<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354412_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Inkomenstoeslag en studietoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 19-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Inkomenstoeslag en studietoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en c, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Corsanummer 2014.19212</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening Inkomenstoeslag en studietoeslag 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Inkomenstoeslag en studietoeslag 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20 november
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid, aanhef en
                        onderdeel b en c, van de Participatiewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen de </al><al/><al><vet>Verordening Inkomenstoeslag en studietoeslag 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>inkomen</cursief>: totaal van het inkomen, bedoeld in
                                artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="-"><al><cursief>peildatum</cursief>: dag waarop of waartegen een persoon
                                toeslag op grond van deze verordening aanvraagt;</al></li><li nr="-"><al><cursief>referteperiode (inkomenstoeslag):</cursief> een periode van
                                36 maanden voorafgaand aan de peildatum.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Het college:</cursief> het college van Burgemeester en
                                Wethouders van de gemeente Nuenen;</al></li><li nr="-"><al><cursief>De raad:</cursief> de gemeenteraad van de gemeente
                                Nuenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek voor een toeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, en
                        artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet, wordt ingediend middels een
                        door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Doelgroep individuele studietoeslag</titel></kop><al>Het college verstrekt op aanvraag aan een belanghebbende die behoort tot de
                        doelgroep als genoemd in art. 36b van de wet een individuele studietoeslag.
                        Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat de belanghebbende op
                        de peildatum voldoet aan de voorwaarden genoemd in art. 36b van de wet.</al><al>In beleidsregels kan het college nadere regels stellen aan wie en wanneer
                        een individuele studietoeslag kan worden verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De hoogte en duur van de studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de toeslag bedraagt 20% per maand van het wettelijk bruto
                            minimumloon dat voor belanghebbende op de peildatum geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, zolang de
                            belanghebbende recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                            studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond
                            van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten en bedraagt maximaal vier jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de toeslag wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld op basis
                            van de nieuwe minimumlonen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De studietoeslag wordt maandelijks achteraf uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Langdurig laag inkomen voor de individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1)"><al>Een belanghebbende kan een aanvraag indienen voor een individuele
                                inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 lid 1 van de
                                Participatiewet.</al></li><li nr="2)"><al>Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat de
                                belanghebbende op de peildatum ten minste aan de volgende
                                voorwaarden voldoet:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Belanghebbende:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>Voldoet aan de voorwaarden en omstandigheden genoemd in artikel 36
                                lid 1 tot en met 5 van de Participatiewet; </al></li><li nr="b."><al>heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste
                                lid, van de Participatiewet; hiervan is sprake als gedurende de
                                referteperiode van 36 maanden het in aanmerking te nemen inkomen
                                niet hoger is dan 100 procent van de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</al></li><li nr="3)"><al>Tevens kunnen gemeentelijke beleidsregels gelden voor inkomsten uit
                                of in verband met arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar voor gehuwden
                                    € 513,00 en voor een alleenstaande € 360,00.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het bedrag genoemd onder a wordt verhoogd met een bedrag van €
                                    50,- voor elk eerste en volgende tot zijn of haar laste komend
                                    kind.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                            aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                            verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar en de
                            gehuwdennorm van het daar aan voorafgaande jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><lijst><li nr="1)"><al>Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot de
                                uitvoering van de individuele studietoeslag en individuele
                                inkomenstoeslag. </al></li><li nr="2)"><al>De beleidsregels, zoals bedoeld in het eerste lid, geven met
                                betrekking tot de individuele studietoeslag in ieder geval aan
                                wanneer een persoon niet in staat is om met arbeid het wettelijk
                                minimumloon te verdienen, maar wel mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie heeft.</al></li><li nr="3)"><al>De beleidsregels als bedoeld in het eerste lid hebben voor de
                                individuele inkomenstoeslag in ieder geval betrekking op de
                                invulling van het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering'
                                zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                                Participatiewet.</al></li></lijst><al/><al><vet>Slotbepalingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze
                        verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of
                        onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2014 gemeente
                        Nuenen c.a. wordt ingetrokken per 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1)"><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2)"><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Inkomenstoeslag
                                en Studietoeslag 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014</al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>M.C.P. Laurenssen Msc</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.J.Houben MBA</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Individuele studietoeslag</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Deze toeslag moet worden
                    aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5 onderdeel d
                    Participatiewet). Met de studieregeling krijgen gemeenten de mogelijkheid om aan
                    mensen met een arbeidshandicap, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn
                    per gewerkt uur het minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te
                    verstrekken als ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op
                    de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand
                    gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. </al><al>Met het verstrekken van een individuele studietoeslag krijgen mensen met een
                    arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een studieregeling stimuleert mensen
                    om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen.
