<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR353708_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE LOPPERSUM 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2014, 69883</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeugdhulp gemeente Loppersum 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 2.9</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugwet, art. 2.10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugwet, art. 2.12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, art. 8.1.1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE LOPPERSUM 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14
                        oktober 2014;</al><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde
                        lid<cursief>,</cursief> van de Jeugdwet;</al><al>gezien het advies van WMO raad Loppersum;</al><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
                        en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het
                        college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met
                        betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling
                        van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze
                        waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt
                        afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een
                        persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                        budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter
                        waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
                        jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                        jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                        daarvan;</al><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;</al><al><vet>b</vet><vet>e</vet><vet>s</vet><vet>l</vet><vet>u</vet><vet>i</vet><vet>t
                    </vet><vet>:</vet></al><al>vast te stellen de </al><al>"<vet>V</vet><vet>ERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE LOPPERSUM 2015".</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="b."><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in
                                verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                                stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="c."><al>individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden
                                voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid;</al></li><li nr="d."><al>overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2,
                                eerste lid;</al></li><li nr="e."><al>PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                wet,zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot
                                de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;</al></li><li nr="f."><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen
                                met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;</al></li><li nr="g."><al>wet: Jeugdwet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze
                                        verordening en nadere regels gebruikt in dezelfde betekenis
                                        als in de wet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1. Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li nr="a."><al>Versterken sociale context;</al></li><li nr="b."><al>Basisondersteuning.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li nr="a."><al>Flexibele ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Intensieve ondersteuning.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt bij nadere regels vast welke overige en
                                individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid
                                beschikbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                            jeugdarts</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor de inzet van (gecontracteerde)
                                jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist
                                en/of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover
                                genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp
                                nodig is. </al></li><li nr="2."><al>Als de jeugdige en/of zijn ouders hierom verzoeken, ofwel het
                                college een besluit neemt, dat afwijkt van het oordeel van de
                                jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele
                                voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking
                                als bedoeld in artikel 5.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente</titel></kop><al>1.Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden
                        voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij
                        een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze
                        hij jeugdigen en ouders informeert over de mogelijkheid en het belang om in
                        bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen. </al></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de jeugdige en/of zijn ouders verzoekt om een beschikking,
                                legt het college in de beschikking de met de jeugdige en/of zijn
                                ouders gemaakte afspraken vast<cursief>.</cursief></al></li><li nr="2."><al>Het college kan over de inhoud van de beschikking nadere regels
                                stellen. </al></li><li nr="3."><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige
                                en/of zijn ouders daarover in de beschikking
                                    geïnformeerd<cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Regels voor PGB</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een PGB wordt bepaald aan de hand van en tot het
                                maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte
                                van een PGB wordt vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt in nadere regels onder welke voorwaarden de
                                persoon aan wie een PGB wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken
                                van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige
                                        en/of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen
                                        beweging aan het college mededeling van alle feiten en
                                        omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet
                                        zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van
                                        een beslissing aangaande een individuele voorziening. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een
                                        beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan
                                        wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige
                                        gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                        volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben
                                        geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele
                                        voorziening of op het PGB zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het PGB niet meer toereikend
                                        is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de
                                        voorwaarden van de individuele voorziening of het PGB,
                                        of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening of
                                        het PGB niet gebruiken of voor een ander doel gebruiken dan
                                        waarvoor het is bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als het college een beslissing op grond van het
                                                tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de
                                                verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens
                                                heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die
                                                onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft
                                                geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van
                                                de ten onrechte genoten individuele voorziening of
                                                het ten onrechte genoten PGB. Het college heeft
