<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354077_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 13-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-3222.html">artikel 35 IOAW, artikel 35 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-10-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Delft;</al><lijst><li nr="-"><al>heeft het voorstel gelezen van het college van burgemeester en
                                wethouders van Delft van 14-10-2014; </al></li><li nr="-"><al>houdt rekening met artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en
                                artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); </al></li></lijst><al>Op basis hiervan besluit de Raad:</al><lijst><li nr="o"><al>de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2015 vast te stellen, </al></li><li nr="o"><al>en tegelijk in te trekken de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ
                                2013.</al></li></lijst><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>IOAW:</cursief> de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                    (IOAW);</al></li><li nr="b."><al><cursief>IOAZ:</cursief> de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                    (IOAZ):</al></li><li nr="c."><al><cursief>het college</cursief>: het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Delft;</al></li><li nr="d."><al><cursief>uitkering:</cursief> de uitkering op grond van de IOAW
                                    of IOAZ;</al></li><li nr="e."><al><cursief>maatregel</cursief>: het verlagen van de uitkering op
                                    grond van artikel 20, tweede lid van de IOAW of artikel 20,
                                    tweede lid van de IOAZ dan wel het weigeren van de uitkering
                                    zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20,
                                    eerste lid IOAZ; </al></li><li nr="f."><al><cursief>arbeidsinschakeling:</cursief> het verkrijgen van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 34 van de
                                    IOAW of artikel 34 van de IOAZ;</al></li><li nr="g."><al><cursief>sociale activering</cursief>: het verrichten van
                                    onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                    mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="h."><al><cursief>tegenprestatie</cursief>: in opdracht van het college
                                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten
                                    zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW
                                    en artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAZ. De
                                    tegenprestatie is niet gericht op deelname op de arbeidsmarkt
                                    (arbeidsinschakeling). </al></li><li nr="i."><al><cursief>activerings</cursief><cursief>periode</cursief>:
                                    periode van 4 weken na een melding om een uitkering waarbij het
                                    college een aantal specifieke verplichtingen oplegt gericht op
                                    een zo snel mogelijke werkaanvaarding en/of het bevorderen van
                                    de participatie. </al></li><li nr="j."><al><cursief>grondslag:</cursief> de grondslag (de hoogte van de
                                    uitkering) bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de
                                    IOAZ.</al></li><li nr="k."><al><cursief>belanghebbende:</cursief> de persoon die rechtstreeks
                                    in zijn belang is getroffen door de maatregelverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt een maatregel op indien de belanghebbende een
                                    verplichting schendt zoals bedoeld in de artikelen 13, vierde
                                    lid, 20, 37 en 38, twaalfde lid van de IOAW en de IOAZ.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college stemt de maatregel af op de ernst van de gedraging,
                                    de mate waarin dit de belanghebbende kan worden verweten en de
                                    omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt
                                    aan maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de
                                    zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden.</al></li><li nr="4."><al>Het college legt ook een maatregel op indien de belanghebbende
                                    zich zeer ernstig misdraagt tegen het college of met de
                                    uitvoering van de wet belaste personen en instanties tijdens het
                                    verrichten van hun werkzaamheden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Maatregel opleggen en berekenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd voor een bepaalde tijd als percentage
                                van de maandelijks verstrekte uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel gaat in ná het moment waarop deze is opgelegd. Dat
                                geldt ook indien de maatregel, overeenkomstig deze verordening met
                                terugwerkende kracht wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel bestaat in principe uit een korting op de IOAW- of
                                IOAZ-uitkering. De basis is de grondslag die geldt in de periode
                                waarover de maatregel wordt opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Besluit tot opgelegde maatregel</titel></kop><al>Als het college een maatregel oplegt, ontvangt de belanghebbende een
                            schriftelijk besluit. Daarin staat, voor zover dat van toepassing
                            is:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>de periode waarover de maatregel wordt opgelegd;</al></li><li nr="d."><al>het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;</al></li><li nr="e."><al>het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd, op basis van de
                                    grondslag;</al></li><li nr="f."><al>de reden waarom het besluit afwijkt van de
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>De belanghebbende horen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college een maatregel oplegt, mag de belanghebbende
                                    zijn zienswijze naar voren brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het college hoeft de belanghebbende niet de gelegenheid geven
                                    gehoord te worden, als:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder de kans heeft gekregen om zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>het volgens het college niet nodig is om de belanghebbende te
                                    horen om de ernst van de gedraging of de mate van
                                    verwijtbaarheid vast te stellen; </al></li><li nr="d."><al>de betrokkene zich ernstig heeft misdragen zoals bedoeld in
                                    artikel 12.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Maatregel tot niet opleggen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt een maatregel niet op, als:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid redelijkerwijs ontbreekt;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden plaatsvond voordat deze is
                                    geconstateerd. </al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een maatregel, als het
                                            daarvoor dringende redenen heeft.</al></li><li nr="3."><al>Als het college een maatregel niet oplegt op grond van
                                            dringende redenen, krijgt de belanghebbende daarvan
                                            schriftelijk bericht.</al></li><li nr="4."><al>Een besluit waarmee een maatregel is opgelegd staat
                                            gelijk aan het besluit om daarvan af te zien in verband
                                            met dringende redenen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Hoe de maatregel wordt opgelegd</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als met de maatregel de uitkering wordt verlaagd, kan deze
                                    verlaging op twee momenten ingaan:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>Als de uitkering over de betreffende maand nog niet is
                                    uitgekeerd, wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag nadat
                                    het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.</al></li><li nr="b."><al>Als de uitkering over de betreffende maand al is uitgekeerd,
                                    wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag van de maand nadat
                                    het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd, als
                                    na de maatregelwaardige gedraging het recht op een IOAW of
                                    IOAZ-uitkering wordt beëindigd of ingetrokken. De basis is de
                                    grondslag die geldig is op de ingangsdatum van de maatregel. De
                                    maatregel kan niet eerder ingaan dan de dag waarop de gedraging
                                    heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Als blijkt dat er op het moment van de melding om een uitkering
                                    sprake is van maatregelwaardig gedrag dan wordt een maatregel
                                    opgelegd vanaf de ingangsdatum van de uitkering voor zover dit
                                    niet ligt voor de betreffende gedraging.</al></li><li nr="4."><al>Kan een maatregel, niet volledig worden uitgevoerd, omdat de
                                    uitkering wordt beëindigd? Dan wordt deze alsnog uitgevoerd, als
                                    de belanghebbende binnen een periode van één jaar opnieuw een
                                    uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ontvangt.</al></li><li nr="5."><al>In die gevallen waarin een maatregel niet volledig kan worden
                                    uitgevoerd, omdat de hoogte van de uitkering onvoldoende is, kan
                                    het bedrag van de maatregel verdeeld worden over meer
                                    maanden.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Maakt een belanghebbende zich schuldig aan meerdere gedragingen en komt
                            hij daardoor zijn verplichtingen niet na? Dan bepaalt het college de
                            hoogte en duur van de maatregel op basis van de gedraging waarvoor de
