<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>354618_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet Katwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-16</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-1965.html">Gemeenteblad 2015 nr 1965</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet Katwijk</dcterms:alternative><dcterms:alternative></dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 6, tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewed</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2014-12-04</dcterms:issued><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>364011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet
            Katwijk</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Katwijk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 28 oktober 2014;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 6, tweede
                        lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b,
                        vierde lid, van de Participatiewet;</al><al></al><al>BESLUIT</al><al></al><al>vast te stellen de: <vet>Verordening</vet><vet>re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet Katwijk</vet></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsbeperking: het vanwege structurele lichamelijke,
                                    verstandelijke, psychische of psychosociale beperkingen niet in
                                    staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon;
                                </al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet; </al></li><li nr="e."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="f."><al>loonwaarde: vastgesteld percentage van het rechtens geldende
                                    loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar
                                    evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een
                                    gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring,
                                    die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort;</al></li><li nr="g."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; </al></li><li nr="h."><al>startkwalificatie: een havo of VWO-diploma of een diploma van
                                    het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) niveau 2.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning
                                bieden bij de arbeidsinschakeling en, voor zover het college dat
                                noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het
                                college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de
                                voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                cliënt, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de
                                arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de wettelijke dan wel
                                financiële, maatschappelijke of economische of conjuncturele
                                mogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college zendt (eenmaal per jaar) aan de gemeenteraad een verslag
                                over de doeltreffendheid van het beleid. Dit maakt onderdeel uit van
                                de reguliere P&amp;C-cyclus. Het verslag bevat in ieder geval het
                                oordeel van het cliëntenpanel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen,
                                waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval
                                kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan bestaan uit: a. ondersteuning bij het verwerven
                                en behouden van arbeid; b. ondersteuning bij het verbeteren of
                                behouden van de positie op de arbeidsmarkt of binnen de maatschappij
                                c. ondersteuning bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                arbeidsinschakeling; d. een loonkosten- of opstapsubsidie</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het tweede lid kan een voorziening tevens bestaan uit:
                                a. de noodzakelijke kosten die samenhangen met de deelname aan een
                                voorziening; b. de kosten ter bepaling van noodzakelijkheid en
                                inhoud van een voorziening; c. de noodzakelijke kosten in verband
                                met loonvormende arbeid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze werkstage duurt maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan personen behorende tot de doelgroep in staat stellen
                                om voorafgaande aan een regulier dienstverband werkervaring op te
                                doen met behoud van uitkering in de vorm van een
                                proefplaatsing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is de persoon werkervaring op te
                                laten doen in zijn/haar toekomstige functie om daarmee uitval na het
                                dienstverband te voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze proefplaatsing duurt niet langer dan twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de persoon alleen een proefplaatsing aan indien
                                hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en hierdoor geen verdringing van reguliere arbeid
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt ten minste vastgelegd het
                                doel van de proefplaatsing alsmede de wijze waarop begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Work First</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan besluiten aan een persoon die behoort tot de
                                doelgroep werk aan te bieden volgens het zogenoemde work
                                firstmodel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadere uitvoeringsregels over het gestelde in het eerste lid worden
                                met inachtneming van de hiervoor geldende wet- en regelgeving
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een
                                traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde kan daarbij in dienst treden van een
                                re-integratiebedrijf. Betrokkene wordt voor het verrichten van
                                arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt
                                vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de
                                werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en
