<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR355030_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roosendaal 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roosendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roosendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, nr. 80487 ; Roosendaalse Bode 31-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015, gemeente Roosendaal</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 6, tweede lid, artikel 8a, eerste lid, aanhef en onderdelen a, c, d en e, en tweede lid, en artikel 10b, vierde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-10</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>AF/2014-58</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Re-integratieverordening, vastgesteld op 21 december 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>
      Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roosendaal 2015
            
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Roosendaal;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 oktober
                        2014;</al><al>gelet op artikel 6, tweede lid, artikel 8a, eerste lid, aanhef en onderdelen
                        a, c, d en e, en tweede lid, en artikel 10b, vierde lid, van de
                        Participatiewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het aanbieden van
                        re-integratievoorzieningen bij verordening te regelen;</al><al>B E S L U I T</al><al>besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente
                        Roosendaal 2015 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle bergrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene Wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente……;</al></li><li nr="f."><al>proefplaatsing: werken met behoud van uitkering gedurende
                                        een periode van maximaal 3 maanden met de intentie en
                                        afspraak van een concrete baan in het vooruitzicht;</al></li><li nr="g."><al>werkstage: werken met behoud van uitkering gedurende een
                                        periode van maximaal 6 maanden met als doel om werkritme en
                                        werkervaring op te doen;</al></li><li nr="h."><al>activeringsplaats: werken met behoud van uitkering voor
                                        personen met een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt
                                        die wel het perspectief hebben dat zij met langere
                                        begeleiding weer inzetbaar zijn in reguliere arbeid;</al></li><li nr="i."><al>detachering: werken in een betaalde baan bij een reguliere
                                        werkgever via een (sociaal) detacheringsbureau van de
                                        overheid of via een derde;</al></li><li nr="j."><al>werkplekaanpassing: een voorziening die ingezet kan worden
                                        op de werkplek ten behoeve van een werknemer met
                                        arbeidsbeperkingen, waardoor de werknemer beter in staat is
                                        zijn werkzaamheden uit te voeren;</al></li><li nr="k."><al>jobcoaching: het geheel aan ondersteunende activiteiten dat
                                        nodig is om arbeidsparticipatie van mensen met een beperking
                                        op een specifieke werkplek optimaal en duurzaam te maken.
                                        Het gaat daarbij om activiteiten die overstijgend zijn aan
                                        het gebruikelijke inwerktraject van de werkgever en die na
                                        het inwerken (nog) nodig zijn om de opgedragen taken te
                                        kunnen blijven uitvoeren.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Evenwichtige verdeling</titel></kop><al>Het college bevordert dat er met betrekking tot het aanbieden van
                            ondersteuning sprake is van een gelijke aandacht voor de in artikel 7,
                            lid 1, sub a, van de wet genoemde groepen alsmede voor een evenwichtige
                            verdeling binnen de te onderscheiden doelgroepen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidie- of budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een door het college vastgesteld plafond als genoemd in het eerste
                                en tweede lid vormt een weigeringsgrond bij aanspraak op een
                                specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing voor de voorziening als genoemd
                                in artikel 18.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37
                                        van de IOAZ niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2<sup>o</sup>, van de
                                        wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in
                                hoofdstuk 4 van deze verordening nadere regels stellen. Deze regels
                                kunnen betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen;
                                    </al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        -vaststelling; </al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies; </al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;
                                    </al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage; </al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Individuele omstandigheden</titel></kop><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen
                            voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen
                            van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op
                            zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                            werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Niet-uitkeringsgerechtigde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden gelden de
                                volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager dient zich voor minimaal twintig uur per week
                                        beschikbaar te stellen voor algemeen geaccepteerde
                                        arbeid;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak voor ondersteuning dient aanwezig te zijn en
                                        wordt door het college vastgesteld;</al></li><li nr="c."><al>de ondersteuning dient te allen tijde gericht te zijn op het
                                        verkrijgen van betaalde arbeid;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager is verplicht ingeschreven te staan als
                                        werkzoekende bij het UWV.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen als genoemd in de artikelen 11, 12 en 16 worden
                                niet ingezet voor de niet-uitkeringsgerechtigde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat voor de
