<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>354610_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet Katwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-16</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-1954.html">Gemeenteblad 2015 nr 1954</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet Katwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet en artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2014-12-04</dcterms:issued><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>364011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Verordening i</vet><vet>ndividuele </vet><vet>studie</vet><vet>toeslag
                Participatiewet</vet><vet> Katwijk</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Katwijk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 28 oktober 2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet en
                        artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlenen van de studietoeslag als
                        bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet bij verordening te
                        regelen;</al><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de volgende verordening: <vet>Verordening
                            i</vet><vet>ndividuele </vet><vet>studie</vet><vet>toeslag
                            Participatiewet</vet><vet> Katwijk</vet></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label></label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college
                            vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</titel></kop><al>Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon niet in staat is tot het
                            verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft
                            tot arbeidsparticipatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toekenning en verstrekking individuele studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag wordt toegekend voor zolang de
                                betreffende persoon voldoet aan de voorwaarden voor de individuele
                                studietoeslag zoals bepaald in de Participatiewet, met een maximum
                                van vier jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag bedraagt een percentage van de
                            bijstandsnorm voor gehuwden conform artikel 21 onderdeel c van de
                            Participatiewet. Dit percentage is:</al><lijst><li nr="-"><al>25% voor personen van 23 jaar of ouder;</al></li><li nr="-"><al>21% voor personen van 22 jaar;</al></li><li nr="-"><al>18% voor personen van 21 jaar;</al></li><li nr="-"><al>15% voor personen van 18 tot en met 20 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening individuele
                            studietoeslag Participatiewet Katwijk’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 december 2014.</al><al></al><al> De raad voornoemd,</al><al> De griffier, De voorzitter,</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                    mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                    minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze
                    studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt.
                    Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel
                    in zijn mars heeft.</al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie
                    te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het
                    voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK
                    2013-2014, 33 161, nr. 125, p. 2).</al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Verordeningsplicht</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een
                    verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking
                    hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag (artikel 8, derde lid Participatiewet).</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag</tussenkop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en</al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het
                            verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst><al></al><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet
                    geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele
                    studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een individuele
                    studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de
                    toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een
                    bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen.</al><al></al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. Een
                    individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een persoon
                    met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is
                    namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                    tweede lid, van de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is
                    niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid,
                    van de Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan
                    worden verstrekt in de vorm van een voorschot.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Indienen verzoek </tussenkop><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling:</al><al> </al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35,
                            vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk
                            en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit
                            arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                            minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die
                            twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en</al></li><li nr="-"><al>niet-uitkeringsgerechtigden.</al></li></lijst><al></al><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                    individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb). Om onduidelijkheid te
                    voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste
                    lid, van de Participatiewet moet worden ingediend, bepaalt artikel 1 van deze
                    verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college
                    vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals
                    bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag
                    (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste
                    de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding
                    van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De
                    aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de
                    aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen
                    (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus
                    niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele studietoeslag zoals
                    bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon </tussenkop><al>Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                    college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden,
                    een individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon
                    op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en</al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het
                            verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst><al></al><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium wint het college advies in bij
                    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het gaat om advies met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon niet in staat is tot het verdienen van
                    het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
                    Deze bepaling sluit aan bij de doelgroepbepaling van het instrument
                    loonkostensubsidie en zorgt ervoor dat gemeenten geen apart
                    beoordelingsinstrument hoeven te ontwikkelen. Dit draagt bij aan de
                    uitvoerbaarheid van de studietoeslag.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Toekenning en verstrekking individuele
                    studietoeslag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Aangezien het ongewenst is dat de toeslag blijft doorlopen na het beëindigen van
                    de studie, is tevens bepaald dat de toeslag stopt zodra betrokkene niet meer
                    voldoet aan de voorwaarden. De voorwaarden die op de datum van aanvraag gelden,
                    gelden dus ook voor de voortzetting van het recht op de individuele
                    studietoeslag.</al><al>Omdat in de regel de duur van een studie/studiefinanciering vier jaar is, is dit
                    als maximumduur opgenomen. Het verdient aanbeveling om binnen deze termijn
                    jaarlijks te controleren of betrokkene nog aan de voorwaarden voldoet. Mocht een
                    persoon na vier jaar nog aan de voorwaarden voldoen, kan hij opnieuw een
                    aanvraag indienen. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Om recht te doen aan de functie van inkomensondersteuning, wordt de toeslag per
                    maand uitbetaald.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 4. Hoogte individuele studietoeslag</tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de
                    voorwaarden toegekend. </al><al>De vergoeding die het UWV thans uitkeert aan Wajongers bedraagt 25% van het
                    wettelijk minimum(jeugd)loon. Hierbij sluiten we aan. Echter is dit een
                    brutoloon, terwijl de bijstand werkt met netto bedragen. Daarom is de
                    bijstandsnorm voor gehuwden (artikel 21 onderdeel c van de Participatiewet) als
                    uitgangspunt genomen. De individuele studietoeslag bedraagt voor personen van 23
                    jaar of ouder 25% van deze norm. Voor de andere leeftijdsgroepen is een lager
                    percentage genomen, ongeveer overeenkomend met het verschil in de
                    minimumjeugdlonen per leeftijdsgroep. </al><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor
                    een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een
                    individuele studietoeslag.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag.</al><al></al><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 6. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>