<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354296_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselbode, 20 januari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Montfoort,</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23
                        september 2014 en kennis genomen van het advies van de Participatieraad van
                        9 september 2014; </al><al/><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid,
                        2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij
                        dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en
                        zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                        mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van
                        algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of
                        psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben
                        verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg
                        van huiselijk geweld, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving te</al><al> ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij niet op eigen
                        kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale
                        netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of
                        gedeeltelijk kunnen voorzien;</al><al/><al>Overwegende dat het noodzakelijk is de toegankelijkheid van voorzieningen en
                        diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee
                        bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning;</al><al/><al>besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Montfoort 2015. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>aanvraag</cursief>: het schriftelijk verzoek om één of
                                    meer maatwerkvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al><cursief>algemeen gebruikelijke voorziening: </cursief>een
                                    voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is
                                    dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou
                                    (hebben kunnen) beschikken;</al></li><li nr="c."><al><cursief>algemene voorziening: </cursief>aanbod van diensten of
                                    activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de
                                    behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                                    toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke
                                        ondersteuning<cursief>;</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>besluit: </cursief>Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Montfoort;</al></li><li nr="e."><al><cursief>bijdrage in de kosten: </cursief>bijdrage als bedoeld
                                    in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>cliënt: </cursief>een persoon die op grond van een
                                    beperking, een psychisch of een psychosociaal probleem in
                                    aanmerking komt voor en gebruik maakt van maatschappelijke
                                    ondersteuning;</al></li><li nr="g."><al><cursief>dagbesteding: </cursief>een zinvolle besteding van de
                                    dag voor cliënten met beperkingen, psychischeof psychosociale
                                    problemen;</al></li><li nr="h."><al><cursief>gemeenschappelijke ruimte: </cursief>ruimte in een
                                    woongebouw die voor alle bewoners toegankelijk is;</al></li><li nr="i."><al><cursief>gesprek: </cursief>het eerste contact na een melding
                                    waarin met de cliënt wordt geïnventariseerd welkebeperkingen
                                    belemmerend werken en of er psychische of psychosociale
                                    problemen zijn op het gebied van zelfredzaamheid en
                                    participatie;</al></li><li nr="j."><al><cursief>hoofdverblijf: </cursief>de woonruimte, bestemd en
                                    geschikt voor permanente bewoning, waar de cliëntzijn vaste
                                    woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres hij in de
                                    gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat. Indien de
                                    cliënt met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie
                                    ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres;</al></li><li nr="k."><al><cursief>huisgenoot: </cursief>personen met wie cliënt een
                                    duurzaam huishouden voert;</al></li><li nr="l."><al><cursief>hulpvraag: </cursief>de kenbaar gemaakte behoefte aan
                                    maatschappelijke ondersteuning als bedoeld inartikel 2.3.2,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="m."><al><cursief>ingezetene: </cursief>cliënt die hoofdverblijf heeft in
                                    de gemeente Montfoort;</al></li><li nr="n."><al><cursief>leefeenheid: </cursief>een eenheid bestaande uit
                                    samenwonende personen die al dan niet samen metéén of meer
                                    ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden voeren,
                                    dan wel uit een meerderjarige ongehuwde persoon die met één of
                                    meer ongehuwde minderjarige personen duurzaam een huishouden
                                    voert;</al></li><li nr="o."><al><cursief>maatwerkvoorziening:</cursief>op de
                                    behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van eenpersoon
                                    afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen
                                    en andere maatregelen:</al><lijst><li nr="1."><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen
                                            kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van
                                            de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer,
                                            alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                            maatregelen,</al></li><li nr="2."><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het
                                            daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen,
                                            woningaanpassingen en andere maatregelen, </al></li><li nr="3."><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst></li><li nr="p."><al><cursief>melding: </cursief>kenbaar maken van de hulpvraag aan
                                    het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de
                                    wet;</al></li><li nr="q."><al><cursief>onverwijld: </cursief>zo spoedig mogelijk, doch in
                                    ieder geval binnen drie werkdagen;</al></li><li nr="r."><al><cursief>persoonlijk plan: </cursief>plan waarin de cliënt zijn
                                    behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren kenbaar maakt,
                                    rekening houdend met de eigen kracht, de inzet en hulp van
                                    mantelzorger(s) en personen uit zijn sociaal netwerk, en de
