<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR353928_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Driehoek, 17 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nummer 14-08278</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Wierden;</vet></al><al/><al>Gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet;</al><al>Gelet op de bepalingen in de Belastingwetgeving en de
                        Werkkostenregeling;</al><al>Gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al>b e s l u i t:</al><al>de verordening ‘<vet>Verordening rechtspositie Wethouders, raads- en
                            commissieleden 2014’</vet> als volgt vast te stellen:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder;</al><al>Commissie: commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de</al><al>Gemeentewet;</al><al>Raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al><al>Fractievertegenwoordiging: een door een fractie voorgedragen en door de
                            raad</al><al>aangewezen vertegenwoordiger in een raadsdebat, niet zijnde
                            raadslid;</al><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van Binnenlandse
                            Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt 181;</al><al>Griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de</al><al>Gemeentewet;</al><al>Gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de</al><al>Gemeentewet;</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden- en commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Van de vergoeding bedoeld in artikel 2, eerstelid, van het
                            Rechstpositiebesluit raads- en commissieleden, wordt 20% uitgekeerd op
                            basis van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen afgezet tegen het
                            aantal gehouden vergaderingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie.</al><lijst><li nr="a."><al>Als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>Uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>Als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur vergoed.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel
                                                b<vet><cursief>,</cursief></vet> en artikel 5a van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijke gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente worden
                                aan het commissielid vergoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding is overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel
                                c, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid of commissielid aan
                                cursussen, congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk
                                belang door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd
                                komen voor rekening van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten van scholing die wordt georganiseerd door de
                                beroepsvereniging van raadsleden of door de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten komt altijd voor vergoeding door de gemeente
                                in aanmerking als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het
                                eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid of commissielid dat wil deelnemen aan een cursus,
                                congres, seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente
                                wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde
                                mondelinge aanvraag. Bij aanvraag wordt tevens inhoudelijke
                                informatie en een opgave van de kosten verstrekt. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van algemeenbelang is in
                                verband met de vervulling van het raadslidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening
                                worden ingediend komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In voorkomende gevallen beslist de vergadering van
                                fractievoorzitters van alle in de raad vertegenwoordigde politieke
                                groeperingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Apparatuur en software</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de gemeente
                                voor de uitoefening van het raadslidmaatschap apparatuur en software
                                in bruikleen ter beschikking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ter beschikking stellen van apparatuur wordt door de gemeente
                                aangemerkt als noodzakelijk, waardoor er geen bijtelling wordt
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 13a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding verleend voor reiskosten ten
                            behoeve van de gemeente gemaakt. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                    een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                    bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Apparatuur en software</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag stelt het college de wethouder ten laste van de gemeente
                                voor de uitoefening van het wethouderschap apparatuur en software in
                                bruikleen ter beschikking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ter beschikking stellen van apparatuur wordt door de gemeente
                                aangemerkt als noodzakelijk, waardoor er geen bijtelling wordt
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld die overwegend
                                bestemd is voor zakelijk gebruik. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositiewethouders; </al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositiewethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 28a van het Rechtspositiebesluit wethouders.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten,</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6,
                                7, 10, 11 en 14 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het declaratieformulier is voor de wethouders en raadsleden
                                ingebouwd in een digitaal werkproces, beschikbaar via het digitale
                                personeelsinformatiesysteem, Raet Self Service. Iedere wethouder en