                                niet-uitkeringsgerechtigde, indien sprake is van een voorliggende
                                voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate
                                bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De vorm van ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen behorend tot de doelgroep een
                                proefplaatsing aanbieden indien de werkgever waar deze
                                proefplaatsing wordt gerealiseerd aansluitend een dienstverband in
                                het vooruitzicht stelt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De proefplaatsing is bedoeld om de werknemer de vaardigheden te
                                leren die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de werkzaamheden
                                in het aansluitende dienstverband.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de uitvoering
                                van de proefplaatsing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien de wijze van
                                uitvoering van de werkstage en de voorwaarden die hieraan verbonden
                                worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, onder
                                andere in de vorm van een activeringsplaats, voor zover de
                                mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde
                                arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                                voorziening of voor zover dit bijdraagt aan zelfstandige
                                maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien de wijze van
                                uitvoering van sociale activering en de voorwaarden die hieraan
                                verbonden worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep scholing
                                of opleiding aanbieden die de toegang tot de arbeidsmarkt
                                bevordert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien de wijze van
                                uitvoering van het scholingsinstrument en de voorwaarden die hieraan
                                verbonden worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Detachering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep een
                                dienstverband aanbieden in de vorm van een detacheringsbaan, waarbij
                                betrokkene voor het verrichten van de werkzaamheden wordt geplaatst
                                bij een derde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                van uitvoering van deze detacheringsbaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt de persoon die minimaal zes maanden werkzaamheden
                                als bedoeld in het eerste lid verricht en geen startkwalificatie
                                bezit een voorziening als bedoeld in artikel 10 van deze verordening
                                aan, indien dit bijdraagt aan de vergroting van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                100,00 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Geen aanspraak op een premie als genoemd in het derde lid bestaat,
                                indien de gemiddelde inzet gedurende de periode genoemd in het derde
                                lid minder bedraagt dan 4 uren per week.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden
                                mogelijk te maken kan het college de volgende ondersteunende
                                voorzieningen inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving;</al></li><li nr="b."><al>uitsplitsing van taken;</al></li><li nr="c."><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                        arbeidsduur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                van uitvoering van de voorziening beschut werk en de voorwaarden die
                                hieraan verbonden worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                                persoonlijke ondersteuning in de vorm van jobcoaching aanbieden bij
                                het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken in de vorm
                                van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke
                                ondersteuning niet in staat is de aan hem door de werkgever
                                opgedragen taken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                waarop persoonlijke ondersteuning wordt aangeboden, alsmede de
                                omvang, duur en kosten hiervan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2..</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af met een verzekeraar en treedt op als
                                verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de no
                                riskpolis. Hierin worden in ieder geval bepalingen opgenomen over de
                                vergoedingen en de duur van de no riskpolis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Incidentele loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een incidentele loonkostensubsidie verstrekken aan
                                werkgevers ten behoeve van specifieke doelgroepen:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de voorziening
                                bedoeld in het eerste lid Voor zover deze nadere regels worden
                                opgesteld hebben deze in ieder geval betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de specifieke doelgroepen waarvoor incidentele
                                        loonkostensubsidie kan worden verleend;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte en duur van de incidentele
                                        loonkostensubsidie;</al></li><li nr="c."><al>het recht op de incidentele loonkostensubsidie gerelateerd
                                        aan de omvang van de dienstbetrekking;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van betaalbaar stellen;</al></li><li nr="e."><al>het maximaal aantal te verstrekken incidentele
                                        loonkostensubsidies per werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De incidentele loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als
                                hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De incidentele loonkostensubsidie wordt alleen dan verstrekt als er
                                voor dezelfde werknemer geen structurele loonkostensubsidie wordt
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een incidentele loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de
                                werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op
                                financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Structurele loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep van