                            zwaarste maatregel geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Niet of onvoldoende meewerken aan het verkrijgen of behouden van
                                algemeen geaccepteerde arbeid.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>die er toe leiden dat algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt
                                    verkregen, behouden of dat algemeen geaccepteerde arbeid wordt
                                    verloren;</al></li><li nr="2."><al>die er toe leiden dat andere verplichtingen uit de wet of de
                                    re-integratieverordening niet worden nagekomen;</al></li></lijst><al>worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al/><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Eerste categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende laten registeren bij het
                                            UWV-werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van deze
                                            registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet tonen van een identiteitsbewijs indien het
                                            college hierom vraagt en voor zover dit noodzakelijk is
                                            voor de uitvoering van deze wet;</al></li><li nr="c."><al>het zich niet houden aan de vastgestelde termijnen en
                                            procedures voor ziek- en betermeldingen, als zij moeten
                                            deelnemen aan re-integratieactiviteiten of op een
                                            bepaalde plaats en een bepaalde tijd te moeten
                                            verschijnen vanwege de uitvoering van de IOAW en de
                                            IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                            mogelijkheden van arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende naar vermogen proberen algemeen
                                            geaccepteerde arbeid te verkrijgen; </al></li><li nr="f."><al>het niet of niet volledig meewerken aan de
                                            totstandkoming van een Trajectplan, een
                                            re-integratieovereenkomst of een Plan van Aanpak, dat
                                            gericht is op de inschakeling in de arbeid. Het gaat om
                                            de overeenkomst zoals die is opgesteld door de het
                                                collegeof een door het college
                                            aangewezen re-integratiepartner. Daartoe kan ook horen
                                            het ten minste voor gezien tekenen van de
                                            re-integratieovereenkomst of Plan van Aanpak;</al></li><li nr="g."><al>het niet, niet tijdig of niet volledig meewerken aan de
                                            evaluatie van de in de re-integratieovereenkomst of het
                                            Plan van aanpak gemaakte afspraken die gericht zijn op
                                            arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="h."><al>het niet of niet tijdig gehoor geven aan een oproep van
                                            het college of een door het college aangewezen bedrijf
                                            in het kader van de uitvoering van de wet, om op een
                                            bepaalde tijd en plaats te verschijnen;</al></li><li nr="i."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen, opgelegd
                                            door het college gedurende de inspanningsperiode van 4
                                            weken, onvoldoende nakomen;</al></li><li nr="j."><al>het onvoldoende of niet behoorlijk meewerken aan het
                                            door het college opgedragen werkzaamheden in het kader
                                            van de tegenprestatie;</al></li><li nr="k."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                            of door een college aangewezen bedrijf aangeboden
                                            voorziening, waaronder begrepen:</al><lijst><li nr="-"><al>sociale activering;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan onderzoeken naar zijn of haar
                                                  mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>door het college georganiseerde activiteiten
                                                  gericht op om-, her- en/of bijscholing.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al><onderstreept>Tweede categorie</onderstreept></al></li><li nr="a."><al>het niet aanvaarden of het niet behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet voldoen aan een door het college opgelegde verplichting
                                    om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;</al></li><li nr="c."><al>het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid in een andere gemeente voordat men naar die andere
                                    gemeente verhuist;</al></li><li nr="d."><al>het niet bereid zijn om over een afstand met een totale reisduur
                                    van 3 uur per dag te reizen indien dit (naar vermogen)
                                    noodzakelijk is voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid);</al></li><li nr="e."><al>niet de bereidheid hebben om te verhuizen naar een andere
                                    gemeente, indien naar het oordeel van het college er geen andere
                                    mogelijkheden zijn voor het verkrijgen, behouden of aanvaarden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid mits de belanghebbende een
                                    arbeidsovereenkomst van tenminste 1 jaar met een beloning die
                                    tenminste gelijk is aan de voor de betrokkene geldende grondslag
                                    kan aangaan;</al></li><li nr="f."><al>het niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden welke
                                    noodzakelijk zijn voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="g."><al>het niet belemmeren van het naar vermogen verkrijgen, behouden
                                    of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding,
                                    gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;</al></li><li nr="h."><al>het geen gebruik maken van door het college of door een college
                                    aangewezen bedrijf aangeboden voorzieningen, waaronder
                                    begrepen;</al><lijst><li nr="-"><al>sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling,</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan onderzoeken naar zijn of haar
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,</al></li><li nr="-"><al>door het college georganiseerde activiteiten gericht op
                                            om-, her- en/of bijscholing.</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>het zich zo gedragen dat het moeilijk wordt om aan de
                                    arbeidsmarkt deel te nemen;</al></li><li nr="j."><al>het niet nakomen van de verplichtingen die door het college zijn
                                    opgelegd gedurende de inspanningsperiode van 4 weken direct na
                                    de melding om een aanvraag om een IOAW of IOAZ-uitkering;</al></li><li nr="k."><al>het geheel niet meewerken aan door het college opgedragen
                                    werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al><onderstreept>Derde categorie</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet behouden of verspelen van een dienstbetrekking
                                            als gevolg van gedragingen zoals bedoeld in artikel 678
                                            van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>Het beëindigen van een dienstbetrekking op eigen verzoek
                                            door de belanghebbende, zonder dat aan het voortzetten
                                            daarvan zodanige bezwaren waren, dat voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem kon worden geëist.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel bij het schenden van de
                                verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 9 worden
                                    vastgesteld op:</al></li><li nr="a."><al>30% van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de
                                    eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>100% van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de
                                    tweede categorie.</al></li><li nr="c."><al>100% van de grondslag voor onbepaalde duur bij gedragingen van
                                    de derde categorie. Hierbij geldt wel dat de maatregel nooit
                                    meer kan zijn dan het netto bedrag aan het verloren inkomen als
                                    gevolg van het bedoelde bedrag.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende zich binnen een periode van 12
                                            maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                            gedragingen van dezelfde of een hogere categorie:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>Eerste categorie: bij eerste recidive 100% van de grondslag
                                    gedurende één maand. Bij een tweede recidive binnen 12 maanden
                                    na de eerste recidive 100% gedurende twee maanden. Bij een derde
                                    of volgende recidive is dit 100% gedurende drie maanden.</al></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: bij de eerste recidive 100% van de
                                    bijstandsnorm voor de duur van twee maanden. Bij de tweede en
                                    volgende recidive 100% gedurende drie maanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Inburgeringsplicht</titel></kop><al>In die gevallen dat er met de belanghebbende afspraken zijn gemaakt met
                            betrekking tot diens inburgeringsplicht en zijn die afspraken vastgelegd
                            in een re-integratietraject binnen de IOAW of IOAZ, dan wordt in die
                            gevallen dat iemand zich niet houdt aan deze afspraken een maatregel
                            opgelegd die net zo hoog is als de bestuurlijke boete die iemand om
