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><al>1.Het college beslist binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen 8 weken nadat de</al><al>aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.</al><al>2.Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit</al><al>aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de</al><al>beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al><al>3.Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de</al><al>beslissing in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><al>1.Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 20 waarbij een vergoeding is</al><al>toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze</al><al>waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede</al><al>tot en met vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats</al><al>van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken) geldt.</al><al>2.Binnen vier maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de</al><al>aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst af.</al><al>Hiervan zendt hij binnen een termijn van [termijn (bijvoorbeeld twee weken)] een afschrift aan het</al><al>college. De aanspraak op bekostiging kan vervallen als niet aan deze verplichtingen wordt</al><al>voldaan.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd</al><al>gebouw of terrein als:</al><al>a.door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij</al><al>overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd</al><al>gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al><lijst><li nr="b."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of</al></li><li nr="d."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het</al></li></lijst><al>lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al>1.Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is</al><al>vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde</al><al>ruimtebehoefte.</al><lijst><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal</al></li></lijst></li></lijst><al>basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het</al><al>aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;</al><al>b.het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de</al><al>overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder</al><al>dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de</al><al>lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;</al><al>c.het lokaal wordt gebruikt door één of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal</al><al>basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs,</al><al>en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin</al><al>het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of</al><al>scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor</al><al>die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6</al><al>overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld</al><al>in artikel 10.</al><al>2.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in</al><al>artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde</al><al>gezagsorganen.</al><al>3.Binnen 4 weken) nadat het programma is vastgesteld of binnen 2 weken week na het overleg,</al><al>bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt</al><al>schriftelijk mede dat gevorderd wordt.</al><lijst><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het</al></li></lijst></li></lijst><al>bewegingsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al><lijst><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het</al><al>medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te</al><al>zijn. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt het bedrag dat voor elke groep bij meer</al><al>dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen</al><al>voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs,</al><al>Cultuur en Wetenschappen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw</al></li></lijst></li></lijst><al>gevestigde school;</al><al>c.of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw</al><al>gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;</al><al>d.wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het</al><al>medegebruik is;</al><lijst><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.</al><lijst><li nr="3."><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik</al></li></lijst></li></lijst><al>gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken,</al><al>worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige</al><al>overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de</al><al>punten waarover geen overeenstemming was bereikt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><al>1.Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108,</al><al>eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de</al><al>expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een</al><al>huurovereenkomst wordt gesloten.</al><al>2.Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren</al><al>ruimte.</al><al>3.Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is</al><al>verschuldigd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><al>1.Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer</al><al>nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van</al><al>achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al><al>2.Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de</al><al>eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt.</al><al>3.De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het</al><al>college.</al><lijst><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het</al></li></lijst><al>overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het</al><al>bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd</al><al>gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming</al><al>wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al><al>6.Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het</al><al>college niet nodig is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en</titel></kop><structuurtekst><al><vet>(voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik</titel></kop><al>1.Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het aantal klokuren</al><al>bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs, een speciale school voor</al><al>basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet</al><al>speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs in het daaropvolgende</al><al>schooljaar aanspraak maakt.</al><al>2.Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober</al><al>van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven.</al><al>3.Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31 december) een rooster op voor het</al><al>gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de volgende</al><al>uitgangspunten:</al><al>a.de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal</al><al>bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B;</al><al>b.een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt</al><al>voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al><al>c.het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal</al><al>bewegingsonderwijs.</al><al>4.Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 januari)</al><al>in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="d."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;</al></li><li nr="e."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="f."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt.</al><lijst><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel</al></li></lijst></li></lijst><al>plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers</al><al>van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al><al>7.Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties</al><al>van de bevoegde gezagsorganen.</al><al>8.Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal</al><al>klokuren dat door het college is vastgesteld.</al><al><vet>9. </vet>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als</al><al>daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt</al><al>ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet</al><al>beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de</al><al>vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van</al><al>prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Capelle aan den IJssel 2012 wordt</al><al>ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</al></li></lijst><al>gemeente Capelle aan den IJssel 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><tussenkop>Deel A - Lesgebouwen</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met één of meer</al><al>leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor</al><al>dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg</al><al>met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.</al><tussenkop>A.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden</al><al>verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden</al><al>verwacht, en</al><al>c.geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende</al><al>huisvesting voor de school, en</al><al>d.het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>A.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><al>a.op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt</al><al>vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging</al><al>van tenminste 20 jaar;</al><lijst><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig</al><al>zijn of kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig</al><al>zijn of kunnen worden verwacht, en</al><al>d.geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende</al><al>huisvesting voor de school, en</al><al>e.het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>A.3 Uitbreiding</tussenkop><tussenkop>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</tussenkop><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><al>a.de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een</al><al>school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of</al><al>voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III,</al><al>deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte</al><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een school</al><al>voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of</al><al>groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al><al>b.daarnaast:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen</al><al>worden verwacht,</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig</al><al>zijn of kunnen worden verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat</al><al>het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de</al><al>gebouwen kunnen worden gehuisvest, en</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>12</al><al>c.geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende</al><al>huisvesting voor de school, en</al><al>d.het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><tussenkop>A.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs met</tussenkop><tussenkop>een speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><al>a.tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot</al><al>een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar</al><al>worden toegelaten;</al><al>b.de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de school</al><al>minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al><lijst><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed</al></li></lijst><al>onmogelijk is, en</al><al>e.het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal</al><al>te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig</al><al>bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde</al><al>ruimtebehoefte.</al><tussenkop>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><al>a.de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als</al><al>het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid;</al><lijst><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:</al></li><li nr="c."><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al></li></lijst><al>opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen</al><al>worden verwacht, of</al><al>d.2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II</al><al>opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden</al><al>verwacht, en</al><al>e.geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende</al><al>huisvesting voor de school;</al><al>f.het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren,</al><al>en</al><al>g.de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke</al><al>verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><tussenkop>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</tussenkop><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><al>a.er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan</al><al>huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk</al><al>gebouw kan voorzien;</al><al>b.geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende</al><al>huisvesting voor de school;</al><al>c.het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren,</al><al>en</al><al>d.de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de</al><al>kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde</al><al>tijdsduur.</al><tussenkop>A.6 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het</al><al>college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en</al><al>met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te</al><al>realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage</al><al>III, deel D.</al><tussenkop>A.7 Eerste inrichting</tussenkop><al>1.De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en</al><al>hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale</al><al>huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is</al><al>bekostigd.</al><al>2.De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is</al><al>aanwezig als een school voor speciaal basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs</al><al>wordt uitgebreid met een speellokaal.</al><al>3.Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket,</al><al>meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan</al><al>het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al><tussenkop>A.8 Medegebruik</tussenkop><al>1.De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor</al><al>basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een</al><al>school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III,</al><al>deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde</al><al>ruimtebehoefte:</al><lijst><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig</al></li></lijst><al>bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk</al><al>is.</al><al>2.Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor</al><al>medegebruik is een afstand van ten hoogste 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling</al><al>voldoende begaanbare en veilige weg.</al><al>3.Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste 2 gebouwen.</al><tussenkop>A.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst</al><al>dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.</al><tussenkop>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leeren</tussenkop><tussenkop>hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en</al><al>hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere</al><al>omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><tussenkop>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><tussenkop>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming.</tussenkop><al>De noodzaak van:</al><al>a.nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging</al><al>in aanmerking brengt;</al><al>b.vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde</al><al>bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden tot de</al><al>gewenste levensduurverlenging van 20 jaar of dit het gevolg is van een herschikkingoperatie;</al><al>c.uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal</al><al>kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd</al><al>wordt, of</al><al>d.het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><al>1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke</al><al>verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw, en</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>14</al><al>e.het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen</al><al>een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><al>1°. een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van:</al><al>a.ten minste 20 klokuren binnen 1 km gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende</al><al>begaanbare en veilige weg, of. ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de</al><al>kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of</al><al>b.ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling</al><al>voldoende begaanbare en veilige weg of</al><al>2°. een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of</al><al>voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van:</al><al>a.ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km gemeten langs de kortste voor de</al><al>leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al>b.ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km gemeten langs de</al><al>kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al>c.ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km gemeten langs de kortste voor de</al><al>leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of</al><al>d.ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km gemeten langs de kortste voor de</al><al>leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of</al><al>3°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km gemeten langs de kortste voor de</al><al>leerling voldoende begaanbare weg en veilige, en</al><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar</al><al>de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is,</al><al>aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.</al><tussenkop>B.2 Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als</al><al>voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>B.3 Eerste inrichting</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><al>a.nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school</al><al>is of wordt goedgekeurd, en</al><al>b.voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting</al><al>bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet</al><al>onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><tussenkop>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het</al><al>bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een</al><al>ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><tussenkop>B.5 Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren</al><al>bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen</al><al>bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><tussenkop>B.6 Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst</al><al>dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden.</al><tussenkop>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval</tussenkop><tussenkop>van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg</al><al>van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in</al><al>het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II – Prognosecriteria</titel></kop><tussenkop>A. Algemeen</tussenkop><al>1.Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een</al><al>speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal</al><al>onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens 15 jaar,</al><al>met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de</al><al>prognoseperiode).</al><al>2.De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met</al><al>als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet</al><al>meer dan twee jaar oud.</al><al>3.Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en</al><al>berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte</al><al>programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al><tussenkop>B. Voedingsgebied</tussenkop><al>1.Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de</al><al>leerlingen afkomstig is of zal zijn.