                                de structurele loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
                                        artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>de persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de vaststelling van de structurele
                                loonkostensubsidie stelt het college de loonwaarde van de persoon
                                als bedoeld in artikel 17 vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Totdat in het Regionaal Werkbedrijf afspraken zijn gemaakt over de
                                toe te passen loonwaardemethode en die methode door de Minister van
                                Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gevalideerd, maakt het college
                                voor de vaststelling van de loonwaardemethode gebruik van de methode
                                als beschreven in de Ministeriële regeling loonkostensubsidie
                                Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Werkplekaanpassing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgever die met een persoon, die behoort tot
                                de doelgroep een dienstbetrekking aangaat van ten minste zes
                                maanden, een vergoeding verstrekken voor de eenmalige noodzakelijke
                                kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid
                                wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt
                                indien op grond van een andere regeling een vergoeding voor de
                                kosten kan worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze
                                van uitvoering van de voorziening als bedoeld in het eerste
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen behorend tot de doelgroep een
                                vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt zijn in
                                het kader van de arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoedingen bestaat
                                indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening
                                die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de belanghebbende
                                toereikend en passend te zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de
                                verstrekking van overige voorzieningen, waarbij bepaald kan worden
                                welke voor welke specifieke voorzieningen vergoedingen mogelijk
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overige re-integratievoorzieningen</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de inzet van
                            andere dan de in deze verordening genoemde
                            re-integratievoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Combinatie van voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan een re-integratievoorziening aanbieden die bestaat uit
                            een combinatie van de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staatssteunbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Staatssteun</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als en voor zover de verstrekking van de voorzieningen aan de
                                werkgever staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 van het
                                Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie geschiedt de
                                verstrekking op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>hoofdstuk III, deel 6 van de Verordening (EU) nr. 651/2014
                                        van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde
                                        categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
                                        het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden
                                        verklaard; of</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18
                                        december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107
                                        en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de
                                        Europese Unie op de-minimissteun.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als en voor zover de verstrekking van de voorzieningen aan de
                                werkgever staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 van het
                                Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, wordt de
                                voorziening verstrekt onder de voorwaarde dat de begunstigde
                                onderneming een dossier bijhoudt aan de hand waarvan kan worden
                                geverifieerd of de verleende steun voldoet aan de voorwaarden van de
                                in lid 1 genoemde toegepaste verordeningen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening daartoe aanleiding geeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening behoudt deze voorziening voor
                                zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Re-integratieverordening voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Re-integratieverordening blijft van toepassing ten aanzien van
                                een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al><al>Met ingang van deze datum wordt de Re-integratieverordening, zoals
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 21 december 2011, ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald: “Re-integratieverordening
                            Participatiewet 2015, gemeente Roosendaal “.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 december 2014 </al><al/><al>De raad voornoemd.</al></slotformulering><ondertekening>
          De griffier, De voorzitter,
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Re-integratieverordening Participatiewet 2015</titel></kop><tussenkop><vet>Algemene toelichting</vet></tussenkop><al>De Participatiewet geeft burgemeester en wethouders de opdracht om zorg te
                    dragen voor ondersteuning van re-integratie van verschillende categorieën
                    werkzoekenden. Deze opdracht is opgenomen in artikel 7 van de Participatiewet.
                    De gemeenteraad heeft van de wetgever de opdracht gekregen om
                    re-integratievoorzieningen in een verordening te regelen. Aan deze opdracht
                    wordt invulling gegeven met deze re-integratieverordening. </al><al>Er is gekozen voor een algemene, re-integratieverordening, waarin de kaders
                    worden weggezet. Deze keuze is gemaakt vanwege de aard van de opdracht die de
                    raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het
                    beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd.
                    Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet
                    onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit
                    leent zich niet voor het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere
                    situatie van toepassing zijn. Re-integratie is namelijk maatwerk. Het is
                    afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval
                    een passend re-integratietraject is. Verder speelt een rol dat de arbeidsmarkt
                    niet statisch is. Er doen zich continu ontwikkelingen voor, die om flexibele
                    inzet van re-integratievoorzieningen vragen. Daarom wordt aan het college de
                    bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel
                    10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben
                    op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                    ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college
                    in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>de doelgroep loonkostensubsidie en de loonwaarde (artikel 6, lid 2)</al></li><li nr="-"><al>het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                            voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling (artikel 8a, eerste lid,
                            onderdeel a)</al></li><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1 Begrippen</vet></tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de
                    Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in
                    deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                    definities in de genoemde wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al>De begrippen die niet zijn omschreven in de genoemde wetten, of die
                    verduidelijkt moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven.</al><al><cursief>Onderdeel d. Doelgroep</cursief></al><al>In artikel 7 heeft de wetgever het college de opdracht gegeven om ondersteuning
                    te verlenen bij re-integratie. De doelgroep waaraan het college deze
                    ondersteuning dient te verlenen is omschreven in artikel 7, eerste lid,
                    onderdeel a. Hierin zijn de volgende categorieën omschreven:</al><al>1°. personen die algemene bijstand ontvangen; </al><al>2°. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35,
                    vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de Wet
                    werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                    in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                    minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; </al><al>3°. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid; </al><al>4°. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet; </al><al>5°. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; </al><al>6°. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; en. </al><al>7°. niet-uitkeringsgerechtigden. </al><al><cursief>Onderdelen f tot en met k</cursief></al><al>Bij het aanbieden van re-integratievoorzieningen kent de gemeente verschillende
                    vormen waarbij de belanghebbende werkzaamheden verricht. In de onderdelen f tot
                    en met k worden verschillende van deze vormen omschreven.</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Bij een proefplaatsing wordt gewerkt met behoud van uitkering bij een reguliere
                    werkgever. Het is hierbij de intentie dat betrokkene na de periode van de
                    proefplaatsing een arbeidsovereenkomst krijgt bij de werkgever. De periode van
                    proefplaatsing en de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst worden vooraf
                    afgesproken en vastgelegd. De duur van de proefplaatsing is maximaal drie
                    maanden. Voor de persoon die behoort tot de doelgroep van de structurele
                    loonkostensubsidie kan de periode van de proefplaatsing ook gebruikt worden om
                    de loonwaarde te bepalen.</al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>Bij een werkstage worden met behoud van uitkering werkzaamheden verricht bij een
                    reguliere werkgever. In tegenstelling tot de proefplaatsing is er hierbij geen
                    intentie voor een aansluitende arbeidsovereenkomst. De werkstage is gericht op
                    het opdoen van werkritme en werkervaring. De betrokkene kan hierbij onder andere
                    werknemersvaardigheden verder ontwikkelen.</al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De activeringsplaats is bedoeld voor personen waarbij de afstand tot de
                    arbeidsmarkt zodanig is dat een arbeidsovereenkomst op korte termijn niet tot de
                    mogelijkheden lijkt te behoren. Zoals de naam al aangeeft is deze vooral bedoeld
                    om iemand te activeren, waardoor vervolgens weer een verdere stap richting
                    re-integratie gemaakt kan worden.</al><al><cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>Bij detachering is er sprake van een betaalde baan, waarbij de werknemers wordt
                    gedetacheerd bij een werkgever. Deze vorm wordt in het kader van de Wet sociale
                    werkvoorziening regelmatig toegepast. De werknemer heeft dan een
                    arbeidsovereenkomst bij het SW-bedrijf en wordt vervolgens gedetacheerd bij een
                    werkgever. De werkgever betaalt hiervoor dan een inleenvergoeding. Ook in het
                    kader van de Participatiewet kan deze vorm mogelijkheden tot uitstroom uit de
                    uitkering opleveren.</al><al><cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>Werkplekaanpassing kan worden ingezet voor een werknemer met arbeidsbeperkingen.
                    Vanuit het Participatiebudget kunnen middelen worden aangewend om de
                    arbeidsomstandigheden van de werknemer te verbeteren. Met het inzetten van een
                    werkplekaanpassing wordt de werknemer in staat gesteld zijn werkzaamheden beter
                    te kunnen uitvoeren.</al><al><cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>Voor een persoon die tot de doelgroep behoort kan de overgang van een
                    uitkeringssituatie naar een werksituatie groot zijn. Vooraf zal al gewerkt
                    moeten worden aan werknemersvaardigheden, maar het kan noodzakelijk zijn om in
                    de praktijk ook nog nadere ondersteuning te bieden. Wanneer het een persoon
                    betreft die een arbeidsbeperking heeft kan het ook nodig zijn om de werkgever of
                    collega’s te begeleiden. De activiteiten die hierop gericht zijn betitelen we
                    als jobcoaching.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 2 Beleid en financiën</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 2 Evenwichtige verdeling</vet></tussenkop><al>Het college draagt zorg voor een evenwichtige aandacht voor de verschillende
                    doelgroepen. Als gevolg van bezuinigingen die het Rijk doorvoert, krijgen
