<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR355075_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Individuele inkomenstoeslag</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Individuele inkomenstoeslag</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-12-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de Verordening langdurigheidstoeslag</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Individuele inkomenstoeslag</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Vlissingen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>gezien het advies van de Sociale Cliëntenraad Walcheren;</al><al/><al>Overwegende dat op grond van de Participatiewet voor mensen die langdurig op
                        een minimuminkomen aangewezen zijn en geen uitzicht hebben op
                        inkomensverbetering het een wettelijk vereiste is om bij verordening te
                        regelen hoe de inkomenstoeslag als bedoeld in de Participatiewet vorm wordt
                        gegeven; </al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de verordening individuele inkomenstoeslag Vlissingen;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>- inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet, en de algemene bijstand; </al><al> - peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt; </al><al> - referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Vlissingen is
                        bevoegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, ter uitvoering van
                        deze verordening, beleidsregels vast te stellen. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar: </al><al>a. voor een alleenstaande: € 369,-- </al><al>b. voor een alleenstaande ouder: € 471,-- </al><al>c. voor gehuwden: € 527,-- </al><al>2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                        Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot of partner in aanmerking
                        voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                        alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al><al> 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                        peildatum bepalend.</al><al> 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                        overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het
                        Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond
                        op hele euro’s. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere gevallen kan van de bepalingen in deze verordening worden
                        afgeweken, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of
                        onbillijkheid. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De verordening langdurigheidstoeslag 2013A wordt per 1 januari 2015
                        ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. 2. Deze verordening
                        wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Vlissingen.
                    </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 18 december 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                    bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met
                    inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de
                    financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn
                    aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel
                    perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om
                    die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004
                    de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het College een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in
                    aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering. </al><al><cursief> Vast te leggen regels in verordening </cursief>De individuele
                    inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag
                    inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast
                    moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald
                    worden. Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer
                    sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van
                    artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden
                    vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen
                    uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de
                    omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet
                    is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: - de
                    krachten en bekwaamheden van de persoon, en - de inspanningen die de persoon
                    heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. </al><al><cursief> Overgangsrecht </cursief> Per 1 januari 2015 vervangt de individuele
                    inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze
                    verordening overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                    langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet in
                    algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet
                    als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de
                    Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en
                    voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum.
                    Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een
                    dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><al/><al><cursief>Wijziging leefvorm </cursief>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande
                    ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen,
                    maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden
                    aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de
                    voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen.
                    Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden
                    voldoen. </al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet> Enkel die bepalingen die nadere
                    toelichting behoeven worden hier behandeld. </al><al/><al><vet> Artikel 1. Begrippen </vet>Begrippen die al zijn omschreven in de
                    Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet
                    worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn
                    vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al><cursief> Inkomen </cursief>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld
                    in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene
                    bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in
                    aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in
                    aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van
                    bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten
                    bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015. </al><al><cursief> Peildatum </cursief>De peildatum is de datum waartegen een persoon
                    individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat
                    om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in
                    aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op
                    inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de
                    meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een
                    persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij
                    sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid,
                    van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                    Participatiewet. Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode
                    moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                    peildatum.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Uitvoering</vet></al><al>Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Vlissingen blijft
                    bevoegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, ter uitvoering van deze
                    verordening, beleidsregels vast te stellen. Volgens de gemeenschappelijke
                    regeling Orionis Walcheren berust de uitvoering van bijzondere bijstand en het
                    minimabeleid bij het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren.</al><al/><al><vet> Artikel 3. Indienen verzoek </vet> De Wet maatregelen WWB heeft artikel
                    36, eerste lid, van de Participatiewet dusdanig gewijzigd dat een persoon een
                    verzoek tot verlening van individuele inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was
                    de langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt
                    verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde
                    lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden
                    ingediend (artikel 4:1 Awb). </al><al> Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het College vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. </al><al/><al><vet> Artikel 4. Langdurig laag inkomen </vet>Van belang bij het bepalen wat een
                    langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt
                    verstaan. </al><al><cursief> Langdurig </cursief>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige
                    periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De
                    referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. </al><al><cursief> Laag inkomen </cursief>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan
                    110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vraag of het inkomen van een persoon
                    gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van
                    110% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden
                    beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen op jaarbasis moet
                    worden genegeerd<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref>. </al><al/><al><vet> Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag </vet>Bij de hoogte van de
                    individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande,
                    een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1">[1]</extref> CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a.,
                    ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141 WWB,
                    ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532.</al><al/><al><cursief>Gehuwden </cursief>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het
                    recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden
                    personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden
                    voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen
                    recht op individuele inkomenstoeslag<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1"><sup>[1]</sup><sup/></extref>. Is één van de echtgenoten uitgesloten van
                    het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen
                    aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt
                    de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag.
                    Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste
                    lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als
                    slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze
                    rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de
                    hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is
                    geregeld in het tweede lid. </al><al/><al><cursief>Indexering</cursief></al><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk
                    te communiceren. De bedragen genoemd in deze verordening zijn gebaseerd op de
                    bedragen van 2014, de bedragen voor 2015 zijn op het moment van schrijven
                    namelijk nog niet bekend. Wanneer dit bekend is, wordt de indexering volgens
                    artikel 5 lid 4 toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Hardheidsclausule</vet> Dit artikel behoeft geen toelichting.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 7 Intrekking oude verordening</vet> Het Algemeen Bestuur van
                    Orionis Walcheren is bevoegd om de oude verordening Langdurigheidstoeslag in te
                    trekken, omdat het Algemeen Bestuur destijds de Verordening
                    Langdurigheidstoeslag heeft vastgesteld. </al><al/><al><vet>Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel</vet> Dit artikel behoeft geen
                    toelichting.</al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1">[1]</extref> CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB,
                    ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>