<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR353753_1</dcterms:identifier><dcterms:title>FINANCIËLE VERORDENING VAN DE GEMEENTE LOPPERSUM 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2014, 83411</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening van de gemeente Loppersum 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de financiele verordening gemeente loppersum van 2 juli 2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>FINANCIËLE VERORDENING VAN DE GEMEENTE LOPPERSUM 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        11 november 2014;</al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>"FINANCIËLE VERORDENING VAN DE GEMEENTE LOPPERSUM 2015".</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>I.</nr><titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Afdeling </al><al> iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke
                                    organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan
                                    het college;</al></li><li nr="-"><al>Administratie</al><al> het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                                    verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                                    functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de
                                    organisatie van de gemeente Loppersum en ten behoeve van de
                                    verantwoording die daarover moet worden afgelegd;</al></li><li nr="-"><al>Administratieve organisatie</al><al> het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot
                                    stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de
                                    bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van
                                    de verantwoordelijke leiding;</al></li><li nr="-"><al>Rechtmatigheid</al><al> het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving,
                                    waaronder gemeentelijke verordeningen, raadsbesluiten en
                                    collegebesluiten;</al></li><li nr="-"><al>Doelmatigheid</al><al> het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt
                                    mogelijke inzet van middelen;</al></li><li nr="-"><al>Doeltreffendheid</al><al> de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het
                                    beleid ook daadwerkelijk worden behaald;</al></li><li nr="-"><al>Netto schuld</al><al> bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen die
                                    niet zijn ingezet voor de publieke taak. Onder bruto schuld
                                    wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende
                                    schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder geldelijke
                                    bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak wordt
                                    verstaan het totaal van langlopende uitzettingen, vorderingen,
                                    liquide middelen en overlopende activa;</al></li><li nr="-"><al>Overheidsbedrijf</al><al> onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet
                                    zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid,
                                    waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon, al dan niet tezamen
                                    met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in
                                    staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van
                                    een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon deelneemt. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>II.</nr><titel>BEGROTING EN VERANTWOORDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan bij de aanvang van de nieuwe raadsperiode een
                                programma-indeling opnieuw vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt per programma vast:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoogde maatschappelijke effecten (wat willen we bereiken
                                        – outcome);</al></li><li nr="b."><al>de te leveren goederen en diensten (wat gaan we ervoor doen
                                        en wat gaan we ervoor leveren – output);</al></li><li nr="c."><al>de baten en lasten (wat mag het gaan kosten – input).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van het college per programma relevante
                                indicatoren vaststellen voor het meten van en het afleggen van
                                verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en
                                diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijk
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan bij aanvang van iedere raadsperiode vaststellen over
                                welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte
                                paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil
                                worden geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en
                                baten per product weergegeven en bij de jaarstukken worden onder elk
                                van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per product
                                weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende
                                investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming
                                van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar
                                weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de
                                totale uitgaven weergegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><al>Het college biedt voor 1 juni aan de raad een nota aan met een voorstel
                            voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het
                            volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota
                            voor 1 juli vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per programma en het overzicht algemene
                                dekkingsmiddelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige
                                nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het
                                vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de lasten
                                de geautoriseerde lasten of de investeringsuitgaven de
                                geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de
                                baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad
                                geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging
                                van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het
                                vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college
                                vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel
                                met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet
                                aan de raad voor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Tussenrapportage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                            rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste vier maanden en de eerste
                            acht maanden van het lopende boekjaar.</al></li><li nr="2."><al>De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de
                                    uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met
                                    de bijgestelde raming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de baten en de lasten per programma;</al></li><li nr="b."><al>het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;</al></li><li nr="c."><al>het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit
                                            de onderdelen a en b;</al></li><li nr="d."><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves
                                            per programma; en</al></li><li nr="e."><al>het resultaat, volgend uit de onderdelen c en d, alsmede
                                            de realisatie en raming van de uitputting van de
                                            investeringskredieten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de tussenrapportages worden in ieder geval afwijkingen op de
                                    oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van producten
                                    en investeringskredieten in de begroting groter dan € 10.000
                                    toegelicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een
                            besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                            bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft
                            niet bij begroting of bij begrotingswijziging vastgestelde afzonderlijke
                            verplichtingen inzake:</al><lijst><li nr="a."><al>investeringen groter dan € 10.000;</al></li><li nr="b."><al>aankoop en verkoop van goederen en diensten groter dan €
                                    10.000;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan
                                    € 10.000;</al></li><li nr="d."><al>het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen
                                    groter dan € 10.000.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet
                            houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad
                            of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet
                            het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>III.</nr><titel>FINANCIEEL BELEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                                actief en het saldo van agio en disagio worden lineair in vijf jaar
                                afgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste
                                van de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De materiële vaste activa met economisch nut worden afgeschreven
                                volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage
                                Afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijnen bij deze
                                verordening.</al><al> Activa met economisch nut en een verkrijgingprijs van minder dan €
                                10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.