                    gemeenten minder middelen beschikbaar voor re-integratie. Het is toch van belang
                    om personen die tot verschillende doelgroepen behoren in meerdere of mindere
                    mate kansen te geven op ondersteuning bij re-integratie. Om deze reden is het
                    van groot belang evenwicht te creëren in de uitgaven voor de ondersteuning van
                    verschillende doelgroepen.</al><tussenkop><vet>Artikel 3 Subsidie- of budgetplafonds</vet></tussenkop><al>De gemeente kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de
                    middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van de
                    begrotingsposten kan echter geen reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te
                    weigeren. Om dit wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening subsidie
                    en budgetplafonds instellen. Als bij een bepaalde voorziening een plafond is
                    bereikt zal de gemeente wel moeten bezien om welke andere wijze ondersteuning
                    gegeven kan worden.</al><al>Het subsidie- of budgetplafond kan echter niet van toepassing zijn op de
                    voorziening als genoemd in artikel 18 van deze verordening. Dit betreft de
                    loonkostensubsidie voor personen waarbij is vastgesteld dat ze niet in staat
                    zijn met voltijds arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen. In artikel 20d
                    van de wet is namelijk imperatief voorgeschreven dat de gemeente een
                    loonkostensubsidie verstrekt als een werkgever een dienstbetrekking aangaat met
                    een dergelijk persoon. De totstandkoming van de dienstbetrekking betekent dus
                    voor de gemeente de verplichting om een (structurele) loonkostensubsidie te
                    verstrekken. De wijze waarop deze structurele loonkostensubsidie gefinancierd
                    wordt wijkt ook af van de overige re-integratievoorziening. Deze
                    loonkostensubsidie wordt namelijk betaald vanuit het uitkeringsbudget dat de
                    gemeente van het Rijk ontvangt. De andere re-integratievoorzieningen worden
                    bekostigd uit het participatiebudget.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 3 Voorzieningen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></tussenkop><al>De gemeente wil re-integratievoorzieningen zo efficiënt en effectief mogelijk
                    inzetten. Om dit mogelijk te maken is het soms wenselijk om specifieke
                    verplichtingen te stellen. In het eerste lid wordt deze mogelijkheid aan het
                    college geboden.</al><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan (payrolling). Bij deze laatste
                    wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.<noot id="d525e1813"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,
                            ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540</noot.al></noot></al><al> Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het derde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen.</al><tussenkop><vet>Artikel 5 Individuele omstandigheden</vet></tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid.</al><tussenkop><vet>Artikel 6 Niet-uitkeringsgerechtigde</vet></tussenkop><al>Het specifieke groep waarvoor de gemeente op grond van de Participatiewet de
                    re-integratieverantwoordelijkheid heeft zijn niet-uitkeringsgerechtigden.
                    Wanneer een uitkeringsgerechtigde door de inzet van re-integratievoorzieningen
                    weer een betaalde baan verwerft levert dit ook voor de gemeente direct
                    financieel voordeel op in de vorm van besparing op uitkeringskosten. Bij een
                    niet-uitkeringsgerechtigde heeft de gemeente dit financiële voordeel niet. Dit
                    mag echter geen reden zijn om de niet-uitkeringsgerechtigde geen
                    re-integratieondersteuning te bieden. De gemeente heeft immers op grond van de
                    wet een verplichting ten opzichte van deze groep. Vanwege het financieel belang
                    wordt er in het tweede lid wel voor gekozen om een aantal
                    re-integratievoorzieningen niet in te zetten voor deze doelgroep. Het gaat
                    hierbij met name om voorzieningen waarbij een dienstbetrekking wordt geboden
                    waarvoor de gemeente een belangrijk deel van de kosten voor haar rekening neemt. </al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 4 De vorm van ondersteuning</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 7 Proefplaatsing</vet></tussenkop><al>Een persoon die langere tijd uit het arbeidsproces is, zal moeten wennen aan het
                    verrichten van werk in een bepaald werkritme met het toepassen van
                    werknemersvaardigheden. Hiervoor is soms wenselijk om een periode van gewenning
                    ten hanteren, zowel vanuit het oogpunt van de werknemer als vanuit het oogpunt
                    van de werkgever. Om deze reden kan het instrument proefplaatsing worden
                    ingezet. Hierbij werkt de werknemer met behoud van uitkering bij een werkgever.
                    Intentie moet hierbij wel zijn dat de werkgever aansluitend aan de
                    proefplaatsing een dienstverband krijgt aangeboden. Van dit laatste kan alleen
                    worden afgeweken als tijdens de periode van de proefplaatsing overduidelijk
                    blijkt dat de werknemer niet geschikt is voor de functie.</al><al>Een proefplaatsing is vooral bedoeld om in te praktijk te beoordelen over de
                    werknemer geschikt is voor de functie. Van een proefplaatsing kan dan ook geen
                    sprake zijn als de werknemer in het recente verleden dezelfde werkzaamheden al
                    heeft verricht. Hierover is in het derde lid een bepaling opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de persoon waarbij is vastgesteld dat hij niet in staat is met
                    voltijds arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen op grond waarvan conform
                    artikel 18 van de verordening van toepassing is, geldt dat de periode van
                    proefplaatsing gebruikt kan worden om de loonwaarde op de werkplek vast te
                    stellen.</al><tussenkop><vet>Artikel 8 Werkstage</vet></tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al><cursief>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</cursief></al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de
                    doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt
                    heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de
                    arbeidsmarkt (artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening). </al><al><cursief>Doel van de werkstage</cursief></al><al>In artikel 1, tweede lid, onderdeel g, is het begrip werkstage omschreven.
