<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR354016_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-3224.html">Gemeenteblad, 13-01-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Delft;</al><lijst><li nr="-"><al>heeft het voorstel gelezen van het college van burgemeester en
                                wethouders van Delft van 14 oktober 2014;</al></li><li nr="-"><al>houdt rekening met artikel 8, aanhef en het eerste lid, onderdeel a
                                van de Participatiewet;</al></li></lijst><al>Op basis hiervan besluit de Raad:</al><lijst><li nr="-"><al>de Maatregelenverordening Participatiewet 2015 vast te stellen,
                                en</al></li><li nr="-"><al>tegelijk in te trekken de Maatregelenverordening Wet werk en
                                bijstand 2013,</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De <cursief>wet</cursief>: de Participatiewet</al></li><li nr="b."><al>Het <cursief>college</cursief>: het college van burgemeester en
                                    wethouders van Delft.</al></li><li nr="c."><al><cursief>Algemene bijstand</cursief>: de bijstand zoals bedoeld
                                    in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet.</al></li><li nr="d."><al><cursief>Bijzondere bijstand</cursief>: de bijstand zoals deze
                                    bedoeld is in artikel 5, onder d van de wet.</al></li><li nr="e."><al><cursief>Bijstand</cursief>: Algemene en bijzondere
                                    bijstand.</al></li><li nr="f."><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief>: de uitkeringsnorm zoals deze
                                    is bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet.</al></li><li nr="g."><al><cursief>Uitkering</cursief>: de algemene bijstand die wordt
                                    verstrekt op grond van de Participatiewet</al></li><li nr="h."><al><cursief>Individuele inkomenstoeslag</cursief>: de toeslag zoals
                                    deze wordt bedoeld in artikel 36 van de wet.</al></li><li nr="i."><al><cursief>Maatregel</cursief>: het verlagen van de bijstand op
                                    grond van artikel 18, tweede, vijfde, zesde zevende en achtste
                                    lid van de wet ,</al></li><li nr="j."><al><cursief>Sociale activering</cursief>: het doen van onbeloonde
                                    maatschappelijke zinvolle activiteiten die zijn gericht op
                                    deelname op de arbeidsmarkt (arbeidsinschakeling).</al></li><li nr="k."><al><cursief>Tegenprestatie</cursief>: het in opdracht van het
                                    college doen van onbeloonde maatschappelijk zinvolle
                                    activiteiten die niet gericht zijn op deelname op de
                                    arbeidsmarkt, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder c van
                                    de wet.</al></li><li nr="l."><al><cursief>Activeringsp</cursief><cursief>eriode</cursief>:
                                    periode van maximaal 4 weken na de melding om bijstand waarbij
                                    het college een aantal specifieke verplichtingen oplegt gericht
                                    op een zo snel mogelijke werkaanvaarding en/of het bevorderen
                                    van de participatie. Voor bijstandsaanvragers tot 27 jaar is dit
                                    geregeld in artikel 43, vierde lid van de wet.</al></li><li nr="m."><al><cursief>Geüniformeerde verplichtingen</cursief>: de
                                    verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid van de
                                    wet.</al></li><li nr="n."><al><cursief>Niet geüniformeerde verplichtingen</cursief>: alle
                                    verplichtingen die aan de belanghebbende worden opgelegd met
                                    uitzondering van de geüniformeerde verplichtingen (artikel 18,
                                    vierde lid van de wet).</al></li><li nr="o."><al><cursief>Belanghebbende</cursief>:de persoon die
                                    rechtstreeks in zijn belang is getroffen door het
                                    maatregelbesluit </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt een maatregel op, als de belanghebbende volgens het
                                college onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef toont om zelfstandig
                                in het bestaan te voorzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarnaast legt het college een maatregel op, als de belanghebbende
                                niet of onvoldoende zijn verplichtingen nakomt die voortvloeien uit
                                de wet met uitzondering van de verplichtingen genoemd in artikel 17,
                                eerste lid van de wet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt ook een maatregel op indien de belanghebbende zich
                                ernstig misdraagt tegen het college of de met de uitvoering van deze
                                wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan
                                maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte
                                van de maatregel hiermee rekening gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stemt, indien er door bijzondere omstandigheden
                                dringende redenen zijn de maatregel af op de omstandigheden van de
                                belanghebbende en zijn mogelijkheden middelen te verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de niet-geüniformeerde verplichtingen houdt het college voor de
                                vaststelling van de maatregel ook rekening met de ernst van de
                                gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan
                                worden verweten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Maatregel opleggen en berekenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd voor een bepaalde tijd, als percentage
                                van de maandelijks verstrekte bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel gaat in na het moment dat deze is opgelegd. Dit geldt
                                ook indien overeenkomstig deze verordening de maatregel met
                                terugwerkende kracht wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel bestaat in principe uit een korting op de
                                bijstandsuitkering. De basis voor de maatregel is de bijstandsnorm
                                die geldt in de periode waarover de maatregel wordt opgelegd. Als
                                het niet mogelijk is de maatregel toe te passen op de
                                bijstandsuitkering, kan het college in plaats daarvan besluiten de
                                verstrekte, of de te verstrekken bijzondere bijstand te verlagen
                                voor zover deze op grond van artikel 12, 36 of 36b van de wet
                                is/wordt verleend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als het college een maatregel oplegt, ontvangt de belanghebbende een
                            schriftelijk besluit. Daarin staat, voor zover dat van toepassing
                            is:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>de periode waarover de maatregel wordt opgelegd;</al></li><li nr="d."><al>het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd;</al></li><li nr="e."><al>het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd, op basis van de
                                    bijstandsnorm of het benadelingsbedrag;</al></li><li nr="f."><al>de reden waarom het besluit afwijkt van de
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>De belanghebbende horen</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college een maatregel oplegt, mag de
                                        belanghebbende zijn zienswijze naar voren brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het college hoeft de belanghebbende niet de gelegenheid te
                                        geven gehoord te worden, als:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder de kans heeft gekregen om zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>het volgens het college niet nodig is om de belanghebbende
                                        te horen om de ernst van de gedraging vast te stellen; </al></li><li nr="d."><al>de betrokkene zich ernstig heeft misdragen zoals bedoeld in
                                        artikel 15..</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Maatregel toch niet opleggen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt een maatregel niet op, als:</al></li><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid redelijkerwijs ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging plaatsvond meer dan 12 maanden voordat deze is
                                    geconstateerd.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een maatregel, als het daarvoor
                                    dringende redenen heeft.</al></li><li nr="3."><al>Als het college een maatregel niet oplegt op grond van dringende
                                    redenen, krijgt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                                    bericht.</al></li><li nr="4."><al>Een besluit waarmee een maatregel is opgelegd staat, voor zover
                                    het betreft de toepassing van artikel 10 en 11 derde tot en met
                                    vijfde lid gelijk aan het besluit om daarvan af te zien in
                                    verband met dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Hoe de maatregel wordt opgelegd</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als met de maatregel de uitkering wordt verlaagd, kan deze
                                    verlaging op twee momenten ingaan:</al></li><li nr="a."><al>Als de uitkering over de betreffende maand nog niet is
                                    uitgekeerd, wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag nadat
                                    het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Als de uitkering over de betreffende maand al is uitgekeerd,
                                    wordt de maatregel opgelegd op de eerste dag van de maand nadat
                                    het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Als de belanghebbende bijzondere bijstand ontvangt op basis van
                                    artikel 12, 36 of 36b van de wet, kan het college de maatregel
                                    toepassen op de in dat kader verleende bijzondere bijstand.</al></li><li nr="3."><al>Als een maatregel wordt opgelegd op bijzondere bijstand die op
                                    grond van artikel 12 van de wet wordt verstrekt, dan is deze
                                    maatregel – zowel wat hoogte (percentage) als duur betreft –
                                    gelijk aan de maatregel die wordt opgelegd op de algemene
                                    bijstand. De artikelen 9 tot en met 15 van deze verordening zijn
                                    van toepassing op beide soorten maatregelen, maar dan moet wel
                                    in plaats van <cursief>bijstandsnorm</cursief> worden gelezen:
                                    ‘bijzondere bijstand verstrekt op grond van artikel 12 van de
                                    wet’.</al></li><li nr="4."><al>De maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd, als
                                    na de maatregelwaardige gedraging het recht op algemene bijstand
                                    wordt beëindigd of ingetrokken. De grondslag is de bijstandsnorm
                                    die geldig is op de ingangsdatum van de maatregel. De maatregel
                                    kan niet eerder ingaan dan de dag waarop de gedraging heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het eerste lid, als blijkt dat op het moment
                                    van de aanvraagprocedure er sprake is van bijstandsbehoeftigheid
                                    door een gedraging zoals beschreven in artikel 18, lid 4, van de
                                    wet dan wordt een maatregel opgelegd vanaf de ingangsdatum van
                                    de toegekende uitkering voor zover die niet ligt voor de
                                    betreffende gedraging.</al></li><li nr="6."><al>Kan een maatregel, ondanks het bepaalde in zevende lid, niet
                                    volledig worden uitgevoerd, omdat de uitkering wordt beëindigd?