                                Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig
                                maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden ten
                                laste van de exploitatie gebracht. Indien hiervan bij raadsbesluit
                                wordt afgeweken, wordt het actief volgens de vast te stellen bijlage
                                Afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijnen lineair afgeschreven
                                over de verwachte levensduur van het actief of een kortere door de
                                raad aan te geven tijdsduur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor openstaande vorderingen betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende zaakbelastingen;</al></li><li nr="b."><al>hondenbelasting;</al></li><li nr="c."><al>rioolheffing;</al></li><li nr="d."><al>afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="e."><al>forensenbelasting;</al></li></lijst><al>wordt een voorziening wegens oninbaar gevormd ter grootte van het
                            historische percentage van oninbaarheid.</al></li><li nr="2."><al>Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid
                            gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de
                            openstaande vorderingen ouder dan drie maanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen; en</al></li><li nr="c."><al>de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen
                                de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een
                                investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de
                                algemene reserve toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en
                                diensten van de gemeente, die worden geleverd aan overheidsbedrijven
                                en derden, wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij
                                de kostentoerekening worden naast de directe kosten de indirecte
                                kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de
                                gemeente verleende diensten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van
                                voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken
                                activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor
                                rioolheffing en afvalstoffenheffing de compensabele belasting over
                                de toegevoegde waarde (BTW) en de kosten van het
                                kwijtscheldingsbeleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de inzet van materiele activa worden naast directe kosten,
                                indirecte kosten en afschrijvingskosten, de rente voor de
                                financiering van het actief toegerekend. Deze rente is een
                                vergoeding voor de inzet van vreemd vermogen en van eigen vermogen.
                                De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de behandeling
                                van de begroting vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken aan
                                overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten
                                de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt
                                tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij
                                afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten
                                afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek
                                belang van de activiteit wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven
                                en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in
                                rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of
                                garantie wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de
                                kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in
                                de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks tijdens de begroting een voorstel
                                over de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen,
                                heffingen, rechten, leges, verhuur en marktgelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen
                                van prijzen worden ter kennisneming aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van
                                    middelen de volgende kaders in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                            langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven
                                            bij verschillende financiële instellingen gevraagd;
                                            en</al></li><li nr="b."><al>er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten
                                            als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet
                                            financiering decentrale overheden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college informeert de raad vooraf als de wettelijke
                                    kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke
                            renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden
                            overschreden.</al></li><li nr="3."><al>Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties
                                    en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het
                                    college indien mogelijk zekerheden.</al></li><li nr="4."><al>Bij het verstrekken van een garantie wordt een reserve
                                    borgstellingen ten laste van de begroting gevormd ter grote van
                                    het risico dat de gemeente met de garantie loopt. Als in de
                                    begroting niet is voorzien in budget voor deze voorziening dan
                                    doet het college vooraf aan de garantieverlening een voorstel
                                    aan de raad voor een begrotingswijziging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>IV</nr><titel>PARAGRAFEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen verslag van:</al><lijst><li nr="·"><al>de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke
                                        belastingen en heffingen;</al></li><li nr="·"><al>de kostendekkenheid van de heffingen;</al></li><li nr="·"><al>de druk van de lokale belastingen en heffingen;</al></li><li nr="·"><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen, naast het onder lid 1 vermelde, verslag van:</al><lijst><li nr="·"><al>de (verwachte) opbrengsten per lokale heffing;</al></li><li nr="·"><al>het (verwachte) volume en bedrag aan kwijtscheldingen;</al></li><li nr="·"><al>de kostendekkenheid van de rioolheffing en de
                                        afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="·"><al>de (ontwikkeling van de) lokale lastendruk voor
                                        meerpersoonshuishoudingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De paragraaf over de financiering bij de begroting geeft de
                                beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de
                                financieringsportefeuille weer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De paragraaf over de financiering bij de jaarstukken is een
                                verantwoording van het college over de uitvoering van het
                                treasurystatuut.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                financiering in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="a."><al>de kasgeldlimiet;</al></li><li nr="b."><al>de renterisiconorm;</al></li><li nr="c."><al>de rentevisie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</titel></kop><al>In de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de jaarstukken
                            wordt ingegaan op het risicomanagement. In de paragraaf wordt tevens het
                            gewenste weerstandscapaciteit bepaald.</al><al>Het college geeft in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting
                            tevens aan de risico's van materieel belang en een inschatting van de
                            kans dat deze risico's zich voordoen. </al><al>Het college brengt hierbij in elk geval de risico's in beeld en
                            actualiseert de risico's.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond
                                van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voortgang van het geplande onderhoud;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het achterstallig onderhoud.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                                onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van
                                de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele
                                uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting wordt ingegaan op
                                de tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de paragraaf bedrijfsvoering bij de jaarstukken wordt
                                gerapporteerd over de bij de begroting bepaalde onderwerpen
                                aangaande de bedrijfsvoering en over de nieuwe ontwikkelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            verbonden partijen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel
                            15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
                            in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en vestigingsplaats; </al></li><li nr="b."><al>het financieel belang van de gemeente; </al></li><li nr="c."><al>de zeggenschap van de gemeente; </al></li><li nr="d."><al>het publiek belang dat wordt gediend met de deelname.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                            nota verbonden partijen aan.</al></li><li nr="3."><al>Van elk van de verbonden partijen wordt weergegeven het
                                            openbaar belang, het eigen vermogen, de solvabiliteit,
                                            het financieel resultaat, het financieel belang en de
                                            zeggenschap van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>De nota bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande
                                            (het aangaan van nieuwe) participaties met name de
                                            condities waaronder het publiek belang is gediend met
                                            behartiging door verbonden partijen, de taken,
                                            verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verbonden
                                            partijen en de financiële voorwaarden.</al></li><li nr="5."><al>In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf
                                            verbonden partijen in elk geval ingegaan op nieuwe
                                            verbonden partijen, het beëindigen van bestaande
                                            verbonden partijen, het wijzigen van bestaande verbonden
                                            partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden
                                            partijen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt
                                het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van
                                16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="b."><al>de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een
                                (bijgestelde) nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In
                                de nota wordt aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;</al></li><li nr="c."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;</al></li><li nr="e."><al>de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van
                                        erfpachtvergoedingen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>V.</nr><titel>FINANCIËLE ORGANISATIE EN FINANCIEEL BEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in
                                        de gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                        omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen,
                                        schulden, contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de
                                        toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het
                                        maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met
                                        betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en
                                        diensten en de maatschappelijke effecten van het
                                        gemeentelijke beleid;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                        doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                                        bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                        begroting en relevante wet- en regelgeving; en</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en
                                        van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de
                                        controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en
                                        regelgeving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorgt voor en legt vast:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en
                                        een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                        afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                        verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne
                                        controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de
                                        versterkte informatie aan beleids- en beheersorganen is
                                        gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                        verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                        investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de regels voor taken en bevoegdheden, de
                                        verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                        informatievoorziening van de financieringsfunctie;</al></li><li nr="e."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                        lasten en baten aan de producten van de productenraming en
                                        de productenrealisatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten genoemd onder letters a, b en d van het eerste lid
                                worden ter kennisneming aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de
                                gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de
                                uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de
                                opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de vijf jaar. Bij afwijkingen
                                in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>VI.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>De "Financiële verordening Loppersum" wordt ingetrokken, met dien
                            verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het
                            jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand
                            aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de
                            begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het
                            begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in
                            werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: "Financiële verordening
                                    van de gemeente Loppersum 2015".</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum</ondertekening><ondertekening>gehouden op 24 november 2014, nr. 15.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de artikelen </titel></kop><tussenkop>Artikel 1. Definities</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Definities </tussenkop><al>Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de
                    Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en
                    Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincies en Gemeenten.