                    Hierbij is ook het doel van de werkstage aangegeven. De omschrijving van het
                    doel van de werkstage is van belang om het verschil met een normale
                    arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een
                    persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter
                    loonbetaling afdwingt.</al><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al><cursief>Nadere regels</cursief></al><al>Voor een goede uitvoering van de re-integratievoorziening werkstage is het
                    wenselijk dat het college de mogelijkheid krijgt om regels te stellen met
                    betrekking tot deze uitvoering. In het derde lid wordt het college de
                    mogelijkheid gegeven om deze regels te stellen. Hierbij kan bijvoorbeeld
                    vastgelegd worden in welke situaties er sprake is van een afstand tot de
                    arbeidsmarkt.</al><tussenkop><vet>Artikel 9 Sociale activering</vet></tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<noot id="d525e1971"><noot.nr> 2 </noot.nr><noot.al><cursief>Kamerstukken II 2002/03 28870, nr. 3, blz.
                            35.</cursief></noot.al></noot></al><al><cursief>Doelgroep sociale activering </cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat
                    dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen
                    gebruik wordt gemaakt van een voorziening (artikel 9, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<noot id="d525e1995"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al><cursief>CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB,
                                ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400.</cursief></noot.al></noot></al><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop><vet>Artikel 10 Scholing</vet></tussenkop><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al><cursief>Jongeren</cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet).</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><tussenkop><vet>Artikel 11 Detachering</vet></tussenkop><al>In sommige gevallen heeft een werkgever wel de bereidheid om een persoon met een
                    afstand tot de arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking werk te laten verrichten,
                    maar ziet de werkgever op tegen de mogelijke risico’s die hieraan zijn
                    verbonden. Om deze reden wordt de mogelijkheid gecreëerd van de
                    detacheringsplaats. Hierbij krijgt de werknemer een dienstverband bij een
                    (sociaal) detacheringsbureau van de overheid. De werknemer wordt vervolgens
                    gedetacheerd bij een onderneming die hiervoor een inleenvergoeding betaalt aan
                    het detacheringbureau.</al><tussenkop><vet>Artikel 12 Participatieplaats</vet></tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet. Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder
                    met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Scholing</cursief></al><al>In de wet is bepaald dat het college aan de persoon, die additionele
                    werkzaamheden in het kader van een participatieplaats verricht, scholing
                    aanbiedt als betrokkene niet over een startkwalificatie beschikt. Scholing hoeft
                    niet te worden aangeboden als dit de krachten of bekwaamheden van belanghebbende
                    te boven gaat. Ook kan scholing achterwege blijven als de kans op inschakeling
                    in het arbeidsproces niet vergroot wordt.</al><al>Vanwege de wettelijke eis om in bepaalde gevallen scholing aan te bieden, is in
                    het derde lid een expliciete verwijzing opgenomen naar artikel 10 van de
                    verordening. </al><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.<noot id="d525e2101"><noot.nr> 4 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2007/08 31 577, nr. 3, blz. 12.</noot.al></noot> Er is gekozen voor een premie van telkens € 100 per zes maanden.
                    Uitgangspunt moet wel zijn dat er sprake is van enige omvang van de
                    werkzaamheden. Om deze reden is in het vierde lid bepaald dat geen aanspraak
                    bestaat op een premie indien de gemiddelde inzet minder dan 4 uur per week
                    bedraagt.</al><tussenkop><vet>Artikel 13 Beschut werk</vet></tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.<noot id="d525e2128"><noot.nr> 5 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113, blz. 3.</noot.al></noot> Daarom is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen
                    met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij
                    uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                    hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot
                    de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<noot id="d525e2159"><noot.nr> 6 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113.</noot.al></noot></al><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.<noot id="d525e2178"><noot.nr> 7 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 66.</noot.al></noot></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.<noot id="d525e2190"><noot.nr> 8 </noot.nr><noot.al>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 115-116.</noot.al></noot></al><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen.</al><tussenkop><vet>Artikel 14 Persoonlijke ondersteuning</vet></tussenkop><al>In artikel 15 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.<noot id="d525e2217"><noot.nr> 9 </noot.nr><noot.al><cursief>Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz.