                                    Dan wordt deze alsnog uitgevoerd, als de belanghebbende binnen
                                    een periode van één jaar opnieuw een uitkering ontvangt.</al></li><li nr="7."><al>In die gevallen waarin een maatregel niet volledig kan worden
                                    uitgevoerd, omdat de hoogte van de uitkering onvoldoende is, kan
                                    het bedrag van de maatregel verdeeld worden over meer
                                    maanden.</al></li><li nr="8."><al>Een maatregel die wordt opgelegd wegens het schenden van de
                                    verplichtingen voor een periode van meer dan drie maanden, wordt
                                    uiterlijk na drie maanden nadat deze wordt uitgevoerd,
                                    heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Maakt een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig aan verschillende
                            gedragingen en komt hij daardoor zijn verplichtingen niet na? Dan
                            bepaalt het college de hoogte en duur van de maatregel op basis van de
                            gedraging waarvoor de zwaarste maatregel geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>De niet-geüniformeerde verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Het niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling en tegenprestatie</titel></kop><al>Gedragingen van de betrokkene:</al><lijst><li nr="1."><al>die er toe leiden dat algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt
                                    verkregen, behouden of dat algemeen geaccepteerde arbeid wordt
                                    verloren, voor zover deze gedraging niet hoort tot de
                                    geüniformeerde verplichtingen ; of,</al></li><li nr="2."><al>die er toe leiden dat verplichtingen die op grond van artikel 9,
                                    9a en 55 van de wet niet worden nagekomen;</al></li></lijst><al>worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al/><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>Eerste categorie;</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig als werkzoekende
                                            registreren bij het UWV-Werkbedrijf of het niet tijdig
                                            verlengen van deze registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheid van
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het zich niet houden aan de vastgestelde termijnen en
                                            procedures voor ziek- en betermeldingen, als zij moeten
                                            deelnemen aan re-integratieactiviteiten of op een
                                            bepaalde plaats en een bepaalde tijd moeten verschijnen
                                            vanwege de uitvoering van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>het niet voldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een Plan van Aanpak zoals dit
                                            is bedoeld in artikel 44a van de wet,</al></li><li nr="e."><al>het niet voldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een Trajectplan of
                                            re-integratieovereenkomst zoals deze zijn
                                            overeengekomen, gericht op de re-integratie van de
                                            belanghebbende.</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 van de wet, voor
                                            zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende 4 weken na de melding als bedoeld in artikel
                                            43, vierde en vijfde lid van de wet,</al></li><li nr="g."><al>het onvoldoende naar vermogen proberen algemeen
                                            geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover deze
                                            verplichting niet behoort tot de geüniformeerde
                                            verplichtingen;</al></li><li nr="h."><al>het in onvoldoende mate of niet behoorlijk meewerken aan
                                            het verrichten van een tegenprestatie zoals bedoeld in
                                            artikel 9, eerste lid onderdeel c van de wet;</al></li><li nr="i."><al>het niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep van
                                            het college of een door het college aangewezen bedrijf
                                            of instantie dat belast is met de uitvoering van deze
                                            wet om in verband met de arbeidsinschakeling op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="j."><al>het uit houding en gedrag laten blijken dat de
                                            verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid
                                            onder b van de wet onvoldoende worden nagekomen;</al></li><li nr="k."><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van een
                                            bijzondere verplichting zoals bedoeld in artikel 55 van
                                            de wet, zoals het zich niet onderwerpen aan een door een
                                            arts geadviseerde noodzakelijke medische
                                            behandeling;</al></li><li nr="l."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen, opgelegd
                                            door het college gedurende de activeringsperiode van 4
                                            weken direct na de melding om een aanvraag om
                                            bijstand.</al></li></lijst></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al><onderstreept>Tweede categorie</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al> het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen voor zover dit voortvloeit uit een
                                            niet-geüniformeerde verplichting;</al></li><li nr="b."><al> het niet meewerken aan het verrichten van een
                                            tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel c van de wet.</al></li><li nr="c."><al> het geheel niet nakomen van de verplichtingen, opgelegd
                                            dhor het college gedurende de activeringsperiode van 4
                                            weken direct na de melding om een aanvraag om
                                            bijstand.</al></li><li nr="d."><al> het niet door de belanghebbende, jonger dan 27 jdar
                                            deelnemen aan het regulier onderwijs zoals bedoeld in
                                            artikel 13, tweede lid onder c en d van de wet.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel bij het schenden van de
                                niet-geüniformeerde verplichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel bij gedragingen als bedoeld in artikel 9 worden
                                    vastgesteld op:</al></li><li nr="a."><al>30% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende zich binnen een periode van 12
                                            maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                            gedragingen van dezelfde of een hogere categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: bij eerste recidive 100% van
                                                  de bijstandsnorm gedurende 1 maand. Bij een tweede
                                                  recidive binnen 12 maanden na de eerste recidive
                                                  100% gedurende 2 maanden. Bij een derde of
                                                  volgende recidive binnen 12 maanden na het laatste
                                                  besluit is dit 100% gedurende 3 maanden.</al></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: bij de eerste recidive 100%
                                                  van de bijstandsnorm voor de duur van 2 maanden.
                                                  Bij de tweede en volgende recidive 100%van de
                                                  bijstandsnorm gedurende 3 maanden.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>De geüniformeerde verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                                betrekking tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In artikel 18, vierde lid van de wet zijn de zgn. geüniformeerde
                                    arbeidsverplichtingen opgenomen. Dit zijn:</al></li><li nr="a."><al>Het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="b."><al>Het voldoen aan een door het college opgelegde verplichting om
                                    ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;</al></li><li nr="c."><al>Het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                    in een andere gemeente voordat men naar die andere gemeente
                                    verhuist;</al></li><li nr="d."><al>Het bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                                    reisduur van 3 uur per dag te reizen indien dit noodzakelijk is
                                    voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="e."><al>De bereidheid om te verhuizen naar een andere gemeente, indien
                                    naar het oordeel van het college er geen andere mogelijkheden
                                    zijn voor het verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid mits de belanghebbende een
                                    arbeidsovereenkomst van tenminste 1 jaar met een beloning die
                                    tenminste gelijk is aan de voor de betrokkene geldende
                                    bijstandsnorm kan aangaan.</al></li><li nr="f."><al>Het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden welke
                                    noodzakelijk zijn voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden
                                    van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="g."><al>Het niet belemmeren van het naar vermogen verkrijgen, behouden
                                    of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding,
                                    gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag.</al></li><li nr="h."><al>Het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
                                    waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoeken naar zijn
                                    of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al> Overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet verlaagt het
                                    college de uitkering met 100% gedurende één maand, indien de
                                    betrokkene één van deze in het eerste lid genoemde
                                    verplichtingen niet nakomt. In beginsel wordt deze maatregel in
                                    één keer opgelegd, tenzij er naar het oordeel van het college
                                    redenen zijn, overeenkomstig artikel 18, vijfde lid van de wet
                                    deze maatregel over een periode van maximaal drie maanden te
                                    spreiden.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van een
                                    besluit zoals bedoeld in het tweede lid, bedraagt de maatregel
                                    100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></li><li nr="4."><al>Bij een recidive binnen 12 maanden na de bekendmaking van het
                                    besluit, waarbij het college gebruik heeft gemaakt van haar
                                    bevoegdheid zoals beschreven in het derde lid, bedraagt de
                                    maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.</al></li><li nr="5."><al>Bij elke volgende recidive binnen een periode van 12 maanden na
                                    de bekendmaking van het laatste maatregelbesluit bedraagt de
                                    maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een periode van
                                    drie maanden.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan op verzoek van de belanghebbende een maatregel
                                    die wordt opgelegd wegens het schenden van de geüniformeerde
                                    arbeidsverplichtingen herzien, indien uit houding en gedrag
                                    ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de geüniformeerde
                                    verplichtingen nakomt.</al></li><li nr="7."><al>De minimale duur van de maatregel wegens het schenden van een
                                    geüniformeerde verplichting is één maand. Herziening zoals
                                    bedoeld in het zesde lid is daarom uitsluitend mogelijk indien
                                    deze maatregel is opgelegd voor een periode langer dan 1
                                    maand.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>4:</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende:</al></li><li nr="-"><al>tijdens de bijstandsperiode </al></li><li nr="-."><al>of in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de
                                    aanvraag om een uitkering,</al></li></lijst><al>een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                            in het bestaan heeft betoond en mede als gevolg van deze gedraging een
                            beroep op bijstand wordt gedaan, wordt bij de volgende gedragingen een
                            maatregel toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>het verwijtbaar verliezen of weigeren van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een
                                    voorliggende voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van
                                    inkomsten;</al></li><li nr="d."><al>het te snel interen van vermogen.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende één
