<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR353720_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE LOPPERSUM 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2014, 69870</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo 2015 gemeente Loppersum 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.4, lid 1, 2, 3 en 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.5, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.3.6, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.6.6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening Wmo 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE LOPPERSUM 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 oktober 2014;</al><al>gelet op de volgende artikelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                        2015:</al><al>2.1.3;</al><al>2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid;</al><al>[2.1.5, eerste lid;</al><al>2.1.6;</al><al>2.1.7;</al><al>2.3.6, vierde lid;</al><al>en 2.6.6, eerste lid;</al><al>overwegende </al><lijst><li nr="-"><al>dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                                waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk
                                leven;</al></li><li nr="-"><al>dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar
                                vermogen bijstaan;</al></li><li nr="-"><al>dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                blijven wonen;</al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van
                                het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met
                                betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de
                                zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of
                                met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd
                                wonen en opvang, en</al></li><li nr="-"><al>dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en
                                daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                samenleving;</al></li></lijst><al><vet>b
                    </vet><vet>e</vet><vet>s</vet><vet>l</vet><vet>u</vet><vet>i</vet><vet>t</vet><vet>
                        :</vet></al><al>vast te stellen de</al><al><vet>"</vet><vet>V</vet><vet>ERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
                        GEMEENTE LOPPERSUM 2015</vet><vet>"</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                        speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                        algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                        vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van
                                        de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid,
                                        van de wet;</al></li><li nr="-"><al>anti-revaliderend: het versterken of creëren van beperkingen
                                        als gevolg van de verstrekking van voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld
                                        in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                        bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ingezetene: cliënt die feitelijk hoofdverblijf heeft in de
                                        gemeente Loppersum;</al></li><li nr="-"><al>woonplaatsbeginsel: de werkelijke verblijfplaats van de
                                        belanghebbende</al></li><li nr="-"><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening
                                waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze
                                        verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en
                                        beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>1.Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met
                        2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de
                        cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor
                        zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking
                        komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                        participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt
                                        deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op
                                        eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                                        hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                                        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                        of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                        maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                        uitkomsten van het in artikel 5 Wmo bedoelde onderzoek, een
                                        passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin
                                        de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                                        participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving
                                        kan blijven,en</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in
                                        de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                        problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten,
                                        al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als
                                        gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze
                                        problemen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                        kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp
                                        van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                        gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                                        wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend
                                        met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek,
                                        een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de
                                        cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren
                                        van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo
                                        zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                                maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                        niet vermijdbaar was, en</al></li><li nr="b."><al>de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt
                                        redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te
                                        hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had
                                        gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                de goedkoopst adequate voorziening.</al></li><li nr="4."><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                                verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                                afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                        toe te rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                        oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                        maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening een (mogelijk)
                                        anti-revaliderende werking heeft;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de problematiek die in het gegeven geval aanleiding
                                        geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op
                                        grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;</al></li><li nr="c."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                        gebruikelijk is;</al></li><li nr="d."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de
                                        melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of
                                        geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk
                                        toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan
                                        worden vastgesteld;</al></li><li nr="e."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="f."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="g."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                        Loppersum.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in
                                        de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                        kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen,
                                        ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers,</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                        betreft in een complex gericht op huisvesting van senioren
                                        en/of mensen met beperkingen</al></li><li nr="d."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                        geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                        zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                        voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij
                                        daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door
                                        het college;</al></li><li nr="f."><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die
                                        niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een cliënt kan voor een voorziening voor vervoer in natura of in de vorm
                        van een persoonsgebonden budget in aanmerking worden gebracht wanneer
                        beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het
                        gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in
                            ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                            beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt,</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                            gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                            noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan
                                    over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                                    die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken,
                                    en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                    onderhoud en verzekering, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is
                            opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging
                            tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan
                            diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder
                            de volgende voorwaarden betreffende het tarief betrekken van een persoon
                            die behoort tot het sociale netwerk met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>deze persoon krijgt een lager tarief krijgt betaald voor zijn
                                    diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde
                                    tarief. Dit lagere tarief wordt door het college in het Besluit
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het
                                    persoonsgebonden budget mogen worden betaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen drie maanden na
                            toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor
                            het is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de wijze van
                            vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte
                            voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel
                            waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking tot
                            de controle op de besteding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                    maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                    waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het inkomen
                                    en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot of hieraan
                                    gelijkgestelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                    verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage
                                    is; en</al></li><li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve
                                    van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd
                                    door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                    tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                    Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan
                                    als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                                    cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling door welke andere instantie dan
                            het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, de
                            bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en
                            geïnd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>door een aanbesteding;</al></li><li nr="b."><al>na een consultatie in de markt, of</al></li><li nr="c."><al>in overleg met de aanbieder.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt en het aansluiten bij de informele zorg;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard;</al></li><li nr="d."><al>te voldoen aan de governance code van hun sector;</al></li><li nr="e."><al>te voorzien in een actief kwaliteitsbeleid;</al></li><li nr="f."><al>de ondersteuning tot stand te brengen in overleg met cliënten
                                    zowel op individueel als collectief niveau.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan
                            de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                            van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden
                            voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt;</al></li><li nr="f."><al>de cliënt door gebruik van de voorziening overlast
                                    veroorzaakt;</al></li><li nr="g."><al>de cliënt door of bij gebruik zichzelf of zijn omgeving in
                                    gevaar brengt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                            blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de
                            ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in
                            artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of
                            chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                            houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager
                            dan een nader te bepalen percentage van het wettelijk minimumloon, een
                            tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                            participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen, op welke
                            wijze en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel, en</al></li><li nr="e."><al>professionele standaard;</al></li><li nr="f."><al>gemeentelijke kwaliteitsbeleid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening
                                        van de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al><al>2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de voorziening;</al><al>3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal
                        wijkteams). </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                        zorg, al dan niet steekproefsgewijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten
                            van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                            klachtafhandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                            gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met
                            uitzondering van de Huishoudelijke Hulp en individuele
                            hulpmiddelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                            periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het
                            beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de
                            krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking
                            tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen,
                            advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                            beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar
                        geëvalueerd, beginnend een jaar na de inwerkingtreding van de verordening.
                        Het college zendt hiertoe telkens om de vier jaar beginnend een jaar na de
                        inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de
                        doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening
                        en het op deze verordening berustende gemeentelijke Besluit Maatschappelijke
                        ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen aan de hand van de
                        prijsindex van de gezinsconsumptie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken
                            van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening Wmo 2012 wordt met ingang van 1 januari 2015
                            ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                            de Verordening Wmo 2012, totdat het college een nieuw besluit heeft
                            genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt
                            ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend na 1 november 2014 onder de Verordening Wmo
                            2012 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze
                            verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Wmo
                            2012, wordt beslist met inachtneming van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo 2015 gemeente
                                Loppersum 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum </ondertekening><ondertekening>gehouden op 27 oktober 2014, nr. 9. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>