<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354871_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 19-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en derde lid, en 8a, eerste lid, onder b, en 6, tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Corsanummer 2014.19214</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 november
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en op de artikelen 8a, eerste lid,
                        aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en derde lid, en 8a, eerste
                        lid, onder b, en 6, tweede lid, en 10b, vierde lid, van de
                        Participatiewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen</al><al/><al><vet>de Re-integratieverordening Participatiewet 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>doelgroep:</cursief> personen als bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, onder a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al><cursief>doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid,
                                        onderdeel e, Participatiewet):</cursief> personen als
                                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de
                                    Participatiewet, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse
                                    arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                                    minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                    hebben;</al></li><li nr="-"><al><cursief>loonwaarde (artikel 6, lid 1, onderdeel g
                                        Participatiewet)</cursief>; vastgesteld percentage van het
                                    rechtens geldende loon voor de door een persoon, die tot de
                                    doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een
                                    functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die
                                    functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke
                                    opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie behoort;</al></li><li nr="-"><al><cursief>mantelzorg:</cursief> langdurige zorg die niet in het
                                    kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en
                                    de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                    overstijgt.</al></li><li nr="-"><al><cursief>wet:</cursief> de Participatiewet, de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) en
                                    het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz).</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>Het college:</cursief> het college van
                                    Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nuenen;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>De raad:</cursief> de gemeenteraad van de
                                    gemeente Nuenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beleidsplan Re-integratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een beleidsplan vast, waarin beleidsdoelstellingen
                                worden aangegeven, alsmede de hoogte en wijze van financiering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beleidsplan omvat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een omschrijving van de beleidsdoelstellingen ten aanzien
                                        van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen
                                        en tussen die groepen;</al></li><li nr="b."><al>een beschrijving van de voorzieningen die het college in
                                        ieder geval kan aanbieden;</al></li><li nr="c."><al>een verdeling van de beschikbare middelen over de
                                        verschillende voorzieningen;</al></li><li nr="d."><al>het flankerend beleid ten aanzien van zorg en
                                        hulpverlening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de gemeenteraad over de doeltreffendheid van
                                het uitvoeringsplan. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Algemene bepalingen voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college een belanghebbende niet in staat acht op eigen
                                kracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en het college
                                dit voor de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van de
                                belanghebbende noodzakelijk acht, biedt zij een of meerdere
                                voorzieningen aan gericht op arbeidsinschakeling, mits de
                                belanghebbende daar niet op een andere wijze in kan voorzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze
                                verordening, kan het college aan de verstrekking van voorzieningen
                                nadere verplichtingen verbinden die verband houden met de aard en
                                het doel van de voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels
                                vaststellen omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al>De voorwaarden voor het verkrijgen van een voorziening;</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>Het vragen van eigen bijdragen;</al></li><li nr="d."><al>Overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met
                                de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. Tot
                                deze omstandigheden behoren, voor zover van toepassing, eventuele
                                zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening
                                beschut werk. Onder zorgtaken wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>het verrichten van noodzakelijk te achten mantelzorg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds
                                    vaststellen voor de verschillende voorzieningen.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen
                                    dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></li><li nr="3."><al>Indien een door het college ingesteld plafond bereikt is, kan
                                    een specifieke voorziening op grond daarvan worden
                                    geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Beëindiging voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Ioaw of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Ioaz niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Specifieke bepalingen voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Scholing en premie in het kader van participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voor zover een persoon die behoort tot de doelgroep
                                niet beschikt over een startkwalificatie en onbeloonde additionele
                                werkzaamheden verricht conform artikel 10a van de Participatiewet,
                                zes maanden na aanvang van deze werkzaamheden een scholingstraject
                                aanbieden voor zover dit scholingstraject bijdraagt aan vergroting
                                van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>De scholing is wenselijk om de belanghebbende aan algemene
                                        arbeid te helpen;</al></li><li nr="b."><al>De scholing sluit aan bij de vraag op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="c."><al>De scholing sluit aan bij de capaciteiten van
                                        belanghebbende;</al></li><li nr="d."><al>De scholing duurt zo kort mogelijk en in principe niet
                                        langer dan 1 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de belanghebbende die onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verricht conform artikel 10a van de wet
                                een premie van maximaal € 250 per zes maanden en is mede afhankelijk
                                van de aard en aantal uur van de werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het derde lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een verdiencapaciteit minder
                                dan 30% van het wettelijk minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken kan het college onder meer de
                                volgende ondersteunende voorzieningen inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                        werkomgeving;</al></li><li nr="b."><al>uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                        werkbegeleiding;</al></li><li nr="c."><al>werktempo of arbeidsduur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>Het college stelt in het beleidsplan re-integratie vast voor welke
                            vergoedingen naar hoogte en duur een werkgever in aanmerking kan komen
                            bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of andere
                            beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d ontvangt, voor zover
                            artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                                Participatiewet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                                Participatiewet aanbieden aan de doelgroep loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie en neemt hierbij de volgende criteria in
                                acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een derde instantie betrekken ter advisering met
                                betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie. Deze instantie neemt daarbij de in het tweede
                                lid neergelegde criteria in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde als bedoeld in artikel 6, lid 1,
                                onderdeel g Participatiewet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt de in het beleidsplan re-integratie beschreven
                                methode om de loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een derde instantie betrekken ter advisering met
                                betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon.