                                    maand indien er sprake is van een gedraging zoals bedoeld onder
                                    het eerste lid onder a tot en met c. Indien de belanghebbende
                                    zich binnen een periode van 12 maanden opnieuw schuldig maakt
                                    aan dezelfde gedraging dan wordt de maatregel verdubbeld.</al></li><li nr="3."><al>Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een
                                    bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de
                                    inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, wordt dit als
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aangemerkt en
                                    wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende één maand. </al></li><li nr="4."><al>Is er sprake van een gedraging zoals bedoeld in het eerste lid
                                    onder d dan wordt de maatregel afgestemd op het bedrag dat naar
                                    het oordeel van het college te snel is ingeteerd. </al></li><li nr="5."><al>De maatregel als bedoeld in het vierde lid wordt op de volgende
                                    wijze vastgesteld: </al></li><li nr="a."><al>bij een te snel ingeteerd bedrag tot € 1.000,-: 20% van de
                                    bijstandsnorm gedurende twee maanden;</al></li><li nr="b."><al>bij een te snel ingeteerd bedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 40%
                                    van de bijstandsnorm gedurende twee maanden; </al></li><li nr="c."><al>bij een te snel ingeteerd bedrag van € 2000,- tot € 4000,-:40%
                                    van de bijstandsnorm gedurende zes maanden; </al></li><li nr="d."><al>bij een te snel ingeteerd bedrag van € 4000,- tot € 10.000,-:
                                    50% gedurende zes maanden; en </al></li><li nr="e."><al>bij een te snel ingeteerd bedrag van € 10.000,- of meer 50%
                                    gedurende twaalf maanden. </al></li><li nr="6."><al>In het geval dat een belanghebbende zich binnen een periode van
                                    twaalf maanden na vaststelling van de eerdere verwijtbare
                                    gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur van de maatregel
                                    verdubbeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Inburgeringsplicht</titel></kop><al>In die gevallen dat er met de belanghebbende afspraken zijn gemaakt met
                            betrekking tot diens inburgeringsplicht en zijn die afspraken vastgelegd
                            in een re-integratietraject binnen de WWB of de Participatiewet, dan
                            wordt in die gevallen dat iemand zich niet houdt aan deze afspraken een
                            maatregel opgelegd die net zo hoog is als de bestuurlijke boete die
                            iemand om dezelfde reden krijgt opgelegd die geen uitkering van de
                            gemeente ontvangt. Deze boete is geregeld in de Verordening
                            Inburgering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Bijzondere verplichtingen op grond van 57 van de wet</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In sommige gevallen kan het college de belanghebbenden de
                                    verplichting opleggen direct van de uitkering vaste lasten door
                                    te betalen of de bijstand in natura te verstrekken. Indien de
                                    belanghebbenden hier niet of niet voldoende aan meewerkt dan
                                    wordt een maatregel opgelegd van 30% van de bijstandsnorm
                                    gedurende één maand.</al></li><li nr="2."><al>De duur van deze maatregel wordt verdubbeld indien de betrokkene
                                    binnen 12 maanden zich opnieuw schuldig maakt aan het schenden
                                    van de verplichting genoemd in het eerste lid. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                    wet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet, wordt een
                                    maatregel opgelegd van ten minste 30% van de bijstandsnorm
                                    gedurende één maand. </al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na een
                                    gedraging als bedoeld in het eerste lid opnieuw schuldig maakt
                                    aan een dergelijke gedraging, wordt een verlaging toegepast van
                                    ten minste 50% gedurende twee maanden. De hoogte van de
                                    maatregel is in ieder geval niet lager dan de maatregel zoals
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>In die gevallen dat belanghebbende zich binnen een periode van
                                    twaalf maanden na vaststelling van de vorige verwijtbare
                                    gedraging zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, voor een
                                    derde of volgende keer schuldig maakt aan een dergelijke
                                    verwijtbare gedraging, wordt minimaal de laatst opgelegde
                                    maatregel verdubbeld. Daarbij wordt in eerste instantie de
                                    hoogte van de maatregel verdubbeld. Is dit niet mogelijk dan
                                    wordt de duur van de eerder opgelegde maatregel verdubbeld.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><al><vet>Artikel 16: Handhavingsbeleid</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt periodiek, maar ten minste eenmaal per vier
                                    jaar, aan de gemeenteraad een handhavingsplan aan, met daarin
                                    het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding
                                    van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet en de
                                    te verwachten resultaten.</al></li><li nr="2."><al>Jaarlijks rapporteert het college hierover aan de
                                    gemeenteraad.</al></li><li nr="3."><al>Het bedrag dat ten onrecht is uitgekeerd, vermeerderd met:</al></li><li nr="-"><al>afgedragen premies en loonbelasting, </al></li><li nr="-."><al>plus eventueel uitgekeerde langdurigheidstoeslagen of
                                    individuele inkomenstoeslagen, </al></li><li nr="-."><al>plus mogelijk verstrekte bijzondere bijstand</al></li></lijst><al>wordt volledig teruggevorderd of door een verlaging van de bijstandsnorm
                            volledig geïncasseerd.</al><lijst><li nr="4."><al>Het college kan besluiten rente en kosten in rekening te
                                    brengen.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan voor het handhavingsbeleid nadere regels
                                    stellen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>In die gevallen waarin de verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in
                            bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken
                            van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan
                            leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als dezelfde maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden
                                    zowel vóór als op/of na de datum dat deze verordening is
                                    ingegaan, worden besluiten, waaronder de beslissing op bezwaar,
                                    genomen met toepassing van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt – voor zover van
                                    toepassing – de hoogte van de maatregel in het voordeel van de
                                    belanghebbende gematigd tot wat deze zou bedragen in de
                                    maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Deze verordening gaat in op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Op 1 januari 2015 vervalt de Maatregelenverordening Wet werk en
                                    bijstand 2013.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening
                            Participatiewet 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december
                            2014.</ondertekening><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester</ondertekening><ondertekening>A.P. Oostdijk ,wnd.griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al><onderstreept>Rechten en plichten in de
                            Participatiewet</onderstreept></al><al/><al>De Participatiewet schrijft voor dat voor bepaalde onderwerpen de Raad
                            zelf regels moet maken. Die regels moet de Raad vastleggen in een
                            verordening. Zo moet de Raad voor een deel zelf bepalen wat er gebeurt
                            als iemand die een uitkering ontvangt zich niet houdt aan de regels die
                            in deze wetten staan.</al><al>In deze maatregelenverordening staat welke maatregelen het college dan
                            neemt. Dat heet een maatregel opleggen. Houdt een uitkeringsgerechtigde
                            zich niet aan de regels, dan wordt de uitkering verlaagd.</al><al>Dat de Raad deze regels in een verordening moet vaststellen staat in
                            artikel 8, eerste lid onder a van de Participatiewet.</al><al/><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                            uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om zo snel
                            mogelijk weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Belangrijk is
                            dan ook dat het college goed communiceert wat deze rechten en plichten
                            zijn, en wat de gevolgen zijn als iemand zich niet aan zijn
                            verplichtingen houdt.</al><al/><al>In artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet staat dat het college
                            de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                            mogelijkheden en middelen van een belanghebbende moet aanpassen. In deze
                            bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                            uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen maatwerk is. Het
                            college moet rekening houden met de individuele situatie en de
                            persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. </al><al/><al>Het tweede lid van artikel 18 van de Participatiewet legt een directe
                            koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het
                            recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te
                            zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent
                            dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                            van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                            bijstandsgerechtigde. Er moet ook rekening gehouden worden met het
                            nakomen van de verplichtingen. Dat betekent dat het college rekening
                            moet houden met de inzet van de uitkeringsgerechtigde om aan de
                            verplichtingen te voldoen.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                            uitkering. Er is geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                            verplichting. </al><al>Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het
                            college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij
                            de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke
                            omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het
                            college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe
                            zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al><onderstreept>Nieuwe verplichtingen</onderstreept></al><al/><al>In de Participatiewet zijn in artikel 18, vierde lid, nieuwe
                            arbeidsverplichtingen opgenomen. Deze staan bekend als de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen. Bij een schending van (één van) deze
                            verplichtingen geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd
                            met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is
                            de duur van de verlaging bij een eerste overtreding vastgelegd op 1
                            maand (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al/><al>Als is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                            verwijtbaarheid, dan wordt dit niet aangemerkt als een maatregel. Met
                            andere woorden als (één van) deze verplichtingen opnieuw worden
                            geschonden dan wordt dit gezien als een eerste overtreding, en dus niet
                            als een herhaling (recidive) van de overtreding. Dit wordt beoordeeld
                            als een eerste schending van deze verplichtingen.</al><al>Is vanwege een andere dringende reden (artikel 18, eerste lid, van de
                            Participatiewet) afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is dit
                            geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                            laten. Als opnieuw de verplichtingen worden geschonden dan gelden wel de
                            regels met betrekking tot recidive.</al><al/><al>Als een maatregel wordt opgelegd voor een periode van drie of meer
                            maanden dan moet het college uiterlijk binnen drie maanden onderzoeken
                            of er redenen zijn om de maatregel te herzien. Het college onderzoekt
                            dan of de omstandigheden en/of het gedrag van de betrokkene hiertoe
                            aanleiding geven. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid van de
                            Participatiewet.</al><al/><al>Dit geldt echter niet voor de nieuwe geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet).