                                115.</cursief></noot.al></noot></al><tussenkop><vet>Artikel 15 No-riskpolis</vet></tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><al><cursief>Hoogte vergoeding</cursief></al><al>De hoogte van de vergoeding die de no-riskpolis verstrekt aan de werkgever wordt
                    geregeld in de overeenkomst die de gemeente sluit met een verzekeraar.</al><al><cursief>Contract met verzekeraar</cursief></al><al>De gemeente sluit ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering af met een verzekeraar. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer.
                    De werkgever is de begunstigde (tweede lid).</al><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        verantwoordelijk</cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><tussenkop><vet>Artikel 16 Incidentele loonkostensubsidie</vet></tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit
                    dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald,
                    terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het
                    college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het
                    verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.<noot id="d525e2301"><noot.nr> 10 </noot.nr><noot.al><cursief>Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr.
                            125.</cursief></noot.al></noot> In het eerste lid is bepaald dat deze loonkostensubsidie verstrekt kan
                    worden ten behoeve van specifieke doelgroepen. Dit betekent dus dat het niet als
                    generieke maatregel is bedoeld, maar dat het college bepaalt voor welke
                    doelgroepen de voorziening wordt ingezet.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat de gemeente nadere regels stelt ten behoeve van
                    de uitvoering van de incidentele loonkostensubsidie. In deze nadere regels
                    zullen onder andere de hoogte en duur van de incidentele loonkostensubsidie
                    vastgelegd worden. Uitgangspunt hierbij is dat er sprake is van een regeling die
                    eenvoudig in de uitvoering is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een
                    loonkostensubsidie in de vorm van een baanbonus.</al><al>De in artikel 16 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden
                    onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d
                    van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                    in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek
                    bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. Deze structurele
                    loonkostensubsidie wordt geregeld in artikel 178 van deze verordening. De in
                    artikel 16 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen
                    met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst
                    kwetsbaar zijn.</al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                    personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet).</al><tussenkop><vet>Artikel 17 Structurele loonkostensubsidie</vet></tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                    vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161,
                    nr. 107, blz. 62). In artikel 18, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                    wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><tussenkop><vet>Artikel 18 Vaststelling loonwaarde</vet></tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde
                    loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken
                    persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>Er zijn verschillende methodieken om de loonwaarde vast te stellen. Het Rijk zal
                    hiervoor nog formele criteria vaststellen. Het ministerie van SZW heeft
                    aangegeven dat men een validatiesysteem wil gaan hanteren voor de
                    loonwaardesystematiek. De keuze voor de loonwaardesystematiek dient binnen de
                    arbeidsmarktregio gemaakt te worden, omdat er binnen een arbeidsregio maar één
                    systematiek gehanteerd mag worden. De systematiek die wordt gekozen binnen de
                    arbeidsmarktregio zal gevalideerd moeten worden door de staatssecretaris van
                    SZW.</al><tussenkop><vet>Artikel 19 Werkplekaanpassing</vet></tussenkop><al>Personen met een arbeidsbeperking kunnen in sommige situaties problemen
                    ondervinden als gevolg van de inrichting van de werkplek. De werkplek moet dan
                    aangepast worden om belemmeringen als gevolg van de arbeidsbeperking weg te
                    nemen. Voor zover dit de normale kosten van inrichting van de werkplek te boven
                    gaat, kan niet altijd van een werkgever verlangd worden dat hij deze kosten
                    draagt. Om deze reden wordt de mogelijkheid geboden om de werkgever een
                    vergoeding te verstrekken voor de noodzakelijke aanpassing van de werkplek.</al><tussenkop><vet>Artikel 20 Overige vergoedingen</vet></tussenkop><al>De gemeente kan ter stimulering van de arbeidsinschakeling besluiten kosten te
                    vergoeden voor activiteiten die daartoe bijdragen. Deze kosten kunnen zeer
                    divers zijn. Een limitatieve opsomming hiervan is moeilijk te geven. Enkele
                    voorbeelden van deze kosten zijn reiskosten, sollicitatiekosten, kosten
                    kinderopvang. Ook bijvoorbeeld kosten die voortvloeien uit nader onderzoek naar
                    de re-integratiemogelijkheden van de cliënt kunnen hier onder vallen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat geen vergoeding wordt verstrekt voor zover
                    hiervoor een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening. </al><al>Het college kan nadere regels stellen over de verstrekking van overige
                    voorzieningen. Er kan bijvoorbeeld bepaald worden voor welk soort kosten een
                    vergoeding verstrekt kan worden. Verder bestaat de mogelijkheid om een beperking
                    aan te brengen in de doelgroep waarvoor vergoeding van een bepaalde kostensoort
                    mogelijk is. Er kan bijvoorbeeld voor gekozen worden om
                    niet-uitkeringsgerechtigden geen vergoeding te geven voor bepaalde
                    kostensoorten.</al><tussenkop><vet>Artikel 21 Overige re-integratievoorzieningen</vet></tussenkop><al>In deze verordening is een aantal re-integratievoorzieningen genoemd. Er is
                    echter geen sprake van een limitatieve opsomming. Re-integratie is maatwerk en
                    om dit efficiënt en effectief te kunnen uitvoeren is het niet wenselijk om dit
                    tot een aantal voorzieningen te beperken. Om dit te benadrukken wordt in dit
                    artikel nog expliciet opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om ook
                    andere re-integratiemiddelen in te zetten. Ten denken is bijvoorbeeld aan een
                    persoonsgebonden re-integratietraject.</al><tussenkop><vet>Artikel 22 Combinatie van voorzieningen</vet></tussenkop><al>In dit artikel is expliciet opgenomen dat het college ook een combinatie van de
                    genoemde voorzieningen kan aanbieden. Hiermee kunnen er bijvoorbeeld
                    arrangementen worden samengesteld die de werkzoekende op werkgever ondersteunen.
