<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354502_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening participatiewet gemeente Wierden 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Driehoek, 17 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Wierden 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Nummer 14-00836</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Wierden
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wierden;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum en
                        nummer];</al><al>gelet op de artikelen 8a lid 1 aanhef en onderdelen a, c, en d, en lid 2,
                        van de Participatiewet;</al><al>besluit vast te stellen de <vet>Re-integratieverordening Participatiewet
                            gemeente Wierden 2015</vet>.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>anw-er: de persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a,
                                    onder 4, van de wet, die als werkloze werkzoekende is
                                    ingeschreven bij het UWV en die minimaal 12 uren per week
                                    beschikbaar is voor algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a,
                                    onder 1, 2, 3, 5 en 6, van de wet; </al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; </al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; </al></li><li nr="-"><al>nugger: de persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a,
                                    onder 7, van de wet, die minimaal 12 uren per week beschikbaar
                                    is voor algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot 5 jaar, en
                                    </al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zendt ieder jaar aan de gemeenteraad een verslag van de
                                resultaten voortvloeiend uit het beleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van een anw-er of een nugger een eigen bijdrage
                                verlangen in de kosten van de voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan lopende het jaar besluiten middelen tussen de
                                verschillende budgetten over te hevelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzieningen kunnen separaat, al dan niet aanvullend op een
                                re-integratietraject, een arbeidsmarktgericht traject, een
                                voortraject arbeidsinpassing en een traject gericht op zelfstandige
                                maatschappelijke participatie worden ingezet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het re-integratietraject wordt vastgelegd in een individueel
                                ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vast waarin wordt omschreven:</al><lijst><li nr="a."><al>het beleid ten aanzien van de re-integratie van
                                        belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>het inkoopbeleid van de voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de kwaliteit en de continuïteit van derden die bij het
                                        re-integratietraject zijn betrokken, in voldoende mate
                                        gewaarborgd zijn;</al></li><li nr="b."><al>met inachtneming van de persoonlijke verantwoordelijkheid
                                        van belanghebbende voldoende voorzieningen zijn getroffen om
                                        het voor belanghebbende redelijkerwijs mogelijk te maken het
                                        re-integratietraject met succes te doorlopen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7 lid
                                        1 onderdeel a onder 2 van de wet; </al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen (werknemers)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Premie deeltijdwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon van 27 jaar of ouder met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep en die arbeid in
                                dienstbetrekking verricht waarmee niet volledig in de kosten van het
                                bestaan kan worden voorzien, ontvangt jaarlijks een eenmalige premie
                                ter hoogte van 12,5% van de in het betreffende kalenderjaar met die
                                arbeid verkregen inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie bedraagt per maand maximaal € 121,29 per persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Premie deeltijdwerk wordt niet verstrekt als belanghebbende in
                                aanmerking komt voor de inkomstenvrijlating op grond van artikel 31
                                lid 2 onderdelen n of r Participatiewet, artikel 8 lid 2 en 5 Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers of artikel 8 lid 3 en 9 Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                zelfstandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Premie onbetaald werken met behoud van uitkering</al><lijst><li nr="1."><al>De persoon die behoort tot de doelgroep en die in het kader van
                                    een traject onbetaalde loonvormende arbeid verricht ontvangt een
                                    premie indien:</al></li><li nr="a."><al>hij alle medewerking verleent aan het overeengekomen traject of
                                    aan anderszins met hem overeengekomen of aan hem opgelegde
                                    activeringsactiviteiten;</al></li><li nr="b."><al>de activiteiten gedurende tenminste 12 uren per week worden
                                    verricht;</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten gedurende ten minste 1 maand plaats hebben
                                    gevonden;</al></li><li nr="d."><al>hij geen vergoeding heeft ontvangen van de organisatie waarvoor
                                    het werk wordt verricht. </al></li><li nr="2."><al>De premie bedraagt € 500,- per 6 maanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een
                                langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene
                                bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon
                                die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of
                                langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie bedraagt eenmalig € 750,- als zes maanden uitstroom is
                                gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd vanafde zevende maand na de
                                indiensttreding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Arbeidsmarktgericht traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een arbeidsmarktgericht traject aanbieden aan
                                personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt die behoren tot