                            Daarvoor geldt artikel 18, elfde lid. De maatregel bij een schending van
                            de geüniformeerde arbeidsverplichtingen wordt alleen herzien als
                            betrokkene hier om vraagt. </al><al/><al>De maatregelen die worden opgelegd hebben als doel het gedrag van de
                            uitkeringsgerechtigde te veranderen. Dit heet een reparatoire
                            sanctie(maatregel). Er is echter één uitzondering. Dit is een maatregel
                            die wordt opgelegd als de betrokkene zich ernstig heeft misdragen. Deze
                            maatregel is duidelijk bedoeld als een straf. Dit heet een punitieve
                            sanctie.</al><al>Als een gedraging die leidt tot een reparatoire sanctie gepaard gaat met
                            een strafbaar feit dan kan ook aangifte worden gedaan. Dit kan tegelijk
                            omdat de opgelegde maatregel niet als straf wordt aangemerkt.</al><al/><al><onderstreept>Regionale samenwerking</onderstreept></al><al/><al>Er is sprake van een steeds verdergaande regionale samenwerking. Zo
                            werkt de gemeente samen met de Haaglanden gemeenten in de
                            werkgeversbenadering. Ook de uitvoeringsorganisatie Werkse! is gebaseerd
                            op een regionale samenwerking. De arbeidsmarkt gaat verder dan de grens
                            van de gemeente. Het is dan ook belangrijk dat de verschillende
                            gemeenten een zelfde uitstraling hebben richting alle werkgevers. Ook
                            wat betreft de op te leggen maatregelen indien cliënten (kandidaat
                            werknemers) hun re-integratie- en arbeidsverplichtingen niet of niet
                            voldoende nakomen. Deze maatregelverordening is dan ook in samenwerking
                            met de regiogemeenten (H4) tot stand gekomen.</al><al/><al><onderstreept>Vereenvoudiging</onderstreept></al><al/><al>Het opleggen van een maatregel vergt zorgvuldigheid. Belangrijk is dat
                            de regelgeving voor de uitvoering (maar ook voor cliënten) eenvoudig is.
                            Binnen deze verordening is het aantal categorieën van maatregelwaardig
                            gedrag (binnen de re-integratie- en arbeidsverplichtingen) teruggebracht
                            van 4 naar 2.</al><al>Tegelijk is voor wat betreft de hoogte van de maatregel ook gekozen voor
                            twee mogelijkheden, namelijk 30% en 100%. Deze maatregelverordening is
                            daarmee iets strenger dan de vorige verordening, maar past binnen de
                            bedoelingen van de overheid, om mensen ook middels meer maatregelen meer
                            te activeren. Bovendien is dit duidelijker naar de burger: zij weten op
                            deze wijze beter waar zij aan toe zijn. </al><al/><al/><al><onderstreept>Schenden van de inlichtingenplicht</onderstreept></al><al/><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet
                            werk en bijstand (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet
                            worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in
                            de plaats van de verlaging van de bijstand.</al><al/><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen
                            over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                            stellen bij verrekening van de recidiveboete. De gemeente doet dit in de
                            verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet.
                            IOAW en IOAZ. Deze verordening wordt apart aangeboden en is uitsluitend
                            technisch aangepast.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>TOELICHTING PER ARTIKEL</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al/><al>Niet alle begrippen die in deze verordening staan behoeven een nadere
                            toelichting. In principe hebben zij dezelfde betekenis als die in de
                            Participatiewet. Een aantal begrippen is toch nader omschreven.</al><al/><al><cursief>Individuele</cursief><cursief>inkomenstoeslag</cursief></al><al>De <cursief>individuele</cursief><cursief>inkomenstoeslag</cursief> is een onderdeel van de bijzondere
                            bijstand. Wanneer een uitkeringsgerechtigde geen uitkering voor
                            levensonderhoud ontvangt, kan iemand in uitzonderingsgevallen een
                            maatregel over de individuele inkomenstoeslag krijgen.</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie</cursief></al><al>De wet kent het begrip <cursief>tegenprestatie</cursief>. Dit zijn
                            onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden die het college een
                            uitkeringsgerechtigde kan opdragen. Dit is geregeld in artikel 9, eerste
                            lid, onderdeel c van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Een maatregel opleggen</vet></al><al/><al>Een uitkering wordt in principe slechts tijdelijk verstrekt. Immers,
                            iedereen die een uitkering ontvangt moet zijn best doen om zo snel
                            mogelijk weer financieel zelfstandig te zijn (verantwoordelijk zijn voor
                            de voorziening in het bestaan). </al><al/><al>Aan het recht op een uitkering zijn dan ook verplichtingen verbonden.
                            Deze kunnen worden onderverdeeld in:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende verantwoordelijkheidsbesef voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid van de
                                    Participatiewet.</al></li><li nr="2."><al>De plicht om mee te werken aan
                                        <cursief>arbeidsinschakeling</cursief> (artikel 9
                                    Participatiewet).</al></li></lijst><al>Deze plicht bestaat uit twee delen:</al><lijst><li nr="1."><al>De<cursief> arbeidsplicht</cursief>: de plicht om te proberen
                                    werk te krijgen en aan te nemen. Hiertoe hoort ook het
                                    inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf, tenzij
                                    iemand van die verplichting ontheven is. </al></li><li nr="2."><al>De<cursief> re-integratieplicht</cursief>: de plicht gebruik te
                                    maken van de re-integratiemogelijkheden van het college, en zich
                                    houden aan de afspraken die hierover zijn gemaakt. Het college
                                    houdt hierbij rekening met de persoonlijke situatie van een
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De re-integratieverordening die elke gemeenteraad moet vaststellen, is
                            de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke
                            verplichtingen. Deze verplichtingen staan in het besluit dat een
                            uitkeringsgerechtigde van het college ontvangt. Daarnaast staan er in de
                            Participatiewet nog enkele nieuwe verplichtingen, de zgn. geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen.</al><al>Voor jongeren tot 27 jaar gelden op dit punt nog enkele specifieke
                            verplichtingen. Een van de verplichtingen is dat de jongere tijdens de
                            zoekperiode van vier weken de plicht heeft om aantoonbaar te zoeken naar
                            werk. Ook moet hij de mogelijkheden onderzoeken om een opleiding te
                            volgen in het reguliere onderwijs. </al><lijst><li nr="1."><al>De <cursief>medewerkingsplicht</cursief> (artikel 17, tweede lid
                                    Participatiewet).</al></li></lijst><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde medewerking vragen voor de
                            uitvoering van de wet, bijvoorbeeld doordat een
                            uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="1."><al>toestemming geeft voor een huisbezoek;</al></li><li nr="2."><al>meewerkt aan een psychologisch of sociaal medisch
                                    onderzoek.</al></li><li nr="3."><al>Het meewerken aan een <cursief>tegenprestatie</cursief>.</al></li></lijst><al>Het college kan de uitkeringsgerechtigde opdragen als tegenprestatie
                            naar vermogen voor een uitkering bepaalde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te doen. Indien de uitkeringsgerechtigde dit krijgt
                            opgedragen is hij verplicht deze werkzaamheden naar behoren uit te
                            voeren. Het gemeentelijk beleid hieromtrent is vastgelegd in de
                            verordening tegenprestatie (art. 9, eerste lid onder c van de
                            Participatiewet).</al><al/><al>Artikel 18, tweede lid Participatiewet beschrijft een bijzondere
                            overtreding, namelijk de uitkeringsgerechtigde mag zich niet misdragen
                            tegenover het college en zijn medewerkers.</al><al/><al>De <cursief>informatieplicht</cursief> (artikel 17, eerste lid
                            WWB).</al><al>Naast de eerder genoemde verplichtingen is er ook de informatieplicht.
                            Een uitkeringsgerechtigde is verplicht het college te informeren over
                            zaken die van invloed kunnen zijn op het re-integratieproces of het
                            recht op bijstand. Hij moet zo'n verandering binnen twee weken
                            doorgeven; hiervoor is een wijzigingsformulier beschikbaar. Ook digitaal
                            kunnen wijzigingen worden doorgegeven. Het schenden van de
                            informatieplicht valt echter niet meer onder deze maatregelverordening.