                            dezelfde reden krijgt opgelegd die geen uitkering van de gemeente
                            ontvangt. Deze boete is geregeld in de Verordening Inburgering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                    college wordt, voor zover het de uitvoering van de IOAW en IOAZ
                                    betreft, een maatregel opgelegd van ten minste 30% van de
                                    uitkering gedurende één maand. </al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na een
                                    gedraging als bedoeld in het eerste lid opnieuw schuldig maakt
                                    aan een dergelijke gedraging, wordt een verlaging toegepast van
                                    ten minste 50% gedurende twee maanden. De hoogte van deze
                                    maatregel is ten minste gelijk aan de maatregel die eerder werd
                                    opgelegd op grond van het eerste lid.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>In die gevallen dat belanghebbende zich binnen een periode van
                                    twaalf maanden na vaststelling van de vorige verwijtbare
                                    gedraging zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, voor een
                                    derde of volgende keer schuldig maakt aan een dergelijke
                                    verwijtbare gedraging, wordt laatst opgelegde maatregel minimaal
                                    verdubbeld. Daarbij wordt in </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt periodiek, maar ten minste eenmaal per vier
                                    jaar, aan de gemeenteraad een handhavingsplan aan, met daarin
                                    het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding
                                    van misbruik en oneigenlijk gebruik van de IOAW en IOAZ in
                                    combinatie met de Participatiewet en de te verwachten
                                    resultaten.</al></li><li nr="2."><al>Jaarlijks rapporteert het college hierover aan de
                                    gemeenteraad.</al></li><li nr="3."><al>Het benadelingsbedrag wordt volledig teruggevorderd of door een
                                    verlaging van de grondslag volledig geïncasseerd.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan besluiten rente en kosten in rekening te
                                    brengen.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan voor het handhavingsbeleid nadere regels
                                    stellen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>In die gevallen waarin de verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in
                            bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken
                            van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan
                            leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als dezelfde maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden
                                    zowel vóór als op/of na de datum dat deze verordening is
                                    ingegaan, worden besluiten, waaronder de beslissing op bezwaar,
                                    genomen met toepassing van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt – voor zover van
                                    toepassing – de hoogte van de maatregel in het voordeel van de
                                    belanghebbende gematigd tot wat deze zou bedragen in de
                                    maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening gaat in op 1 januari 2015..</al></li><li nr="2."><al>Op 1 januari 2015 vervalt de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ
                                    2013.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december
                            2014,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk,</ondertekening><ondertekening>burgemeester.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>A.P. Oostdijk,</ondertekening><ondertekening>wnd.griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>De Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen (IOAZ) schrijven voor dat de
                            Raad voor bepaalde onderwerpen zelf regels moet maken.</al><al/><al>Het Rijk heeft de volledige financiële verantwoordelijkheid voor de
                            uitvoering van de IOAW en IOAZ bij gemeenten neergelegd. Dat deed het
                            Rijk met de Wet Bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen
                            (kortweg: de wet BUIG). Dit is overeenkomstig de Participatiewet. </al><al/><al><vet>Naleven van de regels</vet></al><al>Het college heeft een grote uitvoeringsverantwoordelijkheid. Op enkele
                            punten moet het college eigen regels vaststellen. Dit geldt bijvoorbeeld
                            voor de maatregelen die het college oplegt als iemand zich niet aan de
                            regels houdt. De gemeenteraad moet deze regels in een verordening
                            vaststellen. Dit noemt men een ‘maatregelenverordening’. </al><al>Het college moet ook zorgen dat uitkeringsgerechtigden de regels
                            naleven. Dit noemen we handhaven. In de verordening is ook een artikel
                            opgenomen over hoe zij dit wil bereiken.</al><al/><al>Belangrijk is dan ook dat het college deze regels goed communiceert naar
                            haar burgers.</al><al/><al><vet>Vrijwel gelijk</vet></al><al>De gemeente heeft de maatregelenverordening IOAW en IOAZ net zo
                            opgesteld als de maatregelverordening voor de Participatiewet. De
                            maatregelen in beide verordeningen zijn gelijk. De uitkeringen die
                            voortvloeien uit de IOAW en IOAZ zijn bruto. In de wet staat de basis
                            (de grondslag) van deze uitkeringen. De maatregel is daarom een
                            brutobedrag. Het nettobedrag dat de gemeente inhoudt, is vrijwel
                            hetzelfde als in de Participatiewet. </al><al>Met deze nieuwe maatregelverordening voor de IOAW en IOAZ heeft de
                            gemeente er voor gekozen om de verplichtingen die per 1-1-2015 nieuw in
                            de Participatiewet worden ingevoerd ook op te nemen in deze verordening.
                            Immers, de uitgangspunten die gelden binnen de Participatiewet (zo snel
                            mogelijk weer onafhankelijk te worden van een uitkering) gelden ook
                            binnen de IOAW en IOAZ. Bovendien bestaat er dan rechtsgelijkheid voor
                            alle cliënten die een uitkering ontvangen van de gemeente. Ook voor de
                            uitvoering is dit eenvoudiger.</al><al/><al><vet>Extra categorie </vet></al><al>Er is één belangrijk verschil tussen deze maatregelenverordening en die
                            van de Participatiewet. Het belangrijkste verschil met de
                            Participatiewet is dat in artikel 9 van deze maatregelverordening, 3
                            categorieën van maatregelwaardig gedrag staan. Binnen de Participatiewet
                            kennen we 2 categorieën. </al><al/><al>De extra categorie ten opzichte van de Participatiewet (artikel 9
                            categorie 3), is er voor die zaken waarin een uitkeringsgerechtigde zich
                            zodanig ernstig heeft gedragen dat dit direct kan leiden tot ontslag (of
                            het niet verkrijgen van arbeid). Dit is zo te lezen in het burgerlijk
                            wetboek. Een aantal voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>diefstal van de werkgever, </al></li><li nr="2."><al>dronkenschap op het werk, </al></li><li nr="3."><al>belediging of mishandeling van de werkgever, een collega of een
                                    klant, </al></li><li nr="4."><al>en ander soortgelijk gedrag. </al></li></lijst><al>Tot deze categorie hoort ook het kwijtraken/ niet behouden van arbeid op
                            eigen verzoek zonder dat daar een goede reden voor is.</al><al/><al>Komt dit voor? De gemeente moet dan de IOAW weigeren. Dat kan tot
                            maximaal het bedrag dat een uitkeringsgerechtigde verdiende of zou
                            kunnen verdienen. </al><al/><al><vet>Informatieplicht</vet></al><al>Eén van de verplichtingen die zowel binnen de Participatiewet als in de
                            IOAW en IOAZ gelden is de informatieplicht. De cliënt moet de gemeente
                            (gevraagd en ongevraagd) op de hoogte brengen van alle informatie die
                            van belang kan zijn voor de uitkering. In het geval van een overtreding
                            van deze verplichting legt het college geen maatregel op, maar een
                            boete. Dit is geregeld in de ‘Wet aanscherping fraude en
                            sanctiemogelijkheden sociale zekerheidswetgeving’, en niet in deze
                            verordening. Hiermee wordt een duidelijk signaal afgegeven in de
                            bestrijding van fraude en misbruik met sociale zekerheidsuitkeringen. </al><al/><al><vet>Aanpassing hoogte maatregelen</vet></al><al>Met de invoering va n de Participatiewet is er meer nadruk gekomen op de
                            participatie van burgers die een uitkering ontvangen. Indien burgers
                            onvoldoende meewerken moet het college een maatregel opleggen. Een
                            maatregel die in veel gevallen zwaarder is dan tot nu toe
                            gebruikelijk.</al><al/><al><vet>Inburgering</vet></al><al>Een inburgeringstraject kan een onderdeel zijn van een
                            re-integratietraject. Het niet voldoen aan de verplichtingen, inclusief
                            het binnen bepaalde termijnen halen van het inburgeringsexamen, betekent
                            dat het college een maatregel of een bestuurlijke boete oplegt. Voor
                            uitkeringsgerechtigden is het een maatregel; voor
                            niet-uitkeringsgerechtigden is het een bestuurlijke boete. Om
                            rechtsongelijkheid te voorkomen is in de verordening opgenomen dat de
                            maatregel gelijk is aan de boete die op grond van de Delftse verordening
                            wordt opgelegd. Dit is in een apart artikel (artikel 11) opgenomen.</al><al/><al><vet>Tegenprestatie</vet></al><al>Het college kan van de uitkeringsgerechtigde een tegenprestatie eisen.