                                    omstandigheden bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen
                                    a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke
                                    maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="s."><al><cursief>uitvoeringsbesluit: </cursief>Uitvoeringsbesluit Wmo
                                    2015;</al></li><li nr="t."><al><cursief>voorliggende</cursief><cursief>voorziening:
                                    </cursief>elke voorziening op grond van andere wet- en
                                    regelgeving dan de Wmo 2015 waarop de cliënt aanspraak kan maken
                                    of een beroep kan doen ter ondersteuning van de beperkingen</al></li><li nr="u."><al><cursief>wet: </cursief>Wet maatschappelijke ondersteuning
                                    2015;</al></li><li nr="v."><al><cursief>woonvoorziening: </cursief>elke voorziening die verband
                                    houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of
                                    verminderen van beperkingen die een cliënt bij het normale
                                    gebruik van zijn woonruimte ondervindt</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>Melding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het
                                    college worden gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk
                                    of elektronisch.</al></li><li nr="3."><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de
                                    wet, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang
                                    noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de
                                    veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, treft het college na
                                    de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in
                                    afwachting van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in
                                    artikel 6 van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze
                                    cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt het
                                    uitgangspunt is.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het
                                    onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis
                                    cliëntondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Persoonlijk plan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het
                                    indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven
                                    dagen na de melding in de gelegenheid het plan te
                                    overhandigen.</al></li><li nr="2."><al>Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als
                                    bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatie en identificatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college
                                    de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en
                                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al></li><li nr="2."><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de
                                    identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
                                    gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor
                                    zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn
                                    familie.</al></li><li nr="2."><al>Indien de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in
                                    overleg met de cliënt afzien van het gesprek.</al></li><li nr="3."><al>De onderwerpen, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet
                                    maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de
                                    basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. </al></li><li nr="4."><al>Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens
                                    vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld
                                    welke mogelijkheden bestaan om, in het geval hij in aanmerking
                                    komt voor een maatwerkvoorziening, te kiezen voor een
                                    persoonsgebonden budget en wat de gevolgen van die keuze zijn.
                                </al></li><li nr="5."><al>Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de
                                    mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 8 in te
                                    dienen. </al></li><li nr="6."><al>Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger
                                    een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek,
                                    waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in het eerste
                                    lid en indien aanwezig het persoonlijk plan. </al></li><li nr="7."><al>Het college betrekt bij het verslag ook de behoefte aan
                                    maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. </al></li><li nr="8."><al>Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een
                                    maatwerkvoorziening, wordt dit opgenomen in het verslag van het
                                    gesprek. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Advisering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is
                                    ingediend of bij gebruikelijke hulp diens huisgenoten:.</al><lijst><li nr="a."><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                            college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                            bevragen. </al></li><li nr="b."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                                            door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                            bevragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                    om advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die
                                            niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie
                                            niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is
                                            gevoerd.</al></li><li nr="b."><al>Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die
                                            wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek
                                            zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan
                                            de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat
                                            die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een
                                            voorziening of de soort van voorziening kunnen
                                            beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>Het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                    nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                                    uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.