                            Met de invoering van de Fraudewet (1-1-2013) moet bij een overtreding
                            van de informatieplicht een boete worden opgelegd (en dus geen
                            maatregel). </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Als de uitkeringsgerechtigde zijn verplichtingen niet of niet in
                            voldoende mate nakomt dat legt het college een maatregel op. Het
                            opleggen van een maatregel is niet vrijblijvend. De wet schrijft voor
                            dat het college verplicht is een maatregel op te leggen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Het college accepteert niet dat uitkeringsgerechtigden zich misdragen
                            tegenover het college of tegenover anderen die belast zijn met de
                            uitvoering van deze wet. In die gevallen legt zij een maatregel op. Meer
                            hierover staat in artikel 15 van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Heeft iemand al eerder een maatregel gehad? Dan kan dat reden zijn om de
                            maatregel te verzwaren. Het college houdt hier dus rekening mee.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>In de maatregelenverordening staan standaardmaatregelen voor
                            verschillend gedrag. Het gaat hier om uitkeringsgerechtigden die zich
                            niet aan hun verplichtingen houden. Zo’n standaardmaatregel kan een
                            vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm zijn voor een vaste
                            periode.</al><al>In dit derde lid staat de hoofdregel: het college houdt bij het opleggen
                            van een maatregel rekening met de persoonlijke situatie van een
                            uitkeringsgerechtigde. Daarbij moet zij rekening houden met de gevolgen
                            van de maatregel. Tegelijk mag het feit dat de betrokkene mogelijk
                            financiële problemen ondervindt niet de reden zijn om af te zien van een
                            maatregel.</al><al/><al>Het college kan van de hoogte en de duur van de standaardmaatregel
                            afwijken, als dat nodig is. Zij kan er voor kiezen om een zwaardere of
                            lichtere maatregel op te leggen.</al><al/><al>Bij het vaststellen of een uitkeringsgerechtigde een maatregel krijgt
                            opgelegd, doorloopt het college twee stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>vaststellen van de ernst van het gedrag;</al></li><li nr="2."><al>vaststellen van de omstandigheden van een
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al/><al>Hoe ernstig het maatregelwaardig gedrag is, bepaalt de hoogte en de duur
                            van de maatregel. Bij de geüniformeerde verplichtingen wordt niet meer
                            getoetst aan de mate van verwijtbaarheid. </al><al/><al>Persoonlijke omstandigheden kunnen van invloed zijn op de hoogte van een
                            maatregel. Een minder zware maatregel kan een uitkeringsgerechtigde
                            bijvoorbeeld krijgen:</al><lijst><li nr="1."><al>als er bijzondere financiële omstandigheden zijn, zoals hoge
                                    woonlasten of andere vaste lasten, of uitgaven waarvoor geen
                                    financiële tegemoetkoming is;</al></li><li nr="2."><al>bij sociale omstandigheden, zoals: gezinnen met ten laste
                                    komende kinderen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Voor de niet-geüniformeerde verplichtingen gelden nog de oude
                            bepalingen. In deze gevallen toets de gemeente wel op de mate van
                            verwijtbaarheid, de ernst van het feit en de omstandigheden waarin de
                            betrokkene verkeert.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Een maatregel berekenen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het college legt een maatregel op over de bijstandsnorm. De
                            bijstandsnorm is het bedrag dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Dit
                            bedrag is gebaseerd op iemands leefsituatie. Bijvoorbeeld: de leeftijd
                            van een uitkeringsgerechtigde, of er kinderen zijn, of iemand samenwoont
                            of niet. Het college legt de maatregel op over de bijstandsnorm
                            inclusief het vakantiegeld. In het kader van de overgangsregeling voor
                            lopende zaken kan dit zijn inclusief de gemeentelijke toeslag of
                            verlaging (tot 1-7-2015). Een maatregel is een bepaald percentage van de
                            bijstandsnorm. Een maatregel wordt altijd opgelegd voor een bepaalde
                            tijd.</al><al/><al>In een enkel geval wordt de maatregel vastgesteld op basis van het
                                <cursief>benadelingsbedrag</cursief>. Dat is het bedrag dat een
                            uitkeringsgerechtigde ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen. Het kan
                            ook het bedrag zijn dat het college aan bijstand moet betalen doordat de
                            uitkeringsgerechtigde door eigen toedoen geen gebruik kan maken van een
                            voorliggende voorziening. De hoogte van de maatregel hangt af van het
                            benadelingsbedrag.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Doorgaans legt het college een maatregel op in de toekomst, namelijk
                            nadat het besluit is genomen om een maatregel op te leggen. Kan dat
                            niet, bijvoorbeeld doordat een uitkeringsgerechtigde zijn uitkering al
                            heeft ontvangen of geen uitkering meer ontvangt? Dan kan het college een
                            maatregel ook met terugwerkende kracht opleggen, dus in het
                            verleden.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De basis voor de maatregel is de bijstandsnorm die geldt in de periode
                            waarover de maatregel wordt opgelegd. Soms kan het college een maatregel
                            opleggen op basis van artikel 12 van de wet. Dit is een apart artikel
                            waarmee het college in sommige gevallen uitwonende jongeren van 18 tot
                            21 jaar een aanvulling kan geven op hun inkomen. Legt het college alleen
                            over de lage uitkeringsnorm voor jongeren een maatregel op, dan zou dit
                            oneerlijk zijn tegenover uitkeringsgerechtigden die ouder zijn 21 jaar.
                            Met deze verordening kan het college ook een maatregel opleggen op de
                            extra aanvulling voor deze jongeren.</al><al/><al>In heel bijzondere gevallen kan het college een maatregel opleggen op de
                            individuele inkomenstoeslag (artikel 36 Participatiewet). Dit is een
                            vorm van bijzondere bijstand. <cursief>Bijzondere bijstand</cursief> is
                            een soort gemeentelijk fonds waarop uitkeringsgerechtigden een beroep
                            kunnen doen. Bijvoorbeeld als iemand door persoonlijke bijzondere
                            omstandigheden extra kosten moeten maken en zij deze kosten niet kunnen
                            betalen.</al><al>Een bijzondere situatie doet zich bijvoorbeeld voor als iemand zich bij
                            het aanvragen hiervan ernstig misdraagt. </al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 4 Besluit bij opgelegde maatregel</vet></al><al/><al>De maatregel om de uitkering te verlagen, legt het college op met een
                            besluit. Wanneer het college een maatregel over een lopende uitkering
                            oplegt, dan is de basis daarvoor artikel 45 van de Participatiewet,
                            samen met artikel 18, tweede lid van de Participatiewet. Legt het
                            college een maatregel op met terugwerkende kracht, dan is de basis
                            daarvoor artikel 54, derde lid van de Participatiewet. Het college
                            bekijkt dan opnieuw het recht op een uitkering.</al><al/><al>Is de uitkeringsgerechtigde het niet eens met de maatregel, dan kan hij
                            bezwaar maken. Een onafhankelijke commissie bekijkt het besluit dan
                            nogmaals. Deze commissie adviseert vervolgens het college, dat dan
                            opnieuw een besluit neemt. Is de uitkeringsgerechtigde het ook hier niet
                            mee eens, dan kan hij in beroep gaan bij de rechtbank.</al><al/><al>Het college moet een uitkeringsgerechtigde altijd informeren over een
                            besluit. Deze eisen staan in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij
                            moet het besluit ook altijd toelichten en uitleggen aan een
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al><vet>Artikel 5 De belanghebbende horen</vet></al><al/><al>Voordat het college de beschikking opstelt, moet zij de
                            uitkeringsgerechtigde soms vragen om zijn kant van het verhaal te
                            vertellen (‘hem horen’). Dat heet <cursief>hoorplicht</cursief>. Dit
                            staat in artikel 4:7 van de Awb.</al><al>In het tweede lid staan een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            uitzonderingen onder a en b staan ook in de Awb. Vaak zijn er meer
                            redenen om iemand niet te horen. Dan gaat het vaak om het niet
                            verschijnen op een oproep. </al><al/><al>Het is mogelijk dat een cliënt geen gebruik wil maken van de
                            mogelijkheid om zijn kant van het verhaal te vertellen. Ziet de cliënt
                            hier vanaf, dan zal het college op grond van deze verordening een
                            besluit nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Maatregel toch niet opleggen</vet></al><al/><al>In dit artikel staat wanneer het college geen maatregel oplegt.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het college legt geen maatregel op, als een uitkeringsgerechtigde niets
                            verweten wordt. Een andere reden is dat het gedrag te lang geleden heeft
                            plaatsgevonden (dat heet <cursief>verjaring</cursief>). De maatregel
                            moet namelijk wel effectief zijn (‘lik op stuk’), daarom legt het
                            college een maatregel zo snel mogelijk op nadat het gedrag plaatsvond.