                                raadslid beschikt over een persoonlijke inlogcode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 7, 10, 11
                                en 14 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door een
                                begeleidende memo, voor akkoord ondertekend door het college,
                                volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient de begeleidende
                                memo en de factuur binnen 2 maanden in bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt
                            terug tot en met </al><al>1 juli 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2014.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Wierden, </ondertekening><ondertekening>Gemeenteraad van Wierden,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening><ondertekening>drs. W.H.J. Wienk ing. J.H.M. Robben</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies</al><al>vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet, algemene maatregel van
                    bestuur (AMvB), ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke
                    verordening. Wettelijk is voor wethouders</al><al>in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na
                    aftreden en het pensioen</al><al>geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                    rechtspositie van</al><al>wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld bij of krachtens de
                    wet (AMvB en</al><al>ministeriële regeling). Daartoe zijn tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit
                    wethouders en het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. In een ministeriële regeling, de
                    Regeling rechtspositie</al><al>wethouders, zijn sommige vergoedingen nader uitgewerkt. In deze wetten en nadere
                    regelgeving zijn</al><al>alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal
                    voorzieningen, zoals</al><al>de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                    rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingendrechtelijke
                    bepalingen.</al><al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders die
                    bij of krachtens de</al><al>wet (lees Gemeentewet, rechtspositiebesluit of regeling) dwingendrechtelijk
                    geregeld zijn, zijn niet</al><al>opgenomen in deze verordening. Dit betreft de vergoedingen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>De onkostenvergoedingen voor raadsleden en wethouders</al></li><li nr="2."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie,
                            leden van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa Gemeentewet, dan
                            wel van onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 115a, derde lid
                            Gemeentewet</al></li><li nr="3."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een WW,
                            BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben</al></li><li nr="4."><al>de verstrekking van een computer</al></li><li nr="5."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval</al></li><li nr="6."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</al></li><li nr="7."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</al></li><li nr="8."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten</al></li><li nr="9."><al>voorzieningen voor raads- en commissieleden en wethouders met een
                            fysieke beperking</al></li><li nr="10."><al>de bezoldiging van de wethouders</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en</al><al>leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld is in hogere
                    wet- en</al><al>regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en
                    genoemde</al><al>rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend
                    genieten wethouders</al><al>als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de</al><al>Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                    wethouders uitsluitend</al><al>te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit
                    wethouders, de Regeling</al><al>rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en</al><al>commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een
                    ontslaguitkering en pensioen</al><al>aan de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden
                    opgenomen in artikel 99 van</al><al>de Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij
                    gemeentelijke</al><al>verordening aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                    vergoedingen en</al><al>tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van
                    gedeputeerde</al><al>staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook
                    uitsluitend te vinden in</al><al>respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden en de plaatselijke</al><al>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><tussenkop>Afzonderlijke verordeningen</tussenkop><al>Sommige gemeenten geven er de voorkeur aan de lokale regeling voor wethouders en
                    voor raads- en</al><al>commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen. Daartegen bestaat
                    geen bezwaar. In dat</al><al>geval bestaat de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden uit de
                    hoofdstukken I, II, IV, V</al><al>en VI van de modelverordening en de Verordening rechtspositie wethouders uit de
                    hoofdstukken I, III,</al><al>IV, V en VI van de modelverordening.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 3). Voor wethouders is niets opgenomen omdat hun
                            bezoldiging uitputtend is geregeld in het Rechtspositiebesluit
                            wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden. Voor
                            wethouders is een onderscheid gemaakt tussen woon-werkverkeer en
                            zakelijke reizen (artikelen 4 en 5, 10 t/m 11);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 14);</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders, raads- en commissieleden (artikelen 8 en 12) en uitwerking
                            van de bepaling over scholing voor raads en commissieleden (artikel 7).