                    Overige begrippen uit de verordening worden in artikel 1 van de verordening
                    gedefinieerd. </al><al>Het begrip netto schuld is gedefinieerd. Hiervoor is de definities gevolgd die
                    de Vereniging van Nederlandse Gemeenten toepast voor het jaarlijkse overzicht
                    met kengetallen over de financiële positie van gemeenten.</al><al>Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om nadere invulling te
                    kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het
                    vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><tussenkop> Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat
                    het college de producten aan de programma’s toewijst.</al><al>Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad
                    neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten
                    op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op
                    grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de
                    begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor
                    op de begroting zijn gebracht (vierde lid artikel 189 Gemeentewet). </al><al>De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Er is voor
                    gekozen een budget voor een samenstel van activiteiten beschikbaar te stellen.
                    Hierbij is deze keuze vertaald naar het beschikbaar stellen van budgetten per
                    programma. </al><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken </tussenkop><al>In dit artikel zijn in aanvulling op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Zo wordt in het eerste lid het college opgedragen
                    de productenraming bij de begroting te voegen. En zo wordt ook bepaald de
                    productrealisatie bij de jaarstukken te voegen. Dit zijn geen standaard
                    verplichtingen in het BBV. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. In het derde lid wordt dit geregeld voor de
                    jaarrekening.</al><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>Artikel 4 van de financiële verordening biedt de kaders voor het opstellen van
                    de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die
                    het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in
                    aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV. </al><al>Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de
                    begroting een nota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de
                    financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven
                    richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota
                    draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota.</al><tussenkop>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten</tussenkop><al>Artikel 5 van de financiële verordening bevat nadere regels voor de autorisatie
                    van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Naast
                    lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Ook uitgaven voor
                    investeringen moeten worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze
                    investeringskredieten is gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen
                    (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke
                    investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de
                    raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de
                    behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag
                    voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene
                    uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet
                    bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.</al><al>Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en
                    investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten
                    bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het
                    budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.</al><al>Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op
                    tafel die bij het opstellen van de ontwerp-begroting nog niet waren voorzien.
                    Het laatste lid van het artikel regelt de autorisatie van de
                    investeringskredieten voor deze investeringen. </al><tussenkop>Artikel 6. Tussenrapportage</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de planning en controlcyclus voor de raad zijn de
                    tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de
                    uitvoering van het beleid. In dit artikel is gekozen voor twee tussenrapportages
                    en een eindrapportage in de vorm van een jaarrekening.</al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage. Het
                    derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in
                    de tussenrapportages moet toelichten. </al><tussenkop>Artikel 7. Informatieplicht</tussenkop><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel verplicht
                    het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de
                    raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in
                    de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college
                    kenbaar te maken.</al><tussenkop>Artikel 8. EMU-saldo</tussenkop><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze
                    aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit
                    gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn dat de overschrijding niet erg is. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts
                    bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. </al><al>In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een
                    overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Als daarop
                    actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen
                    van de begroting.</al><tussenkop>Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa </tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 212 Gemeentewet is onder letter a de
                    uitdrukkelijke bepaling opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de
                    regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. </al><al>De verordening heeft een alternatief voor de bepalingen over
                    afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de materiele vaste activa
                    met economisch nut. Aldaar wordt in de verordening verwezen naar een bijlage bij
                    de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de exacte
                    afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën materiele vaste activa
                    met economisch nut opgenomen. Deze vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke
                    werkwijze in sommige gemeenten om de afschrijvingstermijnen in een apart
                    document vast te leggen.</al><al>Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf
                    vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen.