                    Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep
                    vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan. </al><al/><al>Een vereiste voor de individuele studietoeslag is dat een student niet in staat
                    is met arbeid het WML te verdienen. Doel van de studietoeslag is om studenten
                    met een beperking een bron van inkomsten te geven ter vervanging van inkomsten
                    uit een bijbaan. Een bijbaan is mogelijk voor studenten met een medische
                    urenbeperking die het WML per uur kunnen verdienen. Om deze reden is ervoor
                    gekozen dat mensen met alleen een medische urenbeperking niet voor een
                    studietoeslag in aanmerking komen. Verder speelt nog mee dat de huidige bepaling
                    aansluit bij de doelgroepbepaling van het instrument loonkostensubsidie. Het is
                    daarom voor gemeenten mogelijk gemaakt om, als is vastgesteld dat iemand tot de
                    doelgroep loonkostensubsidie behoort, deze vaststelling ook te gebruiken om te
                    bepalen of iemand op basis van dit vereiste in aanmerking komt voor de
                    studietoeslag. Dit zorgt ervoor dat gemeenten geen apart
                    beoordelingsinstrumentarium hoeven te ontwikkelen. Dit draagt in grote mate bij
                    aan de uitvoerbaarheid van deze studietoeslag.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De gemeenteraad dient in een verordening regels vast te stellen over het
                    verlenen van een individuele studietoeslag (artikel 8 lid 1 onderdeel c
                    Participatiewet). Deze toeslag moet worden aangemerkt als een vorm van
                    bijzondere bijstand (artikel 5 onderdeel d Participatiewet). De regels in de
                    verordening individuele studietoeslag moeten in ieder geval betrekking hebben op
                    de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag. </al><tussenkop>Vast te leggen regels in beleidsregels</tussenkop><al>In beleidsregels kan het college nadere regels stellen aan wie een individuele
                    studietoeslag kan worden verstrekt. In de beleidsregels kunnen ook groepen
                    worden uitgesloten van het recht op individuele studietoeslag. Het verlenen van
                    een individuele studietoeslag is namelijk een discretionaire bevoegdheid van het
                    college. Dit volgt uit artikel 36b lid 1 Participatiewet. </al><al>De voorwaarden dat een belanghebbende recht moet hebben op studiefinanciering of
                    een tegemoetkoming WTOS (Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
                    moet niet zodanig worden geïnterpreteerd dat belanghebbende ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het is voldoende dat
                    hij recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. Of hierop recht
                    bestaat is afhankelijk van de gekozen opleiding, de leeftijd en het inkomen van
                    een belanghebbende. </al><tussenkop>Individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. </al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>Bij verordening moeten op grond van artikel 8, tweede lid van de Participatiewet
                    regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag
                    als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder
                    geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                    begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Daarnaast moet bij verordening de
                    hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. </al><al/><al><cursief>Vast te leggen regels in beleidsregels</cursief></al><al>Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake
                    is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening. Aangezien
                    de langdurigheidstoeslag niet (meer) met terugwerkende kracht kan worden
                    toegekend, kan uitsluitend aanspraak gemaakt worden op een langdurigheidstoeslag
                    als de aanvraag vóór 1 januari 2015 is ingediend en de peildatum ook voor deze
                    datum ligt. Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een
                    datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan
                    aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen
                    voorwaarden.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al/><al>Voor de bepaling van de gezinssituatie is een vaste peildatum noodzakelijk. Dit
                    is de datum waarop de persoon de aanvraag indient.</al><al/><al>Referteperiode inkomenstoeslag: Om uitvoeringstechnische redenen is voor de
                    beoordeling van het inkomen gekozen voor een periode met hele maanden, namelijk
                    de periode van 36 hele kalendermaanden vóór de maand van aanvraag. </al><tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop><al>Door personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de
                    Participatiewet kan een verzoek om een individuele studietoeslag schriftelijk
                    worden ingediend. Op grond van artikel 36 Participatiewet kan een verzoek worden
                    ingediend om een individuele inkomenstoeslag.</al><al>Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    een individuele studietoeslag of een individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld
                    in artikel 36 respectievelijk 36b van de Participatiewet. </al><al/><al>Daarnaast zullen we voor belanghebbenden met een bijstandsuitkering de
                    inkomenstoeslag na een eerste toekenning bij ongewijzigde omstandigheden
                    jaarlijks automatisch verstrekken (zonder specifieke aanvraag).</al><tussenkop>Artikel 3 Doelgroep individuele studietoeslag</tussenkop><al>Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan een aanvraag indienen voor een individuele
                    studietoeslag. Artikel 36b lid 1 Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden van een belanghebbende - individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is op grond van de wet vereist dat belanghebbende op de datum
                    van de aanvraag: </al><lijst><li nr="a)"><al>18 jaar of ouder is; </al></li><li nr="b)"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al></li><li nr="c)"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van
                            de Participatiewet; en </al></li><li nr="d)"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met arbeid niet in staat
                            is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4. De hoogte en duur van de toeslag</tussenkop><al>In dit artikel is de hoogte van de toeslag opgenomen. Aan een persoon die
                    voldoet aan de voorwaarden voor een individuele toeslag wordt deze
                    toegekend.</al><al>De toeslag bedraagt 20% van het wettelijke minimumloon dat hoort bij de leeftijd
                    van de aanvrager.</al><al/><al>Uit het Nibudstudentenonderzoek 2011-2012 blijkt dat zeven op de tien studenten
                    een bijbaan hebben. Gemiddeld verdienen studenten – zo blijkt uit het genoemde
                    onderzoek - € 354,- per maand. Studerenden die niet in staat zijn het wettelijk
                    minimumloon ter verdienen maken minder kans op een bijbaan, omdat werkgevers
                    eerder voor iemand kiezen die wel een loonwaarde van 100% heeft. Een
                    mogelijkheid is om de individuele studietoeslag toe te kennen als een percentage
                    van het wettelijk minimumloon behorend bij de leeftijd van de aanvrager.