                                Deze instantie neemt daarbij de in het beleidsplan re-integratie
                                beschreven methode in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10A</nr><titel>Aanvullende voorzieningen en vaststellen regels</titel></kop><al>1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening in het
                            beleidsplan re-integratie vast welke aanvullende voorzieningen het
                            college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij
                            gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen
                            zijn opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als
                                tegenprestatie opleggen aan personen behorend tot de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De op te leggen tegenprestatie voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de te verrichten tegenprestatie is naar zijn aard niet
                                        direct gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet
                                        bedoeld als re-integratie instrument;</al></li><li nr="b."><al>de te verrichten tegenprestatie mag niet in de weg staan aan
                                        acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid of aan de
                                        re-integratie gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten zijn additionele onbeloonde maatschappelijk
                                        nuttige activiteiten</al></li><li nr="d."><al>de te verrichten tegenprestatie mag niet leiden tot
                                        verdringing op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan re-integratie vast waarin wordt vastgelegd welke
                                aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden
                                en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al mantelzorg, maatschappelijke
                                        activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee
                                        rekening worden gehouden;</al></li><li nr="e."><al>de tegenprestatie is beperkt in duur en omvang.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Nuenen c.a. 2010-2014wordt per 1
                                januari 2015 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de in lid 1 genoemde verordening behoudt die voorziening
                                voor de duur dat het college dit gelet op alle omstandigheden en
                                mogelijkheden noodzakelijk of wenselijk acht voor de
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Nuenen c.a. 2010-2014blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                Participatiewet 2015.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december
                        2014.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, M.C.P. Laurenssen Msc</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, M.J.Houben MBA.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al><vet>Re-integratie </vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                    aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het
                    college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    re-integratieverordening. Daarom is er voor gekozen om te volstaan met een
                    algemeen kader voor de aan te bieden voorzieningen. De concrete ontwikkeling en
                    inzet van specifieke voorzieningen wordt vastgelegd in het beleidsplan
                    re-integratie.</al><al/><al>Naast het algemeen kader voor de aan te bieden voorzieningen, worden in deze
                    verordening wel regels opgenomen met betrekking tot voorzieningen waarvoor de
                    gemeenteraad wettelijk verplicht is regels op te stellen.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><al/><al>- scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel
                    c, van de Participatiewet);</al><al/><al>- de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet);</al><al/><al>- participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                    Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van
                    de Participatiewet), en</al><al/><al>- no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al><vet>Loonkostensubsidie en loonwaarde</vet></al><al>Deze verordening geeft tevens uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><al/><al>- de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort, en</al><al/><al>- de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al><al/><al>Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Personen zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij
                    met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al/><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde
                    van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor
                    is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                    een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al/><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie -
                    verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in
                    die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                    ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).</al><al/><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening in artikel 10 en 11
                    is geïntroduceerd in de Participatiewet en kan uitsluitend worden ingezet als de
                    persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet: mensen met een
                    arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie
                    tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met
                    dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde
                    productiviteit van de werknemer (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107,
                    blz. 60).</al><al/><al><vet>Tegenprestatie</vet></al><al>Deze verordening geeft tevens uitvoering aan artikel 8a, eerste lid, onderdeel
                    b, van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad
                    bij verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie
                    als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet. Het
                    college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten
                    van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de verordening
                    tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet.</al><al/><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al/><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al/><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratie-instrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen </vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep </cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft personen:</al><al/><al>- die algemene bijstand ontvangen;</al><al/><al>- als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet werk en