                    Denk bijvoorbeeld aan combinaties van scholing, persoonlijke ondersteuning en
                    loonkostensubsidie.</al><al>Een specifieke combinatie van voorzieningen is bijvoorbeeld de re-integratie
                    praktijkovereenkomst. Hierbij is er sprake van een publiek-private samenwerking,
                    waarbij een werkzoekende een dienstverband krijgt en wordt gedetacheerd bij een
                    reguliere werkgever. Binnen de re-integratie praktijkovereenkomst kunnen
                    verschillende re-integratievoorzieningen worden gecombineerd. </al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 5 Staatssteunbepaling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 23 Staatssteun</vet></tussenkop><al>De uitvoering van de Participatiewet, inclusief de uitvoering van deze
                    verordening, moet worden beschouwd als een taak van algemeen belang. </al><al>Vanuit het oogpunt van de waarborging van eerlijke concurrentieverhoudingen
                    heeft de Europese Commissie regels gesteld ten aanzien van het verlenen van
                    staatssteun aan bedrijven. Ook het verstrekken van loonkostensubsidie kan
                    beschouwd worden als staatssteun. De Europese Commissie geeft aan dat het
                    stimuleren van de aanwerving of tewerkstelling van kwetsbare werknemers en
                    werknemers met een handicap een kerndoelstelling van het economische en sociale
                    beleid van de Europese Unie is. De Commissie wil het daarom voor decentrale
                    overheden mogelijk maken om steun te verlenen aan ondernemingen om de
                    werkgelegenheid voor deze groepen werknemers uit te breiden. Hiervoor zijn
                    regels gesteld in EU-verordening nr. 651/2014. Als de steun aan de voorwaarden
                    uit deze verordening voldoet, hoeft de steun niet bij de Europese Commissie te
                    worden aangemeld. </al><al>Om deze reden is in artikel 23 van deze re-integratieverordening een expliciete
                    verwijzing gemaakt naar de van toepassing zijnde Europese regelgeving.</al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 24 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om in bijzondere situaties af te
                    wijken van de bepalingen van deze verordening.</al><tussenkop><vet>Artikel 25 Overgangsrecht</vet></tussenkop><al>In dit artikel is het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen
                    een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 25,
                    eerste lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de ‘oude’
                    re-integratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet
                    de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen
                    aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van
                    12 maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze
                    verordening.</al><al><cursief>Voortzetten toegekende voorzieningen</cursief></al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de ‘oude’ re-integratieverordening worden
                    dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze
                    verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 25, tweede lid). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel na
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al><cursief>Voortzetting is niet mogelijk</cursief></al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de ‘oude’
                    re-integratieverordening of als de voorziening is toegekend voor een kortere
                    duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening
                    dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                    toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de ‘oude’ re-integratieverordening van
                    toepassing (artikel 25, derde lid, van deze verordening).</al><tussenkop><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding en intrekking</vet></tussenkop><al>Op 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. Dit artikel regelt dat
                    deze re-integratieverordening ook op die datum in werking treedt. Dit betekent
                    wel dat de verordening voor deze datum bekend gemaakt dient te worden.</al><tussenkop><vet>Artikel 27 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>