                            Een tegenprestatie zoals bedoeld in de wet staat geheel los van de
                            re-integratie van de betrokkene. Het is dan ook niet gericht op
                            (toekomstige) arbeidsinschakeling. Dit in tegenstelling tot sociale
                            activering. Het beleid rondom de tegenprestatie is vastgelegd in een
                            aparte verordening.</al><al>Niet of onvoldoende meewerken aan de geëiste tegenprestatie kan leiden
                            tot een maatregel.</al><al/><al><vet>Uitgangspunten</vet></al><al>Een belangrijk uitgangspunt zijn de maatregelen die worden opgelegd in
                            de Participatiewet. De verplichtingen die gelden binnen de
                            Participatiewet gelden ook binnen de IOAW en de IOAZ. De nieuwe
                            verplichtingen uit de Participatiewet (de zgn. geüniformeerde
                            verplichtingen zijn niet opgenomen in de IOAW en IOAZ). Toch is er voor
                            gekozen deze verplichtingen, met de bijbehorende maatregelen ook in deze
                            verordening op te nemen. Ook van de betrokkene die een uitkering
                            ontvangt in het kader van deze wetten wordt verwacht dat hij er alles
                            aan doet om weer aan het werk te gaan.</al><al/><al>De maatregelen zijn bedoeld om te zorgen dat uitkeringsgerechtigden zich
                            aan de plichten houden die bij de uitkering horen.</al><al/><al>Het college moet rekening houden met de persoonlijke situatie van een
                            uitkeringsgerechtigde of een gezin voordat zij een maatregel oplegt. Het
                            college houdt rekening met alle omstandigheden, mogelijkheden en
                            financiën van een uitkeringsgerechtigde. Zij probeert zo veel mogelijk
                            een uitkeringsgerechtigde zijn verhaal te laten doen. Het opleggen van
                            een maatregel is dus maatwerk. Dat betekent ook dat de regels die in de
                            maatregelenverordening staan niet zonder meer vaststaan. Ze geven een
                            richting aan. Een maatregel kan hoger of lager uitvallen, afhankelijk
                            van de persoonlijke situatie van een uitkeringsgerechtigde. Als iemand
                            bijvoorbeeld een bepaald gedrag niet verweten kan worden, kan er geen
                            maatregel opgelegd worden.</al><al/><al><vet>Het woord ‘maatregel’</vet></al><al>Het verlagen of verhogen van de uitkering is afhankelijk van de mate
                            waarin iemand de regels niet nakomt. Aan het recht op bijstand is de
                            plicht verbonden om de regels te volgen.In de
                            maatregelenverordening spreekt de Raad van ‘het opleggen van een
                            maatregel’, als een uitkeringsgerechtigde niet aan de verplichtingen
                            voldoet. Met de maatregel wil de Raad dat verkeerde gedrag
                            corrigeren.</al><al/><al>Zodra het college besluit een maatregel op te leggen, gebeurt dit
                            doorgaans direct. Soms legt het college met terugwerkende kracht een
                            maatregel op. Dat gebeurt als iemand bijvoorbeeld geen uitkering meer
                            ontvangt of wanneer de bijstand al is uitbetaald.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel is niet zomaar een bevoegdheid van het
                            college. De wet verplicht het college een maatregel op te leggen bij het
                            schenden van de verplichtingen.</al><al/><al><vet>Relatie met re-integratieverordening</vet></al><al>Zonder rechten geen plichten, en andersom. De gemeenteraad heeft regels
                            voor het recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling vastgesteld in
                            een verordening: de re-integratie-verordening. Het vaststellen van een
                            re-integratieverordening is een formele eis in de wet. Die schrijft de
                            wet voor. Ondersteuning bij arbeidsinschakeling is alle hulp die het
                            college kan bieden om weer aan het werk te kunnen. </al><al/><al><vet>Categorieën van onvoldoende meewerken aan werk
                                krijgen</vet></al><al>Om te bepalen welke maatregel het college oplegt, wordt de
                            uitkeringsgerechtigde in een categorie ingedeeld. Daarvoor kijkt het
                            college naar in hoeverre een uitkeringsgerechtigde of een gezinslid niet
                            aan het werk gaat; dat heet <cursief>maatregelwaardig gedrag</cursief>.
                            Er zijn drie categorieën, en de maatregel die aan iemand wordt opgelegd,
                            hangt af van in welke categorie zijn gedrag past.</al><al>De categorieën lopen op naar zwaarte. Gedrag in categorie 1 leidt tot
                            een minder zware maatregel dan gedrag in categorie 3. </al><al/><al>Categorie 1 Deze categorie omvat de minder zware schendingen van de
                            verplichtingen. </al><al/><al>Categorie 2 Dit betreft de zware schendingen van de verplichtingen, met
                            namen het niet behouden, verkrijgen of verspelen van werk. Ook het
                            geheel niet meewerken wordt gerekend tot deze categorie.</al><al/><al>Categorie 3 Deze categorie bestaat niet in de Participatiewet. Het gaat
                            hier om het kwijtraken van algemeen geaccepteerde arbeid door gedrag dat
                            staat in artikel 678 van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat hier om gedrag
                            dat direct leidt tot ontslag, zoals diefstal, dronkenschap, belediging
                            of bedreiging van de werkgever, een collega of een cliënt etc.</al><al> Tot deze categorie hoort ook het op eigen verzoek, zonder geldige reden
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst.</al><al/><al><vet>Herhaling van maatregelwaardig gedrag</vet></al><al>In deze verordening staan regels voor herhaaldelijk ‘maatregelwaardig
                            gedrag’. Het kan gebeuren dat het gedrag van een uitkeringsgerechtigde
                            niet verandert nadat het college hem een maatregel heeft opgelegd voor
                            zijn gedrag. De klant herhaalt zijn gedrag. Dit heet
                                <cursief>recidive</cursief>. Is er binnen twaalf maanden sprake van
                            recidive? Dan kan het college de maatregel verhogen.</al><al/><al/><al><vet>Misdragingen</vet></al><al>In deze verordening staat slechts een minimum maatregel voor klanten die
                            zich ernstig misdragen tegenover medewerkers van de gemeente. De reden
                            hiervoor is dat het om uiteenlopende soorten gedrag kan gaan. Daarnaast
                            is de oorzaak van dergelijk slecht gedrag belangrijk, dat kan
                            bijvoorbeeld frustratie zijn. Maar iemand kan ook proberen met zijn
                            gedrag te krijgen wat hij wil, bijvoorbeeld geld, of een uitkering. De
                            maatregel moet daarom persoonlijk worden bepaald. In uiterste gevallen
                            kan het een klant direct worden verboden om in een gemeentelijk gebouw
                            te komen.</al><al/><al><vet>Handhavingsbeleid</vet></al><al>In deze verordening staat een apart artikel over hoe de gemeenteraad
                            ervoor kan zorgen dat het beleid in deze verordening uitgevoerd wordt.