                            Voor wethouders moet dit laatste door het college geregeld worden;</al></li><li nr="-"><al>de procedure van uitbetalen en declareren (hoofdstuk IV);</al></li><li nr="-"><al>artikelen in verband met de juiste fiscale behandeling (artikel 9 en 15
                            en hoofdstuk V)</al></li></lijst><tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat</al><al>betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet
                    vallen onder de</al><al>werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Omdat er
                    geen</al><al>dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964</al><al>maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan
                    een raadslid</al><al>opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap
                    (zie hieronder).</al><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare
                    dienst</al><al>aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                    materiële</al><al>ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie</al><al>wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet- en
                    regelgeving. De aanstelling in</al><al>openbare dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake
                    is van een</al><al>arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat
                    wethouders direct</al><al>onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Wethouders vallen niet
                    onder de werking</al><al>van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het</al><al>ABP. De uitkering na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor
                    wethouders</al><al>geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).</al><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><tussenkop>Opting-in-regeling</tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen</al><al>dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de ‘opting-in-regeling’ genoemd. De
                    administratie van de</al><al>gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde
                    wettelijke eisen. In een</al><al>gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordt</al><al>geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem, dan</al><al>draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat
                    een raadslid geen</al><al>werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap</al><al>niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de
                    raadsvergoeding ook geen</al><al>premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast in box
                    1. Het raadslid</al><al>hoeft in dat geval geen administratie bij te houden.</al><al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van
                    de opting-inregeling.</al><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet</al><al>inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is
                    het winstsysteem van</al><al>toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan
                    de gemaakte</al><al>kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de
                    standaardregeling</al><al>zullen dan ook over de netto-onkostenvergoeding inkomstenbelasting moeten
                    betalen, tenzij zij aan</al><al>de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan
                    onkosten</al><al>voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met</al><al>inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering
                    brengen op hun</al><al>belastbaar inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle
                    betalingen en</al><al>verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden
                    middels een opgave</al><al>IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het</al><al>daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek.</al><tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het raadslid
                    ingrijpende gevolgen</al><al>hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per
                    zittingsperiode worden</al><al>gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan
                    betrokkene als spijtoptant</al><al>terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de
                    loonbelasting hoeft niet</al><al>bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de
                    zittingsperiode voor de</al><al>resterende periode.</al><tussenkop>De vergoedingensystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te</al><al>spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er
                    functionele uitgaven</al><al>zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze
                    waarin de bestuurder</al><al>deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen
                    middelen en publieke</al><al>middelen moeten zo veel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de</al><al>voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                    mogelijkheid om zo nodig</al><al>declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan.</al><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen –</al><al>transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en
                    richtlijnen die voor het</al><al>vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke
                    verantwoording van het</al><al>daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden</al><al>omtrent het gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door
                    gemeentebestuurders en over de</al><al>eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd</al><al>door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe
                    is vereist dat er een</al><al>zodanig sluitende financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er
                    vertrouwen kan bestaan</al><al>omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening</al><al>vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures vastgelegd over
                    rechtstreekse facturering van</al><al>functionele uitgaven, declaratie van vooruitbetaalde kosten en het gebruik van
                    creditcards. Daarnaast</al><al>moeten in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het
                    gebruik van computer en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld
                    voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een
                    gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn</al><al>vastgelegd.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</tussenkop><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op een vast bedrag per
                    inwonersklasse</al><al>overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. De
                    gemeenteraad kan besluiten</al><al>dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dat deel
                    mag maximaal 20%</al><al>van de raadsvergoeding zijn. </al><al>Er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen raadsleden, dus een
                    presentievergoeding geldt</al><al>voor alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt
                    geïndexeerd. Het</al><al>wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer Cao lonen
                    overheid. Hiervoor is in</al><al>de gemeente geen nadere besluitvorming nodig.</al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun raadsvergoeding
                    te verlagen.</al><al>Daardoor kan het nadeel van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse
                    worden voorkomen.</al><al>Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 12 lid 3 van het Rechtspositiebesluit
                    raads- en</al><al>commissieleden.</al><al>Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen kunnen verzoeken hun
                    raadsvergoeding</al><al>te verhogen als de korting als gevolg van hun raadslidmaatschap hoger is dan hun
                    raadsvergoeding.</al><al>Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 12 lid 1 en 2 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en</al><al>commissieleden.</al><tussenkop>Artikel 3 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies die
                    zijn ingesteld op basis</al><al>van artikel 82 t/m 84 Gemeentewet geregeld. Deze bepaling geldt niet voor
                    raadsleden en wethouders</al><al>die in de commissie zitten (uitgezonderd in artikel 96 Gemeentewet).