</al><al>2.De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied</al><al>op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs</al><al>of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over</al><al>de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het</al><al>voedingsgebied worden gerekend en wordt gebruik gemaakt van de omvang van de</al><al>basisgeneratie per gemeente zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor</al><al>de Statistiek (Primos).</al><al>3. 3.Voor zover het voedingsgebied van een speciale school voor basisonderwijs, een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de</al><al>hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn</al><al>toegepast.</al><tussenkop>C. Prognose school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of</al><al>nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het</al></li></lijst><al>voedingsgebied;</al><al>d.veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld</al><al>onder b;</al><lijst><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><tussenkop>D. Prognose speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs, voortgezet</tussenkop><tussenkop>speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs.</tussenkop><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of</al><al>nevenvestiging, waarbij rekening wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al>de basisgeneratie</al></li><li nr="d."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al></li><li nr="f."><al>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de</al></li></lijst><al>leerlingen waarvoor de school bestemd is.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte</titel></kop><tussenkop>Deel A – Vaststellen capaciteit</tussenkop><tussenkop>A.1 Uitgangspunten</tussenkop><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college</al><al>kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van</al><al>de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten</al><al>worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al>Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen</al><al>vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel</al><al>wordt wel geregistreerd.</al><tussenkop>A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal</tussenkop><tussenkop>onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs</tussenkop><al>1.De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor</al><al>basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of</al><al>voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald</al><al>overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><al>2.Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet</al><al>speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling</al><al>wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een</al><al>speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte</al><al>90 vierkante meter in mindering gebracht.</al><al>3.De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante meter als een ruimte in</al><al>het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse</al><al>opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.</al><al>4.De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt</al><al>vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>5.Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk</al><al>afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een</al><al>verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de</al><al>capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</tussenkop><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.</al><tussenkop>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</tussenkop><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten,</al><al>wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.</al><tussenkop>A.1.4 Terrein</tussenkop><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met</al><al>toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van</al><al>het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het</al><al>schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>A.1.5 Inventaris</tussenkop><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs,</al><al>speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs</al><al>in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en</al><al>hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de</al><al>omvang van de aanwezige inventaris.</al><tussenkop>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><tussenkop>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</tussenkop><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><tussenkop>A.1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte</al><al>van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het</al><al>terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><tussenkop>A.1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><tussenkop>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>B.1 Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>B.1.1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>1.De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het</al><al>aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school</al><al>met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.</al><al>Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een</al><al>afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basis- ruimtebehoefte en een</al><al>toeslag in verband met de gewichtensom.</al><al>2.De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante</al><al>meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking</al><al>heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>3.De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle gewichten van alle</al><al>ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van 6 procent van</al><al>het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden.</al><al>De uitkomst wordt afgerond op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het aantal</al><al>ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 procent van het aantal</al><al>ingeschreven leerlingen.</al><tussenkop>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>1.De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand</al><al>van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen</al><al>BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.</al><al>Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een</al><al>afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking</al><al>heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2.Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.</al><tussenkop>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>1.De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs wordt</al><al>bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het</al><al>type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = V + f * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>V = Vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke is voor:</al><al>-de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO-ZMLK, 370 vierkante</al><al>meter, en</al><al>-de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante meter.</al><al>Voor nevenvestiging geldt geen vaste voet.</al><al>f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling) overeenkomstig tabel 1, waarin is</al><al>opgenomen een overzicht van f (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling), per</al><al>onderwijssoort.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking</al><al>heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2.Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV – Bedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><tussenkop>Deel A – Indexering</tussenkop><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande</al><al>systematiek van prijsbijstelling:</al><tussenkop>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</tussenkop><al>1</al><al>Prijsindexcijfer van de</al><al>bouwkosten van nieuwe</al><al>woningen, jaar t,</al><al>tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers,</al><al>bouwnijverheid, inclusief btw)</al><al>MEV, jaar t+1,</al><al>bruto investeringen door</al><al>bedrijven in woningen</al><al>(bron: CPB, Middelen en</al><al>bestedingen)</al><al>---------------------------------------- * ---------------------------------------- * ----------------------------------------</al><al>MEV, jaar t,</al><al>bruto investeringen door</al><al>bedrijven in woningen</al><al>(bron: CPB, Middelen en</al><al>bestedingen)</al><al>Prijsindexcijfer van de</al><al>bouwkosten van nieuwe</al><al>woningen, jaar t-1,</al><al>tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers,</al><al>bouwnijverheid, inclusief btw)</al><al>1</al><tussenkop>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>1</al><al>Consumentenprijsindex,</al><al>alle huishoudens, jaar t,</al><al>per 1 juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers,</al><al>cijfer van de maand juni</al><al>jaar t)</al><al>MEV, jaar t+1</al><al>prijsmutatie netto materiële</al><al>overheidsconsumptie</al><al>(bron: CPB, Kerngegevens</al><al>collectieve sector)</al><lijst><li nr="-"><al>--------------------------------------- * -----------------------------------</al></li><li nr="-"><al>---- * ----------------------------------------</al></li></lijst><al>MEV, jaar t,</al><al>prijsmutatie netto materiële</al><al>overheidsconsumptie</al><al>(bron: CPB, Kerngegevens</al><al>collectieve sector)</al><al>Consumentenprijsindex,</al><al>alle huishoudens, jaar t-1,</al><al>per 1 juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers,</al><al>cijfer van de maand juni</al><al>jaar t-1)</al><al>1</al><tussenkop>Deel B – Normbedragen</tussenkop><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW en gebaseerd op prijspeil 2014.</al><tussenkop>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard</tussenkop><tussenkop>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering;</al></li><li nr="e."><al>als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft</al></li></lijst></li></lijst><al>een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en</al><al>f.als het een school voor speciaal onderwijs, voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal</al><al>onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie.</al><al>2.Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter</al><al>vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.</al><tussenkop>A.2 Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het</al><al>schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen.</al><al>De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein</al><al>als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden</al><al>bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende</al><al>nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het oude</al><al>gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><tussenkop>A.3.1 Bouwkosten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag</al></li></lijst><al>per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in</al><al>overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden</al><al>gerealiseerd.</al><tussenkop>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo</al><al>1</al><al>€ 666.689,57</al><al>Voor elke volgende m2 bvo € 1.140,89</al><al>Toeslag paalfundering indien paallengte van 20 meter of meer noodzakelijk is:</al><al>Vaste voet (eerste 350 m2 bvo) € 7.977,31</al><al>Elke volgende 115 m2 bvo, waarin niet inbegrepen een speellokaal € 2.394,29</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 1.946.90</al><tussenkop>A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de</al><al>volgende bedragen:</al><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo, waarin niet € 1.080.237,73</al><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel</al><al>speellokaal</al><al>€ 1.194,66</al><al>Toeslag voor elk speellokaal € 102.495,11</al><al>Toeslag paalfundering indien paallengte van 20 meter of meer noodzakelijk is:</al><al>Vaste voet (eerste 670 m2 bvo) € 14.969,73</al><al>Elke volgende 115 m2 bvo, waarin niet inbegrepen een speellokaal € 2.282,52</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 1.946,90</al><tussenkop>A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt</al><al>vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2 bvo, waarin niet</al><al>begrepen een eventueel speellokaal</al><al>€ 1.039.554,13</al><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel</al><al>speellokaal</al><al>€ 1.187,58</al><al>Toeslag voor elk speellokaal € 102.495,11</al><al>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een liftinstallatie inclusief een</al><al>schacht wordt aangebracht</al><al>€ 100.742,02</al><al>1 Onder m2 bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al><al>Toeslag paalfundering indien paallengte van 20 meter of meer noodzakelijk is:</al><al>Vaste voet (eerste 677 m2 bvo) € 14.969,73</al><al>Elke volgende 115 m2 bvo, waarin niet inbegrepen een speellokaal € 2.282,52</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 1.946,90</al><tussenkop>A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.</al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 vierkante meter bruto</al></li></lijst><al>vloeroppervlak uit een vast bedrag per voorziening en een vast bedrag per sectie.</al><al>3.Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto vloeroppervlakte worden geen</al><al>sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de</al><al>bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al><al>4.De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per vierkante meter bruto</al><al>vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.</al><lijst><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al><lijst><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aantal</al></li></lijst></li></lijst><al>vierkante meter per type ruimte van de voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande</al><al>bedragen per ruimtesoort:</al><al>&lt; 460 m2 &gt; 460 &lt;2.500 m2 &gt; 2.500 m2</al><al>Algemene en specifieke ruimte € 1.784,94 € 1.059,30 € 1.033,93</al><al>Werkplaatsen € 1.743,37 € 1.410,24 € 1.410,24</al><al>Werkplaatsen consumptief € 2.116,98 € 1.783,86 € 1.783,86</al><al>b.sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste voet of de vaste voet</al><al>voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit de</al><al>overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende voorziening bestaat, verhoogd met de</al><al>onderstaande bedragen:</al><al>&lt;460m2 &gt; 460 &lt;2.500 m2 &gt; 2.500 m2</al><al>Algemene ruimte € 0,00 € 112.625,40</al><al>Algemene sectie € 0,00 € 221.075,15 € 308.617,49</al><al>Werkplaatssectie € 0,00 € 40.877,53</al><lijst><li nr="6."><al>Tot de specifieke ruimte behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke</al></li></lijst></li></lijst><al>verzorging, mode en commercie, en</al><lijst><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren.</al><lijst><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>techniek algemeen:</al></li></lijst><al>1°. Bouwtechniek;</al><al>2°. Machinale houtbewerking;</al><al>3°. Meten;</al><al>4°. Elektrotechniek;</al><al>5°. installatietechniek;</al><al>6°. lasserij;</al><al>7°. Metaal;</al><al>8°. Motorvoertuigentechniek, en</al><al>9°. Mechanische techniek;</al><lijst><li nr="a."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="b."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="c."><al>landbouw: groenpraktijk.</al><lijst><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>1.Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een</al><al>standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk,</al><al>een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al><lijst><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in relatie met de omvang</al></li></lijst></li></lijst><al>van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1.000 m<vet>2</vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.283,18 + (€ 17,23 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.495,36 + (€ 29,24 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.902,46 + (€ 52,14 * A)</al><al>Uitbreiding &gt;= 1.000 m<vet>2</vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 4.009,36 + (€ 6,03 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.229,55 + (€ 15,66 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.941,51 + (€ 31,66 * A)</al><al>3.Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en</al><al>wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</al><al>De vergoeding bedraagt € 11,18 per vierkante meter terrein.</al><tussenkop>A.3.7 Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw school voor</tussenkop><tussenkop>primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs.</tussenkop><al>1.Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor</al><al>basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs plaatsvindt</al><al>op dezelfde plaats, moet het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond, worden hersteld</al><al>en moeten de leerlingen verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde</al><al>vergoeding voor deze kosten is gebaseerd op een vast bedrag per vierkante meter bruto</al><al>vloeroppervlakte.</al><al>2.De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt</al><al>vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Permanente bouw per m2 bvo € 46,25</al><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo € 31,74</al><al>3.De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt</al><al>vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Permanente bouw per m2 bvo € 53,05</al><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo € 26,54</al><tussenkop>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</tussenkop><tussenkop>B.1 Reikwijdte</tussenkop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van</al><al>een school voor basisonderwijs <cursief>of een speciale school voor basisonderwijs </cursief>tot 1.035 vierkante meter</al><al>bruto vloeroppervlakte <cursief>en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot</cursief></al><al><cursief>1.000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte</cursief>. Op overige uitbreidingen is paragraaf A</al><al>overeenkomstig van toepassing.</al><tussenkop>B.2 Kosten terrein</tussenkop><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2 overeenkomstig van toepassing</al><al>op het vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding benodigde terrein.</al><tussenkop>B.3.1 Bouwkosten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag</al></li></lijst><al>per vierkante meter. Met deze vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,</al><al>vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al><tussenkop>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter € 97.630,04</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo € 65.086,70</al><al>Voor elke volgende m2 bvo € 1.300,53</al><al>Toeslag paalfundering indien paallengte van 20 meter of meer noodzakelijk is:</al><al>Vaste voet (eerste 350 m2 bvo) € 3.254,64</al><al>Elke volgende 115 m2 bvo, waarin niet inbegrepen een speellokaal € 1.730,22</al><al>Voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 1.354,62</al><tussenkop>B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de</al><al>volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter € 100.399,24</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo € 66.932,83</al><al>Naast het startbedrag elke m2 bvo, waarin niet begrepen een</al><al>eventueel speellokaal</al><al>€ 1.326,45</al><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met</al><al>uitbreiding van de school</al><al>€ 117.048,33</al><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder gelijktijdige</al><al>uitbreiding van de school</al><al>€ 215.200,42</al><al>Toeslag paalfundering indien paallengte van 20 meter of meer noodzakelijk is:</al><al>Vaste voet (eerste 670 m2 bvo) € 3.284,45</al><al>Elke volgende 105 m2 bvo, waarin niet inbegrepen een speellokaal € 1.580,16</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 1.354,62</al><tussenkop>B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of groter € 90.931,93</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo € 60.621,29</al><al>Naast het startbedrag elke m2 bvo, waarin niet begrepen een</al><al>eventueel speellokaal</al><al>€ 1.329,08</al><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met</al><al>uitbreiding van de school</al><al>€ 102.495,11</al><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo), zonder</al><al>gelijktijdige uitbreiding van de school</al><al>€ 215.200,42</al><al>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een liftinstallatie inclusief een</al><al>schacht wordt aangebracht</al><al>€ 121.090,08</al><al>Toeslag paalfundering indien paallengte van 20 meter of meer noodzakelijk is:</al><al>Vaste voet (eerste 192 m2 bvo) € 3.284,45</al><al>Elke volgende 96 m2 bvo, waarin niet inbegrepen een speellokaal € 1.570,40</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 1.354,62</al><tussenkop>B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de</al><al>vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding.</al><tussenkop>B.3.6 Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op</tussenkop><tussenkop>dezelfde plaats</tussenkop><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de</al><al>vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij uitbreiding.</al><tussenkop>C. Tijdelijke voorziening</tussenkop><tussenkop>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>1.De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op de investeringslasten</al><al>van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw,</al></li></lijst><al>en</al><lijst><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen.</al><lijst><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het bekostigen van een tijdelijke</al></li></lijst></li></lijst><al>voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al><tussenkop>C.2 Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige terrein, worden de</al><al>kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig A.2.</al><tussenkop>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante</al><al>meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van</al><al>terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><tussenkop>C.3.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld</al><al>op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter € 37.966,88</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo € 25.311,26</al><al>Naast het startbedrag oor elke m2 bvo € 933,03</al><tussenkop>C.3.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</tussenkop><al>1.De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt</al><al>vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter € 39.793,33</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo € 26.890,74</al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 914,15</al><al>2.Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding</al><al>voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke</al><al>verhuizing van de leerlingen.</al><tussenkop>C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de</al><al>vergoedingsformule € 567,99 * A + € 39.049,94, waarbij A het overeenkomstig bijlage III, deel C,</al><al>bepaalde aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><tussenkop>C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en speciaal of voortgezet</tussenkop><tussenkop>speciaal onderwijs</tussenkop><al>1.De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en</al><al>een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor</al><al>paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al><al>2.Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding</al><al>voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke</al><al>verhuizing van de leerlingen.</al><tussenkop>C.4.2 Vergoeding basisschool en speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld</al><al>op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter € 21.341,49</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo € 14.227,66</al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 977,65</al><tussenkop>C.4.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt</al><al>vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter € 21.639,41</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo € 14.426,27</al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 966,51</al><tussenkop>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een bestaand gebouw worden</al><al>vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><tussenkop>D. Eerste inrichting</tussenkop><tussenkop>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren bedrag van de vergoeding</al><al>bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw</al><al>berekende vergoeding.</al><tussenkop>D.1.2 Vergoeding basisschool</tussenkop><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag € 38.300,32</al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 133,98</al><tussenkop>D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de</al><al>volgende bedragen:</al><al>Startbedrag € 81.259,53</al><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 138,61</al><tussenkop>D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt</al><al>bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Startbedrag Naast het startbedrag voor</al><al>elke m2 bvo</al><al>SO/VSO-doven € 136.914,55 € 238,99</al><al>SO/VSO-sh € 124.375,97 € 309,74</al><al>SO/VSO-esm € 115.897,11 € 154,02</al><al>SO/VSO-visg € 164.481,07 € 293,96</al><al>SO/VSO-lz € 104.887,65 € 144,84</al><al>SO/VSO-lg € 123.482,28 € 282,37</al><al>SO/VSO-zmlk € 103.258,59 € 122,87</al><al>SO/VSO-zmok € 100.790,31 € 141,25</al><al>SO/VSO-pi € 101.681,28 € 153,39</al><al>SO/VSO-mg € 125.025,87 € 125,29</al><tussenkop>D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een</al><al>speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 7.415,30.</al><tussenkop>D.2 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>1.De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe</al><al>te kennen voorziening nieuwbouw, niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en</al><al>ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw.</al><al>Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het Rijk of de</al><al>gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het</al><al>verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de</al><al>te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype.</al><al>De hoogte van de vergoeding per ruimtetype wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Ruimtetype Functie m2</al><al>Algemeen € 158,06</al><al>Specifiek (Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al><al>€ 369,42</al><al>€ 225,99</al><al>€ 303,42</al><al>Werkplaatsen Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al><al>€ 387,57</al><al>€ 750,55</al><al>€ 1.434,94</al><al>€ 0,00</al><al>2.Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school</al><al>bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de inventaris in de</al><al>voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.</al><tussenkop>E. Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><tussenkop>E.1 Bouwkosten nieuwbouw</tussenkop><al>1.De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal bewegingsonderwijs met een</al><al>netto speeloppervlakte van 252 vierkante meters bedraagt € 700.859,23 als deze op het</al><al>schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 715.034,52 als deze op een afzonderlijk terrein</al><al>gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en</al><al>inrichting van het terrein.</al><al>2.<cursief>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen of zeer</cursief></al><tussenkop>moeilijk lerende leerlingen wordt een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag</tussenkop><tussenkop>van deze toeslag is € 70.306,32.</tussenkop><al>3.Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van de volgende</al><al>bedragen:</al><al>Paallengte Vergoeding Vergoeding bij ruimten LG en MG</al><al>1&lt;15m € 14.097,01 € 17.774,32</al><al>15&lt;20m € 19.433,46 € 24.616,04</al><al>&gt;20m € 27.293,44 € 35.426,62</al><tussenkop>E.2 Uitbreiding</tussenkop><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van</al><al>de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs</al><al>met een oefenvloer van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer</al><al>worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt</al><al>bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Uitbreiding Normbedrag Paallengte</al><al>1 &lt; 15 meter 15 &lt; 20 meter &gt; 20 meter</al><al>112 t/m 120 m2 € 162.835,79 € 6.310,99 € 10.930,99 € 17.870,96</al><al>121 t/m 150 m2 € 197.949,27 € 7.891,30 € 13.660,22 € 22.338,70</al><tussenkop>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal</al><al>bewegingsonderwijs voor een basisschool <cursief>of een speciale school voor basisonderwijs </cursief>bedraagt</al><al>€ 51.310,54.</al><tussenkop>E.3.3 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal</al><al>bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs</al><al>wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Schoolsoort Bedrag in euro</al><al>SO-doven € 40.917,05</al><al>SO-sh/esm € 40.677,02</al><al>SO-visg € 49.245,65</al><al>SO-lg/mg € 53.943,88</al><al>SO-lz/pi € 38.691,75</al><al>SO-zmlk € 38.691,75</al><al>SO-zmok € 38.612,13</al><al>VSO-doven € 47.970,54</al><al>VSO-sh/esm € 49.222,23</al><al>VSO-visg € 58.558,40</al><al>VSO-lg/mg € 60.075,30</al><al>VSO-lz/pi € 47.277,37</al><al>VSO-zmlk € 47.277,37</al><al>VSO-zmok € 42.203,87</al><al>SOVSO-doven € 49.677,13</al><al>SOVSO-sh/esm € 53.253,05</al><al>SOVSO-visg € 60.768,46</al><al>SOVSO-lg/mg € 61.710,46</al><al>SOVSO-lz/pi € 51.307,01</al><al>SOVSO-zmlk € 51.307,01</al><al>SOVSO-zmok € 42.682,77</al><tussenkop>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal</al><al>bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de</al><al>volgende bedragen:</al><tussenkop>Meubilair Leer- en hulpmiddelen Totaal</tussenkop><al>Eerste lokaal</al><al>Tweede lokaal</al><al>Derde lokaal</al><al>Oefenplaats 1</al><al>Oefenplaats 2</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al><al>€ 64.621,30</al><al>€ 50.409,52</al><al>€ 21.915,70</al><al>€ 14.271,50</al><al>€ 1.647,45</al><al>€ 65.704,97</al><al>€ 51.393,19</al><al>€ 22.999,37</al><al>€ 14.271,50</al><al>€ 1.647,45</al><tussenkop>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</tussenkop><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook bewegingsonderwijs mogelijk in</al><al>een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><tussenkop>F. Vergoeding feitelijke kosten</tussenkop><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt gebaseerd op de</al><al>door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met <vet>vast bedrag of percentage (bijvoorbeeld</vet></al><al><vet>8 procent) </vet>voor de kosten van technische advisering, voor zover het een voorziening betreft als</al><al>bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><tussenkop>G. Huur sportvelden</tussenkop><al>1.Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een</al><al>sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de</al><al>periode van 8 weken € 20,94 per klokuur.</al><al>2.Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor</al><al>voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een</al><al>sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening</titel></kop><tussenkop>1. Algemeen</tussenkop><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond</al><al>onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden</al><al>opgenomen op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een</al><al>rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in</al><al>aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond</al><al>voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die</al><al>niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><tussenkop>2. Onderscheid voorzieningen</tussenkop><al>1.Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk</al><al>zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al><lijst><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de</al></li></lijst></li></lijst><al>volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al><lijst><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de</al></li></lijst></li></lijst><al>volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al><lijst><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt onder</al></li></lijst></li></lijst><al>hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding</al><al>van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het</al><al>criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al><tussenkop>3. Hoofd- en subprioriteit</tussenkop><al>1.Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in</al><al>hoofdprioriteit en subprioriteit.</al><al>2.Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde</al><al>voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C.</al><al>Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>3.Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld</al><al>welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt</al><al>plaats op basis van het vaststellen van de subprioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende</al><al>uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het</al><al>programma in aanmerking komen:</al><al>a.als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in</al><al>een situatie met herschikking van schoolgebouwen;</al><al>b.vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft</al><al>in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en</al><al>c.vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan</al><al>lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.</al><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde gezagsorganen die</al><al>een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of</al><al>gedeeltelijk staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke</al><al>nevenvestiging, dislocatie).</al><tussenkop>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</tussenkop><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet op het primair</al><al>onderwijs (WPO), Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) door</al><al>het bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter.</al><al>Dit betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook</al><al>voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden</al><al>aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn</al><al>opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze</al><al>verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister</al><al>van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen,</al><al>vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond</al><al>van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO, artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k,</al><al>onder a, van de WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende voorzieningen te</al><al>bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen doen voor een niet door de</al><al>gemeente in stand gehouden school dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO en WEC en</al><al>artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van</al><al>de voorzieningen onderwijshuisvesting bestaat in Capelle geen juridische basis. Indien bekostiging</al><al>van deze voorzieningen wenselijk wordt geacht, zal een ‘Verordening materiële financiële</al><al>gelijkstelling’ vastgesteld dienen te worden.</al><al>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de school. Het bevoegd</al><al>gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage</al><al>I opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is</al><al>dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening</al><al>(vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een</al><al>gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg</al><al>staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij een</al><al>ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw</al><al>geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school.</al><al>Een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het</al><al>huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van een gebouw</al><al>moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van het gebouw</al><al>verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in</al><al>semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij</al><al>vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein</al><al>noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte</al><al>van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt in principe alleen</al><al>toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een</al><al>schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend.</al><al>Een uitzondering is de situatie dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw</al><al>dat een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting</al><al>is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft</al><al>het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal</al><al>leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij</al><al>vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het</al><al>verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in</al><al>bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het</al><al>bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal</al><al>leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is</al><al>uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen</al><al>drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd.</al><al>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het</al><al>verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang</al><al>van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure</al><al>(artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het</al><al>onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure.</al><al>Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht,</al><al>afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde</al><al>bekostigingsplafond.</al><al>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere</al><al>omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt, omdat</al><al>‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel</al><al>en vervanging in verband met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het</al><al>programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het</al><al>onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college kan zich voor deze</al><al>zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’</al><al>voor het college.</al><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet onderwijs is</al><al>gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan</al><al>een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren</al><al>van een sportterrein voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt</al><al>over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen</al><al>gerealiseerd sportterrein.</al><tussenkop>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</tussenkop><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de investering wordt</al><al>bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het</al><al>voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een</al><al>bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de</al><al>voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het indienen van de</al><al>aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het eerstvolgende programma wordt</al><al>opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor</al><al>aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden.</al><al>Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis van</al><al>het bouwplan opgestelde kostenraming respectievelijk de uitkomst van de aanbesteding opgenomen</al><al>op het programma.</al><al>Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden,</al><al>dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is</al><al>vastgesteld. Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan</al><al>worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het</al><al>totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde</al><al>investeringskrediet.