                                </al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                    cliënt schriftelijk of elektronisch bij het college worden
                                    ingediend. </al></li><li nr="3."><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening,
                                    verstrekt het college indien dit bij het onderzoek niet heeft
                                    plaatsgevonden, desgevraagd terstond een document als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></li><li nr="4."><al>Een ondertekend verslag van het gesprek kan, indien de cliënt
                                    dit wenst, worden beschouwd als aanvraag, mits voorzien van de
                                    NAW-gegevens van de cliënt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Criteria voor maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen, chronische
                                            psychische of psychosociale problemen, als gevolg
                                            waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot
                                            zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt
                                            deze beperkingen naar het oordeel van het college niet
                                            kan verminderen of wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al> met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al> met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                                  netwerk;</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                                                  voorzieningen; of</al></li><li nr="vi."><al>met gebruikmaking van voorliggende of algemene
                                                  voorzieningen. </al><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend
                                                  met de uitkomsten van het in het voorgaande
                                                  hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                                                  bijdrage aan het realiseren van een situatie
                                                  waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                                                  zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                                                  mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven,
                                                  en/of</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>ter ter compensatie van de problemen bij het zich
                                            handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische
                                            of psychosociale problemen en de cliënt die de
                                            thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met
                                            risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk
                                            geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het
                                            oordeel van het college niet kan verminderen of
                                            wegnemen</al><lijst><li nr="i."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="ii."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="iii."><al>met mantelzorg;</al></li><li nr="iv."><al>met hulp van andere personen uit zijn sociale
                                                  netwerk; of</al></li><li nr="v."><al>met gebruikmaking van voorliggende of algemene
                                                  voorzieningen. </al><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend
                                                  met de uitkomsten van het in het voorgaande
                                                  hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende
                                                  bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de
                                                  cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het
                                                  realiseren van een situatie waarin de cliënt in
                                                  staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op
                                                  eigen kracht te handhaven in de samenleving.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende
                                        voorziening;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                                        hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit
                                        zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                        voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                        gebruikelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de
                                        melding en vóór datum van de aanvraag of het besluit heeft
                                        gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor
                                        schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak
                                        achteraf nog kan worden vastgesteld;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening
                                        die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                        wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken
                                        is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel
                                        of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="g."><al>indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg
                                        van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt
                                        liggen;</al></li><li nr="h."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="i."><al>indien de voorziening voorzienbaar was, tenzij van de cliënt
                                        redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te
                                        hebben getroffen waardoor de hulpvraag overbodig zou zijn
                                        geworden;</al></li><li nr="j."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="k."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                        Montfoort;</al></li><li nr="l."><al>als deze niet als goedkoopst compenserende voorziening wordt
                                        aangemerkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de kosten van het betrekken van diensten,
                                        hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van
                                        derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening
                                        of;</al></li><li nr="b."><al>indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan
                                        artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d en e van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in
                                        de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                        kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen
                                        en gehuurde kamers;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                        betreft, zoals trapliften, automatische deuropeners,
                                        hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke
                                        toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders
                                        of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur
                                        van de gemeenschappelijke ruimte;</al></li><li nr="d."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                        geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                        zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                        voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                        daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door
                                        het college;</al></li><li nr="f."><al>voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die
                                        specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen
                                        en die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige
                                        meerkosten meegenomen kunnen worden;</al></li><li nr="g."><al>als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het
                                        gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt
                                        ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te
                                        brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen
                                        worden gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening geldt het primaat
                                van de collectieve voorziening, zoals het collectief vervoer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van
                                de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich
                                verplaatsen in de woning geldt het primaat van verhuizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening,
                                wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als
                                persoonsgebonden budget wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt
                                de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>de ingangsdatum en duur van de verstrekking;</al></li><li nr="c."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening;</al></li><li nr="d."><al>onder welke voorwaarden de maatwerkvoorziening verstrekt
                                        wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van
                                persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden
                                        besteed;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit
                                        tot stand is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarop
                                        het persoonsgebonden budget ziet;</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget, en</al></li><li nr="f."><al>of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij
                                        door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de
                                        kostprijs van de voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt
                                bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de
                                in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in
                                natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover dit geen onderdeel is van het persoonsgebonden budget,
                                kan het bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en
                                verzekering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is
                                opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris,
                                vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt in het Besluit onder welke voorwaarden
                                betreffende het tarief, een cliënt aan wie een persoonsgebonden
                                budget wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten,
                                hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken
                                van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de cliënt van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken,
                                motiveert hij in het persoonlijk budgetplan waarin de hulp vanuit
                                het sociaal netwerk de gebruikelijke hulp overstijgt, en hoe de hulp
                                uit het sociaal netwerk bijdraagt aan het bereiken van het
                                resultaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden
                                na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat
                                waarvoor het is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte
                                van het persoonsgebonden budget. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college laat onderzoeken, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van
                                het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking
                                tot de controle op de besteding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, beëindiging, herziening en
                                intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of
                                persoonsgebonden budget. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening of een
                                persoonsgebonden budget beëindigen als het college vaststelt
                                dat:</al><lijst><li nr="a."><al>een cliënt die een maatwerkvoorziening of een
                                        persoonsgebonden budget ontvangt, komt te overlijden;</al></li><li nr="b."><al>een cliënt die een maatwerkvoorziening of een
                                        persoonsgebonden budget ontvangt niet langer tot de
                                        doelgroep van de wet behoort;</al></li><li nr="c."><al>een cliënt die een maatwerkvoorziening of een
                                        persoonsgebonden budget ontvangt, verhuist naar een andere
                                        gemeente;</al></li><li nr="d."><al>een cliënt die een maatwerkvoorziening of een
                                        persoonsgebonden budget ontvangt, een beroep kan doen op een
                                        voorziening op grond van een andere wettelijke
                                        bepaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of een
                                persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken als het college
                                vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>een cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>een cliënt niet langer op een maatwerkvoorziening of een
                                        persoonsgebonden budget is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget niet
                                        meer toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>een cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden;</al></li><li nr="e."><al>een cliënt een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden
                                        budget niet of voor een ander doel gebruikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan
                                worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen
                                zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                                de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van geleverde
                                zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van de
                                persoonsgebonden budgetten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van artikel 14 derde lid,
                                onder a, d en e geheel of gedeeltelijk heeft ingetrokken of ten
                                nadele van de cliënt heeft herzien, kan het college van de cliënt
                                geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte
                                genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                                persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening
                                is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening worden teruggevorderd
                                op basis van omstandigheden als bedoeld in artikel 14, derde lid,
                                onder a, d en e.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening
                                is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening worden teruggevorderd
                                op basis van omstandigheden als bedoeld in artikel 14, derde lid,
                                onder a, d en e. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een
                                        persoonsgebonden budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt
                                bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>door een aanbesteding;</al></li><li nr="b."><al>door een convenant;</al></li><li nr="c.."><al>na een consultatie in de markt; of</al></li><li nr="d."><al>in overleg met de aanbieder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                verstrekte bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten
                                zijn gelijk aan de bedragen en percentages opgenomen in het
                                uitvoeringsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een
                                minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                        tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage
                                verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn
                                ontheven of ontzet.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college bepaalt in het Besluit:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        een persoonsgebonden budget wordt bepaald;</al></li><li nr="b."><al>voor welke algemene voorzieningen de cliënt een eigen
                                        bijdrage is verschuldigd;</al></li><li nr="c."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van de eigen
                                        bijdrage is;</al></li><li nr="d."><al>voor welke groep personen een korting geldt voor de eigen
                                        bijdrage in de kosten van de algemene voorziening;</al></li><li nr="d."><al>voor welke maatwerkvoorzieningen geen eigen bijdrage
                                        verschuldigd is;</al></li><li nr="e."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen als
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet, de eigen
                                        bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden
                                        budget worden vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de
                                kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                zij hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot
                                        de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg; en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                zij hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="i."><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al></li><li nr="ii."><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="iii."><al>onderhoud van de voorziening; en</al></li><li nr="iv."><al>verplichte deelname in bepaalde
                                        samenwerkingsverbanden.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudende ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten beperking of chronische
                                problemen</titel></kop><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan op aanvraag aan
                            personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale
                            problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben,
                            een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid
                            en de participatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                afhandeling van klachten van cliënten over gedragingen van
                                aanbieders (en hun medewerkers) ten aanzien van voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de
                                medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de
                                aanbieder aangaande maatwerkvoorzieningen die voor de cliënten van
                                belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, en de Participatieraad van
                                de gemeente Montfoort bij de voorbereiding van het beleid
                                betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen van de gemeente en de Participatieraad
                                van de gemeente Montfoort vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                                voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                                advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                                beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                                voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                                vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen van de gemeente en (een