                    Uitgezonderd zijn verder onder</al><al>meer ambtenaren (op grond van artikel 1 rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden), en</al><al>medewerkers en bestuurders van door de gesubsidieerde organisaties die in die
                    hoedanigheid in de</al><al>commissie zitting hebben.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bepaald op een vast bedrag per
                    inwonersklasse</al><al>overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. De Minister
                    van Binnenlandse</al><al>Zaken en Koninkrijksrelaties indexeert jaarlijks per 1 januari het bedrag zoals
                    dat is herzien aan de</al><al>hand van het indexcijfer Cao lonen overheid.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de Gemeentewet bieden de
                    mogelijkheid om in</al><al>de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger
                    bedrag aan</al><al>presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde bedrag. Deze mogelijkheid
                    is geregeld in het</al><al>vierde lid. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het</al><al>bedrag uit een hogere inwonersklasse te kiezen.</al><tussenkop>Artikel 4 en 5 Reis- en verblijfkosten raads- en
                    commissieleden</tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan</al><al>ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als raadsleden van de gemeente
                    een vergoeding</al><al>ontvangen voor reizen binnen het grondgebied van de gemeente.</al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel in een
                    vergoeding van de</al><al>reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter
                    uitvoering van een</al><al>beslissing van het gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een</al><al>vergoeding worden gegeven voor de reis- en verblijfkosten in verband met reizen
                    binnen de</al><al>gemeente.</al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is
                    niet nader ingevuld.</al><al>Daarmee is dit een lokale aangelegenheid omdat in het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden verder geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, is
                    aansluiting gezocht bij de vergoedingsregelingen voor wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte</al><al>vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                    verantwoord. De</al><al>reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                    beroepskosten worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 6 en 11 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Gemeenteraden, delegaties daaruit of wethouders maken wel eens in het
                    gemeentelijk belang</al><al>excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming</al><al>verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege de gemeente
                    georganiseerd.</al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid</al><al>gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed. De tarieven in het
                    voor het rijkspersoneel</al><al>geldende Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en</al><al>verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als</al><al>opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                    geldende</al><al>randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 7 Scholing</tussenkop><al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden komt niet partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de
                    vervulling van de functie van raads- of</al><al>commissielidmaatschap ten laste van de gemeente. In dit artikel is de procedure
                    verder uitgewerkt</al><al>Gezien de aard en duur van het ambt liggen voor raads- en commissieleden
                    opleidingen voor de hand</al><al>die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het ambt.</al><al>Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis
                    en vaardigheden te</al><al>verwerven dan wel actueel te houden.</al><al>Onder deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten
                    van het</al><al>studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de aanschafkosten van verplicht
                    gesteld</al><al>studiemateriaal, alsmede reis- en verblijfkosten in het kader van de
                    opleiding.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en</al><al>verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als</al><al>opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                    geldende</al><al>randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>De raad kan bij verordening nadere regels stellen omtrent het maximale bedrag
                    voor de scholing die</al><al>voor vergoeding in aanmerking komt. Deze mogelijkheid is geboden in de
                    kapstokbepaling in het</al><al>vierde lid.</al><al>Het zesde lid bevat een hardheidsclausule. Mocht de griffier behoefte hebben aan
                    extra oordeel of of</al><al>de gevraagde vergoeding binnen de geldende regels voor vergoeding in aanmerking
                    komt, dan kan</al><al>de vergadering van de fractievoorzitters in de raad om een oordeel gevraagd
                    worden.</al><tussenkop>Artikelen 8 en 12 Computer en internetverbinding</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het Rechtspositiebesluit
                    wethouders is</al><al>geregeld dat het raads- of commissielid, respectievelijk de wethouder van de
                    gemeente een computer</al><al>in bruikleen krijgt verstrekt of een vergoeding ontvangt voor de aanschaf of het
                    gebruik van zijn eigen</al><al>computer. De vergoeding is daarom niet in strijd met artikel 99 van de
                    Gemeentewet. Deze</al><al>aanspraken kunnen echter alleen worden verstrekt wanneer dat is vastgelegd in
                    een verordening. De</al><al>vergoeding voor (het gebruik van) een eigen pc is belast. De belastingheffing
                    mag niet worden</al><al>gecompenseerd.</al><al>De verordening gaat ervan uit dat een computer in bruikleen wordt
                    verstrekt.</al><al>De leden 2 en 3 zijn opgenomen als een vergoeding wordt gegeven. Als de raad
                    besluit deze keuze</al><al>niet te bieden, dan kunnen deze bepalingen vervallen.</al><al>Een onbelaste vergoeding is alleen toegestaan wanneer het gebruik voor 90%
                    zakelijk is. Stijgt het</al><al>gebruik voor privédoeleinden uit boven de 10% dan wordt dat gebruik belast door
                    jaarlijks over 1/3</al><al>van de aanschafwaarde van de pc en de bijbehorende ter beschikking gestelde
                    apparatuur belasting</al><al>te heffen. Daarbij maakt het niet uit of het om een desktop-computer, een
                    laptop, een pocket-pc , een</al><al>mini-notebook of een tabletcomputer gaat.</al><al>De randapparatuur kan bestaan uit een een printer of een docking station. De
                    randapparatuur moet</al><al>voor het werk functioneel zijn en kan niet zelfstandig gebruikt worden.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en</al><al>verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte
                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte
                    kosten binnen de geldende</al><al>randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 9 en 15 Werkkostenregeling</tussenkop><al>In verband met de werkkostenregeling moeten een aantal netto-vergoedingen en
                    verstrekkingen door</al><al>de gemeente aangewezen worden als eindheffingsbestanddeel. Anders worden deze
                    door de</al><al>belastingdienst als loon gezien en moet hierover belasting worden ingehouden.