                    inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdelen b
                    en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het
                    moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                    persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                    de Participatiewet is verleend;</al><al/><al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>- personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet (hierna: ANW);</al><al/><al>- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);</al><al/><al>- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);</al><al/><al>- personen zonder uitkering; </al><al/><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><al/><al><cursief>Loonwaarde</cursief></al><al>Binnen het beleid vormt het begrip loonwaarde een centraal uitgangspunt. Om
                    zoveel mogelijk personen naar vermogen te laten werken of participeren, heeft de
                    gemeente inzicht nodig in de mogelijkheden van inwoners om arbeid te verrichten
                    op de reguliere arbeidsmarkt. De gemeente kiest er daarom voor om doelgroepen in
                    te delen naar loonwaarde. De loonwaarde brengt in beeld voor welk gedeelte van
                    het wettelijke minimumloon verdiencapaciteit aanwezig is. Afhankelijk van de
                    loonwaarde wordt vervolgens bepaald wat voor type ondersteuningsvoorzieningen
                    passend zijn. </al><al/><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat
                    deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                    belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar
                    het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Beleidsplan Re-integratie </vet></al><al>De wet verplicht de gemeenteraad het re-integratiebeleid in een verordening vast
                    te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de verordening
                    te regelen, maar om gebruik te maken van periodieke meer flexibele
                    uitvoeringsplannen. Op grond van artikel 2 lid 1 van deze verordening moet het
                    college een dergelijk plan opstellen. Hierbij wordt ook betrokken het beleid ten
                    aanzien van de uitvoering van de tegenprestatie. Artikel 2 lid 2 van deze
                    verordening legt vervolgens vast welke specifieke beleidsonderwerpen in het
                    uitvoeringsplan in elk geval aan de orde dienen te komen. Artikel 2 lid 3 van
                    deze verordening biedt de basis voor de verantwoording van de uitvoering van het
                    beleid en dient als evaluatie om het vastgestelde uitvoeringsplan zo nodig bij
                    te stellen. Bij de verantwoording wordt het oordeel van de doelgroep uit artikel
                    7, eerste lid, onder a van de wet betrokken. Hoe de doelgroep wordt betrokken,
                    is geregeld in de verordening cliëntenparticipatie, die de gemeente op grond van
                    artikel 47 Participatiewet verplicht is op te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Algemene bepalingen voorzieningen</vet></al><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. In de lijn van het systeem van deze
                    verordening strekt dit artikel er dan ook toe enkele zaken te regelen die te
                    maken hebben met alle voorzieningen, ook die voorzieningen die niet met name in
                    de verordening zijn opgenomen. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald wanneer de inzet van
                    voorzieningen aan de orde is. De inzet van voorzieningen is altijd secundair.
                    Als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening en deze naar de
                    mening van het college toereikend moet worden geacht voor de
                    arbeidsinschakeling, heeft een dergelijke voorziening de voorkeur</al><al/><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bijvoorbeeld bepaald worden dat een klant gedurende het traject op gezette
                    tijden met de consulent de voortgang van zijn traject bespreekt. Het derde lid
                    geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen nadere regels te
                    stellen. Dit betreffen nadere regels ter uitvoering van het plan zoals genoemd
                    in artikel 2.</al><al/><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 3 lid 4 is
                    opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Budget- en subsidieplafonds </vet></al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van
                    begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen
                    te weigeren, tenzij de gemeente subsidie- en budgetplafonds instelt.</al><al/><al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een
                    subsidieplafond dient bekendgemaakt te worden vóór de aanvang van het tijdvak
                    waarvoor het is vastgesteld (art. 4:27, eerste lid 1, Awb). Ook voor bepaalde
                    groepen kunnen de kosten van re-integratie en van voorzieningen worden
                    gemaximeerd. Dit zal in nadere regels moeten worden vastgelegd. Met name voor
                    Anw-ers en Nuggers ligt een dergelijke maximering in de rede.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Beëindiging voorziening</vet></al><al>Dit artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke
                    gevallen het dat kan doen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een
                    persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld
                    in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op
                    dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                    artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en
                    36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het
                    college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden en het salaris
                    gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                    behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Scholing en premie in het kader van
                    participatieplaatsen</vet></al><al>Een participatieplaats is een vorm van ‘werken met behoud van uitkering’ en is
                    bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor personen
                    jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet
                    mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet). Aangezien deze
                    verordening geen regels opneemt voor voorzieningen anders dan die waarvoor de
                    gemeenteraad in een verordening regels dient te stellen, worden geen regels
                    opgenomen over de voorziening ‘participatieplaats’ zelf. De gemeenteraad is wel