                                inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werknemer wordt alleen geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een vorm
                                van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid moet het college aan een
                                alleenstaande ouder die niet beschikt over een startkwalificatie en
                                met een ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a
                                van de wet een scholingsaanbod doen dat de toegang tot de
                                arbeidsmarkt bevordert tenzij naar het oordeel van het college een
                                dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                alleenstaande ouder te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid moet het college aan een persoon die
                                niet beschikt over een startkwalificatie binnen 6 maanden na aanvang
                                van de onbeloonde additionele werkzaamheden als bedoeld in artikel
                                10a van de wet een vorm van scholing of opleiding aanbieden, indien
                                dit kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces, tenzij naar het oordeel van het college een
                                dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                persoon te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels stellen ten
                                aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de
                                maximale kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de persoon, bedoeld in artikel 2, lid 1, een
                                participatieplaats met behoud van het recht op WWB, IOAW of IOAZ
                                aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. Waarbij voor tenminste 12
                                uur per week additionele, onbetaalde werkzaamheden worden
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, kan de
                                participatieplaats niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling
                                van belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van een participatiebaan is het opdoen van werkervaring dan
                                wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de participatieplaats is gemaximeerd tot 2 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De participatieplaats kan ten hoogste 2 keer voor de duur van één
                                jaar worden verlengd, onder voorwaarde dat deze participatiebaan bij
                                de eerste verlenging bij een andere werkgever wordt ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een verlenging van de duur van een participatieplaats is slechts
                                mogelijk indien een aanmerkelijke verbetering van de
                                arbeidsmarktpositie van de persoon wordt gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college plaatst de in dit artikel bedoelde persoon alleen dan in
                                een (verlengde) participatieplaats indien deze persoon een
                                schriftelijke overeenkomst vóór het ingaan van de (verlengde)
                                participatiebaan mede heeft ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Deze overeenkomst wordt aangegaan tussen de gemeente, de werkgever
                                bij wie de participatieplaats wordt vervuld en de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                participatieplaats door het college bekeken in hoeverre scholing of
                                opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling
                                in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen m.b.t.
                                de inzet van participatieplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Premie participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een premie toekennen aan personen die gedurende zes
                                maanden een participatieplaats vervullen, als bedoeld in artikel 10
                                van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie als bedoeld in het eerste lid bedraagt 25% van het in
                                artikel 31, lid 2 sub j van de wet genoemde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien bij
                                de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de
                                voorafgaande zes maanden heeft geschonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
                                advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte
                                omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. <vet></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) adviseert het
                                college met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt daarbij de in het tweede
                                lid neergelegde criteria in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de
                                loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van
                                de loonwaarde van een persoon. Het UWV neemt daarbij de in de
                                bijlage omschreven methode in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor tenminste de duur van 6 maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                        minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer. De
                                begunstigde is de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis parallel lopend met de duur
                                van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd. Maximaal 1 verlenging
                                van de no-riskpolis bij het verlengen van een arbeidsovereenkomst
                                voor een bepaalde tijd bij dezelfde werkgever is mogelijk met een
                                eigen risico voor de werkgever van twee weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Opstapsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een tijdelijke loonkostensubsidie, de
                                opstapsubsidie, verstrekken aan werkgevers die een
                                arbeidsovereenkomst sluiten met een persoon die behoort tot de
                                doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De opstapsubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van
                                een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen
                                in verband met de indiensttreding van de werknemer.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de duur van de
                                subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Voorzieningen schuldhulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan producten in het kader van schuldhulpverlening ten
                                behoeve van de doelgroep aanbieden. Zoals bijvoorbeeld preventie,
                                intake, cursussen, advies, begeleiding, bemiddeling, nazorg,
                                WSNP-verklaring.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze producten worden niet ingezet als aan belanghebbende een
                                ontheffing is verleend van de arbeidsverplichting en werkhervatting
                                binnen afzienbare tijd niet aannemelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel></kop><al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                            volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van
                            de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van
                            belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                                    wet;</al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, zevende lid van de
                                    wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Katwijk mei
                                2013 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente
                                Katwijk mei 2013, die moet worden beëindigd op grond van deze
                                verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan
                                de voorwaarden uit de Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ
                                gemeente Katwijk mei 2013 voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Katwijk mei
                                2013 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette
                                voorziening als bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening re-integratie en
                                loonkostensubsidie Participatiewet Katwijk.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 december
                        2014.</al><al></al><al> De raad voornoemd,</al><al> De griffier, De voorzitter,</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage bij artikel 16 van de</titel></kop><tussenkop>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet
                    Katwijk</tussenkop><tussenkop>Wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld</tussenkop><al></al><al>In de Participatiewet staat dat de methodiek van Loonwaardebepaling moet worden
                    uitgewerkt in de verordening. In de verordening beschrijven we de methodiek van
                    loonwaardebepaling en wie het uitvoert. Het college maakt hierbij gebruik van de
                    ‘werkwijze vaststelling loonwaarde UWV’ om de loonwaarde van een persoon te
                    bepalen. In deze bijlage zijn de stappen beschreven om de loonwaarde vast te
                    stellen. Deze werkwijze is afgestemd met het UWV en met de regio Holland
                    Rijnland en voldoet aan de door het Rijk gestelde voorwaarden (zorgvuldig,
                    geobjectiveerd en transparant).</al><al></al><al>Hierna wordt de werkwijze omschreven.</al><al></al><al><vet>Werkwijze vaststelling loonwaarde UWV</vet><vet></vet></al><al></al><al><vet>Doelgroep</vet></al><al>Werkzoekenden die door medische en of sociaalpsychologische beperkingen worden
                    belemmerd in hun werk. Voor deze groep komt de potentiële werkgever mogelijk in
                    aanmerking voor loonkostensubsidie. Uitgangspunt hierbij is dat de werknemer
                    niet in staat is het geldende wettelijk minimumloon te verdienen.</al><al></al><al>De loonwaardebepaling wordt vastgesteld en uitgevoerd door deskundige en
                    gecertificeerde arbeidsdeskundigen. Van belang is dat sociaal-medische gegevens
                    aanwezig zijn. Dit kan in de vorm van een Sociaal Medisch Advies van UWV, of
                    vergelijkbare informatie uit een andere bron. Indien noodzakelijk kunnen onze
                    arbeidsdeskundigen collega-arbeidsdeskundigen en -artsen consulteren. Onze
                    ervaring en expertise op sociaal-medisch gebied garandeert een deskundig,
                    betrouwbaar en objectief advies.</al><al> Het onderzoek vindt vooral plaats op de werkplek van de werknemer. Het bestaat
                    uit een aantal onderdelen:</al><al>- Verzamelen van sociaal-medische gegevens voor het opstellen van een
                    arbeidskundig werknemersprofiel. Hierin zijn de kennis, vaardigheden en
                    belastbaarheid van de klant opgenomen.</al><al>- Vaststellen en beschrijven van de soortgelijke functie van een collega
                    zonder</al><al>beperkingen: de functieanalyse (taken- en urenanalyse).</al><al>- Vaststellen van het loonniveau van deze collega als referentie/norm.</al><al>- Vaststellen van het prestatieniveau van de werknemer: de loonwaarde.</al><al>- Verslaglegging, verwachting loonontwikkeling en advies planning
                    vervolgonderzoek.</al><al></al><al><cursief>De Loonwaarde vaststelling door UWV</cursief></al><al>UWV onderscheidt bij de loonwaarde vaststelling de volgende stappen:</al><al>1. Inventarisatie van de <cursief>feitelijke taakopbouw</cursief> in termen van
                    de feitelijke uitoefening van de functie door de werknemer.</al><al>2. Het <cursief>vaststellen van de normfunctie</cursief> op basis van de
                    feitelijke in de functie door de werknemer uitgeoefende taken.</al><al>3. Vaststellen bij de<cursief> normfunctie</cursief> behorende
                        <cursief>loonwaarde</cursief> en waarden voor <cursief>Tempo, Kwaliteit en
                        Inzetbaarheid voor de hoofdtaken.</cursief></al><al>4. Beschrijven hoe de medewerker in de praktijk in de functie op de werkplek
                    functioneert, beschreven in termen van Tempo, Kwaliteit, Inzetbaarheid per
                    hoofdtaak. Beschrijven van eventuele bijzondere omstandigheden bij de functie
                    uitoefening. </al><al>5. Het <cursief>vaststellen van de prestatie van de werknemer</cursief> per
                    hoofdtaak afgezet tegen de normfunctie op basis van drie kernbegrippen Tempo,
                    Kwaliteit en Inzetbaarheid uitgedrukt in een % van de arbeidsprestatie op deze
                    elementen in de normfunctie.</al><al>6. Het vaststellen van de werkelijke additionele kosten, waar aan de orde,