</al><tussenkop>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan</al><al>op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De normbedragen</al><al>voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV,</al><al>deel B.</al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak op het</al><al>beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de werkelijke kosten.</al><al>Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst</al><al>aanbesteding) in de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere</al><al>situatie een financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de beschikbare</al><al>middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt: investeren in de voorziening</al><al>huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt vastgesteld op basis van</al><al>ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid).</al><tussenkop>Artikel 5. Informatieverstrekking</tussenkop><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk</al><al>is om de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen</al><al>uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO).</al><al>Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor</al><al>het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><al>-gegevens van het bevoegd gezag (onder andere naam en adres voorzitter en secretaris en</al><al>bankrekeningnummer);</al><al>-gegevens van de school (onder andere naam school, naam directeur, adres school,</al><al>telefoonnummer);</al><lijst><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college een formulier vast.</al><al>Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden. Het college kan in dit formulier</al><al>opnemen de gegevens die al bij het college bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken</al><al>tot het vermelden van de wijzigingen. Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan</al><al>kan van deze digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 6. Indienen aanvraag</tussenkop><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door middel van een door</al><al>het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken met een standaardformulier worden de</al><al>gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een</al><al>eenduidige wijze ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het</al><al>overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de</al><al>aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van</al><al>de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij artikel 13).</al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen een meerjarig</al><al>huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’)</al><al>moet een aanvraag wordt ingediend. De reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>32</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd gezag van een</al><al>openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde procedures en termijnen als voor een</al><al>bestuur van een bijzondere school. In de bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college</al><al>bij het eigen orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project -</al><al>bijvoorbeeld stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning indienen).</al><al>Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook</al><al>daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere aanvragen.</al><tussenkop>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige</tussenkop><tussenkop>aanvraag</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college de aanvraag in</al><al>behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en school moet de aanvraag</al><al>voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd</al><al>met een leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage.</al><al>Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag een leerlingenprognose indient. Het college</al><al>en het bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor</al><al>alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van de</al><al>aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien van het laten</al><al>opstellen van een leerlingenprognose.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen, als de ontvangen</al><al>aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te</al><al>vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het college de</al><al>aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al>Lid 3</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van onder andere de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw</al><al>en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang.</al><al>Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs</al><al>(BRON). Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat</al><al>ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag</al><al>(bijvoorbeeld bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal leerlingen op de</al><al>teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven</al><al>leerlingen op de wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het</al><al>programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of</al><al>de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I tot en</al><al>met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk</al><al>is. De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde</al><al>gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit</al><al>is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><tussenkop>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</tussenkop><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht beschikbaar te stellen</al><al>van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat</al><al>er aan aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze</al><al>aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf</al><al>aan het beoordelen van de aanvragen.</al><tussenkop>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</tussenkop><al>Lid 1</al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven is bedoeld om</al><al>mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te bespreken voordat het</al><al>programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting</al><al>wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over</al><al>onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke kosten wordt bij de</al><al>aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het beoordelen van de ontvangen</al><al>kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld</al><al>dan vindt hierover overleg plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming</al><al>wordt bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het</al><al>kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de beschikking wel</al><al>motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij</al><al>de aanvraag is overlegd.</al><tussenkop>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</tussenkop><al>Lid 1-4</al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld, overleg te voeren met</al><al>het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over</al><al>het vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de</al><al>WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming</al><al>gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde</al><al>gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het college</al><al>besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet</al><al>onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een</al><al>breder gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve</al><al>agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten</al><al>schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande</al><al>aan het overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het</al><al>overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al>Lid 5-8</al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100, zesde lid, van de</al><al>WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad</al><al>advies vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting</al><al>onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van</al><al>dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit</al><al>tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van</al><al>vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek om</al><al>advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het</al><al>verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van</al><al>de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de</al><al>adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken</al><al>die hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van</al><al>belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige</al><al>vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle noodzakelijke informatie</al><al>heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het advies van de Onderwijsraad daarna zo</al><al>spoedig mogelijk aan de bevoegde gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een</al><al>nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van</al><al>toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in de Awb. In dit</al><al>verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan</al><al>op grond van artikel 3:6, tweede lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs</al><al>vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig</al><al>is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens</al><al>beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het</al><al>college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de</al><al>redenen daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg</al><al>in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen)</al><al>verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat</al><al>over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden.</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>34</al><al>Dit laat uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van het college om de</al><al>Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben.</al><al>De zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de</al><al>Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen</al><al>zal willen betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt ontvangen, wordt een</al><al>afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de stukken die moeten leiden tot een besluit</al><al>van het college.</al><tussenkop>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het honoreren van de</al><al>aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van het bekostigingsplafond is een</al><al>afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het</al><al>vaststellen van het programma en overzicht.</al><al>Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het</al><al>investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend</al><al>bepalend voor de vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen</al><al>worden gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening</al><al>vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één</al><al>bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste</al><al>investeringen niet kunnen worden gehonoreerd.</al><al>Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van</al><al>voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de zorgplicht.</al><al>Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad</al><al>vastgesteld meerjareninvesteringsplan.</al><al>Lid 2</al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk is, het overzicht</al><al>worden vastgesteld voor 31 december van het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is</al><al>geen fatale termijn. Wordt het programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan</al><al>betekent dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking</al><al>komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het college niet tijdig</al><al>een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze situatie de procedure van bezwaar en beroep</al><al>te volgen. De overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><tussenkop>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</tussenkop><al>Artikel 95 van de WPO, 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de criteria die het college</al><al>moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van</al><al>de WPO, 94 van de WEC en 76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit</al><al>tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt</al><al>bekendgemaakt.</al><al>Lid 1</al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers ontvangen deze</al><al>beschikkingen binnen een termijn van <vet><cursief>termijn (bijvoorbeeld twee weken) </cursief></vet>nadat het programma en</al><al>overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen (zie</al><al>toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg</al><al>over de uitvoering van de voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43</al><al>van de Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding van het</al><al>besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel</al><al>uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is in de</al><al>modelverordening opgenomen dat het besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden.</al><al>2</al><al>LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.</al><al>Lid 2</al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het overzicht. Vanwege de</al><al>samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en overzicht is in de verordening opgenomen</al><al>dat zowel het programma als overzicht ter inzage wordt gelegd.</al><tussenkop>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over het maken van</al><al>afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot het beschikbaar stellen van een</al><al>investeringskrediet voor de voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van</al><al>deze afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden</al><al>en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al>Lid 1</al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid, van de WEC en artikel 76n van de WVO</al><al>is opgenomen dat het college binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt</al><al>over de uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag</al><al>worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in</al><al>dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn</al><al>opgenomen (voor bijvoorbeeld de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het</al><al>college daarnaast van mening is dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting</al><al>voor een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen die</al><al>besproken moeten worden zijn onder andere:</al><al>-het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd gezag optreedt als</al><al>bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste lid, van de WPO, artikel 101, eerste lid, van</al><al>de WEC en artikel 76n, eerste lid, van de WVO). Het alternatief is dat het college de voorziening</al><al>tot stand brengt (artikel 103, tweede lid, van de WPO, artikel 101, tweede lid, van de WEC en</al><al>artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of van deze</al><al>mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat de</al><al>bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een derde partij;</al><al>-het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die op het vastgestelde</al><al>programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte);</al><al>-het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment van het vaststellen van het</al><al>programma en het aanvragen van de goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan</al><al>toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor het</al><al>eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt vastgelegd of het college</al><al>gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van het</al><al>bouwplan en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;</al><al>-de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de</al><al>middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het</al><al>project (zie ook toelichting artikel 15);</al><al>-de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende voorzieningen is de aanvrager</al><al>verplicht een aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de</al><al>genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor het college feitelijk niet</al><al>relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening</al><al>bekostigd op basis van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant</al><al>voor het bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat</al><al>voldaan wordt aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese</al><al>regelgeving.3 Daarnaast is van toepassing wat de gemeenteraad heeft vastgesteld in het</al><al>gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er geen Europese</al><al>regelgeving van toepassing is.</al><al>3 Enkele relevante begrippen zijn werken, diensten en leveringen. Onder de definitie ‘werken’ vallen bouwactiviteiten, zoals</al><al>nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder de definitie ‘diensten’ vallen</al><al>de door opdrachtnemers uit te voeren werkzaamheden als onderhoud en reparatie, vervoer, boekhouding en dergelijke, waarbij</al><al>een eventuele levering van fysieke producten van bijkomende orde is ten opzichte van de omvang van de uit te voeren</al><al>werkzaamheden. Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder de definitie ‘leveringen’ vallen de door</al><al>leveranciers te leveren prestaties bij de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van fysieke producten,</al><al>zoals meubilair of onderwijsleerpakket en dergelijke. Het gaat daarbij per definitie om activiteiten of werkzaamheden die niet zijn</al><al>opgenomen in Bijlage 1 en/of Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG.</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>36</al><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het gemeentelijke</al><al>aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en wat is opgenomen in de</al><al>Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten onder het Europese drempelbedrag4 kan</al><al>het college op verzoek van het bevoegd gezag besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken.</al><tussenkop>Drempelbedragen (€) Aanbestedingsvorm</tussenkop><tussenkop>Diensten &amp; Leveringen Werken Verplicht Alternatief</tussenkop><al>&lt; 50.000 &lt; 100.000 Enkelvoudig onderhands</al><al>(EO)</al><al>MO</al><al>≥ 50.000 en &lt; 125.000 ≥ 100.000 en &lt; 1.500.000 Meervoudig onderhands</al><al>(MO)</al><al>NL of EU</al><al>≥ 125.000 en &lt; EUdrempel</al><al>≥ 1.500.000 en &lt; EUdrempel</al><al>Nationaal (NL) EU</al><al>≥ EU-drempel ≥ EU-drempel Europees (EU) -</al><al>Om te kunnen bepalen welke aanbestedingsvorm moet worden gevolgd, dient de totale</al><al>opdrachtwaarde (exclusief btw) te worden vastgesteld. Hierbij geldt dat de opdrachtwaarde wordt</al><al>vastgesteld door alle gelijksoortige behoeften van de gemeente over de gehele contractperiode</al><al>(inclusief opties tot verlenging) op te tellen.</al><al>Indien de contractperiode onbekend, onbepaald of langer is dan 48 maanden, worden de behoeften</al><al>over 48 maanden opgeteld5. In geen geval mag een opdracht worden opgeknipt of op onjuiste wijze</al><al>worden geraamd om een aanbestedingsprocedure te ontduiken.</al><al>Wanneer blijkt dat de opdrachtwaarde net onder het Europese drempelbedrag uitkomt, wordt ervoor</al><al>gekozen de opdracht Europees aan te besteden, om zo het risico te beperken dat achteraf blijkt dat</al><al>de opdracht toch Europees aanbesteed had moeten worden en om hiermee de objectiviteit,</al><al>transparantie en non-discriminatie te waarborgen.</al><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de overeengekomen</al><al>huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden voorgelegd.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de afspraken die gemaakt</al><al>zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd</al><al>en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk</al><al>heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van</al><al>uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag, dan is nader overleg</al><al>noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens</al><al>te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide</al><al>partijen vastgelegd.