                                de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van het arbeidsmarktgericht traject wordt afgestemd op de
                                afstand van belanghebbende tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een arbeidsmarktgericht traject duurt maximaal 2 jaar indien
                                belanghebbende een alleenstaande ouder is die op grond van artikel
                                9a van de wet ontheffing heeft van de plicht tot
                                arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Voortraject arbeidsinpassing</titel></kop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep, een anw-er
                            of een nugger en die nog niet in staat is om een arbeidsmarktgericht
                            traject naar werk te volgen zoals bedoeld in artikel 6, een voortraject
                            arbeidsinpassing aanbieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zelfstandige maatschappelijke activering</titel></kop><al>Het college kan een traject zelfstandige maatschappelijke activering
                            aanbieden aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt die
                            behoren tot de doelgroep.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vrijwilligerswerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan vrijwilligerswerk aanbieden aan een persoon die een
                                arbeidsmarktgericht traject als bedoeld in artikel 8 of een traject
                                zelfstandige maatschappelijke activering als bedoeld in artikel 10
                                volgt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk heeft als doel de belanghebbende, met behoud van
                                uitkering, werkritme op te laten doen en/of behouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties zonder
                                winstoogmerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Work First</titel></kop><al>Het college kan een traject Work First aanbieden aan personen die
                            behoren tot de doelgroep.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Werkervaringsbaan</titel></kop><al>Het college kan een werkervaringsbaan aanbieden aan een persoon met een
                            korte afstand tot de arbeidsmarkt, die behoort tot de doelgroep of die
                            een anw-er of een nugger is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al>Het college kan proefplaatsing inzetten wanneer een werkgever de
                            intentie heeft om de persoon die behoort tot de doelgroep of een anw-er
                            of een nugger op korte termijn een reëel perspectief te bieden op
                            regulier werk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep kortdurend
                                een beroepsgericht scholingstraject aanbieden, indien dit door het
                                college noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar die uit
                                's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a lid 6 van de wet bedraagt € 500,-
                                per 6 maanden, mits in die 6 maanden voldoende is meegewerkt aan het
                                vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele </al><al>begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is
                            de aan hem opgedragen taken te verrichten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Re-integratieverordening gemeente Wierden 2012 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening gemeente Wierden 2012 of het
                                Uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening gemeente Wierden 2012,
                                die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt
                                deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Re-integratieverordening gemeente Wierden 2012 en het
                                Uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening gemeente Wierden 2012
                                voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of </al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Re-integratieverordening gemeente Wierden 2012 en het
                                Uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening gemeente Wierden 2012
                                blijven van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening
                                als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na afkondiging en werkt
                            terug tot en met 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                            Participatiewet gemeente Wierden 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum].</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>[naam] [naam]</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 Participatiewet bepaalt dat personen uit
                    de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de
                    door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de
                    voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden. </al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a lid 5 Participatiewet
                            (artikelen 8a lid 1 onderdeel c en lid 2 onderdeel c Participatiewet);
                        </al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a lid 6 Participatiewet (artikelen 8a
                            lid 1 onderdeel d en lid 2 onderdeel c Participatiewet); </al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a lid 1 onderdeel e en 10b lid 4
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>no-riskpolis (artikel 8a lid 2 onderdeel b Participatiewet); en</al></li><li nr="-"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a lid 1 onderdeel a en 10 lid 1
                            Participatiewet).</al></li></lijst><al>Bij totstandkoming van deze verordening wordt met betrekking tot de bestaande
                    voorzieningen die zijn neergelegd in de Beleidsregel stimuleren werkbemiddeling
                    2014 gemeente Wierden het resultaat van het regionaal overleg afgewacht. Het
                    gaat dan om de voorzieningen vergoeding bemiddeling, compensatie ontbrekende
                    loonwaarde, compensatie duurzaamheid en no-riskpolis. Met betrekking tot de
                    nieuwe voorziening beschut werk wordt ook de uitkomst van het regionaal overleg
                    afgewacht.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld. </al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><tussenkop>Anw-er</tussenkop><al>Personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet behoren tot de doelgroep die door het college wordt ondersteund
                    bij arbeidsinschakeling (artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 4 Participatiewet).