                    uitgesplitst naar eenmalige en structurele kosten. </al><al>7. Het integraal vertalen van de uitkomsten bij Tempo, Kwaliteit en
                    Inzetbaarheid naar een <cursief>totale arbeidsprestatiewaarde van de werknemer
                        in een % ten opzichte van de normfunctie</cursief>. Dit met behulp van de
                    rekenformule.</al><al></al><al>Nb. De rekenformule is als volgt: </al><al> %Tijdsbesteding werknemer in de taak x %Tempo x %Kwaliteit x
                    %Inzetbaarheid.</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colwidth="9*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="17*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="0*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="18*"></colspec><colspec colname="col5" colwidth="11*"></colspec><colspec colname="col6" colwidth="12*"></colspec><colspec colname="col7" colwidth="17*"></colspec><colspec colname="col8" colwidth="16*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col4"><al></al></entry><entry colname="col5" namest="col5" nameend="col7"><al>Arbeidsprestatie</al></entry><entry colname="col8"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>taak</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>tijdsbesteding</al><al>norm</al></entry><entry colname="col4"><al>tijdsbesteding</al><al>werknemer </al></entry><entry colname="col5"><al>tempo</al></entry><entry colname="col6"><al>kwaliteit</al></entry><entry colname="col7"><al>inzetbaarheid</al></entry><entry colname="col8"><al>Loonwaarde</al><al>t.o.v. </al><al>de gezonde</al><al>soortgelijke</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2" namest="col2" nameend="col3"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry><entry colname="col3" namest="col3" nameend="col7"><al></al></entry><entry colname="col8"><al>     % (G)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>UWV legt deze gegevens vast in een rapportage. Daarin vermelden we de
                    onderzoeksactiviteiten, de resultaten van het onderzoek en het advies over de
                    loonwaarde.</al><al></al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Toelichting </tussenkop><tussenkop>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet
                    Katwijk</tussenkop><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al></al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al></al></li></lijst><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Deze verordening geeft ook uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort, en</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al></li></lijst><al></al><al>Het college kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet). Personen zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet die
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is vastgesteld dat zij
                    met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk
                    minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al></al><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde
                    van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Hiervoor
                    is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in
                    een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al></al><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie -
                    verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in
                    die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                    ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).</al><al></al><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening kan uitsluitend
                    worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    Participatiewet: mensen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                    loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor
                    een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente
                    werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie Kamerstukken
                    II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al><al></al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Voor
                    de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder
                    weergegeven. </al><al></al><al><cursief>Doelgroep</cursief><cursief></cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b, 35, vierde
                            lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren tenminste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                            de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><al></al><al><cursief>Loonwaarde</cursief> (artikel 6, eerste lid, onderdeel g,
                    Participatiewet): vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de
                    door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                    arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie
                    van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die
                    niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort;</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Doelgroep loonkostensubsidie</cursief> (artikel 6, eerste lid,
                    onderdeel e, Participatiewet): personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onderdeel a, Participatiewet, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse
                    arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch
                    wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben;</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Mantelzorg </tussenkop><al>Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid onderdeel b, van
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning).</al><al>Het gaat hier om: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                    beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                    omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie
                    en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. </al><al>Deze zorg wordt minimaal 8 uur per week gegeven.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, lid 4
                    is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Verslag doeltreffendheid</tussenkop><al>Het college zendt eenmaal per jaar een verslag over de doeltreffendheid van het
                    re-integratiebeleid. Dit verslag moet het oordeel van het cliëntenpanel
                    bevatten. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al>In het tweede lid wordt de reikwijdte van het palet aan voorzieningen