                            Dit heet <cursief>handhavingsbeleid</cursief>. In de wet staat dat de
                            gemeenteraad haar handhavingsbeleid in een verordening moet regelen. De
                            gemeenteraad van Delft heeft dat gedaan in deze
                            maatregelenverordening.</al><al/><al><vet>Slotbepaling</vet></al><al>Tot slot staan er in deze verordening speciale bevoegdheden. Dat zijn
                            speciale rechten die alleen het college heeft. Zo kan het college
                            maatregelen opleggen die niet in deze verordening staan. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1: Begripsomschrijving</vet></al><al/><al>In deze verordening staan allerlei begrippen. De betekenis van deze
                            woorden komt overeen met de woorden die in de wet of in eerdere
                            verordeningen staan. </al><al/><al>Een maatregel is feitelijk het tijdelijk verlagen van de uitkering
                            (grondslag). Het weigeren van een uitkering is in principe geen
                            maatregel. De IOAW en IOAZ schrijven een aantal situaties voor waarin
                            een uitkering wordt geweigerd. Hoewel geen maatregel, is dit voor de
                            volledigheid toch opgenomen in deze verordening.</al><al/><al>Een ander verschil met de Participatiewet is dat de bijstand gebaseerd
                            is op een netto bedrag (de uitkeringsnorm). De IOAW- en IOAZ-
                            uitkeringen zijn gebaseerd op een bruto bedrag (de grondslag). Toch is
                            het bedrag dat de betrokkene uiteindelijk ontvangt gelijk. Ook een
                            maatregel zal tot een zelfde netto resultaat leiden.</al><al/><al><vet>Artikel 2: Het opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al>De gemeente kan alleen een maatregel opleggen als een
                            uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet nakomt. Dat zijn de
                            afspraken die in de wet en in de re-integratie-verordening staan waaraan
                            een uitkeringsgerechtigde zich moet houden. In dit artikel staat op
                            basis van welke artikelen in de IOAW of IOAZ de gemeente een maatregel
                            kan opleggen. </al><al/><al><vet>Artikel 3: De maatregel opleggen en berekenen </vet></al><al/><al>Een uitkeringsgerechtigde krijgt als maatregel altijd een percentage van
                            de uitkering (de grondslag) als korting op de uitkering. Deze korting
                            geldt gedurende een bepaalde vastgestelde periode. </al><al/><al>De gemeente legt niet zomaar een maatregel op. De uitkeringsgerechtigde
                            moet daarvoor de spelregels die gelden voor het ontvangen van een
                            uitkering overtreden. Daarbij geldt hoe erger de overtreding en hoe meer
                            dat de uitkeringsgerechtigde kan worden verweten, hoe zwaarder de
                            maatregel. De gemeente houdt daarbij wel rekening met alle feiten en
                            omstandigheden.</al><al/><al>Een maatregel wordt opgelegd als korting op de uitkering. Deze korting
                            is gebaseerd op een bepaald percentage. De korting wordt, tenzij dit
                            anders is bepaald, opgelegd voor een periode van 1 maand.</al><al/><al>Doorgaans legt het college een maatregel op in de toekomst, namelijk
                            nadat het besluit is genomen om een maatregel op te leggen. Kan dat
                            niet, bijvoorbeeld doordat een uitkeringsgerechtigde zijn uitkering al
                            heeft ontvangen of geen uitkering meer ontvangt? Dan kan het college een
                            maatregel ook met terugwerkende kracht opleggen, dus in het
                            verleden.</al><al/><al><vet>Artikel 4: Het besluit tot het opleggen van een
                            maatregel</vet></al><al/><al>De gemeente informeert een uitkeringsgerechtigde per brief over het
                            besluit van de maatregel. In dit artikel staat wat er in dat besluit
                            moet staan. </al><al/><al>Is de uitkeringsgerechtigde het niet eens met de maatregel dan kan hij
                            bezwaar maken. Een onafhankelijke commissie bekijkt het besluit
                            nogmaals. De commissie adviseert vervolgens het college, dat dan opnieuw
                            een besluit neemt. Is de uitkeringsgerechtigde het hier ook niet mee
                            eens, dan kan hij in beroep gaan bij de rechtbank.</al><al/><al>Het college moet de uitkeringsgerechtigde altijd informeren over een
                            besluit. Deze eisen staan in de Algemene bestuursrecht (Awb). Zij moet
                            het besluit ook altijd toelichten en uitleggen aan de
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al><vet>Artikel 5: Het horen van de belanghebbende</vet></al><al/><al>De gemeente zal een uitkeringsgerechtigde eerst horen voordat hij of zij
                            een maatregel krijgt. ‘Horen’ betekent dat de gemeente een
                            uitkeringsgerechtigde uitnodigt zijn of haar kant van het verhaal te
                            vertellen. Op zo’n moment kan de gemeente alle kanten van het verhalen
                            laten meewegen in de beslissing. Dit is te lezen in het eerste lid. </al><al>Indien de uitkeringsgerechtigde niet ingaat op deze uitnodiging dan zal
                            het college een besluit nemen op basis van hetgeen bij haar bekend
                            is.</al><al/><al>In het tweede lid staat dat in welke gevallen de gemeente ervoor kan
                            kiezen om iemand niet te horen. De uitzonderingen onder a en b staan ook
                            in de Awb. Vaak zijn er meer redenen om iemand niet te horen. Dan gaat
                            het vaak om niet verschijnen op een oproep.</al><al/><al><vet>Artikel 6: Maatregel toch niet opleggen</vet></al><al/><al>De gemeente kan ervoor kiezen geen maatregel op te leggen als de
                            gemeente een uitkeringsgerechtigde echt niets kan verwijten. Een andere
                            reden om geen maatregel op te leggen, is als het gedrag te lang geleden
                            heeft plaatsgevonden (dat noemt de gemeente: ‘verjaring’). </al><al>De gemeente zal geen maatregel opleggen wanneer er ‘dringende redenen’
                            zijn. Wat dat betekent, hangt van de situatie af.</al><al/><al>Het college laat de uitkeringsgerechtigde per brief weten dat hij geen
                            maatregel krijgt als er sprake is van dringende redenen. Dat is
                            belangrijk, als de uitkeringsgerechtigde het gedrag herhaalt dat
                            aanleiding gaf tot het overwegen van de maatregel (recidive).</al><al/><al><vet>Artikel 7: De wijze van het opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al>De gemeente legt een maatregel op door het verlagen van de uitkering.