                    Ook de vergoedingen</al><al>en verstrekkingen die door de belastingdienst gezien worden als gerichte
                    vrijstelling of voor nihil</al><al>waardering in aanmerking komen moeten in eerste instantie wel aangewezen worden.
                    In een later</al><al>stadium wordt dan (in de financiële administratie) aangegeven dat dit gerichte
                    vrijstellingen of nihil</al><al>waarderingen betreft. </al><tussenkop>Artikel 10 Reiskosten woon-werk en zakelijke reiskosten</tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 9 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld</al><al>overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit
                    wethouders en de Regeling</al><al>rechtspositie wethouders.</al><al>Op grond van artikel 10 worden zakelijke reiskosten, vergoed overeenkomstig de
                    bepalingen bij en</al><al>krachtens het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie
                    wethouders.</al><al>Bij gebruik van een eigen personenauto <vet>voor dienstreizen </vet>ontvangen
                    wethouders een bedrag van €</al><al>0,28 (0,37) per kilometer (zie artikel 4, onderdeel b, en artikel 5a, onder 1,
                    van de Regeling</al><al>rechtspositie wethouders). De hoogte van deze vergoeding is geënt op de ‘hoge’
                    kilometervergoeding</al><al>die geldt voor het rijkspersoneel op grond van het Reisbesluit en Reisregeling
                    binnenland. Op grond</al><al>van artikel 5, tweede lid, van de regeling wordt onder openbaar vervoer voor
                    dienstreizen wel verstaan</al><al>een veerpont of een veerboot. Tol- en parkeerkosten worden niet genoemd in de
                    regeling en mogen</al><al>daarom op grond van artikel 44 lid 3 Gemeentewet niet vergoed worden.</al><al>Verblijfkosten zijn zakelijk gebruikte maaltijden en kosten voor overnachting en
                    geen parkeerkosten.</al><tussenkop>Artikel 13 Communicatieapparatuur</tussenkop><al>Vergoedingen of verstrekkingen van een mobiele telefoon (dit zal de meest
                    gebruikte</al><al>communicatieapparatuur zijn) zijn geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer
                    dan 10% bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 14 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</tussenkop><al>Ook personen van buiten de gemeenteraad kunnen tot wethouder worden benoemd. Dat
                    kunnen ook</al><al>personen zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de
                    Gemeentewet verplicht om</al><al>te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 17 is
                    geregeld dat zij bij</al><al>verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding
                    en eventueel</al><al>voor vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de
                    verhuizingvolgens de bepalingen in</al><al>artikel 1 en 2 van de Regeling Rechtspositie Wethouders. De vergoedingen zijn
                    onbelast.</al><tussenkop>Artikelen 16 t/m 18 De procedure van declaratie</tussenkop><al>In de verordening zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. Ook is aangegeven
                    in welke gevallen</al><al>welke betalingswijze aan de orde is en welke procedurevoorschriften in
                    achtgenomen moeten worden.</al><al>Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente, en
                    daarna declaratie van</al><al>vooruitbetaalde kosten of gebruik van de gemeentelijk creditcard, waarbij deze
                    laatste twee afhankelijk</al><al>zijn van de situatie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>