                    aangegeven. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Onderdeel a.</cursief> spreekt zowel over het verwerven als behouden
                    van arbeid, waarmee wordt aangegeven dat ook voorzieningen kunnen worden ingezet
                    in de preventieve sfeer.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Onderdeel b.</cursief> spreekt over voorzieningen ter verbetering of
                    behouden van de positie op de arbeidsmarkt of binnen de maatschappij. Gedacht
                    kan dan onder meer worden aan leerwerktrajecten en scholingen, maar ook aan een
                    resocialisatie traject, wanneer een sociaal isolement dreigt.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Onderdeel c.</cursief> meldt voorzieningen om belemmeringen weg te
                    nemen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een
                    schulddienstverleningstraject, voor zover is vastgesteld dat de schulden een
                    belemmering binnen de verdere arbeidsintegratie van betrokkene vormen. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Onderdeel d</cursief>. spreekt voor zich. De opstapsubsidie is
                    overigens een bijzondere vorm van de loonkostensubsidie.</al><al>In het derde lid wordt het palet aan voorzieningen nog uitgebreid met
                    voorzieningen die bepaalde met de arbeidsinschakeling noodzakelijk
                    verbandhoudende kosten kunnen dekken. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Onderdeel a.</cursief> ziet daarbij vooral op de kosten die de
                    betrokkene moet maken om deel te kunnen nemen aan de voorziening. Denk daarbij
                    aan reiskosten, kosten voor kinderopvang of zelfs - indien noodzakelijk –
                    verhuiskosten.</al><al></al><al><cursief>Onderdeel b.</cursief> ziet op de kosten die noodzakelijkerwijs moeten
                    worden gemaakt om de aard en omvang van de eventueel in te zetten voorziening te
                    bepalen. Denk hierbij onder meer aan een assessment.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Onderdeel c.</cursief> ziet tenslotte op kosten in verband met de
                    loonvormende arbeid. Gedacht moet dan worden aan de werkgeverskosten die
                    rechtstreeks verband hebben met de arbeidsinschakeling activiteiten van een
                    persoon uit de doelgroep. </al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het vierde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al></al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, vierde lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
                    onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het
                    inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren
                    tenminste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee
                    jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze
                    doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet
                    bieden gedurende twee aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt en
                    ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als
                    bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden
                    teruggevorderd.<sup>1</sup> Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 4. Werkstage</tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al></al><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring </al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al></al><al>Doelgroep aanbieden werkstage</al><al> Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage
                    aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is
                    vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                    afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 5,
                    eerste lid, onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is
                    sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is
                    aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van
                    een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn.
                    Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan
                    kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat
                    geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><al></al><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al></al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, </al><al></al><al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Gekozen is een
                    termijn van maximaal zes maanden. De werkstage wordt niet als een
                    participatiebaan gezien wanneer deze maximaal 6 maanden duurt en er naar het
                    oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij
                    degenen bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of grotere omvang
                    die aanvangt of aansluitend op die zes maanden. De regels m.b.t. de premie en
                    scholing ten aanzien van de participatiebanen zijn hier dan niet van toepassing. </al><al></al><al>Geen verdringing</al><al>In het vierde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al></al><al>Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vijfde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst (stage overeenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                    van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Proefplaatsing</tussenkop><al>Om belemmeringen bij werkgevers weg te nemen ten aanzien van het in dienst nemen
                    van personen die langere tijd uit het arbeidsproces zijn, kan het college een
                    proefplaats aanbieden. Dit houdt in dat de uitkeringsgerechtigde voor de periode
                    genoemd in het derde lid, met behoud van uitkering, bij een werkgever gaat
                    werken. Het dient een werkgever te betreffen die de intentie heeft om een
                    dienstverband met de uitkeringsgerechtigde aan te gaan, maar voorafgaand hieraan
                    in de dagelijkse praktijk wil toetsen of de uitkeringsgerechtigde geschikt
                    is.</al><al>De proefplaatsing heeft grote overeenkomsten met de werkstage. Het belangrijkste
                    verschil is het feit dat bij de proefplaatsing de intentie nadrukkelijk is, de
                    persoon na afloop van de proefplaatsing in dienst te nemen.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 6. Work First</tussenkop><al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden een Work first aanpak te bieden.