                            Verlaging van de uitkering kan op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van de uitkering van de eerstvolgende
                                    maand(en). </al></li></lijst><al>2. met terugwerkende kracht, door middel van het opnieuw bekijken van de
                            uitkering; </al><al/><al>Het verlagen van de uitkering in de toekomst is de gemakkelijkste
                            manier. Dat werkt alleen als de gemeente de uitkering over (dat deel
                            van) die maand nog heeft betaald. Dan hoeft de gemeente de uitkering
                            namelijk niet opnieuw te bekijken. Bovendien hoeft de gemeente het te
                            veel betaalde bedrag niet terug te eisen. </al><al>Het college legt een maatregel zo snel mogelijk op (‘lik op stuk’). De
                            uitkeringsgerechtigde krijgt dan ook zo snel mogelijk na het verwijtbare
                            gedrag bericht van het college.</al><al/><al>Is de uitkering al betaald? Dan zou de gemeente de uitkering over een
                            deel van de maand opnieuw moeten bekijken. Dat is heel omslachtig. De
                            gemeente lost dit anders op. Door de maatregel op te leggen met ingang
                            van de eerste van de volgende kalendermaand.</al><al/><al>De maatregel moet wel effectief zijn (‘lik op stuk’). Daarvoor is het
                            nodig dat de gemeente een maatregel snel nadat het gedrag plaatsvond,
                            oplegt. </al><al>Soms bemerkt de gemeente maatregelwaardig gedrag pas op nadat de
                            uitkering als gestopt is. Soms heeft de gemeente het recht op uitkering
                            ingetrokken. In het tweede lid staat dat de gemeente achteraf alsnog een
                            maatregel kan opleggen.</al><al/><al>Soms is er al bij de uitkeringsaanvraag of op het moment van de
                            uitkeringsaanvraag al sprake van maatregelwaardig gedrag. Os dit het
                            geval, dan kan al direct bij de aanvang van de uitkering een maatregel
                            worden opgelegd. Dat staat in het derde lid.</al><al/><al>In het vierde lid staat het volgende. Heeft de gemeente een maatregel
                            opgelegd? En kan zij deze niet innen omdat een uitkeringsgerechtigde
                            geen uitkering meer heeft? De gemeente kan dan besluiten de maatregel
                            alsnog op te leggen als een uitkeringsgerechtigde binnen één jaar
                            opnieuw een uitkering ontvangt. Een uitkeringsgerechtigde ontvangt in
                            deze gevallen een brief waarin dit staat. De gemeente neemt het
                            werkelijke besluit pas als een uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk weer
                            een beroep doet op een uitkering. </al><al/><al>In het vijfde lid staat een bijzondere situatie. Namelijk als een
                            uitkeringsgerechtigde een klein bedrag aan uitkering ontvangt.
                            Bijvoorbeeld, als aanvulling op andere inkomsten zoals loon uit
                            deeltijdarbeid De gemeente kan er dan voor kiezen om de maatregel over
                            meerdere maanden te verdelen. Hiermee voorkomt de gemeente
                            rechtsongelijkheid. </al><al/><al><vet>Artikel 8: Samenloop van gedragingen</vet></al><al/><al>Een uitkeringsgerechtigde kan zich op min of meer op hetzelfde moment op
                            meerdere manieren misdragen. De regeling voor samenloop geldt dan. </al><al>Overtreedt een uitkeringsgerechtigde meerdere regels tegelijk? Dan geldt
                            het gedrag waarvoor de zwaarste maatregel geldt. </al><al/><al>Wanneer een echtpaar - dus allebei - verschillende regels overtreedt
                            door verwijtbaar gedrag, dan geldt ook dan de zwaarste maatregel. Het
                            echtpaar krijgt dus samen een maatregel en niet apart. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2: Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                                verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9: indeling in categorieën</vet></al><al/><al>Werkt een uitkeringsgerechtigde niet of niet genoeg mee aan (weer) aan
                            het werk gaan of blijven? Het (maatregelwaardig)gedrag dat daarbij hoort
                            deelt de gemeente in 3 categorieën in. De ernst van het maatregelwaardig
                            gedrag bepaalt in welke categorie een uitkeringsgerechtigde valt. Hoe
                            meer het gedrag echt concreet bijdraagt aan het niet (weer) aan het werk
                            gaan of blijven, hoe zwaarder de categorie. </al><al/><al>Bij het opleggen van verplichtingen/maatregelen houdt de gemeente zoveel
                            mogelijk rekening met de persoonlijke situatie van een
                            uitkeringsgerechtigde. </al><al/><al><cursief>Categorie 1</cursief></al><al>De eerste categorie omvat verschillende verplichtingen waaraan een
                            uitkeringsgerechtigde moet voldoen.</al><al/><al>Indien nodig voor de uitvoering van deze wet kan het college vragen zich
                            te identificeren met een ID-bewijs, paspoort etc. Doet de betrokkene dit
                            niet, dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag.</al><al/><al>Een formele, officiële verplichting voor uitkeringsgerechtigden is om
                            zich in te schrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf. Ook om de
                            inschrijving op tijd te verlengen. </al><al/><al>In het kader van de re-integratie is het belangrijk dat de gemeente weet
                            of iemand ziek is. Daarvoor heeft de gemeente regels opgesteld die aan
                            iedereen kenbaar worden gemaakt. Een uitkeringsgerechtigde moet zich
                            houden aan de regels over ziek- en betermelding. De belanghebbende moet
                            ook meewerken aan onderzoeken naar de mogelijkheden om (weer) aan het
                            werk te gaan. Een uitkeringsgerechtigde mag zich niet ten onrechte
                            ziekmelden. Hij moet ook meewerken aan een controle van de
                            ziekmelding.</al><al/><al>De uitkeringsgerechtigde moet in zijn gedrag laten blijken voldoende te
                            doen om weer aan het werk te gaan of het onvoldoende meewerken aan alle
                            voorzieningen die het college aanbiedt om de kansen te vergroten om weer
                            aan het werk te gaan. </al><al>Voorbeelden van zich niet voldoende inspannen zijn: negatief gedrag
                            tijdens sollicitaties en onvoldoende meewerken aan de afspraken uit de
                            re-integratieovereenkomst. Of het niet actief zijn of blijven op de
                            arbeidsmarkt. </al><al>Onder deze categorie vallen nog enkele bijzondere verwijtbare soorten
                            gedrag, zoals:</al><lijst><li nr="1."><al>Het niet voor gezien ondertekenen van een Plan van Aanpak; een
                                    re-integratieovereenkomst, een trajectplan of andere of schrift
                                    vastgelegde afspraken in het kader van de re-integratie. Niet
                                    ondertekenen, kan voor vertraging zorgen van het (weer) aan het
                                    werk gaan. </al></li><li nr="2."><al>Het niet of onvoldoende meewerken van een uitkeringsgerechtigden
                                    aan de opleiding die volgen volgens zijn of haar trajectplan.