                            Onder b staat daarom dat het opleggen van een maatregel moet worden
                            opgelegd binnen één jaar nadat de het college erachter is gekomen dat er
                            sprake is van maatregelwaardig gedrag.</al><al/><al>In de oude verordening stond bij alle maatregelen het college rekening
                            moest houden met de mate van verwijtbaarheid. Het is wel, maar niet
                            helemaal verwijtbaar. In deze nieuwe wet kan dit alleen maar bij de
                            oude, niet-geüniformeerde verplichtingen. Dat staat ook in deze
                            verordening. </al><al>Voor de nieuwe, zgn. geüniformeerde verplichtingen geldt dat dit niet
                            meer kan. We houden dan alleen nog maar rekening met of er überhaupt
                            sprake is van verwijtbaarheid. Een mogelijke verminderde verwijtbaarheid
                            wordt niet getoetst.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het college hoeft geen maatregel op te leggen wanneer er ‘dringende
                            redenen’ zijn. Wat dat betekent, hangt van de situatie af.</al><al/><al><cursief>Derde en vierde lid</cursief></al><al>Het college laat een uitkeringsgerechtigde per brief weten dat hij geen
                            maatregel krijgt, als er sprake is van dringende redenen. Dat is
                            belangrijk, als de uitkeringsgerechtigde het gedrag herhaalt dat
                            aanleiding gaf tot het overwegen van de maatregel
                                (<cursief>recidive</cursief>).</al><al/><al>Het college moet zo goed mogelijk informeren over de verplichtingen die
                            bij de bijstand horen. Uitkeringsgerechtigden moeten persoonlijk en op
                            maat geïnformeerd worden.</al><al/><al>Let op. Om te voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde het gedrag
                            herhaalt, wordt de gematigde maatregel wel officieel gezien als een
                            echte maatregel. </al><al/><al><vet>Artikel 7 Hoe de maatregel wordt opgelegd</vet></al><al/><al>Wat houdt de maatregel in en wanneer wordt hij opgelegd?</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De maatregel houdt in het tijdelijk verlagen van de uitkering. Dit kan
                            op twee manieren. Het college verlaagt het uitkeringsbedrag</al><lijst><li nr="1."><al>in de eerstvolgende maand of maanden, of</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, dus in het verleden, door de uitkering
                                    opnieuw te bekijken en te beoordelen.</al></li></lijst><al/><al>Het in de toekomst verlagen van de uitkering is de gemakkelijkste
                            manier. Het college hoeft de bijstand dan niet opnieuw te bekijken en te
                            beoordelen om vervolgens het bedrag van de maatregel terug te eisen. Het
                            college legt de maatregel zo snel mogelijk op (‘lik op stuk’). Een
                            uitkeringsgerechtigde krijgt zo snel mogelijk na het verwijtbare gedrag
                            bericht van het college. Dat kan alleen als het college de uitkering
                            over (dat deel van) de maand nog niet heeft betaald. Wanneer zij de
                            uitkering al heeft betaald, moet een uitkeringsgerechtigde (een deel
                            van) het geld van die uitkering terugbetalen. Dat is niet handig en
                            moeilijk uit te voeren. Het college lost dit op door de maatregel dan op
                            te leggen vanaf de eerste dag van de volgende maand.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>Het college kan beslissen om de maatregel op te leggen op de bijzondere
                            bijstand die iemand ontvangt op grond van artikel 12 van de wet. Dit
                            geldt bijna alleen voor zelfstandig wonende jongeren. Wanneer een
                            maatregel wordt opgelegd op de bijzondere bijstand, is deze net zo hoog
                            en duurt deze net zo lang als de maatregel op de algemene bijstand.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Soms merkt het college maatregelwaardig gedrag pas op nadat de uitkering
                            is gestopt of ingetrokken. Dan kan het college achteraf een maatregel
                            opleggen.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Soms is er op het moment dat iemand een aanvraag indient al sprake van
                            maatregelwaardig gedrag. Bijvoorbeeld omdat iemand uit eigen beweging
                            zijn werk heeft opgezegd. In die gevallen kan de gemeente al direct bij
                            de start van de uitkering een maatregel opleggen</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Soms kan het college een maatregel niet uitvoeren omdat een uitkering is
                            gestopt. Zij kan de maatregel dan alsnog opleggen. Dat kan wanneer een
                            uitkeringsgerechtigde binnen een jaar opnieuw bijstand ontvangt. Hij
                            ontvangt dan een brief waarin staat dat hij alsnog een maatregel
                            opgelegd kan krijgen. Het daadwerkelijke besluit voor zo’n maatregel
                            neemt het college pas wanneer een uitkeringsgerechtigde opnieuw bijstand
                            aanvraagt.</al><al/><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Soms kan het college een maatregel niet uitvoeren omdat het bedrag aan
                            bijstand te laag is. Bijvoorbeeld wanneer de uitkering een aanvulling is
                            op andere inkomsten, zoals alimentatie. Het college kan dan besluiten om
                            de maatregel over verschillende maanden te verdelen. Hiermee voorkomt
                            zij dat er rechtsongelijkheid ontstaat.</al><al/><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>Het college kan soms een maatregel voor langer dan drie maanden
                            opleggen. Zij moet de maatregel dan na die drie maanden opnieuw
                            beoordelen. Dat staat in artikel 18, derde lid Participatiewet. Een
                            officieel besluit is daarbij niet nodig. Het college hoeft niet alle
                            feiten en omstandigheden opnieuw te bekijken, maar alleen of het
                            redelijk is dat de maatregel voortduurt. Daarbij kan zij rekening houden
                            met de persoonlijke omstandigheden van een uitkeringsgerechtigde, maar
                            ook of diegene zich wel aan zijn verplichtingen houdt.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</vet></al><al/><al>Een uitkeringsgerechtigde kan op min of meer hetzelfde moment op
                            verschillende manieren de regels overtreden. Dan geldt de regeling voor
                            samenloop. Overtreedt een uitkeringsgerechtigde tegelijk verschillende
                            regels of verplichtingen door hetzelfde gedrag? Dan geldt het gedrag
                            waarvoor de zwaarste maatregel geldt</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2: De niet-geüniformeerde verplichtingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9: Het niet nakomen van de niet-geüniformeerde
                                verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en
                                tegenprestatie.</vet></al><al/><al>De wet heeft een aantal verplichtingen vastgesteld waaraan de betrokkene
                            moet voldoen. Deze verplichtingen inclusief de wettelijk vastgestelde
                            maatregel (de zgn. geüniformeerde arbeidsverplichtingen) zijn beschreven
                            in artikel 11 van deze verordening. Dit artikel betreft de overige
                            verplichtingen. De verplichtingen in dit artikel zijn de zgn.
                            niet-geüniformeerde verplichtingen welke deels zijn afgeleid uit de wet
                            en deels door de gemeente zelf worden opgelegd.</al><al/><al>Werkt een uitkeringsgerechtigde niet of niet genoeg mee aan het aan het
                            werk gaan of blijven? Het (maatregelwaardig) gedrag dat daarbij hoort,
                            verdeelt de Raad in twee categorieën. De zwaarte van het gedrag bepaalt
                            in welke categorie een uitkeringsgerechtigde valt. Hoe meer het gedrag
                            bijdraagt aan het niet aan het werk gaan of blijven, hoe zwaarder de
                            categorie.</al><al>Bij het opleggen van verplichtingen en maatregelen houdt het college zo
                            veel mogelijk rekening met de persoonlijke situatie van een
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al><cursief>Categorie 1, </cursief></al><al><cursief>Deze categorie omvat de volgende verplichtingen:</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>de formele, officiële verplichting voor uitkeringsgerechtigden
                                    om zich in te schrijven als werkzoekende bij het UWV
                                    WERKbedrijf. En ook om de inschrijving op tijd te
                                    verlengen.</al></li><li nr="2."><al>een uitkeringsgerechtigde moet meewerken aan een onderzoek om
                                    zijn / haar mogelijkheden te onderzoeken om (weer) aan het werk
                                    te gaan. </al></li><li nr="3."><al>een uitkeringsgerechtigde moet zich ook houden aan de regels
                                    over ziek- en betermelding. Het college en de
                                    re-integratiepartners informeren een uitkeringsgerechtigde op
                                    verschillende momenten over deze regels. Het niet komen opdagen
                                    bij afspraken valt onder categorie 1.</al></li><li nr="4."><al>voor jongeren geldt als specifieke bepaling dat een Plan van
                                    Aanpak wordt opgemaakt. Cliënt moet meewerken aan het opstellen
                                    hiervan. Maar ook het evalueren en het uitvoeren van het
                                    plan.</al></li><li nr="5."><al>voor personen tot 27 jaar geldt sinds 1 januari 2012 een
                                    ‘zoekperiode’ van vier weken. Dit houdt in dat hij pas na vier
                                    weken aanspraak kan maken op ondersteuning en/of een uitkering ;
                                    het college registreert daarom de datum van melding. Tijdens
                                    deze zoekperiode moet de jongere:</al><lijst><li nr="1."><al>aantoonbaar op zoek gaan naar werk;</al></li><li nr="2."><al>aantoonbaar onderzoeken wat zijn mogelijkheden zijn voor
                                            het volgen van onderwijs.</al></li></lijst></li></lijst><al>Heeft de jongere zich in deze zoekperiode niet ingespannen, dan wordt de
                            aanvraag om een uitkering niet in behandeling genomen en start een
                            nieuwe zoekperiode.. Heeft de jongeren bijna alles , maar onvoldoende
                            gedaan, dan kan wel een uitkering worden verstrekt, maar met een
                            maatregel. </al><lijst><li nr="1."><al>een cliënt moet zijn best doen om aan het werk te gaan. Doet hij
                                    dat niet voldoende? Dit is gedrag dat past binnen deze
                                    categorie.</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende of onbehoorlijk meewerken aan de door het
                                    college opgedragen tegenprestatie wordt gerekend tot deze,
                                    eerste categorie.</al></li><li nr="3."><al>uitkeringsgerechtigden moeten op tijd op een afspraak komen.
                                    Bijvoorbeeld om te zien of de bijstand nog van toepassing is, of
                                    om te zien of hij genoeg doet om (weer) aan het werk te gaan.
                                    Dit geldt voor alle afspraken of oproepen die het college en
                                    haar partners doen voor het uitvoeren van deze wet. Komt een
                                    uitkeringsgerechtigde niet op een afspraak? Dan is dit
                                    maatregelwaardig gedrag dat valt onder categorie 1.</al></li></lijst><al>Dit geldt ook voor afspraken die het college maakt met de cliënt om op
                            een bepaald moment contact op te nemen met de gemeente. Dit kan
                            mondeling aan de balie, maar ook schriftelijk of telefonisch. Ook dit
                            soort gevallen wordt aangemerkt als een vorm van “het niet nakomen van
                            afspraken”. Het verwijtbaar niet voldoen aan deze afspraken wordt gezien
                            als maatregelwaardig gedrag binnen categorie 1. </al><lijst><li nr="1."><al>artikel 9, eerste lid onder b schrijft voor dat de betrokkene
                                    gebruik moet maken van voorzieningen die door het college worden
                                    aangeboden, zoals sociale activering, onderzoek naar de
                                    mogelijkheden van arbeidsinschakeling of scholing. Doet de
                                    cliënt dit niet dan is er sprake van maatregelwaardig gedrag
                                    volgens categorie 1.</al></li><li nr="2."><al>het college kan ook als bijzondere verplichting opleggen dat de
                                    cliënt zich onder medische behandeling stelt. Dit is geregeld in
                                    artikel 55 van de wet. </al></li><li nr="3."><al>bij uitkeringsaanvragen geldt een inspanningsperiode van 4
                                    weken. Gedurende deze inspanningsperiode, direct na de aanvraag
                                    wordt de aanvrager enkele specifieke verplichtingen opgelegd.