                                afvaardiging) van de Participatieraad van de gemeente Montfoort
                                kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor
                                de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor
                                een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en
                                ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit nadere regels vast ter uitvoering
                                van het tweede en derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8:</nr><titel>Overgangsrecht en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het college gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wordt de
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na twee jaar na
                            inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de
                            doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Besluit en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit stellen over de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing
                                van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                                leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening voorzieningen Wmo gemeente Montfoort 2012 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Montfoort 2012 totdat
                                het college een nieuw besluit heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen Wmo
                                gemeente Montfoort 2012 en waarop nog niet is beslist bij het in
                                werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de
                                Verordening voorzieningen Wmo gemeente Montfoort 2012, geschieden op
                                grond van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Montfoort 2012
                                die ten aanzien van de betreffende zaken hun rechtskracht
                                behouden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden
                                afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening
                                    Maatschappelijke ondersteuning gemeente Montfoort 2015’.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de
                        gemeente Montfoort, gehoudenop 27 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Montfoort 2015</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 1: Begrippen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Ad a. aanvraag</al><al>Nadat de cliënt een hulpvraag bij het college heeft kenbaar gemaakt, zal het
                    college onderzoek verrichten. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek, die
                    aan de cliënt schriftelijk worden verstrekt, kan de cliënt zo nodig een aanvraag
                    voor een maatwerkvoorziening indienen. </al><al/><al>Ad b. algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan het gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten
                    dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al><al/></li></lijst><al>Ad c. algemene voorziening</al><al>Deze definitie is in de wet uitgelegd.</al><al>Ad d. besluit</al><al>Het betreft het geldende Besluit maatschappelijke ondersteuning Montfoort,
                    waarin het college nadere regels stelt ten aanzien van de artikelen waarin dat
                    in deze verordening wordt aangegeven.</al><al/><al>Ad e. bijdrage in de kosten</al><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een
                    bijdrage in de kosten. Cliёnten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente
                    daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een
                    maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het
                    vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn bij Algemene
                    Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld.
                    Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij
                    delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de
                    eigen bijdrage. </al><al>Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliёnt in de
                    kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan,
                    anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.</al><al/><al>Ad f. cliënt</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad g. dagbesteding </al><al>De dagbesteding betreft een maatwerkvoorziening. </al><al/><al>Ad h. gemeenschappelijke ruimte</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad i. gesprek </al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad j. hoofdverblijf </al><al>Nergens in de wet is bepaald wat een “hoofdverblijf” inhoudt. Bij twijfel kan de
                    plaats waar per jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als
                    de plaats waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als
                    iemand meerdere plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt
                    doorgebracht. </al><al/><al>Ad k. huisgenoot </al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad l. hulpvraag</al><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan
                    maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat
                    allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de
                    betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand
                    duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig
                    onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is in dat geval
                    noodzakelijk.</al><al/><al>Ad m. ingezetene</al><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor
                    een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel
                    1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang
                    in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland
                    zijn, maar niet per se van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat
                    een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college
                    van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de
                    jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het
                    gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp
                    belangrijk is maar niet doorslaggevend. </al><al/><al>Ad n. leefeenheid </al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad o. maatwerkvoorziening</al><al>Deze definitie is in de wet uitgelegd.</al><al/><al>Ad p. melding</al><al>Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden
                    maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding
                    zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek
                    (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen een informatievraag heeft,
                    bijvoorbeeld ten aanzien van de beschikbaarheid van voorzieningen of kenbaar
                    maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen
                    aanleiding om een onderzoek in te stellen. Indien de vraag van de cliënt
                    schriftelijk, telefonisch of in persoon direct genoegzaam kan worden beantwoord,
                    is er geen sprake van een melding als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van
                    de wet. </al><al/><al>Ad q. onverwijld</al><al>De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.
                    Het ligt altijd aan de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet
                    worden verstaan. Het is echter ook van belang voor de cliënt dat hij een indruk
                    heeft waar hij vanuit kan gaan.</al><al/><al>Ad r. persoonlijk plan</al><al>In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk -
                    de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van
                    de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst,
                    beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot
                    en met e Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent
                    voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan
                    overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm
                    wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen
                    zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen,
                    wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in
                    de Wmo versterkt.</al><al/><al>Ad s. uitvoeringsbesluit </al><al>Het hier bedoelde uitvoeringsbesluit betreft het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015,
                    waarin de regering op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet bij Algemene
                    Maatregel van Bestuur nadere regels heeft gesteld.</al><al/><al>Ad t. voorliggende voorziening</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad. u. wet</al><al>Deze definitie spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad v. woonvoorziening</al><al>Het betreft de voorzieningen die in en aan de woning worden geleverd of
                    aangebracht. Te denken valt aan aanpassingen aan de toegang van het huis, een
                    traplift en dergelijke. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Melding</tussenkop><al>De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning,
                    de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet
                    gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch
                    worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het
                    sociale wijkteam. In het eerste lid van artikel 2 is nog eens benadrukt dat de
                    melding het middel is van een cliënt om zijn hulpvraag bij het college neer te
                    leggen en dat deze vormvrij is. De melding kan door of namens de cliënt worden
                    gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als
                    vertegenwoordiger kan optreden. </al><al>In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de
                    ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet.