                    Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de
                    afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen
                    op de verwachte economische levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het
                    getrouwe beeld van de jaarrekening namelijk aangetast.</al><tussenkop>Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen</tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en
                    heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen. Voor
                    de genoemde gemeentelijke aanslagen en heffingen wordt een voorziening getroffen
                    op basis van een het historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele
                    beoordeling per aanslag of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer
                    bewerkelijk. Wel zal een accountant eisen dat de grote bedragen onder deze
                    vorderingen toch individueel worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende
                    bepaling opgenomen. De overige vorderingen worden eveneens individueel
                    beoordeeld op oninbaarheid.</al><al>Op zich zijn de bepalingen van artikel 10 niet noodzakelijk. De accountant
                    controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso
                    de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen
                    geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek
                    voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. </al><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen </tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt dat het college eens in de vier jaar een nota over de
                    reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze
                    nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. </al><al> Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige investering
                    een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het tweede lid zijn de
                    voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve
                    opgenomen.</al><tussenkop> Artikel 12. Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, letter b dat de verordening
                    in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten. De
                    grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de samenstelling van de kostprijs
                    van de diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In
                    artikel 12 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de
                    kostprijzen van de gemeentelijke diensten. Lid 1 van het artikel bepaalt dat de
                    kostprijs bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de
                    dienst samenhangen. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat onder de indirecte kosten ook worden verstaan
                    bijdragen aan voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van betrokken activa
                    en de compensabele BTW. Hiermee wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die
                    artikel 229b Gemeentewet biedt. </al><al>De kaders in het artikel vormen de basis waarbinnen het college haar systematiek
                    van kostentoerekening kan vormgeven en de kostenverdeelsleutels voor de
                    toerekening van indirecte kosten kan vaststellen. </al><tussenkop>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</tussenkop><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de
                    gemeenten in concurrentie met ander ondernemingen treedt. Het
                    bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat tenminste een integrale kostprijs
                    voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen
                    garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na
                    bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente
                    (Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht). </al><al>De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of –
                    indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht is
                    ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
                    voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de
                    bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.</al><tussenkop>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen</tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een
                    bevoegdheid van de raad, die niet kan worden gedelegeerd (artikel 156
                    Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven
                    voor de belastingen, rioolrechten en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt.
                    Een gemeenteraad die voor meer rechten (en leges) de tarieven jaarlijks wenst
                    vast te stellen, kan het eerste lid met deze rechten (en leges) uitbreiden.</al><al>Het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de levering van
                    goederen of werken (welke niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet) is een
                    privaatrechtelijke besluit. Dergelijke besluiten zijn een bevoegdheid van het
                    college (eerste lid, letter e artikel 160 Gemeentewet). </al><al>Daar waar bij het vaststellen van de prijs voor een gemeentelijke dienst of de
                    levering van goederen of werken een publiek belang in het geding is en prijzen
                    lager dan marktconform worden vastgesteld, is het aan de raad om het publiek
                    belang te definiëren en het college kaders mee te geven voor het afwijken van
                    marktconforme prijzen. Het tweede lid bepaalt dat de besluiten voor het
                    vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen ter kennisneming aan
                    de raad worden aangeboden.</al><tussenkop>Artikel 15. Financieringsfunctie</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Financieringsfunctie </tussenkop><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Gezien de kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212
                    Gemeentewet de expliciete bepaling dat de financiële verordening hierover regels
                    voor het beleid en de organisatie bevat. In artikel 15 van de verordening wordt
                    invulling aan deze wettelijke plicht gegeven. Het eerste lid bevat richtlijnen
                    voor de uitvoering van de financieringsfunctie. </al><al>Het verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële
                    participaties mogen gemeenten alleen uit hoofde van de publieke functie (artikel
                    2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een
                    besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen,
                    vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen
                    niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerp-besluit is toegezonden
                    en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen
                    brengen. Het tweede lid stelt aanvullende eisen aan dergelijke besluiten. Het
                    publieke belang moet door het college worden gemotiveerd. Daarbij draagt de
                    verordening het college op bij het aangaan van dergelijke overeenkomsten zo
                    mogelijk zekerheden te bedingen. Dit laatste is zeker als het om grote bedragen
                    gaat, iets om op te letten. Als bij een gemeente wordt aangeklopt voor
                    bijvoorbeeld een lening of garantiestelling dan hebben banken in veel van die
                    gevallen er blijkbaar niet al te veel vertrouwen in. </al><tussenkop>Paragrafen</tussenkop><al>Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de
                    artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen,
                    weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen,
                    financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet
                    staan. In de financiële verordening kan de raad bepalen dat hij ook over
                    aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd. Een aantal van deze
                    artikelen zijn facultatief en schuin gedrukt.</al><tussenkop>Artikel 16. Lokale heffingen</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 10 welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad kan worden gedefinieerd.</al><tussenkop>Artikel 17. Financiering</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 13 welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. </al><tussenkop>Artikel 18. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 11 welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft. Dit model heeft
                    daarom een artikel waarin deze aanvullende informatievraag van de raad wordt
                    gedefinieerd</al><tussenkop>Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder lid 1 geregeld dat bij de begroting en jaarstukken
                    een paragraaf onderhoud kapitaalgoederen wordt opgesteld. Hiernaast biedt het
                    college tenminste eens per vier jaar een rioleringsplan aan. De inhoud van de
                    nota wordt grotendeels geregeld in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 20. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 14 welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. </al><tussenkop>Artikel 21. Verbonden partijen</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder lid 1 geregeld dat bij de begroting en jaarstukken
                    een paragraaf verbonden partijen wordt opgesteld. Hiernaast biedt het college
                    tenminste eens per vier jaar een nota verbonden partijen aan. De inhoud van de
                    nota wordt geregeld in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 22. Grondbeleid</tussenkop><al>In dit artikel wordt onder lid 1 geregeld dat bij de begroting en jaarstukken
                    een paragraaf grondbeleid wordt opgesteld. Hiernaast biedt het college tenminste
                    eens per vier jaar een nota grondbeleid aan. De inhoud van de nota wordt
                    geregeld in dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 23. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 10 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens moeten
                    voldoen. </al><tussenkop>Artikel 24. Financiële organisatie</tussenkop><tussenkop>Artikel 24. Financiële organisatie </tussenkop><al>Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens het
                    eerste lid letter a van artikel 160 Gemeentewet is het college bevoegd regels
                    vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Het college
                    wordt onder letter a, b, c en d van het artikel uit de verordening opgedragen
                    bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen
                    in besluiten.</al><al>De regels bedoeld onder de letters a en b kan het college gezamenlijk vastleggen
                    in een organisatiebesluit. Hierin kunnen ook de regels voor de inrichting van de
                    organisatie van de financieringsfunctie worden opgenomen, zoals wordt bedoeld
                    onder letter d. Een andere mogelijkheid voor het college is de regels voor de
                    organisatie van de financieringsfunctie in een apart treasurystatuut vast te
                    leggen. De verordening laat deze mogelijkheid open. </al><al>Onder letter f wordt het college opgedragen ook de kostenverdeelsleutels voor
                    het toerekenen van kosten aan de producten vast te leggen. </al><al>Dit artikel bevat onder lid 2 de aanvullende bepaling dat het organisatiebesluit
                    en het eventueel apart opgestelde treasurystatuut ter kennisgeving aan de raad
                    worden aangeboden. </al><tussenkop>Artikel 25. Interne controle </tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks van de gemeenterekening of deze een getrouw beeld
                    geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen
                    die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 11 draagt het
                    college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de
                    accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties
                    een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten
                    en lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen. </al><tussenkop>Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden
                    ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een
                    kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar
                    t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en
                    wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    t+1 en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van
                    toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en
                    jaarstukken van het jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling
                    opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212
                    Gemeentewet ingestelde verordening. Het artikel bepaalt dat de verordening van
                    toepassing is op alle stukken van het genoemde begrotingsjaar en latere jaren.
                    De jaarstukken van het vorig begrotingsjaar moeten nog voldoen aan de bepalingen
                    uit de oude verordening. </al><al>Artikel 27 geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening wordt verwezen. <vet>Vaststelling</vet> Uitgaande stukken van de
                    raad moeten door de burgemeester worden ondertekend (eerste lid artikel 75
                    Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen
                    (artikel 107c Gemeentewet).</al><al>Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening
                    aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 Gemeentewet). Gedeputeerde staten
                    kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting
                    van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet
                    (artikel 215 Gemeentewet). </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>