                    verplicht regels op te stellen over scholing en premie in het kader van
                    participatieplaatsen (- scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde
                    lid, van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c en d, en
                    tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet). De regels hiertoe worden in
                    dit artikel vastgelegd.</al><al/><al>Startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2,
                    eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs
                    of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                    wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de
                    Wet op het voortgezet onderwijs<vet>;</vet></al><al><cursief>Scholing</cursief></al><al/><al>Wanneer een persoon die in aanmerking komt voor een participatieplaats niet over
                    een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of
                    opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven
                    gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                    vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit
                    volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is
                    gekozen voor een premie van maximaal € 250 per zes maanden. Het college kan ter
                    uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, degene die algemene bijstand
                    ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en
                    die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
                    additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij deze
                    in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het
                    tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een
                    verdiencapaciteit tot maximaal 30% van het wettelijk minimumloon selecteert voor
                    de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een
                    hogere verdiencapaciteit ook buiten een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een verdiencapaciteit tot
                    maximaal 30% van het wettelijk minimumloon is het aannemelijk dat daartoe
                    personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling onder meer
                    ingezet kunnen worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid).
                    Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang
                    van het aanbod van beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt.
                    Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente
                    gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere
                    reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden. </al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al/><al><vet>Artikel 8. No-riskpolis</vet></al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt in aanmerking komt
                    voor een vergoeding.</al><al/><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Het college kan zelf een polis kopen en
                    aanbieden aan de werkgever of de kosten van de door de werkgever gekochte polis
                    vergoeden. </al><al/><al>In het regionale werkbedrijf regio Eindhoven worden hierover nadere afspraken
                    gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                        Participatiewet</vet></al><al>Artikel 9 en 10 van deze verordening geven uitvoering aan artikel 6, tweede lid,
                    van de Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><al/><al>- de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort, en</al><al/><al>- de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al><al/><al>In dit artikel gaat het om een andere vorm van loonkostensubsidie dan de reeds
                    lange tijd toepasbare vorm van loonkostensubsidie. De loonkostensubsidie zoals
                    beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in
                    kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet: mensen met een
                    arbeidsbeperking. Deze sinds 2015 nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per
                    definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode worden
                    ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de
                    verminderde productiviteit van de werknemer. De financiering van deze
                    loonkostensubsidie loopt via het Inkomensdeel, niet via het
                    Participatiebudget.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><al/><al>- personen die algemene bijstand ontvangen;</al><al/><al>- personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, van de Wet
                    werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), artikel 35, vierde lid onderdelen b
                    en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het
                    moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                    persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                    de Participatiewet is verleend;</al><al/><al>- personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;</al><al/><al>- personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al><al/><al>- personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al><al/><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                    vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet. In artikel 9, tweede lid, is
                    vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve
                    criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie
                    vastgelegd.</al><al/><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie kan
                    het college zich laten adviseren door een derde instantie. Het college draagt
                    personen voor die zouden kunnen behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie, de
                    derde instantie adviseert en neemt daarbij eveneens de in het tweede lid
                    neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist het college of
                    iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een
                    onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet
                    te volgen.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Vaststelling loonwaarde als bedoeld in artikel 6, lid 1,
                        onderdeel g Participatiewet</vet></al><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                    een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al/><al>In een beleidsregel wordt de methode die het college gebruikt om de loonwaarde
                    van die persoon te bepalen omschreven. </al><al/><al>Bij de vaststelling van de loonwaarde kan het college zich laten adviseren door
                    een derde instantie. De derde instantie neemt daarbij de in het eerste lid