                    Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van
                    de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging
                    van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. De gemeente kan hier wel voor
                    kiezen in verband met de registratie en zorgvuldigheid. Derhalve is de
                    schriftelijke bevestiging als optie opgenomen in het artikel.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de
                    artikelen 2.2.4, lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de wet. Met name het
                    wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan
                    innemen in de procedure na de melding. In het kader van de volledigheid is het
                    dan ook hier als optionele bepaling opgenomen. </al><al>Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de wet. De
                    cliëntondersteuning moet gratis zijn en er kan dan ook geen bijdrage in de
                    kosten voor worden gevraagd. </al><al/><tussenkop>Artikel 4. Persoonlijk plan</tussenkop><al>De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden, zijn ook opgenomen
                    in artikel 2.3.2 van de wet. Omdat het een specifieke plaats inneemt in de
                    volgorde van de procedure, is het hier op de plaats in de procedure nogmaals
                    ingevoegd. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een
                    amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). Doordat de cliënt voorafgaand aan het
                    onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college
                    direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn
                    persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te
                    participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Informatie en identificatie</tussenkop><al>Ook voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen al voortvloeien uit de wet,
                    concreet de artikelen 2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Analoog aan artikel 4:2 Awb,
                    dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige
                    gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 4 geregeld dat de cliënt
                    daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van
                    Toelichting op artikel 2.3.4. lid 1 Wmo is beschreven welke documenten onder
                    artikel 1 Wet op de identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in lid 2 van
                    artikel 4. </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Onderzoek</tussenkop><al>Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2
                    lid 4 de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt
                    in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat
                    persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 6 wordt
                    benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het
                    stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij
                    betrokken wordt. In lid 6 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een
                    verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van hetgeen
                    besproken is. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Advisering</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de
                    degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een
                    aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te
                    verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                    en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen
                    deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de
                    beoordeling van de aanspraak op een voorziening. </al><al>Afdeling 3:3 van de Awb, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen
                    over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Awb geeft aan dat in deze afdeling
                    onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens
                    wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te
                    nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat
                    bestuursorgaan. </al><al>In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal
                    in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het
                    college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet
                    advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur
                    is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties
                    hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. </al><al/><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><al>In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt artikel 6 in lid 1 de
                    wet: de aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken
                    van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, lid 1 van de wet maakt duidelijk dat de
                    aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot
                    tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. De
                    elektronische aanvraag is als optie opgenomen, omdat het college op grond van
                    artikel 2:15 lid 1 Awb kenbaar moet maken dat deze weg is geopend. In lid 4 is
                    bepaald dat ook een ondertekend verslag als aanvraag kan dienen. Met dit artikel
                    wordt ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in artikel 2.1.3, eerste lid en
                    tweede lid, onder a van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij
                    verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een
                    cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                    beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de
                    eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het
                    sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. </al><al>In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt
                    aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                    aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per
                    gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente
                    anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente
                    gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening
                    limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.
                    De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in
                    detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in
                    de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013,
                    nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te
                    zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime
                    afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te
                    bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de
                    verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is
                    aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in
                    aanmerking kan komen. </al><al/><al>In het eerste lid:</al><al>Ad. a</al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de
                    Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben
                    met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen.
                    Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
                    aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond
                    van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening
                    toegekend. </al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011,
                    nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk
                    moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een
                    voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien
                    vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr.
                    09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                    slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een
                    voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan
                    niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. </al><al/><al>Het is niet duidelijk hoe de rechter zal oordelen over deze
                    verordeningsbepaling. Om die reden is de bepaling als optioneel bestempeld. </al><al/><al>Ad. b</al><al>Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet
                    centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als
                    afwijzingsgrond. </al><al/><al>Ad. c</al><al>Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening.