                    Om als anw-er in aanmerking te kunnen komen voor een re-integratievoorziening op
                    grond van deze verordening moet de anw-er als werkloze werkzoekende ingeschreven
                    zijn bij het UWV en minimaal 12 uren per week beschikbaar zijn voor algemeen
                    geaccepteerde arbeid.</al><tussenkop>Doelgroep </tussenkop><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7 lid 1
                    onderdeel a onder 1, 2, 3, 5 en 6 Participatiewet. Het betreft personen: </al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen; </al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a lid 5 onderdeel b Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35 lid 4 onderdeel b WIA en
                            artikel 36 lid 3 onderdeel b WIA tot het moment dat het inkomen uit
                            arbeid in dienstbetrekking gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste
                            het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die 2 jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d Participatiewet is
                            verleend; </al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10 lid 2 Participatiewet; </al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);
                        </al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);
                        </al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening. </al><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening. </al><tussenkop>Nugger</tussenkop><al>Het begrip niet-uitkeringsgerechtigde is gedefinieerd in artikel 6 lid 1
                    onderdeel a Participatiewet. De niet-uitkeringsgerechtigde behoort ook tot de
                    doelgroep die door het college wordt ondersteund bij arbeidsinschakeling
                    (artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 7 Participatiewet). Om als
                    niet-uitkeringsgerechtigde in aanmerking te kunnen komen voor een
                    re-integratievoorziening op grond van deze verordening moet de
                    niet-uitkeringsgerechtigde:</al><al>minimaal 12 uren per week beschikbaar zijn voor algemeen geaccepteerde
                    arbeid.</al><tussenkop>Artikel 2 Evenwichtige verdeling en financiering</tussenkop><al>Op grond van artikel 8a lid 2 onderdeel a Participatiewet moet de gemeenteraad
                    in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij
                    rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van
                    die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. </al><al>In deze verordening is aan het voorgaande uitvoering gegeven door bij elke
                    voorziening te benoemen of deze voorziening aangeboden kan worden aan personen
                    met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoren tot de doelgroep of aan
                    personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt die behoren tot de doelgroep.
                    Voor de overige voorzieningen volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden.</al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen </tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2 lid 1 is
                    opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. </al><tussenkop>Verslag doeltreffendheid</tussenkop><al>Het college zendt ieder jaar aan de gemeenteraad een verslag van de resultaten
                    voortvloeiend uit het beleid. Dit is geregeld in artikel 2 lid 2.</al><tussenkop>Eigen bijdrage</tussenkop><al>Het college kan van een anw-er of een nugger een eigen bijdrage verlangen in de
                    kosten van de voorziening. De wijze waarop wordt vastgesteld of een nugger of
                    een anw-er moet bijdragen in de kosten van de voorziening en de hoogte van de
                    eigen bijdrage kan worden vastgelegd in beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 3 Budgetplafonds</tussenkop><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de</al><al>afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient na te gaan welke andere,
                    goedkopere</al><al>alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond
                    ingesteld kan worden. Wel kan per voorziening een plafond ingebouwd worden; dit
                    laat de mogelijkheid open dat er naar een andere voorziening wordt
                    uitgeweken.</al><al>De aan het college gegeven mogelijkheid om een budgetplafond vast te stellen, is
                    ingesteld om ongewenste overschrijding van de beschikbare middelen te voorkomen.
                    Dat is nodig om dat vooraf niet exact bepaald kan worden hoe groot de instroom
                    in de uitkering zal zijn, hoe effectief het re-integratiebeleid zal zijn, en wat
                    de uitgaven zullen zijn die daar het gevolg van zijn.</al><al>De budgetplafonds moeten door het college per voorziening worden vastgesteld.