                                </al></li></lijst><al/><al>Ook het onvoldoende meewerken aan door het college aangeboden
                            voorzieningen, zoals sociale activering. Sociale activering is het doen
                            van maatschappelijk nuttige activiteiten, bijvoorbeeld:
                            vrijwilligerswerk. Deze activiteiten zijn altijd gericht op het (weer)
                            aan het werk gaan. Het draait om weer zelfstandig meedoen in de
                            maatschappij. Voor sommige uitkeringsgerechtigden is werk nog niet
                            haalbaar maar sociale activering wel. Ook het meewerken aan een
                            onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling, of het volgen
                            van een bepaalde scholing hoort hiertoe.</al><al/><al>Uitkeringsgerechtigden moeten regelmatig (op tijd) op een afspraak
                            komen. Bijvoorbeeld om te zien of een uitkering nog juist wordt
                            verstrekt. Of bijvoorbeeld om te zien of een uitkeringsgerechtigde
                            genoeg doet om (weer) aan het werk te gaan. Uitkeringsgerechtigden
                            moeten op deze afspraken verschijnen. Dit geldt voor alle afspraken of
                            oproepen die de gemeente en haar partners doen voor het uitvoeren van
                            deze wet. Komt een uitkeringsgerechtigde niet op een afspraak dan is dit
                            maatregelwaardig gedrag dat valt onder categorie 1.</al><al>Dit geldt ook voor afspraken die het college maakt met een cliënt om op
                            een bepaald moment contact op te nemen met de gemeente. Dit kan
                            mondeling aan de balie, maar ook schriftelijk of telefonisch. Ook dit
                            soort gevallen wordt aangemerkt als een vorm van het niet nakomen van
                            afspraken. Het verwijtbaar niet nakomen van dit soort afspraken wordt
                            gezien als maatregelwaardig gedrag binnen categorie 1.</al><al/><al>Bij de aanvraag om een uitkering werk de gemeente met een
                            inspanningsperiode van 4 weken. Gedurende deze inspanningsperiode,
                            direct na de aanvraag wordt de aanvrager enkele specifieke
                            verplichtingen opgelegd. Deze verplichtingen zijn afgestemd op de
                            individuele omstandigheden en de mogelijkheden van de aanvrager. De
                            verplichtingen zijn gericht op een zo snel mogelijke werkaanvaarding
                            en/of het vergroten van de mogelijkheden tot participatie. Immers, vanaf
                            het moment dat een belanghebbende zich heeft gemeld om een uitkering aan
                            te vragen zijn direct alle verplichtingen op hem van toepassing.</al><al>De verplichtingen legt het college (in samenspraak met de
                            belanghebbende) vast in een overeenkomst die door beide partijen (ten
                            minste voor gezien) wordt ondertekend. Deze overeenkomst is een eerste
                            re-integratieovereenkomst. De verplichtingen die worden opgelegd zijn
                            een onderdeel van de in de wet opgenomen meewerkingsplicht en de
                            re-integratieplicht.</al><al>Het onvoldoende nakomen van deze verplichtingen wordt gerekend tot deze
                            eerste categorie.</al><al/><al>Ook het onvoldoende of onbehoorlijk meewerken aan de door het college
                            opgedragen tegenprestatie wordt gerekend tot de eerste categorie.</al><al/><al><cursief>Categorie 2</cursief></al><al>Tot de vierde categorie worden gedragingen gerekend die bestaan uit het
                            geheel niet meewerken aan bepaalde verplichtingen. Daartoe behoren onder
                            andere het niet behouden van betaald werk; het geheel niet meewerken aan
                            een re-integratietraject, inclusief de sociale activering of het
                            weigeren van de in het kader van de tegenprestatie opgedragen
                            werkzaamheden uit te voeren.</al><al/><al>Ook als belanghebbenden geheel niet meewerken aan de verplichtingen die
                            worden opgelegd in het kader van de inspanningsperiode, wordt een
                            maatregel opgelegd van de vierde categorie.</al><al/><al>Tot deze tweede categorie horen ook de nieuwe verplichtingen die met
                            ingang van 1-1-2015 in de Participatiewet zijn opgenomen. Deze
                            verplichtingen staan bekend als de geüniformeerde verplichtingen.
                            Voorbeelden hiervan zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Het accepteren van 3 uur reistijd per dag als dit noodzakelijk
                                    is voor de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>Bereid zijn te verhuizen naar een andere gemeente als dit nodig
                                    is voor de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="3."><al>Het ingeschreven staan bij een uitzendbureau;</al></li><li nr="4."><al>Het verkrijgen van werk niet laten belemmeren door kleding,
                                    houding en gedrag</al></li><li nr="5."><al>Het behouden van kennis en vaardigheden.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Categorie 3</cursief></al><al>Het kwijtraken/niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Hier
                            gaat om handelingen die staan in artikel 678 van boek 7 van het
                            Burgerlijk wetboek. In dit artikel staan situaties direct aanleiding
                            geven tot ontslag, zoals: diefstal, dronkenschap, belediging of
                            bedreiging van de werkgever, een college of een klant, en
                            dergelijke.</al><al/><al>Tot deze categorie hoort ook het zonder goede reden, op eigen verzoek
                            van de uitkeringsgerechtigde, opzeggen van de arbeidsovereenkomst.</al><al/><al><vet>Artikel 10: De hoogte en de duur van de maatregel</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In dit lid staan de standaardmaatregelen voor de 3 categorieën die
                            hierboven staan. De standaardmaatregelen gelden voor het niet of
                            onvoldoende meewerken aan het (weer) aan het werk gaan. Bij het
                            uitvoeren van de IOAW en IOAZ sluit de gemeente zoveel mogelijk aan bij
                            het huidige, goed werkende maatregelenbeleid van de Participatiewet. De
                            percentages waarmee de gemeente de uitkering verlaagt, leidt de gemeente
                            af van de maatregelenverordening Participatiewet.</al><al/><al>Er is wel een verschil. Binnen deze IOAW en IOAZ verordening is er een
                            derde categorie toegevoegd. Dat zijn namelijk situaties waarin een
                            uitkeringsgerechtigde door ernstig gedrag zijn werk verliest of niet
                            krijgt. In deze situaties weigert de gemeente de uitkering tot de hoogte
                            van het bedrag dat een uitkeringsgerechtigde verdiende, dan wel zou
                            kunnen verdienen.</al><al>Dit betekent niet dat een uitkeringsgerechtigde helemaal geen inkomen
                            heeft. In deze gevallen kan een uitkeringsgerechtigde voor dit deel van
                            de uitkering een beroep kunnen doen op de (minder gunstige)
                            Participatiewet. Daarbij bekijkt de gemeente of zij een maatregel kan
                            opleggen op basis van de maatregelenverordening Participatiewet.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Herhaalt een uitkeringsgerechtigde het verwijtbare gedrag binnen een
                            jaar? Dan wordt de maatregel verzwaard. </al><al/><al>De eerste keer dat een uitkeringsgerechtigde verwijtbaar gedrag laat
                            zien waarvoor hij of zij een maatregel krijgt, noemt de gemeente: de
                            ‘eerste verwijtbare gedraging’. Ook als de gemeente de maatregel niet
                            heeft uitgevoerd is het de eerste verwijtbare gedraging. De duur van een
                            jaar gaat in op het moment waarop een uitkeringsgerechtigde het
                            schriftelijke besluit van de gemeente ontvangt. In deze brief staat dat
                            de datum waarop de maatregel ingaat.</al><al/><al>Ook bij recidive beoordeelt de gemeente hoe ernstig de overtreding is,
                            hoe verwijtbaar iemand is en de persoonlijke omstandigheden.</al><al/><al><vet>Artikel 11: Inburgeringsplicht</vet></al><al/><al>Om rechtsongelijkheid te voorkomen wordt met deze verordening de op te
                            leggen maatregel bij het niet nakomen van afspraken over de inburgering
                            net zo hoog als de boete bij mensen die inburgeringsplichtig zijn, maar
                            geen uitkering ontvangen. De maatregel is in dit geval geen percentage
                            van de uitkering, maar een vast bedrag. De hoogte van de boete regelt de
                            gemeente in een lokale verordening Wet inburgering.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3: Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12: Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De gemeente verstaat onder ‘zeer ernstige misdragingen’ diverse soorten
                            agressief gedrag. Het moet altijd gaan om verwijtbaar, opzettelijk
                            gedrag. En ook van gedrag dat normaal gesproken als onacceptabel gezien
                            wordt. </al><al/><al>De gemeente kan een maatregel opleggen als er een verband is tussen het
                            ernstige gedrag en eventuele belemmering bij het uitvoeren van de IOAW
                            en de IOAZ. Daarom staat er in dit artikel dat het zeer ernstige gedrag
                            rechtstreeks verband moeten houden met de uitvoering van de IOAW en de
                            IOAZ.</al><al/><al>Dit betekent dat (zeer) agressief gedrag tegenover bestuurders en
                            medewerkers van de gemeente, aanleiding zijn voor het opleggen van een
                            maatregel (zie ook art. 20, tweede lid van de IOAW en/of IOAZ). </al><al>Een verschil met de Participatiewet is dat deze bepaling niet geldt voor
                            dergelijk gedrag tegenover een medewerker van een andere organisatie.