                    Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is
                    hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. </al><al/><al>Ad. d</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al/><al>Ad. e</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat
                    deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan
                    geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te
                    verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan
                    in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt
                    voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet
                    overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening
                    beschouwt. </al><al/><al>Ad. f</al><al>In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                    bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien
                    de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een
                    cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken
                    of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te
                    verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt
                    te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende
                    verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden
                    gedaan.</al><al/><al>Ad. g</al><al>Deze grond spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad. h</al><al>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet
                    om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en
                    algemene voorzieningen geschikte instrumenten. </al><al/><al>Ad. i</al><al>Deze grond speelt bijvoorbeeld een rol in de situatie dat iemand bij een
                    verhuizing rekening moet houden met de geschiktheid van de woning gelet op de
                    beperkingen. </al><al/><al>Ad. j</al><al>Deze grond spreekt voor zich.</al><al/><al>Ad. k</al><al>Deze grond spreekt voor zich. </al><al/><al>Ad. l</al><al>Deze grond houdt in dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende
                    voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                    verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de
                    meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het
                    begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend.
                    Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                    wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het
                    prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend
                    geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.</al><al/><al>In het tweede lid zijn afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op het
                    persoonsgebonden budget. </al><al/><al>In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op
                    een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de
                    term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden. </al><al/><al>In het vierde lid heeft het primaat van collectief vervoer een grondslag
                    gekregen. </al><tussenkop>Artikel 11. Beschikking</tussenkop><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                    krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor
                    is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit
                    artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking
                    moeten worden opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 12. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting voor het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al/><al>In de volgende leden wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                    b, van de wet. Op grond van artikel 2.3.5. is het college gehouden een tarief
                    voor een pgb vast te stellen dat redelijkerwijs noodzakelijk is te achten om de
                    cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie. De kostprijs van
                    de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura wordt
                    als uitgangssituatie genomen. Bij een materiële verstrekking wordt het pgb
                    afgestemd op de kostprijs van de verstrekking als deze in natura zou zijn
                    verstrekt. Het pgb wordt afgestemd op de technische afschrijvingsduur van een
                    naturaverstrekking als de pgb-houder een tweedehands artikel aanschaft. Het op
                    de kostprijs gebaseerde pgb is toereikend voor de aanschaf en kan indien nodig
                    aangevuld worden met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. </al><al/><al>De maximale hoogte van het pgb tarief voor een dienst wordt begrensd op de
                    kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura, dit percentage is ontleend aan
                    de gemiddelde hoogte van pgb’s. Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg
                    in natura, omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. In de
                    memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is
                    vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn
                    dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het
                    verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de
                    mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb.
                    Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van
                    ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij
                    het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning
                    die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken
                    volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals
                    werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). De pgb-bedragen worden jaarlijks
                    opnieuw vastgesteld via het Besluit maatschappelijke ondersteuning van de
                    gemeente Montfoort.</al><al/><al>Op grond van het bovenstaande uitgangspunt kan een aanvraag voor een pgb
                    geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van
                    de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De
                    situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van
                    het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel
                    geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de
                    door hen gewenste aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde
                    aanbod. Het college weigert dan het pgb voor dat gedeelte dat duurder is dan het
                    door het college voorgestelde aanbod. Deze situaties kunnen zich voordoen
                    doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen goedkoper zal
                    kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. </al><al/><al>Ten aanzien van het vierde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat mantelzorgers onder het sociale netwerk kunnen vallen. Om te
                    voorkomen dat het verstrekken van pgb aan het sociaal netwerk een aanzuigende
                    werking veroorzaakt is de regering van mening dat de beloning van het sociale
                    netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de
                    gebruikelijke hulp (zie toelichting op artikel 5, lid 1 onder c) overstijgt en
                    dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar
                    doelmatiger is. De beoordeling van persoonlijk budgetplan zal ook bij de
                    beoordeling van de inzet van de hulp uit het sociale netwerk als instrument
                    dienen. In het persoonlijk budgetplan zal bij inzet van de hulp uit het sociale
                    netwerk, naast de eerder in de toelichting genoemde onderdelen van het
                    persoonlijk budgetplan, een extra motiveringseis worden meegenomen waarbij de