                    Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de
                    aanspraak op de desbetreffende voorziening.</al><al>Indien er geen budgetplafond kan worden vastgesteld, kan het college
                    besluiten</al><al>een plafond in te stellen aan het aantal personen dat gebruik kan maken van de
                    voorziening.</al><al>Wanneer wordt voorzien dat een budgetplafond van een voorziening wordt
                    overschreden kan het college lopende het jaar besluiten middelen tussen de
                    verschillende budgetten over te hevelen.</al><tussenkop>Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. </al><tussenkop>Continuïteit</tussenkop><al>In lid 4 worden de rechten van de belanghebbende bij de gebruikmaking van</al><al>voorzieningen geregeld. Bij de inkoop van re-integratietrajecten bij derden,
                    dient het college</al><al>expliciete aandacht te besteden aan de continuïteit en de kwaliteit van de
                    trajecten. Tevens</al><al>dient het college voorzieningen, zoals kinderopvang, te treffen die het de
                    belanghebbende</al><al>mogelijk maken deel te nemen aan een traject.</al><tussenkop>Beëindigingsgronden </tussenkop><al>Lid 5 geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke
                    gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen. </al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3 lid 5 van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 2 Participatiewet
                    wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld
                    in artikel 34a lid 5 onderdeel b, 35 lid 4 onderdeel b en 36 lid 3 onderdeel b
                    van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling moet bieden gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste het
                    minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die 2 jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt.</al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd
                    (zie Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540).
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. </al><tussenkop>Artikel 7 Uitstroompremie</tussenkop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die
                    algemene bijstand ontving, uitstroomt. De premie kan worden aangevraagd vanaf de
                    zevende maand na indiensttreding. Onder langdurig werkloze wordt verstaan een
                    persoon die gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer
                    aangewezen is (geweest) op een uitkering. In de Participatiewet is geregeld dat
                    jaarlijks een eenmalige premie kan worden verstrekt (artikel 31 lid 2 onderdeel
                    j Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie vrijgelaten
                    (artikel 31 lid 7 Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 15 Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie </tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau 2. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><tussenkop>Jongeren </tussenkop><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks
                    kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die
                    hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7 lid 3 onderdeel a
                    Participatiewet). Dit is voor de volledigheid opgenomen in lid 3.</al><tussenkop>Scholing in combinatie met participatieplaats </tussenkop><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf 6 maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a lid 5 Participatiewet. </al><al>Zie artikel 16 van deze verordening over de voorziening
                    participatieplaatsen.</al><tussenkop>Artikel 16 Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7 lid 8 Participatiewet en het
                    eerste lid van artikel 16 van deze verordening). Het college kan dan ook enkel
                    aan personen van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een
                    participatieplaats aanbieden. </al><tussenkop>Additionele werkzaamheden </tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal 4 jaar (artikel 10a
                    Participatiewet). Na 9 maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a
                    lid 8 Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.
                    Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                    beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert
                    dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen
                    factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                    participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een
                    andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a lid 9 Participatiewet). Na 36
                    maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a lid 10
                    Participatiewet). </al><tussenkop>Premie </tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na 6 maanden en vervolgens iedere 6 maanden na aanvang
                    van de additionele werkzaamheden (artikel 10a lid 6 Participatiewet). Voorwaarde
                    is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt
                    aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie
                    moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a lid 1 onderdeel d
                    Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2
                    onderdeel j Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie
                    begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij
                    het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden
                    betrokken (zie Kamerstukken II 2007/08 31 577, nr. 3, blz. 12). Er is gekozen
                    voor een premie van telkens € 500,- per 6 maanden. </al><tussenkop>Artikel 17 Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 17 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn (zie
                    Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115).</al><tussenkop>Artikel 18 Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 18 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4 lid 5 van deze verordening
                    moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 18 lid 2 geregeld dat
                    dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                    voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als
                    dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover
                    wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening gemeente
                    Wierden 2012 en het Uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening gemeente Wierden
                    2012. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening
                    worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft
                    op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te
                    lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen </tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening gemeente
                    Wierden 2012 en het Uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening gemeente Wierden
                    2012 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze
                    verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 18 lid 3). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst. </al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk </tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na een periode van 12 maanden is
                    niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet
                    meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de
                    Re-integratieverordening gemeente Wierden 2012 en het Uitvoeringsbesluit
                    reïntegratieverordening gemeente Wierden 2012 of als de voorziening is toegekend
                    voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning.</al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening gemeente
                    Wierden 2012 en het Uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening gemeente Wierden
                    2012 van toepassing (artikel 18 lid 4).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>