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een bouwplan en begroting</al><al>achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde</al><al>omstandigheden zal plaatsvinden. Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een</al><al>eerder stadium al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt.</al><al>Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken bericht</al><al>over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al>4 In de richtlijn 2004/18/EG zijn drempelbedragen opgenomen. Deze drempelbedragen worden eenmaal in de twee jaar opnieuw</al><al>vastgesteld door de Europese Commissie. Is de geraamde waarde van de opdracht exclusief BTW gelijk aan of hoger dan het</al><al>vastgestelde drempelbedrag dan moet Europees worden aanbesteed.</al><al>De drempelbedragen voor de jaren 2014 en 2015 zijn vastgesteld en opgenomen in de tabel.</al><al>5 artikel 2.17, sub e Aw2012</al><al>Lid 4</al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze van uitvoering van de</al><al>voorziening en dit in het vastgestelde verslag is opgenomen dan is het college de instantie die een</al><al>definitief besluit neemt. Dit besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn</al><al>opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste wijze van</al><al>uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan</al><al>ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al><tussenkop>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen</tussenkop><tussenkop>wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes</tussenkop><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het college heeft</al><al>ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan naar het oordeel van college gezien</al><al>de aard van de voorziening niet vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van</al><al>het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid).</al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het college tot het</al><al>vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde</al><al>offertes.</al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het overleg deze</al><al>mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel 101 van de WEC en</al><al>artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid.</al><al>Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend.</al><al>Het college toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en</al><al>stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><al>-Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld staat los van de</al><al>goedkeuring van het bouwplan op grond van de bouwverordening, dus het verlenen van de</al><al>omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven</al><al>beschikking (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende bvo).</al><al>-De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is afhankelijk van de wijze waarop</al><al>de voorziening wordt bekostigd. Maakt het bevoegd gezag aanspraak op:</al><al>-de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst, omdat het bevoegd</al><al>gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het</al><al>normbedrag beschikbaar stelt;</al><al>-de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een inhoudelijke toetsing van de</al><al>begroting plaats om het definitieve bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen.</al><al>De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk een</al><al>raming van de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen tot het vaststellen van een</al><al>bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen</al><al>het ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het</al><al>definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is ontvangen als onderdeel</al><al>van de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die</al><al>volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.</al><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment het bevoegd</al><al>gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de bekostiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet binnen de gestelde</al><al>termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging</al><al>plaats op de wijze en het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna</al><al>de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is</al><al>noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de</al><al>duidelijkheid richting aanvrager.</al><al>Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast</al><al>waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de</al><al>WPO, artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 76j van de WVO.</al><al>Lid 3</al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste prijs maar de</al><al>economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is conform het uitgangspunt van</al><al>de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken.</al><tussenkop>Artikel 15. Aanvang bekostiging</tussenkop><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO, artikel 100, vierde lid, van de WEC</al><al>en artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op</al><al>welke wijze het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk</al><al>van de concrete omstandigheden (onder andere grootte van de opdracht, hoogte van het</al><al>investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet</al><al>kunnen voldoen.</al><al>Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt uitbetaald;</al></li><li nr="-"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden uitbetaald, waarbij wordt</al></li></lijst><al>aangesloten bij de termijnbetalingen aan de aannemer op basis van de door de aannemer</al><al>ingediende termijnstaat (automatische verwerking met valutadata in financiële administratie), en</al><al>-vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de nota’s van het bevoegd gezag.</al><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever, tenzij in het overleg als</al><al>bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de vergoeding door het college rechtstreeks aan de</al><al>opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie</al><al>tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het college het bedrag</al><al>aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze</al><al>wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen.</al><al>Gedacht kan worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op</al><al>het project betrekking hebben, of een accountantsverklaring.</al><tussenkop>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</tussenkop><al>Lid 1</al><al>De data zijn gekozen met het oog op het moment dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld.</al><al>Vanuit financieel perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende</al><al>voorziening in het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de</al><al>realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat realisatie niet</al><al>mogelijk is:</al><al>-in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar, dan blijft het</al><al>beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al><al>-ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar gestelde krediet worden</al><al>ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw</al><al>moet worden aangevraagd.</al><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor het college,</al><al>omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen.</al><al>De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt</al><al>overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een</al><al>voorziening.</al><al>Lid 3</al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan voldoen.</al><al>De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse omstandigheden die buiten de</al><al>schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de gestelde termijnen te</al><al>verlengen.</al><al>Lid 4</al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het verzoek van de aanvrager</al><al>wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is</al><al>om alsnog voor de in het eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen.</al><al>Als het college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum niet</al><al>haalbaar.</al><tussenkop>Artikelen 17-20. Aanvragen met spoedeisend karakter</tussenkop><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd.</al><al>Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een aanvraag voor het bekostigen van een</al><al>voorziening huisvesting onderwijs indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op</al><al>korte termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure.</al><al>Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van aanvraag.</al><al>Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><al>-brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie</al><al>moet plaatsvinden;</al><lijst><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere</al><al>procedure, zoals een situatie:</al><al>-dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van de verordening – een</al><al>aanvraag in te dienen voor het programma, of</al><al>-dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst wegens het toepassen van</al><al>de financiële weigeringgrond omdat het bekostigingsplafond niet toereikend is.</al><tussenkop>Artikel 17. Indienen aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden ingediend,</al><al>omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet</al><al>zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden</al><al>genomen.</al><al>Na de melding moet de aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen.</al><tussenkop>Artikel 18. Inhoud aanvraag</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op grond van de reguliere</al><al>procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening</al><al>spoedeisend is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een</al><al>calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden,</al><al>omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het aanleveren van</al><al>aanvullende gegevens kort gehouden.</al><tussenkop>Artikel 19. Tijdstip beslissing</tussenkop><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de beslistermijn een korte</al><al>periode aangehouden.</al><tussenkop>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</tussenkop><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure aangevraagde</al><al>voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met III van de verordening.</al><al>Als extra toets geldt het element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen</al><al>uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere</al><al>procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringgrond hanteren. Dit blijkt</al><al>uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste lid, van de WPO,</al><al>artikel 96, tweede lid, van de WEC en artikel 98, eerste lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van</al><al>de WVO en artikel 76k, eerste lid, van de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van toepassing.</al><tussenkop>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</tussenkop><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC</al><al>en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de gemeenteraad bij verordening een procedure</al><al>vaststellen voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk</al><al>om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen school.</al><al>De artikelen 21 t/m 26 worden door het college toegepast als het college een aanvraag van een</al><al>bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs heeft ontvangen.</al><al>Het college kan besluiten dat de aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door</al><al>middel van medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><tussenkop>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</tussenkop><al>Onderdelen a. en c.</al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op het moment dat het</al><al>college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening</al><al>huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft</al><al>ontvangen. Het college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik door een school.</al><al>Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte voor het geven van onderwijs) in</al><al>principe in overeenstemming is met de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet</al><al>noodzakelijk zijn.</al><al>Onderdeel b</al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijvoorbeeld voortgezet onderwijs) is</al><al>ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en beroepsonderwijs.</al><tussenkop>Artikel 22. Omschrijving leegstand</tussenkop><al>Lid 1</al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De leegstand wordt vastgesteld</al><al>op basis van het saldo tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende</al><al>ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening</al><al>gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij</al><al>een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal</al><al>onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat</al><al>het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te</al><al>wijzen aan een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet</al><al>speciaal onderwijs, of een school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en huurscholen, omdat</al><al>deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder</al><al>het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit</al><al>waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft</al><al>gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft</al><al>gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al>Lid 2</al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor bewegingsonderwijs in</al><al>gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs,</al><al>een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs kan op basis van het lesrooster</al><al>per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen</al><al>buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal</al><al>bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is.</al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan van minimaal</al><al>32 lesuren</al><al>6</al><al>en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren,</al><al>gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als</al><al>in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><al>-voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd</al><al>medegebruik mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs, een speciale school voor</al><al>basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs voor het verschil tussen</al><al>26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al><al>-voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn</al><al>ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs voor de</al><al>resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;</al><al>-voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is</al><al>door:</al><al>-een school voor basisonderwijs, (een speciale school voor basisonderwijs, een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik</al><al>passen binnen de 26 klokuren, en</al><al>-een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende klokuren tot een maximum</al><al>van 40 lesuren.</al><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende onderwijssector geldende reële</al><al>schooltijden.</al><tussenkop>Artikel 23. Nalaten vorderen</tussenkop><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg medegebruik te regelen.</al><al>Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling hebben getroffen is er voor het college</al><al>geen reden om dat te doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die</al><al>medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te</al><al>huisvesten.</al><al>Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college hiervan in</al><al>kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale</al><al>situatie is gecreëerd.</al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in onderling overleg</al><al>vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd. Wordt geen overeenstemming</al><al>bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><tussenkop>Artikel 24. Overleg en mededeling</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen voor en toekennen</al><al>van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'.</al><al>Om deze reden maakt het vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte</al><al>overleg over het programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het</al><al>voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de mogelijkheid een</al><al>advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt niet vermeld het besluit tot</al><al>vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het college.</al><al>Lid 2</al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening op grond</al><al>van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het overleg opgenomen. De aard van de</al><al>aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet</al><al>worden. Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid</al><al>hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><al>6</al><al>In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van 50 minuten, met</al><al>daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen. Voor het vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte</al><al>van een lokaal bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een klokuur.</al><al>Lid 3</al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben tijdig</al><al>eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn waarop het besluit tot</al><al>vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit</al><al>tot vorderen heeft genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met</al><al>het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om</al><al>zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al>Lid 4</al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om deze reden</al><al>moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking worden opgenomen, waarvan</al><al>vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke de leegstand wordt gevorderd van belang is.</al><al>De periode kan bijvoorbeeld worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan</al><al>wenselijk zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor</al><al>medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet</al><al>strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik</al><al>gaat.</al><tussenkop>Artikel 25. Vergoeding</tussenkop><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken met</al><al>exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen moeten in onderling</al><al>overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke</al><al>exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is</al><al>ook bij het gebruik van de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke</al><al>kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het schoolbestuur</al><al>ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte</al><al>subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een gedeelte van de school in</al><al>medegebruik heeft geven de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt</al><al>ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt</al><al>over de activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen.</al><tussenkop>Artikel 26. Overleg en mededeling</tussenkop><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele, maatschappelijke of</al><al>recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel tijdens als na de schooltijden.</al><al>Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het</al><al>schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven,</al><al>maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de bestemming</al><al>van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat</al><al>een wijziging van het bestemmingsplan is vastgesteld.