                    Work first is een algemene, landelijk gehanteerde term voor trajecten waarbij
                    het doel is om klanten zeer snel voor een bepaalde periode een bepaald aantal
                    uur werk aan te bieden. Naast deze werkzaamheden blijft deze persoon op zoek
                    naar regulier werk. Tevens bekijkt de gemeente samen met de klant en het
                    re-integratiebedrijf wat de beste manier is om verdere ondersteuning te
                    bieden.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 7. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al></al><al>Begrip sociale activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                    zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                    Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan
                    worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                    vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of
                    buurt.<sup>2</sup></al><al></al><al>Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot de
                    doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover
                    de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan
                    verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening (artikel 8
                    eerste lid).</al><al></al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<sup>3</sup></al><al></al><al>College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al></al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. </al><al></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. </al><al>Voor het derde lid (geen verdringing) wordt verwezen naar de toelichting bij het
                    artikel over de werkstage (artikel 5, lid 4).</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Scholing </tussenkop><al>Uitgangspunt is de kortste weg naar uitstroom naar reguliere algemeen
                    geaccepteerde arbeid, waaronder ook gesubsidieerde arbeid. Als het vinden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet lukt, komt pas scholing aan de orde. Bij de
                    beoordeling van scholing staat arbeidsrelevantie voorop.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al>Het college dient bij voorrang de re-integratie (artikel 9a, lid 1
                    Participatiewet) voor alleenstaande ouders zonder startkwalificatie (die de
                    volledige zorg hebben voor een of meer tot zijn laste komende kinderen tot vijf
                    jaar en die om ontheffing van de arbeidsplicht hebben verzocht) tenminste in te
                    vullen met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.
                    Mits dit niet de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven
                    gaat. Welke scholing in individuele gevallen zal worden aangeboden is
                    afhankelijk van de individuele omstandigheden en wordt bepaald door het college
                    in samenspraak met de alleenstaande ouder.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Jongeren</cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a,
                    van de Participatiewet).</al><al></al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al> Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 10 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 10.Participatieplaats</tussenkop><al>In lid 1 en 3 wordt bepaald wat een participatieplaats inhoudt.</al><al>De onbeloonde additionele werkzaamheden hebben als belangrijkste doel het opdoen
                    van vaardigheden in een instelling of bedrijf, waardoor uitstroom naar betaald
                    werk (op langere termijn) mogelijk wordt gemaakt.</al><al>De Wet stimulering arbeidsparticipatie maakt het nodig om hierover regels te
                    stellen. </al><al></al><al>Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 10a
                    van de wet worden primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden
                    verstaan die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze
                    wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                    leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Additioneel houdt in dat het een
                    speciaal gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie die een
                    uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Hij zal
                    minder productief zijn dan zijn collega’s op een reguliere arbeidsplaats. </al><al></al><al>In lid 2 wordt aangegeven dat er voor belanghebbenden jonger dan 27 jaar geen
                    participatieplaats ingezet kan worden. </al><al>Het college verstrekt aan de belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes
                    maanden op grond van artikel 10a van de wet werkzaamheden verricht, een premie.