                                    Deze verplichtingen zijn afgestemd op de individuele
                                    omstandigheden en de mogelijkheden van de aanvrager. De
                                    verplichtingen zijn gericht op een zo snel mogelijke
                                    werkaanvaarding en/of het vergroten van de mogelijkheden tot
                                    participatie. Immers, vanaf het moment dat een belanghebbende
                                    zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen zijn direct
                                    alle verplichtingen op hem van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>de verplichtingen legt het college (in samenspraak met de
                                    belanghebbende) vast in een overeenkomst die door beide partijen
                                    (ten minste voor gezien) wordt ondertekend. De verplichtingen
                                    die worden opgelegd zijn een onderdeel van de in de wet
                                    opgenomen meewerkingsplicht en de re-integratieplicht. Het
                                    onvoldoende nakomen van deze verplichtingen wordt gerekend tot
                                    deze eerste categorie.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Categorie 2</cursief></al><al>In categorie 1 werd bij een aantal verplichtingen gesproken over het
                            onvoldoende nakomen van de verplichting. In categorie 2 worden enkele
                            gedragingen benoemd waarin de betrokkene geheel niet zijn verplichtingen
                            nakomt. Dit zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet proberen algemeen geaccepteerd werk te vinden (voor
                                    zover dit niet past in artikel 11);</al></li><li nr="2."><al>het geheel niet voldoen aan het verrichten van een
                                    tegenprestatie.;</al></li><li nr="3."><al>direct na de melding om een aanvraag krijgt de betrokkene een
                                    aantal specifieke verplichtingen opgelegd. Deze verplichtingen
                                    zijn primair gericht op een zo snel mogelijke
                                    arbeidsinschakeling, zoals het inschrijven bij een of meerdere
                                    uitzendbureaus , het bijwerken van het CV, het verrichten van
                                    een aantal sollicitaties etc. Als de betrokkene hierin
                                    onvoldoende doet, dan is de eerste categorie van toepassing.
                                    Doet de betrokkene niets, dan is er sprake van de tweede
                                    categorie.</al></li><li nr="4."><al>in principe heeft de jongere geen recht op een uitkering als hij
                                    regulier onderwijs kan volgen. Toch zijn er situaties dat de
                                    jongere verwijtbaar niet deelneemt aan het onderwijs, terwijl
                                    het niet wenselijk is om de jongeren een uitkering te weigeren.
                                    In deze situaties legt het college dan een maatregel op.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 10 Hoogte en duur van de maatregel bij het schenden van de
                                niet- geüniformeerde verplichtingen</vet></al><al/><al>In artikel 9 is beschreven dat de gemeente nog maar twee categorieën
                            heeft van maatregelwaardig gedrag bij de zgn. niet-geüniformeerde
                            verplichtingen. De standaard maatregel is als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>voor gedragingen vallend in de eerste categorie is dit 30% van
                                    de bijstandsnorm;</al></li><li nr="2."><al>voor gedragingen zoals bedoeld in de tweede categorie is dit
                                    100% van de bijstandsnorm.</al></li></lijst><al/><al>Niet in alle gevallen hebben maatregelen het gewenste effect. Soms gaat
                            de betrokkene door met het maatregelwaardig gedrag, of doet hij het na
                            korte tijd weer. Dan is er sprake van recidive. In die gevallen wordt
                            opnieuw, maar dan wel een zwaardere maatregel opgelegd.</al><al/><al>Voor gedragingen uit de eerste categorie is dit 100% gedurende één
                            maand. Voor gedragingen in de tweede categorie is dit 100% gedurende 2
                            maanden.</al><al/><al>Is er daarna weer sprake van recidive? Dan wordt de maatregel weer
                            zwaarder. Oplopend tot 3 maanden 100% van de bijstandsnorm.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3: De geüniformeerde verplichtingen </vet></al><al/><al><vet>Artikel 11 Het niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen
                                met betrekking tot de arbeidsinschakeling.</vet></al><al/><al>De regering heeft er voor gekozen een aantal verplichtingen, met de
                            bijbehorende maatregel op te nemen in de wet. Deze staan in artikel 18,
                            vierde lid van de wet. Deze verplichtingen, die de geüniformeerde
                            verplichtingen worden genoemd, zijn deels bekend, maar deels ook
                            nieuw.</al><al/><al>Deze verplichtingen hebben allemaal te maken met de arbeids- en
                            re-integratieplicht. Deze verplichtingen betreffen:</al><lijst><li nr="1."><al>het behouden en aanvaarden van werk,</al></li><li nr="2."><al>het ingeschreven staan bij een uitzendbureau,</al></li><li nr="3."><al>als men gaat verhuizen naar een andere gemeente eerst proberen
                                    werk te vinden in de nieuwe gemeente,</al></li><li nr="4."><al>voor het verkrijgen van werk wordt een reistijd van 3 uur per
                                    dag acceptabel geacht,</al></li><li nr="5."><al>bereid te zijn te verhuizen naar een andere gemeente als iemand
                                    daar werk kan krijgen,</al></li><li nr="6."><al>het behouden van kennis en vaardigheden,</al></li><li nr="7."><al>je zodanig te kleden en te gedragen zodat dit geen belemmering
                                    is voor het verkrijgen van werk,</al></li><li nr="8."><al>het gebruik maken van een voorziening.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Als de uitkeringsgerechtigde één van deze verplichting niet nakomt dan
                            moet het college een maatregel opleggen. De hoogte van de maatregel is
                            100% van de uitkeringsnorm gedurende 1 maand. Dit staat in artikel 18,
                            vijfde lid van de wet. Het is mogelijk deze maatregel te spreiden over
                            een periode van drie maanden. Dit doen we alleen als er zwaarwegende
                            redenen zijn om de maatregel niet in 1 keer uit te voeren.</al><al/><al><cursief>Derde tot en met vijfde lid</cursief></al><al>Ook in deze gevallen is het mogelijk dat de uitkeringsgerechtigde blijft
                            volhouden in zijn maatregelwaardig gedrag. In het derde tot en met het
                            vijfde lid staat hoe het college in deze gevallen handelt. Ook deze
                            bepalingen komen uit de wet (artikel 18, lid 6 tot en met 8 van de
                            Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Zesde en zevende lid</cursief></al><al>De uitkeringsgerechtigde die op basis van dit artikel een maatregel
                            kreeg, kan als hij ondubbelzinnig aantoont, en laat blijken uit zijn
                            houding en gedrag daarna wel de geüniformeerde arbeidsverplichtingen na
                            te komen, kan het college verzoeken de maatregel te herzien. Het college
                            is bereid hier aan te voldoen. In het zevende lid is vastgelegd dat het
                            college dat niet doet in de eerste maand van de opgelegde maatregel. Dat
                            betekent dat een herzieningsverzoek pas aan de orde zal zijn bij een
                            recidive.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4: Overige gedragingen die leiden tot een
                            maatregel</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12 Ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al/><al>Als een uitkeringsgerechtigde of een gezin een uitkering krijgt, moet
                            duidelijk zijn dat hij voldoende verantwoordelijkheidsbesef toont. Maar
                            ook voordat een uitkering wordt moet iemand voldoende
                            verantwoordelijkheidsbesef hebben. hebben getoond. Dat dit niet
                            voldoende is, kan onder meer blijken uit:</al><lijst><li nr="1."><al>geen of een te late aanvraag doen voor een andere uitkering of
                                    regeling die extra of hoge kosten vergoedt (voorliggende
                                    voorziening);</al></li><li nr="2."><al>onverantwoordelijk omgaan met spaargeld;</al></li><li nr="3."><al>het verwijtbaar verliezen, niet behouden of niet verkrijgen van
                                    inkomsten, zoals het eisen van de maximale alimentatie.</al></li></lijst><al/><al>Als een uitkeringsgerechtigde onvoldoende besef heeft van zijn eigen
                            verantwoordelijkheid voor de kosten van bestaan, en daarmee de kosten
                            van zijn bestaan afwendt op de bijstand dan is er sprake van
                            maatregelwaardig gedrag.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Doet de betrokkene eerder een beroep op bijstand, omdat hij door eigen
                            toedoen geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, dan
                            wordt een maatregel opgelegd van 100% van de norm gedurende 1 maand. De
                            betrokkene doet dan immers eerder dan nodig een aanvraag om bijstand.