</al><al>Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat</al><al>het bevoegd gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen</al><al>aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid</al><al>van richting en inrichting een rol spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag minimaal moeten</al><al>worden besproken als medegebruik door een niet onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd</al><al>gezag moet, voordat het instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld</al><al>worden zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op</al><al>het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg en de activiteiten waarvoor het</al><al>medegebruik noodzakelijk is, kan het noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde</al><al>bouwkundige maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding</al><al>‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve</al><al>doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om een ander tarief in rekening te brengen, maar ook</al><al>aan te sluiten bij de systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het overleg tussen</al><al>college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college. Het is aan het college om te</al><al>besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag,</al><al>college en de medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal</al><al>(praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot</al><al>vordering door college.</al><al>Lid 3</al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een beslissing inzake de</al><al>openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het</al><al>vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden.</al><tussenkop>Artikel 27. Verzoek toestemming college</tussenkop><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door de juridisch</al><al>eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het bevoegd gezag juridisch</al><al>eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is uitsluitend de</al><al>verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van)</al><al>het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen.</al><al>Zonder toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig.</al><al>Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd gezag het college inzicht</al><al>geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden,</al><al>de periode van verhuur en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school.</al><al>Daarnaast betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten</al><al>ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college toestemming voor de</al><al>verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag wordt ontvangen voor bijvoorbeeld</al><al>uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college het verzoek aan wet- en</al><al>regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en</al><al>artikel 76s van de WVO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><al>-woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in Boek 7, titel 4, afdeling 5, artikel 233 en afdeling 6,</al><al>artikel 290 van het Burgerlijk Wetboek, of</al><al>-de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de voorwaarde op dat als de te</al><al>verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het onderwijs, dat het college deze ruimte dan</al><al>vordert. De wet bepaalt dat de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het</al><al>voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het college gebruik maakt</al><al>van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald worden.</al><al>Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de exploitatiekosten</al><al>(= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de investeringslasten (= huurvergoeding).</al><al>Het schoolbestuur stelt de hoogte van de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van</al><al>het schoolgebouw) vast. In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de</al><al>toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd,</al><al>waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op wat in de</al><al>onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding is wat anders dan de gebruiksvergoeding</al><al>waarvan de hoogte door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag</al><al>aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de</al><al>investeringslasten van het schoolgebouw. De Raad van State heeft vastgesteld dat het college een</al><al>huurvergoeding kan vragen onder de volgende voorwaarden:</al><al>1.het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de huur de gemeente een</al><al>financieel nadeel leidt;</al><al>2.de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies aan inkomsten door de</al><al>gemeente en</al><al>3.de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan onderwijshuisvesting.7</al><tussenkop>Artikel 29. Staat van onderhoud</tussenkop><al>In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van de WVO is geregeld in welke</al><al>situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een (gedeelte van een)</al><al>schoolgebouw en -terrein aan het college. Over het algemeen is de overdracht van het hele</al><al>schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of</al><al>het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW. Overdracht door het</al><al>bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats als het</al><al>bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting)</al><al>juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw</al><al>en -terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats.</al><al>Een overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is</al><al>gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college en bevoegd gezag gezamenlijk</al><al>opgestelde en ondertekende acte opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden</al><al>gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en</al><al>dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen</al><al>moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden.</al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van het gebruik is</al><al>gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door het bevoegd gezag. Is sprake</al><al>van integraal bestuur dan blijft het opmaken van een staat onderhoud achterwege. Vanuit het</al><al>oogpunt van gelijke behandeling van het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin</al><al>gekozen worden voor een gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag, met het oog op</al><al>de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra</al><al>opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt, omdat</al><al>alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig</al><al>onderhoud is toe te rekenen. De staat van onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken</al><al>akte van overdracht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een beschrijving van de</al><al>staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een</al><al>onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft</al><al>het college overleg met het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de</al><al>instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussies dan</al><al>wel meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder.</al><al>Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden</al><al>(bijvoorbeeld beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld</al><al>onderhoud is uitgevoerd).</al><al>Lid 5</al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van de rapportage</al><al>achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met deze constatering instemt, kan</al><al>in het overleg</al><al>overeengekomen worden dat het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het college betaalt, waarna het</al></li></lijst><al>college de opdracht verstrekt.</al><al>7</al><al>LJN BK0803, Raad van State, 200901067/1/H2 en 201308827/1/A2.</al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de rapportage wordt in</al><al>het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan worden overeengekomen dat</al><al>arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst</al><al>daarvan. Alternatief is dat het college zicht wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat</al><al>het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de</al><al>wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al>Lid 6</al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen</al><al>dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat,</al><al>maar er geen reden is om dit nog te laten vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als</al><al>het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijvoorbeeld te</al><al>verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><tussenkop>Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroosteren en gebruik</tussenkop><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen juridisch</al><al>eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een derde. In het kader van de</al><al>ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de verantwoordelijkheid van de</al><al>gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de</al><al>aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de</al><al>verantwoordelijkheid van het college om een rooster bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang</al><al>van het gebruik door een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een</al><al>school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van lokalen bewegingsonderwijs</al><al>wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren is afhankelijk is van het aantal</al><al>gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het</al><al>aantal formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven</al><al>fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal leerlingen. Voor het</al><al>verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het</al><al>programma en de spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te</al><al>omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen</al><al>bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de bestaande capaciteit</al><al>kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding of nieuwbouw van lokalen</al><al>bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen. Uitgangspunt van</al><al>deze procedure is dat het college op basis van het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum</al><al>1 oktober het aantal gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en</al><al>op basis van het aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het</al><al>college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal bewegingsonderwijs moet worden</al><al>vervangen, dan kan het college de procedure voor het aanvragen van bekostiging van een</al><al>huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig</al><al>zicht heeft op:</al><al>-de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de accommodaties die op</al><al>grond van de onderwijswetgeving behoren tot de zgn. ‘eigendomsscholen’;</al><lijst><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft bewegingsonderwijs in</al></li></lijst><al>welk gebouw);</al><lijst><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd gebruik is of dat het gebruik</al></li></lijst><al>gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><al>1.het college stelt medio december op basis van de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen vast</al><al>voor de datum 1 augustus (start schooljaar);</al><al>2.het college stelt daaropvolgend voor het eind van het jaar een conceptrooster op. Als basis kan</al><al>dienen het rooster bewegingsonderwijs van het lopende schooljaar en daarin worden de mutaties</al><al>als gevolg van mutaties in het aantal gymgroepen verwerkt;</al><al>3.het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor medio januari daaropvolgend in kennis van het</al><al>voorlopig vastgestelde rooster bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>46</al><lijst><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 maart op het aangeboden conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 1 maart een overleg over het</al></li></lijst><al>conceptrooster te beleggen;</al><al>6.het college stelt voor 1 april daaropvolgend het rooster bewegingsonderwijs voor het komende</al><al>schooljaar vast.</al><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren bewegingsonderwijs aan</al><al>te vragen dan door het college genormeerd is vastgesteld. Het college kan dit verzoek honoreren als</al><al>binnen de bestaande accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag</al><al>worden dan de kosten van deze extra klokuren doorberekend.</al><tussenkop>Artikel 32. Indexering</tussenkop><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks worden aangepast</al><al>aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel is van de verordening moet op grond</al><al>van de onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad.</al><al>Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen</al><al>bepaalt dit artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan het</al><al>college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A. Het wettelijk</al><al>verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een wijziging van de verordening noodzakelijk is,</al><al>kan plaatsvinden door het toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de</al><al>mogelijkheid om hierop te reageren.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen van de noodzaak</al><al>van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en</al><al>deel B – Lokalen bewegingsonderwijs.</al><tussenkop>Deel A – Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van de noodzaak van</al><al>de aangevraagde voorziening beschreven.</al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De dislocatie is bedoeld</al><al>als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle</al><al>leerlingen te huisvesten. Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op</al><al>de hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten. Ontvangt het</al><al>college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor een dislocatie, dan stelt het</al><al>college, voordat het besluit deze aanvraag te honoreren, vast of:</al><al>-de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende huisvesting voor de school</al><al>noodzakelijk is;</al><al>-dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten, eventueel met een</al><al>bouwkundige aanpassing, of</al><al>-dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar is.</al><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op basis van het</al><al>voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college beschikken over</al><al>minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= bruto vloeroppervlakte) van het gebouw of de</al></li></lijst><al>gebouwen die door de school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en</al><al>-zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is,</al><al>is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende) voorziening</al><al>onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor</al><al>tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’</al><al>voor de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor</al><al>de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose</al><al>geeft antwoord op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum</al><al>waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de uitkomst</al><al>van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de aangevraagde voorziening</al><al>huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een</al><al>periode van:</al><al>-drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend omdat wordt</al><al>verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor deze beperkte periode binnen de</al><al>eigen school kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een</al><al>andere voorziening goedgekeurd;</al><al>-minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk gebruik bestemde</al><al>voorziening toegekend en</al><al>-minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde voorziening</al><al>onderwijshuisvesting toegekend</al><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het bekostigen van</al><al>de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en vervanging of herstel van schade</al><al>in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><al>48</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs</al><al>(vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt, onafhankelijk van de periode waarvoor de</al><al>voorziening noodzakelijk is, een rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van</al><al>een bestaand gebouw.</al><tussenkop>A.1 Nieuwbouw</tussenkop><al>Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een nieuwe afdeling</al><al>en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd</al><al>en voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><tussenkop>A.2 Vervangende bouw</tussenkop><al>Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties. Ten eerste vanwege de</al><al>slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw. Voor het vaststellen van de</al><al>bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de bouwkundige staat tussen</al><al>verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige</al><al>rapportage als eis gesteld een rapportage op grond van NEN 2767. Uitgangspunt van deze</al><al>methode is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen</al><al>worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt tussen</al><al>kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in</al><al>de aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel.</al><al>Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige</al><al>elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook</al><al>rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een vooraf vastgestelde</al><al>periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de vraag of activiteiten binnen de periode</al><al>van 3 jaar voor het onderhoud in aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de</al><al>intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score,</al><al>de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het totale</al><al>schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende</al><al>conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende</al><al>veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5 kan</al><al>worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige staat en kan</al><al>worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een herschikkingoperatie. Dit kan zich</al><al>in meerdere gevallen voordoen:</al><al>-bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen omdat is</al><al>vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen beschikbaar is,</al><al>maar dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere</al><al>schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte</al><al>bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie met</al><al>vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van</al><al>de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden</al><al>afgestoten;</al><al>-fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingoperatie omdat een fusie op</al><al>schoolniveau ook gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een</al><al>beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere</al><al>schoolgebouw kan worden afgestoten;</al><al>-vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening,</al><al>als gevolg van bijvoorbeeld stadsvernieuwing, of het herinrichten van een wijk, waarvoor het</al><al>noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen</al><al>vervangen wordt/worden.