                    Belanghebbende moet in die zes maanden voldoende hebben meegewerkt aan het
                    vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al><al></al><al>De voorwaarden voor deze premie staan vermeld in artikel 11 van deze
                    verordening.</al><al></al><al>In lid 4 tot en met 6 worden de voorwaarden voor de duur en de verlenging
                    gegeven.</al><al></al><al>De maximale duur dat betrokkene werkzaamheden kan verrichten met behoud van
                    uitkering is twee jaar. Andere vormen van werken met behoud van uitkering van
                    betrokkene (zoals work first of de werkstage) tellen ook mee voor de maximale
                    duur van twee jaar. Dit om te voorkomen dat de maximale duur van een
                    participatiebaan op een oneigenlijke manier wordt opgerekt.</al><al></al><al>Negen maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats moet het
                    college beoordelen of de werkzaamheden de kans op werk van betrokkene hebben
                    vergroot. Indien dit niet het geval is, ligt het niet in de rede dat de
                    participatieplaats wordt voortgezet.</al><al>In lid 7 en 8 wordt bepaald dat er voor de participatieplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                    participatieplaats worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                    participatieplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al></al><al>In lid 9 wordt geregeld dat het college scholing of een opleiding biedt aan
                    diegene die niet beschikt over een startkwalificatie na een periode van zes
                    maanden na aanvang van de werkzaamheden. Deze scholing of opleiding moet de
                    toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen. </al><al>Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien dit naar het oordeel van het
                    college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces van belanghebbende.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Premie Participatieplaats</tussenkop><al>In artikel 10a van de Participatiewet is bepaald dat de raad regels stelt met
                    betrekking tot de hoogte van de premie voor personen die op een participatiebaan
                    voor minimaal 12 uur geplaatst zijn. </al><al>De hoogte van de premie bedraagt 25% van het in artikel 31, lid 2 sub j van de
                    wet genoemde bedrag en wordt op basis van dwingende wettelijke voorschriften
                    iedere 6 maanden verstrekt.</al><al></al><al>Deze premie is onbelast en werkt niet door bij inkomensafhankelijke
                    regelingen.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 12. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.<sup>4</sup> Daarom
                    is in het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                    een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al></al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<sup>5</sup></al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.<sup>6</sup></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.<sup>7</sup></al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al></al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al></al><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al></al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking
                    komt.<sup>8</sup>In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                    Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit
                    's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al></al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 14 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                    zijn.<sup>9</sup></al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde
                            lid, onderdeel b en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                            de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al></al><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om
                    vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
                    Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke
                    wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of
                    loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161,
                    nr. 107, blz. 62). In artikel 15, tweede lid, is vastgelegd welke criteria
                    daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan
                    artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers
                    wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd.</al><al></al><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie laat
                    het college zich adviseren door het UWV. Het college draagt personen voor die
                    zouden kunnen behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie, het UWV adviseert en
                    neemt daarbij eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op
                    basis van het advies beslist het college of iemand tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                    totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet te
                    volgen.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                    van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. Het UWV adviseert
                    het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon
                    (artikel 16, tweede lid, van deze verordening). De vastgestelde loonwaarde legt
                    het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als
                    diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al></al><al>In de bijlage bij artikel 16 wordt de methode die het college gebruikt om de
                    loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven. Deze werkwijze is afgestemd
                    met het UWV en met de Regio Holland Rijnland (notitie: “Instrumenten
                    Loonkostensubsidie onder de Participatiewet en de No Risk Polis”. </al><al></al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie
                    aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 17. No-riskpolis </tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al></al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                    duren.</al><al></al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><al></al></li></lijst><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten. De gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever
                    is de begunstigde (derde lid).</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het college vergoedt de no-riskpolis overeenkomstig de duur van een