                            Bijvoorbeeld een organisatie die in opdracht van de gemeente bezig is
                            met uitvoering van de IOAW of IOAZ (bijvoorbeeld een
                            re-integratiebedrijf). </al><al/><al>Stelt de gemeente een maatregel vast wanneer een uitkeringsgerechtigde
                            zich ernstig heeft misdragen? Dan moet de gemeente daarbij de ernst van
                            de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                            omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde meenemen. </al><al>Als het gaat om het vaststellen van de ernst van het gedrag, dan zijn er
                            verschillende soorten agressief gedrag. Ze staan hieronder en lopen op
                            in ernst, gedrag onder 1. is minder ernstiger dan gedrag onder 2.
                            bijvoorbeeld. </al><al>1. verbaal geweld (schelden);</al><al>2. discriminatie;</al><al>3. intimidatie (uitoefenen van psychische druk, dreigen);</al><al>4. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen, kapot maken van
                            spullen);</al><al>5. mensgericht fysiek geweld (slaan, schoppen);</al><al>6. combinatie van deze agressievormen. </al><al/><al>Om te zien hoe verwijtbaar het gedrag is, kijkt de gemeente naar de
                            omstandigheden op het moment van het gedrag.</al><al/><al>Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                            geweld en frustratiegeweld. Instrumenteel geweld is wanneer een
                            uitkeringsgerechtigde het geweld/gedrag met opzet gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld voor een uitkering).
                            Frustratieagressie is geweld dat een uitkeringsgerechtigde gebruikt door
                            onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke. De mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld is groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat helemaal los van het doen van
                            aangifte bij de politie. De gemeente legt een maatregel op. En de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte, kan aangifte doen bij
                            de politie. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel in deze situaties kan samengaan met het
                            opleggen van een toegangsverbod op gemeentelijke gebouwen.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In lid twee en drie staat welke maatregel een uitkeringsgerechtigde
                            krijgt wanneer hij of zij binnen 12 maanden zich opnieuw ernstig
                            misdraagt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4: Handhavingsbeleid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13: Handhavingsbeleid</vet></al><al/><al>In artikel 35, eerste lid onder c van de IOAW en IOAZ staat dat de
                            gemeente verplicht is om bij verordening regels vast te stellen om te
                            voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde ten onrechte bijstand ontvangt.
                            Dit kan met een aparte verordening. De gemeente Delft kiest ervoor om
                            deze regels op te nemen in deze verordening, omdat er ook al over
                            maatregelen bij fraude wordt gesproken.</al><al/><al>In de verordening staat ook dat bij fraude de gemeente het totale
                            benadelingsbedrag opeist van een uitkeringsgerechtigde. </al><al/><al>Het vierde en vijfde lid gaan over eventueel nieuw beleid en regels. In
                            de toekomst kan de gemeente bij fraudevorderingen rente en kosten
                            berekenen. Een fraudevordering is geld dat een uitkeringsgerechtigde
                            moet terugbetalen omdat hij of zij ten onrechte bijstand heeft ontvangen
                            doordat hij of zij informatie heeft verzwegen. </al><al>De gemeente zal hiervoor later regels opstellen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5: De slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14: Bevoegdheden college</vet></al><al/><al>In dit artikel staat nog een bijzondere bevoegdheid van de gemeente. Bij
                            uitzondering kan de gemeente een individueel besluit nemen. Dat kan in
                            situaties die niet in deze verordening staan.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 15 Hardheidsclausule</vet></al><al/><al>Het is mogelijk dat het toepassen van deze verordening zeer ongewenste
                            gevolgen heeft. Dit artikel regelt dat het college in bijzondere
                            gevallen kan besluiten om ten gunste van de betrokkene af te wijken van
                            deze verordening. Wat deze bijzondere gevallen is niet te
                            omschrijven.</al><al/><al><vet>Artikel 16: Overgangsrecht</vet></al><al/><al>In dit artikel staat het overgangsrecht. Deze nieuwe verordening is op
                            een aantal punten ‘strenger’ is dan de verordening. Daarom moet de
                            gemeente goed bekijken welke regel van toepassing is. Bovendien moet de
                            gemeente verwarring proberen te voorkomen. Het moment van verwijtbaar
                            gedrag is belangrijk. </al><al/><al>Bepalend bij de vraag welke regels van toepassing zijn, is het moment
                            van het maatregelwaardig gedrag.</al><al/><al/><al>Vindt het maatregelwaardig gedrag plaats alleen op en/of nadat deze
                            nieuwe verordening ingaat? Dan geldt, voor het eerste besluit (waarbij
                            de gemeente de maatregel oplegt) en voor een eventueel bezwaarschrift
                            dat een uitkeringsgerechtigde hier tegen indient en de beslissing
                            hierover, deze nieuwe verordening. </al><al/><al>Het is duidelijk dat het eerste besluit en de beslissing op het
                            bezwaarschrift alleen maar kunnen dateren vanaf het ingaan van deze
                            verordening. Het maatregelwaardig gedrag vindt dan plaats op en/ of na
                            het ingaan van deze nieuwe verordening.</al><al/><al>Andersom: Vond het verwijtbare gedraging plaats voor het ingaan van deze
                            nieuwe verordening? Dan geldt de oude regeling.</al><al/><al>Begon het maatregelwaardige gedrag voor het ingaan van deze nieuwe
                            verordening? En duurt het nog voort vanaf het moment dat deze nieuwe
                            verordening inging? Dan geldt voor het eerste besluit en voor een
                            beslissing op bezwaar, dat de gemeente deze toetst aan deze nieuwe
                            verordening.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 16 en 17: Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al/><al>Deze artikelen hebben geen verdere toelichting nodig.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>