</al><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingplan is dat een grotere</al><al>doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor het college</al><al>een budgettair neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra investeringslasten</al><al>ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van</al><al>de vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop</al><al>van de bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming</al><al>is bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het Rijk</al><al>ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen</al><al>schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het</al><al>schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de minister van</al><al>OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor activiteiten met een kortlopende</al><al>cyclus, maar ook met een langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent</al><al>dat als sprake is van een bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden</al><al>vastgesteld of in de afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft</al><al>plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag</al><al>voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en bevoegd</al><al>gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan</al><al>moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de totale investering, omdat het</al><al>bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel</al><al>hoeft in te zetten.</al><tussenkop>A.3 Uitbreiding</tussenkop><al>Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw of de</al><al>schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de</al><al>school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan de beschikbare</al><al>huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het college te bepalen op welke wijze de</al><al>gevraagde extra capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening</al><al>houden met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat</al><al>mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv. medegebruik</al><al>toekennen.</al><tussenkop>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</tussenkop><al>In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is afhankelijk van de</al><al>volgende factoren:</al><al>-het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen een rol speelt als het</al><al>gebouw een dislocatie wordt van een bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk</al><al>voor het huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet relevant;</al><al>-de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja welke in- of</al><al>uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen voor voldoende capaciteit voor het</al><al>huisvesten van de leerlingen.</al><al>-de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van belang om vast te</al><al>stellen</al><al>welke bouwkundige investeringen noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en</al><al>onderwijskundig geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting.</al><al>Het college kan besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de</al><al>investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing,</al><al>uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn</al><al>dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><al>-als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving per saldo geen</al><al>meerkosten met zich meebrengt;</al><lijst><li nr="-"><al>bij een herschikkingoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li></lijst><tussenkop>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</tussenkop><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en nagelvast aan de</al><al>grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk gebouw moet rekening worden</al><al>gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn</al><al>opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het college een afweging maken tussen het verplaatsen</al><al>en het bekostigen van een nieuwe voorziening.</al><tussenkop>A.6 Terrein</tussenkop><al>Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt toegekend.</al><al>Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijvoorbeeld op het</al><al>bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het realiseren van de genoemde</al><al>voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de</al><al>huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het</al><al>programma.</al><tussenkop>A.7 Eerste inrichting</tussenkop><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een school voor</al><al>basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of</al><al>voortgezet speciaal onderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een</al><al>school voor voortgezet onderwijs. Voor alle onderwijssectoren is de bekostiging van de eerste</al><al>inrichting gekoppeld aan het aantal m2 bruto vloeroppervlakte waarvoor de voorziening</al><al>nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school. In principe</al><al>hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor zich bekostiging voor</al><al>eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen</al><al>aanspraak bestaat op bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de</al><al>gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie</al><al>afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie</al><al>met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school</al><al>geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de</al><al>afzonderlijke scholen is toegekend.</al><tussenkop>A.8 Medegebruik</tussenkop><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het doelmatig</al><al>gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen.</al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te hebben:</al><al>-in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de</al><al>leerlingenprognose), en</al><al>-de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is vastgesteld (wordt</al><al>op korte termijn een toename van het aantal leerlingen verwacht dan is het de vraag of</al><al>medegebruik zinvol is).</al><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij medegebruik van</al><al>leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij medegebruik een</al><al>afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in aanmerking komt voor het</al><al>medegebruik, de zgn. verwijsafstand).</al><al>In de verordening is als verwijsafstand opgenomen het criterium ‘voor de leerling voldoende</al><al>begaanbare en veilige weg’. Dit criterium sluit aan bij de verordening leerlingenvervoer</al><al>gemeente Capelle aan den IJssel 2012.</al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van scholen</al><al>van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het verschil</al><al>tussen de vastgestelde capaciteit (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de</al><al>voor de school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende</al><al>genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik wordt</al><al>afzonderlijk vastgesteld.</al><al>-Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs een speciale school voor</al><al>basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en een</al><al>school voor voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik.</al><al>-Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd, maar waarvoor het</al><al>college een vergoeding verstrekt (zogenaamde eigendom- en huurscholen) maken</al><al>onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor</al><al>medegebruik.</al><al>-Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en</al><al>waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen kunnen niet in medegebruik</al><al>worden gegeven omdat deze ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het</al><al>schoolgebouw vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al><tussenkop>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe bewoner</tussenkop><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en medegebruik (A.8)</al><al>kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen om het</al><al>betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten</al><al>van deze investering komen voor rekening van de gemeente.</al><tussenkop>A.9 Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs. Voordat bekostiging</al><al>voor een constructiefout wordt toegekend is het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk</al><al>gaat om een constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout.</al><al>Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout</al><al>aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop</al><al>bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad</al><al>van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk</al><al>was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier</al><al>onderhoud moet worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het</al><al>aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel</al><al>dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een</al><al>constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud.</al><al>8</al><al>Het herstel van een constructiefout is</al><al>eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd gezag als</al><al>de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van</al><al>de WPO, artikel 98, tweede lid, van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WVO.</al><al>9</al><tussenkop>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval</tussenkop><tussenkop>van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met schade als gevolg van</al><al>bijvoorbeeld vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand et cetera en deze schade niet is te</al><al>verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de</al><al>bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand</al><al>kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw met</al><al>minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kan het</al><al>college in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens</al><al>dat als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijvoorbeeld inbraak</al><al>was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het bevoegd gezag</al><al>komen.</al><tussenkop>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het traditionele lokaal</al><al>bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het gebruik van de (gemeentelijke)</al><al>sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan juridisch eigendom zijn van de gemeente, het</al><al>bevoegd gezag, of een derde.</al><al>8</al><al>LJN BJ7202, Raad van State, 200809152/1/H2.</al><al>9 BX8979, Raad van State, 201200195/1/A2.</al><tussenkop>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikgeving</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is een relatie</al><al>gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de afstand tussen het</al><al>schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de gemeente</al><al>financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats van een voorziening het</al><al>vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt</al><al>genomen voert het college overleg met het bevoegd gezag.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt aan een lokaal bewegingsonderwijs gelijkgesteld</al><al>een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad of</al><al>hydrotherapiebad). Deze laatste twee voorzieningen kunnen uitsluitend worden aangevraagd</al><al>en bekostigd voor de onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is:</al><al>-een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet</al><al>speciaal onderwijs voor lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school voor speciaal</al><al>onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapte kinderen met een</al><al>lichamelijke handicap, en</al><al>-een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor speciaal onderwijs of</al><al>voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen en een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapten met</al><al>zeer moeilijk lerende kinderen.</al><tussenkop>B.3 Eerste inrichting</tussenkop><al>Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs kan als eerste</al><al>inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen gerealiseerde</al><al>oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar verwachting niet aan de gestelde</al><al>eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de</al><al>volledige bekostiging eerste inrichting verstrekt.</al><tussenkop>B.5 Medegebruik</tussenkop><al>De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op basis</al><al>van het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen voor</al><al>primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het</al><al>bevoegd gezag van de school voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school</al><al>voor voortgezet onderwijs.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II – Prognosecriteria</titel></kop><al>Op grond van de artikelen 7, eerste lid, onder e, en 18, eerste lid, is het bevoegd gezag verplicht een</al><al>leerlingenprognose te overleggen als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening</al><al>huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in</al><al>gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is</al><al>de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen</al><al>aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode waarvoor de</al><al>voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is.</al><al>De werkgroep “Prognoses” van de VNG heeft programma’s van eisen opgesteld waaraan de</al><al>prognoses moeten voldoen. De door de werkgroep geformuleerde eisen met betrekking tot de</al><al>systematiek van het prognosticeren zijn vervolgens uitgewerkt tot op het niveau van de</al><al>begrippen, definities en rekenformules. Tevens heeft de werkgroep enkele eisen gesteld met</al><al>betrekking tot de software voor het prognosticeren van leerlingenaantallen.</al><al>De programma’s van eisen zijn als bijlage bij de ledenbrief 99/136, d.d. 23 augustus 1999 naar de</al><al>gemeenten gestuurd en sindsdien niet gewijzigd. De prognoses voor de scholen dienen aan deze</al><al>eisen te voldoen.</al><al>Voor de scholen worden de navolgende basisgeneraties gebruikt:</al><tussenkop>Scholen voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs</tussenkop><al>Voor de scholen wordt uitgegaan van de 4- tot en met 11-jarigen en 30% van de 12-jarigen.</al><tussenkop>Scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:</tussenkop><al>Voor SO-scholen wordt uitgegaan van een basisgeneratie waarbij de leeftijden vanaf 3 jaar tot</al><al>14 jaar zijn vertegenwoordigd. De 12- en 13-jarigen worden voor 50% in de basisgeneratie</al><al>opgenomen, voor zeer moeilijk lerende kinderen worden de 3-jarigen en de helft van de 4-</al><al>jarigen buiten de basisgeneratie gelaten en voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen worden de</al><al>3-, 4- en 5-jarigen en de helft van de 6-jarigen buiten de basisgeneratie gelaten.</al><al>Voor VSO-scholen bestaat de basisgeneratie uit 50% van de 12- en 13-jarigen en 100% van de</al><al>14- tot en met 19-jarigen.</al><tussenkop>Voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De 12- en 13-jarigen worden voor 50% in de basisgeneratie opgenomen. Voor zelfstandige</al><al>scholen voor praktijkonderwijs bestaat de basisgeneratie uit 100% van 13- tot en met 18-</al><al>jarigen.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende</titel></kop><tussenkop>ruimtebehoefte</tussenkop><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening huisvesting onderwijs</al><al>gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk</al><al>ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt geregistreerd wordt</al><al>geen rekening gehouden met de m2 bruto vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen</al><al>rekening heeft gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt</al><al>wel geregistreerd.</al><tussenkop>Deel A – Vaststellen capaciteit</tussenkop><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m2 bruto vloeroppervlakte. Op basis</al><al>van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is (aanvullende ruimtebehoefte,</al></li></lijst><al>deel C).</al><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen in de</al><al>gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is voor het uitvoeren van</al><al>de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding</al><al>etc.) moeten op grond van artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen aan</al><al>het college worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke</al><al>administratie beschikt het college over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de</al><al>(school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand</al><al>van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van</al><al>schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van de indeling van</al><al>het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig geschikt is voor medegebruik</al><al>(bijvoorbeeld een gangenschool). Het schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg</al><al>van een onevenwichtige indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd</al><al>gezag het college vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit</al><al>verzoek een besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen,</al><al>dan registreert het college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de</al><al>bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het moment dat het</al><al>college een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt</al><al>het college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te</al><al>realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><tussenkop>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</tussenkop><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting in een</al><al>hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen zodanig dat het gebruik</al><al>van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd</al><al>gezag een besluit te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt</al><al>overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een gebouw is waarvoor het college</al><al>een huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding</al><al>betaalt wordt als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten</al><al>gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen</al><al>het bevoegd gezag en het college.</al><tussenkop>A.1.4 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van het perceel</al><al>zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de kadastrale perceelgrenzen</al><al>niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de</al><al>terreinoppervlakte van het openbaar groen en eventueel andere openbare gebouwen samen</al><al>met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het</al><al>schoolgebouw het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte</al><al>vastgelegd.</al><tussenkop>A.1.5 Inventaris</tussenkop><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is bekostigd is noodzakelijk</al><al>voor het beoordelen van een aanvraag voor het bekostigen uitbreiding van eerste inrichting.</al><al>Evenals geldt voor het schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan</al><al>de uitbreiding met het aantal m2 bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de</al><al>eerste inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag tot die datum aanspraak maakte.</al><tussenkop>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van belang om te</al><al>kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor basisonderwijs, een speciale</al><al>school voor basisonderwijs en een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs, of het</al><al>aantal lesuren voor een school voor voortgezet kan worden ingeroosterd.</al><tussenkop>A.1.6.2 Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte van het</al><al>perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de terreinoppervlakte van het lokaal</al><al>bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal</al><al>bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><al>-inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van de</al><al>terreinoppervlakte van het schoolgebouw;</al><al>-als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is gerealiseerd op het terrein</al><al>van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk geregistreerd;</al><lijst><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op hetzelfde terrein als</al></li></lijst><al>het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk geregistreerd.