                    dienstbetrekking voor bepaalde tijd, met een eigen risico voor de werkgever van
                    twee weken. De mogelijkheid bestaat om de no risk polis eenmalig te verlengen
                    bij verlenging van de dienstbetrekking voor bepaalde tijd bij dezelfde
                    werkgever. </al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </tussenkop><tussenkop>verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 18. Opstapsubsidie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al></al><al><cursief>Tijdelijke </cursief><cursief>Compensatie</cursief><cursief></cursief></al><al>Het doel van deze opstapsubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat
                    voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald,
                    terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het
                    college een opstapsubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het
                    verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.</al><al></al><al>De in dit artikel geregelde opstapsubsidie moet worden onderscheiden van de
                    loonkostensubsidie zoals geregeld in artikel 15 van deze verordening (en bedoeld
                    in de artikelen 10c en 10d Participatiewet). </al><al>De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de wet door de
                    Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een
                    arbeidsbeperking. De in dit artikel opgenomen opstapsubsidie is niet
                    noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar geldt voor de
                    hele doelgroep. Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt
                    kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van
                    de wet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn
                    tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    wet).</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat de opstapsubsidie uitsluitend wordt verstrekt
                    als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een
                    vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing,
                    maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al></al><al>Om begripsverwarring met de nieuwe wettelijke loonkostensubsidie (geregeld in de
                    artikelen 15 en 16) te voorkomen, noemen we deze tijdelijke loonkostensubsidie
                    voortaan “opstapsubsidie”.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Voorziening schuldhulpverlening</tussenkop><al>Het hebben van schulden vormt vaak een belemmering bij de re-integratie. Het is
                    dan van belang om de schulden in een zo vroeg mogelijk stadium aan te pakken.
                    Als dat niet gebeurt, is de kans groot dat de re-integratie niet slaagt. Daarom
                    is het mogelijk om schuldhulpverlening toe te passen als onderdeel van een
                    re-integratietraject.</al><al>Uitzondering voor het aanbieden van deze voorzieningen wordt gemaakt voor
                    uitkeringsgerechtigden die geen arbeidsverplichting hebben en vrijwel geen
                    uitzicht hebben op regulier werk binnen een afzienbare periode. </al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 20. Afwijkende bepalingen voor jongeren</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat bij jongeren de volgende incentives en voorzieningen niet
                    tot het re-integratie-instrumentarium behoren: inkomensvrijlating, premies,
                    vrijlating van onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk en plaatsing in
                    participatieplaatsen.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 21 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 21,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Re-integratieverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Katwijk mei 2013. Wordt niet
                    meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd,
                    bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning
                    bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het
                    moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al></al><al>Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW,
                    IOAZ gemeente Katwijk mei 2013 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na
                    inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college
                    besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 22, derde lid). Hierbij
                    kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van
                    een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de
                    kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog
                    gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in
                    beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al></al><al>Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 6 maanden is niet mogelijk als de
                    voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de
                    voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening WWB,
                    IOAW, IOAZ gemeente Katwijk mei 2013 of als de voorziening is toegekend voor een
                    kortere duur dan 6 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning. </al><al></al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening WWB, IOAW,
                    IOAZ gemeente Katwijk mei 2013 van toepassing (artikel 21, vierde lid, van deze
                    verordening).</al><al></al><al><sup>1</sup> Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,
                    ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540</al><al><cursief><sup>2</sup> Kamerstukken II 2002/03 28870, nr. 3, blz.
                    35.</cursief></al><al><sup>3</sup><cursief>CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB,
                        ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400.</cursief></al><al><cursief><sup>4</sup> Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113, blz.
                        3.</cursief></al><al><sup>5</sup><cursief>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113.</cursief></al><al><sup>6 </sup>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 66.</al><al><sup>7 </sup>Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 115-116.</al><al><cursief><sup>8</sup><cursief>Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz.
                            49.</cursief></cursief></al><al><sup>9]</sup><cursief> Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz.
                        115.</cursief></al><al><cursief></cursief></al><al></al></bijlage></regeling></body></cvdr>