                    genoemde methode in acht. Op basis van het advies stelt het college de
                    loonwaarde dan vast.</al><al/><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college vervolgens
                    loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de
                    Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 10A Aanvullende voorzieningen</vet></al><al>In elke arbeidsmarktregio wordt een regionaal werkbedrijf opgericht. Een
                    werkbedrijf is vooral een bestuurlijk, regionaal samenwerkingsverband van
                    gemeenten, werkgevers en werknemers. Ook voor het UWV is een belangrijke rol
                    weggelegd. In onze regio blijken ook de WSW-bedrijven Ergon, WVK en WSD
                    vanzelfsprekende partners. Het werkbedrijf functioneert als netwerkorganisatie,
                    waar vooral praktische afspraken worden gemaakt, die het functioneren van de
                    regionale arbeidsmarkt ten goede komen. Voor wat betreft de feitelijke
                    uitvoering wordt aangesloten bij reeds bestaande initiatieven.</al><al/><al>De gemeenten nemen de lead; op 1 januari 2015 moet het werkbedrijf er staan. De
                    werkgevers zijn “zwaar vertegenwoordigd in het bestuur” en “zijn ook betrokken
                    bij de financiering van het werkbedrijf” (2 citaten vanuit rapportage van de
                    Werkkamer). De betreffende wethouder van de centrumgemeente is voorzitter van
                    het bestuur. De partners (in eerste instantie gemeenten, werkgevers, werknemers,
                    UWV) maken gezamenlijk een regionaal marktbewerkingplan. Daarin zijn in elk
                    geval kansen en mogelijkheden beschreven voor het plaatsen van mensen met een
                    afstand tot de arbeidsmarkt, in het bijzonder mensen met een
                    arbeidsbeperking.</al><al/><al>Verder zijn in het plan de samenwerkingsafspraken vastgelegd en wordt regionale
                    invulling gegeven aan de ‘het basispakket’.</al><al/><al><vet>Het basispaket</vet></al><al>Elk werkbedrijf moet in elk geval het basispakket organiseren.</al><al>Dat betekent dat de deelnemende partijen zich expliciet committeren aan het
                    maken van eenduidige afspraken voor de hele regio op de volgende items:</al><lijst><li nr="1."><al>één arrangement, waarin werkgeversrisico’s kunnen worden beperkt
                            (‘no-riskpolis’)</al></li><li nr="2."><al>één systematiek voor loonwaardebepaling en uitvoering
                            loonkostensubsidie</al></li><li nr="3."><al>één arrangement voor bijv: jobcoaching, proefplaatsing, begeleiding
                            naar- en tijdens werk, (groeps-)detachering en werkplekaanpassingen</al></li><li nr="4."><al>expertise voor werkgeversdienstverlening ten aanzien van jobcreatie en
                            jobcarving</al></li><li nr="5."><al>een regiobrede manier van uitvoeren van ‘beschut werk’</al></li><li nr="6."><al>continuering van de faciliteiten als een geplaatste werknemer verhuist
                            naar andere gemeente.</al></li></lijst><al/><al>Om het basispakket mogelijk te maken en te wijzigen worden de aanvullende
                    voorzieningen (instrumenten) opgenomen in het beleidsplan re-integratie en is
                    dit artikel in de verordening opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Tegenprestatie naar vermogen </vet></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 11 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van
                    de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van
                    een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring
                    en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                    opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in
                    staat is de werkzaamheden te verrichten.</al><al/><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht.</al><al/><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 11 van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn.
                    De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie
                    dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                    arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                    werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes
                    die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden
                    gemaakt. </al><al/><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 11 van deze verordening genoemde
                    voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten werkzaamheid: </al><al/><al>a. naar zijn aard niet direct is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is
                    niet bedoeld is als re-integratie instrument;</al><al/><al>b. niet in de weg mag staan aan acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid of
                    aan de re-integratie gericht op arbeidsinschakeling;</al><al/><al>c. additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten zijn;</al><al/><al>d. niet mag leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al>Ter nadere uitvoering kan het college in een plan vastleggen welke werkzaamheden
                    in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 11, derde lid
                    van deze verordening). </al><al/><al>Omdat de werkzaamheden additioneel zijn en niet mogen leiden tot verdringing op
                    de arbeidsmarkt, kunnen veel werkzaamheden niet als tegenprestatie worden
                    ingezet. De regering verwijst voor voorbeelden van werkzaamheden die kunnen
                    worden ingezet als tegenprestatie naar het onderzoeksrapport van de Inspectie
                    SZW "Voor wat hoort wat". In de toelichting bij artikel 11 is een overzicht van
                    de in dat rapport genoemde voorbeelden opgenomen. Bij veel van de genoemde
                    werkzaamheden kan worden afgevraagd of zij toch niet tot verdringing leiden en
                    daarom niet als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Daarom dient terughoudend
                    te worden omgegaan met de lijst van voorbeelden. De voorbeelden van
                    werkzaamheden betreft een lijst met keuzemogelijkheden die gemeenten kunnen
                    afstemmen op de lokale omstandigheden. </al><al/><al>De volgende voorbeelden van werkzaamheden zijn in het algemeen mogelijk geschikt
                    als tegenprestatie naar vermogen: </al><al>- vrijwilligerswerkzaamheden bij een maatschappelijke organisatie; </al><al>- sneeuwschuiven (bijvoorbeeld bij een bejaardenhuis); </al><al>- bospaden schoonhouden (het vegen van bladeren); </al><al>- verkeersborden schoonmaken; </al><al>- meelopen bij een dierenambulance; </al><al>- beheer van een kantine bij een sportvereniging; </al><al>- additionele werkzaamheden bij een scouting; </al><al>- additionele werkzaamheden bij het Leger des Heils; </al><al>- taalmaatje voor nieuwkomers.</al><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan
                    een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te bepalen.</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratievoorziening. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14). </al><al/><al><vet>Artikel 12. Het opdragen van een tegenprestatie </vet></al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend. </al><al/><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel 12 van deze verordening is neergelegd met welke factoren het college
                    rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren
                    worden hierna toegelicht.</al><al/><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen' </cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze
                    werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde. </al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                        belanghebbende </cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring. Hierbij wordt rekening gehouden
                    met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen
                    van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij
                    opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden
                    zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al
                    maatschappelijke activiteiten verricht. </al><al/><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende
                    </cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten
                    werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een
                    belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door
                    belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                    belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                    tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                    krachtens artikel 11 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar
                    zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Als
                    belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt
                    het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een
                    belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al/><al><cursief>Factor: mantelzorg, maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk
                        door belanghebbende </cursief></al><al>Artikel 13, lid 2 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                    opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het
                    verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze
                    mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot
                    de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                    neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg
                    volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een
                    belanghebbende geen tegenprestatie op. </al><al/><al>Voorts houdt het college bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                    rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk
                    actief is. Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit
                    verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke
                    activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                    belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee
                    rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de
                    duur en de omvang van de tegenprestatie. </al><al/><al><cursief>Factor: beperking in duur en omvang</cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. De
                    tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een
                    belanghebbende. Bovendien is het verstandig de tegenprestatie relatief gering in
                    omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de internationale
                    bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te
                    blijven (artikel 4 EVRM).</al><al/><al>Uit onderzoek blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de
                    tegenprestatie uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij
                    iets minder dan de helft is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is
                    van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de tegenprestatie tot aan
                    het einde van de uitkering is in ieder geval niet beperkt in duur en in omvang. </al><al/><al>Verder zal het college in nadere regels de duur van de tegenprestatie in uren
                    dienen vast te leggen. De duur zal enerzijds een minimumgrens dienen te hebben
                    om personen werkzaamheden te laten verrichten van enige omvang en anderzijds
                    begrensd moeten worden door een maximaal aantal uren. Dit om de tegenprestatie
                    van relatief geringe omvang te laten zijn. Een waarborg voor geringe omvang kan
                    daarnaast verkregen worden door de tegenprestatie een begrensds aantal malen per
                    jaar op te leggen.</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al/><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is daarnaast niet van
                    toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is,
                    als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                    (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De verplichting tot
                    tegenprestatie is eveneens niet van toepassing op een alleenstaande ouder die
                    ontheven is van de arbeidsplicht. </al><al/><al><cursief>Weigering tegenprestatie </cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen. Dit is geregeld in de Verordening Maatregelen,
                    Bestuurlijke boete bij recidive en Handhaving Participatiewet, IOAW, IOAZ en
                    Bbz.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Intrekken oude verordening en overgangsrecht </vet></al><al>In artikel 13 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van deze verordening moeten worden
                    beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 13 geregeld dat dergelijke
                    voorzieningen worden behouden voor de duur dat het college dit gelet op alle
                    omstandigheden en mogelijkheden noodzakelijk of wenselijk acht voor de
                    arbeidsinschakeling. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden
                    uit de oude Re-integratieverordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden
                    voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een
                    belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling.</al><al/><al><vet>Slotbepalingen</vet></al><al>De artikelen 14 en 15 behoeven geen nadere toelichting</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>