</al><tussenkop>A.1.6.3 Inventaris</tussenkop><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt geacht voldoende</al><al>te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het bewegingsonderwijs.</al><tussenkop>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat op de teldatum</al><al>1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de school aanwezig is. Op basis</al><al>van het aantal leerlingen wordt de bruto vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op</al><al>basis van de uitkomst van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze</al><al>ruimtebehoefte noodzakelijk is.</al><tussenkop>B.1 Lesgebouwen</tussenkop><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs,</al><al>een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voortgezet</al><al>onderwijs wordt gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m2 bruto</al><al>vloeroppervlakte per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak</al><al>op een vaste voet, die afhankelijk is van:</al><al>-de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met</al><al>spreidingsnoodzaak, en</al><al>-de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al><tussenkop>B.1.1 School voor basisonderwijs</tussenkop><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de basisruimtebehoefte</al><al>en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste voet (200 m2)</al><al>en de som van het aantal ongewogen leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is</al><al>ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m2 per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat</al><al>aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De aanvullende</al><al>ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de basisruimtebehoefte en de</al><al>aanvullende ruimtebehoefte is de totale ruimtebehoefte. Onderdeel van deze totale</al><al>ruimtebehoefte is een speellokaal.</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><tussenkop>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m2) en de som van het aantal leerlingen</al><al>dat op de speciale school voor basisonderwijs is ingeschreven, vermenigvuldigd met 7,35 m2</al><al>per leerling. Heeft de speciale school voor basisonderwijs aanspraak op een speellokaal, dan</al><al>wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><tussenkop>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</tussenkop><al>De ruimtebehoefte van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bestaat</al><al>uit een vaste voet en de som van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven</al><al>vermenigvuldigd met een m2 bruto vloeroppervlakte per leerling. Zowel de vaste voet als de m2</al><al>bruto vloeroppervlakte per leerling zijn afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het vaststellen van</al><al>de ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in een:</al><al>– school voor speciaal onderwijs (so);</al><al>– school voor voortgezet speciaal onderwijs (vso);</al><al>– school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (sovso);</al><al>– school voor speciaal onderwijs met één of meer afdelingen, en</al><al>– school voor voortgezet speciaal onderwijs met één of meer afdelingen.</al><al>De ruimtebehoefte bij een school een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs wordt</al><al>vastgesteld op eenmaal de vaste voet, verhoogd met de uitkomst van de afzonderlijk berekende</al><al>bruto vloeroppervlakte voor het aantal leerlingen van de so- en de vso-component en van de</al><al>afdelingen. Is sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het aantal leerlingen van een of</al><al>meer afdelingen bij het aantal leerlingen van de so-component opgeteld.</al><al>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de</al><al>ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><tussenkop>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimte behoefte. De basisruimte</al><al>behoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het aantal leerlingen</al><al>vermenigvuldigd met de m2 bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de</al><al>onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de</al><al>hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met</al><al>spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke</al><al>leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt</al><al>vastgesteld op basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven</al><al>beschikking.</al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor</al><al>voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte leerweg van een</al><al>bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW</al><al>hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de</al><al>betreffende licenties.</al><tussenkop>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het totaal aantal klokuren of</al><al>lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor</al><al>basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal</al><al>onderwijs is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school voor</al><al>basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te</al><al>bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het college hanteert bij het vaststellen van de</al><al>materiële vergoeding. Beschikt de school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs,</al><al>school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat</al><al>aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5</al><al>jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto</al><al>vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al>Behorende bij raadsbesluit, nummer 604612</al><tussenkop>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</tussenkop><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit – vastgestelde</al></li></lijst><al>ruimtebehoefte</al><lijst><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de drempelwaarde10</al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen</al></li></lijst><al>voorziening,</al><al>-gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen</al><al>van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor</al><al>een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is geïntegreerd in de vaste voet en bruto</al><al>vloeroppervlakte per leerling. Heeft de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde</al><al>bruto vloeroppervlakte geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik</al><al>van een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een</al><al>speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal bewegingsonderwijs</al><al>door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het college hiervoor toestemming verleend, binnen</al><al>het lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd</al><al>gezag bereid is een huurvergoeding te betalen.</al><al>Een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs maken</al><al>aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal als deze scholen worden</al><al>bezocht door leerlingen in de leeftijd tot zes jaar.</al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting uitbreiding wordt</al><al>vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de capaciteit van het schoolgebouw</al><al>lager vast te stellen dan de feitelijke bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie</al><al>toelichting deel A). Heeft deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het</al><al>vaststellen van het aantal m2 uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil tussen</al><al>de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven</al><al>respectievelijk verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het</al><al>ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot</al><al>het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een</al><al>interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het</al><al>schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken</al><al>uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de</al><al>investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele (beperkte)</al><al>uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de investeringskosten van de aanpassing</al><al>hoger zijn dan de investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan</al><al>worden besloten het gebouw uit te breiden.</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de voorziening</al><al>uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger</al><al>is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande capaciteit. De wijze waarop de</al><al>ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de</al><al>voorziening uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk</al><al>gebruik bestemde voorziening’.</al><al>10</al><al>Drempelwaarde:</al><lijst><li nr="-"><al>55 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>50 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening speciale school voor basisonderwijs of voor een school voor</al></li></lijst><al>(voortgezet) speciaal onderwijs;</al><al>-40 m2 bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor</al><al>basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, en</al><al>-10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2 voor een school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Wordt toegekend:</al><al>-de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de totaal berekende</al><al>aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden met de drempel van</al><al>10%;</al><al>-de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het aantal m2 dat de</al><al>10% overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de</al><al>bestaande capaciteit opvangen11.</al><tussenkop>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk gebruik</al><al>bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. De keuze tussen</al><al>voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte periode dat de voorziening</al><al>noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde huisvesting;</al><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde huisvesting.</al><tussenkop>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde ruimtebehoefte in</al><al>relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een</al><al>gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in het</al><al>schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand tussen de</al><al>hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het schoolgebouw als</al><al>het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke oppervlakte voor een school voor</al><al>basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of</al><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs is opgenomen in deel D.</al><al>Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een</al><al>kiss-en-ride-strook.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is gekoppeld aan</al><al>de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of een</al><al>alternatief (bijv. ingebruikgeving, medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van</al><al>deze voorziening.</al><tussenkop>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die betrekking</al><al>hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen die van toepassing zijn</al><al>op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen.</al><tussenkop>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</tussenkop><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het bevoegd gezag</al><al>om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij moet het bevoegd gezag</al><al>wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al>11</al><al>LJN BW5954, Raad van State, 201107376/1/A2.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC en artikel 76m, derde lid,</al><al>van de WVO verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het bekostigen van de</al><al>voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze</al><al>artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is</al><al>opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen</al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de gemeente</al><al>verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting (artikel 133 van de</al><al>WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1 van de WVO). Het bedrag dat de gemeente voor</al><al>de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al><tussenkop>Deel A – Indexering</tussenkop><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende prijspeil. Met het</al><al>bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil</al><al>gebracht. De verordening hanteert het MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de</al><al>miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de</al><al>gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).</al><tussenkop>Deel B – Normbedragen</tussenkop><tussenkop>Vergoeding voorbereidingskrediet</tussenkop><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om een</al><al>voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het voorbereidingskrediet wordt</al><al>gebaseerd op een <vet><cursief>percentage </cursief></vet>van het normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage, of op</al><al><vet><cursief>percentage </cursief></vet>van het geraamde bedrag van de feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van</al><al>de bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al</al><al>beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag van de</al><al>vastgestelde bekostiging.</al><tussenkop>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</tussenkop><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor</al><al>fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn inclusief BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><al>-een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m² bruto vloeroppervlakte en</al><al>2) bedrag per m² bruto vloeroppervlakte, welk bedrag voor een school voor speciaal</al><al>onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs afhankelijk is van de onderwijssector.</al><al>-een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met spreidingsnoodzaak)</al><al>2) bedrag per m² bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende bruto</al><al>vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al><al>Er wordt een toeslag paalfundering toegekend voor scholen voor basisonderwijs, speciaal</al><al>basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wanneer een paalfundering noodzakelijk is</al><al>van 20 meter of meer.</al><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt als volgt</al><al>vastgesteld:</al><al>a.per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto vloeroppervlakte en</al><al>toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;</al><al>b.per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a vastgestelde verschil in</al><al>capaciteit, en</al><al>c.vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor voortgezet</al><al>onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten worden uitgebreid en</al><al>anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van de toe te</al><al>kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor bijv. fundering,</al><al>inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de</al><al>verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de</al><al>ligging sterk kunnen variëren.</al><tussenkop>A.2 Kosten voor terreinen</tussenkop><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle kosten die</al><al>verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen riolering,</al><al>schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de gemeente komen</al><tussenkop>C. Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door middel van</al><al>huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een tijdelijke accommodatie kan</al><al>ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van</al><al>tijdelijke huisvesting is afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van</al><al>eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het realiseren van</al><al>permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een vergelijking tussen de kosten</al><al>van:</al><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente voorziening, en</al><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van tijdelijke huisvesting,</al><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van het plaatsen</al><al>en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op de:</al><al>-kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van de permanente</al><al>huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de</al><al>tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);</al><al>-korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding wordt toegekend,</al><al>of</al><al>-periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot koop van een tijdelijk</al><al>gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al><tussenkop>D. Eerste inrichting</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs, een speciale school</al><al>voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit</al><al>een basisbedrag en een bedrag per m2. Bij een school voor speciaal onderwijs of voortgezet</al><al>speciaal onderwijs wordt zowel bij het basisbedrag als het bedrag per m2 onderscheid gemaakt</al><al>naar onderwijssoort.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van de</al><al>bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs aanspraak maakt op</al><al>gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding bouwkosten (vervangende)</al><al>nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle</al><al>gevallen noodzakelijk:</al><al>-als een school goedkope ruimte (bijvoorbeeld algemene ruimte) moet ombouwen voor dure</al><al>ruimte (bijvoorbeeld werkplaats of specifieke ruimte) wordt het verschil in inventariskosten</al><al>gecompenseerd;</al><al>-als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene ruimte ontstaat de</al><al>omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het bedrag voor inventaris.</al><al>Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan</al><al>bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt.</al><al>Dit verschil wordt geregistreerd.</al><tussenkop>E. Lokalen bewegingsonderwijs</tussenkop><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al>Daarnaast hebben de scholen voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor</al><al>LG- en MG-leerlingen aanspraak op een aanvullende bekostiging voor het vergroten van de</al><al>entree en de was- en kleedruimte als deze lokalen bewegingsonderwijs niet toegankelijk zijn.</al><tussenkop>F. Vergoeding feitelijke kosten</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt onderscheid gemaakt</al><al>in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b</al><al>en c. In de kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de</al><al>architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen</al><al>offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen</al><al>van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van technische</al><al>advisering.</al><tussenkop>G. Huur sportvelden</tussenkop><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het college voor het</al><al>gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is</al><al>gerealiseerd met gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de</al><al>investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de</al><al>gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een</al><al>vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door</al><al>degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig voor rekening van het</al><al>bevoegd gezag.</al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt alleen</al><al>vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet onderwijs van het sportveld</al><al>gebruik maakt.</al><al>Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2014,</al><al>de griffier, de voorzitter,</al></bijlage></regeling></body></cvdr>