                            Indien binnen een periode van 12 maanden belanghebbende dezelfde
                            weer/nog niet nakomt wordt de maatregel verdubbeld.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De fraudewet verplicht gemeenten en veel andere uitvoeringsorganisatie
                            bij fraude een bestuurlijke boete op te leggen. Als de betrokkene om die
                            reden onvoldoende geld heeft, en om die reden een beroep doet op
                            bijstand, wordt dit ook aangemerkt als een ongenoegzaam besef van
                            verantwoordelijkheid. Ook in deze gevallen worden een maatregel opgelegd
                            van 100% gedurende 1 maand.</al><al/><al><cursief>Vierde en Vijfde lid</cursief></al><al>In sommige gevallenweet iemand met spaargeld dat hij in de nabije
                            toekomst een beroep zal moeten doen op een uitkering. Betrokkene moet
                            dit zo lang mogelijk uitstellen. De gemeente hanteert hiervoor bepaalde
                            regels. Maakt de betrokkene zijn geld toch eerder op, en is dit naar het
                            oordeel van de gemeente op een onverantwoorde manier gebeurd, dan legt
                            de gemeente een maatregel op. De hoogte van de maatregel is gebaseerd op
                            het bedrag dat de betrokkene naar het oordeel van het college te snel
                            heeft ingeteerd.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Ook bij deze maatregel geldt een recidivebepaling. Als de betrokkene
                            binnen een periode van 12 maanden opnieuw het zelfde maatregelwaardig
                            gedrag laat zien, dan wordt een zwaardere maatregel opgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 13: Inburgeringsplicht</vet></al><al/><al>Een uitkeringsgerechtigde is soms volgens de wet niet officieel
                            inburgeringsplichtig, maar <cursief>inburgeringsbehoeftig</cursief>. Dat
                            betekent dat een uitkeringsgerechtigde niet verplicht is om in te
                            burgeren. Is iemand niet inburgeringsplichtig, maar
                            inburgeringsbehoeftig, en zijn hier duidelijke afspraken over gemaakt in
                            het re-integratieplan, dan is de uitkeringsgerechtigde toch verplicht
                            zich aan de afspraken te houden. Houdt hij zich daar niet aan? Dan
                            krijgt hij een maatregel opgelegd.</al><al>Om rechtsongelijkheid te voorkomen wordt met deze verordening de op te
                            leggen maatregel net zo hoog als de boete bij mensen die
                            inburgeringsplichtig zijn, maar geen uitkering ontvangen. De maatregel
                            is in dit geval geen percentage van de uitkering, maar een vast bedrag.
                            De hoogte van de boete regelt de gemeente in een andere
                                verordening<cursief>.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 14: Bijzondere verplichting op grond van artikel 57
                                Participatiewet</vet></al><al/><al>In artikel 57 van de wet staat dat wanneer een uitkeringsgerechtigde of
                            een gezin een uitkering ontvangt, het college hem kan verplichten om mee
                            te doen aan budgetbeheer. Het college kan ook namens een
                            uitkeringsgerechtigde bepaalde betalingen (bijvoorbeeld voor de vaste
                            lasten) doen, als zij denkt dat hij dat zelf niet kan. Als een
                            uitkeringsgerechtigde of gezin weigert mee te werken, kan het college
                            een maatregel opleggen.</al><al>De hoogte van de maatregel is 30% gedurende 1 maand. </al><al/><al>In het tweede lid van dit artikel staat een bepaling voor het geval de
                            betrokkene binnen 12 maanden weer niet meewerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het college verstaat onder <cursief>zeer ernstige misdragingen</cursief>
                            diverse soorten agressief gedrag. Het moet gaan om verwijtbaar gedrag of
                            opzet, en gedrag dat normaal gesproken als onacceptabel gezien
                            wordt.</al><al/><al>Het college kan een maatregel opleggen, als er een verband is tussen het
                            ernstige gedrag en eventuele belemmering bij het uitvoeren van de wet.
                            Daarom staat er in dit artikel dat het zeer ernstige gedrag rechtstreeks
                            verband moeten houden met de uitvoering van de wet.</al><al/><al>Artikel 9, zesde lid van de wet heeft het over ‘het zich jegens het met
                            de uitvoering van de wet belaste personen en instanties. Dit gaat verder
                            dan onder de WWB. Toen gold deze bepaling alleen voor (zeer) agressief
                            gedrag tegenover medewerkers van het college (de
                                gemeente<onderstreept>)</onderstreept> .</al><al/><al>Stelt het college een maatregel vast wanneer een uitkeringsgerechtigde
                            of een van zijn gezinsleden zich ernstig heeft misdragen? Dan moet zij
                            daarbij rekening houden met de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van een
                            uitkeringsgerechtigde of het gezin.</al><al/><al>Voor het vaststellen van de ernst van het gedrag is een indeling
                            gemaakt, waarbij 1 het minst ernstig is en 6 het ernstigst:</al><lijst><li nr="1."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="2."><al>discriminatie;</al></li><li nr="3."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk, dreigen);</al></li><li nr="4."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen, kapot maken van
                                    spullen);</al></li><li nr="5."><al>mensgericht fysiek geweld (slaan, schoppen);</al></li><li nr="6."><al>een combinatie van deze agressievormen.</al></li></lijst><al/><al>Om te zien hoe verwijtbaar het gedrag is, kijkt het college naar de
                            omstandigheden op het moment van het gedrag. Het is belangrijk om een
                            onderscheid te maken tussen ‘instrumenteel geweld’ en
                            ‘frustratiegeweld’. <cursief>Instrumenteel geweld</cursief> is wanneer
                            een uitkeringsgerechtigde het geweld met opzet gebruikt om een bepaald
                            doel te bereiken, bijvoorbeeld een uitkering ontvangen.
                                <cursief>Frustratiegeweld</cursief> is geweld dat een
                            uitkeringsgerechtigde gebruikt door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke. De mate van verwijtbaarheid bij
                            instrumenteel geweld is groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat los van het doen van aangifte bij
                            de politie. Het college legt een maatregel op, en de functionaris tegen
                            wie de agressie zich richtte, kan aangifte doen bij de politie.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel in deze situaties kan samengaan met een
                            toegangsverbod voor gebouwen van de gemeente.</al><al/><al>De maatregel bedraagt in deze gevallen ten minste 30% van de
                            uitkeringsnorm.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In lid twee en drie staat welke maatregel een uitkeringsgerechtigde
                            krijgt wanneer hij zich binnen twaalf maanden opnieuw ernstig
                            misdraagt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5: Handhavingsbeleid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 16: Handhavingsbeleid</vet></al><al/><al>In artikel 8 van de wet staat dat de gemeenteraad verplicht is om in een
                            verordening regels vast te stellen om te voorkomen dat een
                            uitkeringsgerechtigde of gezin ten onrechte bijstand ontvangt. Dit kan
                            met een aparte verordening. De gemeenteraad van Delft heeft deze regels
                            opgenomen in deze maatregelenverordening, omdat die ook al over
                            maatregelen bij fraude spreekt.</al><al/><al>In de verordening staat dat het college bij fraude het totale
                            benadelingsbedrag opeist van een uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al>Het vierde en vijfde lid gaan over eventueel nieuw beleid en nieuwe
                            regels. In de toekomst kan het college bij fraudevorderingen rente en
                            kosten berekenen. Een <cursief>fraudevordering</cursief> is geld dat een
                            uitkeringsgerechtigde moet terugbetalen omdat hij ten onrechte bijstand
                            heeft ontvangen. Het college zal hier later regels voor opstellen.</al><al/><al><vet>Artikel 17 en 18:</vet></al><al/><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college(of een ambtenaar die daarvoor
                            een mandaat heeft) een afwijkend besluit nemen.</al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 19: Overgangsrecht</vet></al><al/><al>Deze maatregelenverordening is anders dan de vorige. Bijvoorbeeld de
                            hoogte van de maatregel. Voor een aantal gedragingen is de zwaarte van
                            de maatregel aangepast. Bovendien zijn er nieuwe verplichtingen waar de
                            uitkeringsgerechtigde zich aan moet houden.</al><al>Daarom moet het college goed bekijken welke regel van toepassing is.
                            Bovendien moet zij verwarring proberen te voorkomen. Het moment van
                            verwijtbaar gedrag is leidend bij de vraag welke regels van toepassing
                            zijn.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Begon het maatregelwaardige gedrag vὸὸr het ingaan van deze verordening
                            en bestond het nog toen deze verordening inging? Dan geldt voor het
                            eerste besluit en voor een beslissing op bezwaar dat het college deze
                            toetst aan deze nieuwe verordening.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Om de rechtszekerheid te borgen, staat in het tweede lid dat het college
                            in sommige gevallen een vergelijking tussen de oude en de nieuwe
                            verordening moet maken. Een uitkeringsgerechtigde mag immers niet de
                            dupe zijn van zwaardere regels in de nieuwe verordening, als hij niet
                            eerder van de nieuwe regels op de hoogte was. Het college moet daarom de
                            hoogte van de maatregel verminderen tot het bedrag of percentage dat
                            staat in de oude verordening. Dit geldt alleen wanneer een
                            uitkeringsgerechtigde voor het maatregelwaardige gedrag onder de nieuwe
                            verordening een hogere maatregel zou krijgen.</al><al/><al><vet>Artikel 20 en 21:</vet></al><al/><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>