<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354589_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Coevorden 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Coevorden</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Coevorden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-145806.html">Elektronisch gemeenteblad 21 oktober 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Coevorden 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8, lid 1&amp;g=01-01-2015">Participatiewet, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=35&amp;g=2015-01-01">Wet op de inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=35&amp;g=2015-01-01">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-08-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-06-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging art. 2, art. 4, invoegen nieuw art. 13a.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/1320</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>sociale voorzieningen en werkgelegenheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20311</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20312</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente
                Coevorden2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>No. 2014/1186</al><al>De raad van de gemeente Coevorden;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, bijlagenr. 1186;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e
                        van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet op de inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de ‘Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        gemeente Coevorden 2015’.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                                    IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ).</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag
                                    van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van IOAW of artikel 5
                                    IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW
                                    of IOAZ;</al></li><li nr="-"><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 17 tweede lid van de Participatiewet, artikel 18,
                            tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en
                            38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid,
                            van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                met ingang van de datum waarop de gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de uitkering al is uitbetaald op het moment dat besloten is de
                                maatregel op te leggen wordt de maatregel opgelegd over de eerst
                                volgende kalendermaand. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat
                                tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten
                                uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of
                                intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van
                                deverlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als
                                belanghebbende binnen eenjaar opnieuw een uitkering ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><cursief>a. eerste categorie:</cursief></al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie;</al><al><cursief>b. </cursief><cursief> tweede categorie:</cursief></al><lijst><li nr="1°."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                    en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="2°."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                    artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor
                                    zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                    gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43,
                                    vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                    verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid,
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="3°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                                    b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft
                                    geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht
                                    voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="4."><al>° het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al><lijst><li nr="c."><al><cursief>derde categorie:</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld
                            in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de
                            IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><al>a.<cursief>eerste categorie:</cursief></al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie;</al><lijst><li nr="b."><al><cursief>tweede categorie:</cursief></al><lijst><li nr="1°."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor
                                            zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3°."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="4°."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAZ;</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>c. </cursief><cursief> derde categorie:</cursief></al><lijst><li nr="1°."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="2°."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                                    bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                    onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37,
                                    eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft
                                    geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                    beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst><al><cursief>d.</cursief><cursief> vierde categorie</cursief></al><al>1°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al> 2°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid onder a of b, van de IOAW
                            of artikel 20 tweede lid, onder a of b, van de IOAZ. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 6 en 7, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 9, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                                onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als
                                bedoeld in het eerste lid plaats. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op de periode dat de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht
                                heeft op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van drie maanden of korter: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van drie tot zes maanden: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende drie maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van zes maanden en langer: 10% van de
                                        bijstandsnorm gedurende zes maanden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging
                            opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de
                                    aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a.</nr><titel>Niet meewerken aan de taaltoets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende aan de door het college opgelegde
                                verplichting tot het maken van de taaltoets op grond van artikel 18b
                                van de Participatiewet geen gehoor geeft, wordt dit aangemerkt als
                                het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting als bedoeld in
                                artikel 17, lid 2 van de Participatiewet en wordt een verlaging van
                                20% van de bijstandsnorm toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alvorens de uitkering te verlagen omdat niet is voldaan aan de
                                opgelegde verplichting tot het maken van een taaltoets als bedoeld
                                in artikel 18b van de Participatiewet, kan het college de
                                belanghebbende eenmalig een waarschuwing geven. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 6 sub c, 7 sub c of d, 12 of
                                13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de <cursief>duur</cursief> van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 6 sub a of sub b, 7 sub a of
                                sub b of 11 eerste lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging wordt telkens de <cursief>hoogte</cursief> van
                                de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende twee maanden<vet>.</vet></al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAZ of IOAW zou hebben kunnen verwerven, als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een
                                        verwijt kan worden gemaakt, of</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een
                                        persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                IOAW of IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        verkrijgt. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>De ‘Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand gemeente
                                    Coevorden 2013’ en de ‘Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ
                                    gemeente Coevorden 2013’ ‘worden ingetrokken per 1 januari
                                    2015.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Coevorden 2015’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van9 december
                            2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> , voorzitter.</ondertekening><ondertekening> , griffier. </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i249153.pdf">algemene toelichting</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i280685.pdf">Toelichting wijziging 2016</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>