                    Bijvoorbeeld 20%, dat staat gelijk aan één dag per week een bijbaan. </al><al/><al>In onderstaande tabel zijn de bruto bedragen opgenomen per maand, week en dag
                    voor een volledige werkweek. </al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="39*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Bedragen minimumloon (bruto) per 1 juli 2014 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>per maand</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>per week</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>per dag</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23 jaar en ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.495,20</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 345,05</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 69,01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.270,90</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 293,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 58,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.084,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 250,15</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 50,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 919,55</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 212,20</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 42,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 785,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 181,15</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 36,23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 680,30</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 157,00</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 31,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Dat betekent dat een jongere van 18 jaar per maand (680,30 x 0,2) = € 136,06
                    ontvangt. Voor een jongere van 23 jaar of ouder gaat het om een bedrag van
                    (1.495,20 X 0,2) = € 299,04.</al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    studietoeslag voor beiden geldt. Dit betekent dat als zij afzonderlijk aan de
                    voorwaarden voldoen, zij ook afzonderlijk in aanmerking komen voor de toeslag. </al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de bedragen jaarlijks worden herberekend op
                    basis van de nieuwe wettelijk minimumlonen.</al><tussenkop>Artikel 5 Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Het begrip ‘langdurig laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat gemiddeld
                    niet hoger is dan 100% van de bijstandsnorm. Marginale overschrijdingen van deze
                    100%-grens dienen genegeerd te worden (zie CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163
                    WWB).</al><al/><al>Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook toe
                    kennen bij een inkomen boven bijstandsniveau. Van deze bevoegdheid wordt om een
                    tweetal redenen geen gebruik gemaakt. Ten eerste omdat dit ongewenste
                    armoedeval-effecten in zich heeft. Weliswaar doen de armoede-effecten zich ook
                    voor bij de grens van 100% van de bijstandsnorm, maar zullen belanghebbenden die
                    uitstromen doorgaans een dermate hoger inkomen ontvangen, dat het verlies van de
                    langdurigheidstoeslag feitelijk minder wordt gevoeld. Ten tweede omdat het in
                    aanmerking laten komen van belanghebbenden met een inkomen van bijvoorbeeld 110%
                    van de bijstand niet valt te rijmen met de wettelijke uitsluiting van
                    belanghebbenden ouder dan de AOW-leeftijd<cursief>.</cursief> Zij zijn immers
                    uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al
                    voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot de
                        AOW-leeftijd<cursief>. </cursief>Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot
                    9 % (precieze percentage is afhankelijk van de vraag of iemand een
                    alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde is). Het hanteren van een grens
                    van 110% zou daarom maken dat de uitsluiting van AOW-gerechtigden in dat geval
                    strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie zoals dat is vastgelegd in
                    artikel 26 van Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. </al><al/><al>De referteperiode is een periode van 36 hele kalendermaanden voorafgaand aan de
                    maand waarin een toeslag wordt aangevraagd.</al><tussenkop>Artikel 6 Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande en gehuwden. De norm voor de alleenstaande ouder komt
                    straks niet meer voor. </al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag<sup>1</sup>.</al><al/><al><sup>1. CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529.</sup></al><al/><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande zou gelden. </al><al/><al><cursief>Verhoging voor kinderen</cursief></al><al>Indien er sprake is van ten laste komende kinderen, dan drukt het langdurig
                    hebben van een laag inkomen extra zwaar op de mogelijkheden om te reserveren.
                    Niet alleen drukken de kosten van kinderen zwaar op het gezinsbudget, óók de
                    mogelijkheden om te reserveren voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen
                    voor kinderen staat dan onder druk, temeer daar juist bij kinderen vervanging op
                    basis van groei, studiekeuze e.d. vaker nodig is. Om die reden wordt de toeslag
                    verhoogd met een bedrag per kind dat ten laste komt van de onderhoudende
                    ouder.</al><al/><al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag is gebaseerd op de huidige hoogte. Om
                    niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.</al><tussenkop>Artikel 7 Beleidsregels</tussenkop><al>Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot de uitvoering van deze
                    verordening. Hierin worden ten minste twee aspecten beschreven: Ten eerste wordt
                    met betrekking tot de individuele studietoeslag beschreven wanneer een persoon
                    niet in staat is om met arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen maar wel
                    mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. Het tweede onderdeel betreft de
                    individuele inkomenstoeslag. Het college legt in beleidsregels o.a. vast op
                    welke wijze rekening wordt gehouden met de “de krachten en bekwaamheden van de
                    persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                    inkomensverbetering te komen’ en hoe met het begrip “zicht op
                    inkomensverbetering” wordt omgegaan.</al><tussenkop>Slotbepalingen</tussenkop><al>De artikelen 8, 9 en 10 behoeven geen nadere toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>