                    cliënt aangeeft waarin de gebruikelijke hulp wordt overstegen en hoe de hulp uit
                    het sociale netwerk bijdraagt aan het bereiken van het resultaat. </al><al/><al>Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt
                    hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers
                    bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt
                    aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt
                    indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig,
                    doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder
                    c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel
                    2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten,
                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt
                    zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel
                    2.3.6, derde lid, van de wet). </al><al/><al>In het zesde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding
                    van het persoonsgebonden budget. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de
                    situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. </al><tussenkop>Artikel 13. Controle</tussenkop><al>Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid dienen in de verordening regels te worden
                    gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen
                    of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert/laat
                    uitvoeren naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze
                    wet. </al><tussenkop>Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, beëindiging, herziening en
                    intrekking</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht als bedoeld in
                    artikel 2.1.3, vierde lid van de wet. Een besluit op grond van deze verordening
                    kan onder bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk worden herzien of
                    ingetrokken. Dit artikel biedt de basis voor het geheel of gedeeltelijk
                    intrekken dan wel herzien van het genomen besluit. In het tweede lid van dit
                    artikel is bepaald onder welke omstandigheden een voorziening kan worden
                    beëindigd. </al><tussenkop>Artikel 15. Terugvordering</tussenkop><al>Indien achteraf blijkt dat een voorziening ten onrechte is betaald of geleverd,
                    kan het college de betaling of de levering terugvorderen. Het besluit tot
                    intrekking of herziening van het recht op een voorziening en de daaraan
                    gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel zoals
                    bijvoorbeeld in de Wet Wek en Bijstand het geval is. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling als bedoeld in
                    artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek. Aan de gerechtelijke procedure zijn
                    kosten verbonden met name in de gevallen waarin de vordering hoger is dan €
                    5.000,-. In dat geval is een procedure met procureurstelling bij de rechtbank
                    noodzakelijk. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij
                    de rechtbank sector kanton worden gevolgd zonder verplichte procureurstelling.
                    Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht als bedoeld in
                    artikel 2.1.3, vierde lid van de wet. </al><tussenkop>Artikel 16. Bijdrage in de kosten</tussenkop><al>De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor
                    maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    alsmede voor algemene voorzieningen. In het tweede lid is het uitgangspunt
                    benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen:
                    de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In het derde en vierde lid is
                    uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. In het vijfde lid zijn de bedragen
                    en percentages van het uitvoeringsbesluit van overeenkomstige toepassing
                    verklaard. In lid 6 en lid 7 is de mogelijkheid van artikel 2.1.5, om de
                    bijdrage ook aan de ouders van minderjarige cliënten op te leggen, benut. In het
                    achtste lid is onder andere bepaald dat in het Besluit wordt uitgewerkt welke
                    groep personen korting krijgen op de eigen bijdrage in de kosten van algemene
                    voorzieningen en welke instantie de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening
                    in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget vaststelt en int. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al/><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al/><al>In het eerste lid is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 19. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudende
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming
                    meerkosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al/><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                    chronisch probleem</tussenkop><al>In artikel 2.1.7 van de wet is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald
                    dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of
                    psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten
                    hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de
                    zelfredzaamheid en de participatie.</al><al>De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een
                    dergelijke aanvraag is een beschikking.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak</tussenkop><tussenkop>Artikel 22. Klachtregeling</tussenkop><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de
                    verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een
                    regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder
                    is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de
                    wet).</al><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al/><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot klachtafhandeling door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd</al><tussenkop>Artikel 23. Medezeggenschap </tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien
                    van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over
                    voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn,
                    vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 25. Evaluatie</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 26. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
                    Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule
                    vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid
                    terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar
                    de Wmo, zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4. In dit artikel is het
                    overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk
                    gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft
                    plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die
                    nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening
                    beoordeeld zullen worden. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben,
                    is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als
                    dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt
                    gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is
                    geweest en zijn rechtspositie door het tijdverloop wordt aangetast. De zelfde
                    regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid. </al><tussenkop>Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de
                    verordening dient te worden aangehaald. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>