                                                dezelfde bevoegdheid tot terugvorderen als het een
                                                beslissing op grond van het tweede lid, onder e,
                                                heeft ingetrokken.</al></li><li nr="4."><al>Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden
                                                ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen drie
                                                maanden niet is aangesproken voor de bekostiging van
                                                de voorziening waarvoor de verlening heeft
                                                plaatsgevonden.</al></li><li nr="5."><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit
                                                van de geleverde zorg, al dan niet
                                                steekproefsgewijs, de bestedingen van PGB’s.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                            uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en
                        jeugdreclassering</titel></kop><al>1.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                        bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                        leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                        jeugdreclassering, rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel, en;</al></li><li nr="f."><al>gemeentelijk kwaliteitsbeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1. Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><al>1.Het college wijst jeugdigen en ouders erop, dat zij zich desgewenst kunnen
                        laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van
                                mondelinge en schriftelijke klachten van jeugdigen en ouders die
                                betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en
                                aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders en
                                gecertificeerde instellingen een klachtenregeling hebben die voldoet
                                aan de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inspraak en cliëntenparticipatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1. Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>1.Het college kan in bijzondere gevallen een bepaling of bepalingen bij of
                        krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken,
                        indien toepassing voor de jeugdige en/of zijn ouders leidt tot onbillijkheid
                        van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>1. Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>1.Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze Verordening kan het
                        college nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>1.Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>"</vet><vet>Verordening
                                    jeugdhulp gemeente </vet><vet>Loppersum</vet><vet>
                                    2015</vet><vet>"</vet><vet>.</vet></al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>1.Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>1.van de raad van de gemeente Loppersum </ondertekening><ondertekening>1.gehouden op 27 oktober 2014, nr. 10. </ondertekening><ondertekening>1.De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>1.R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>1.<vet>Toelichting</vet></al><al>1.<vet>Algemeen</vet></al><al>1.Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt
                        onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar
                        gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk
                        beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van
                        jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel
                        gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op
                        basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze
                        zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het
                        wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden
                        hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in
                        beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het
                        jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders
                        krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                        doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                        probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al>1.De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de
                        gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><lijst><li nr="·"><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                                overige (jeugdhulp)-voorzieningen; </al></li><li nr="·"><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van
                                beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                                voorziening;</al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een
                                individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op
                                gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en
                                inkomen;</al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                                vastgesteld;</al></li><li nr="·"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                                individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van
                                misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; </al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering
                                van de Jeugdwet, en</al></li><li nr="·"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                                levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van
                                jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar
                                het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door
                                derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden
                                met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                                arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst><al>1.Daarnaast wordt op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet (dit is
                        een facultatieve bepaling, die door deze Verordening geactiveerd wordt) bij
                        deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een
                        persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een
                        persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.</al><al>1.Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van
                        het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nadere regels te stellen. Deze
                        verordening maakt hier gebruik van bijvoorbeeld in de volgende gevallen: de
                        raad legt vormen van jeugdhulp op hoofdlijnen vast en delegeert uitwerking
                        aan college (artikel 2. Verordening, uitwerking in artikel 2. Nadere
                        regels), de raad legt de wijze van vaststelling van de
                            <onderstreept>hoogte</onderstreept> van het PGB op hoofdlijnen vast en
                        delegeert uitwerking aan het college (artikel 6. Verordening en artikel 10.
                        Nadere regels)</al><al>1.Dubbelingen met wetsartikelen zijn niet in de verordening opgenomen. Een
                        meer compleet beeld van de rechten en plichten van burgers en de gemeente is
                        te vinden in deze toelichting. </al><al>1.Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de
                        raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te
                        stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren
                        beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering
                        van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. </al><al>1.<vet> De inrichting van het Groninger jeugdstelsel</vet></al><al>1.In het Groninger Functioneel Model wordt een inhoudelijk kader geschetst,
                        dat als</al><al>1.basis fungeert voor een gemeentelijk aangestuurd nieuw jeugdstelsel in de
                        Groninger gemeenten.</al><al>1.Met de herinrichting van het jeugdstelsel moet de jeugdhulp efficiënt en
                        effectief dichtbij</al><al>1.kinderen en ouders of verzorgers worden geboden.</al><al>1.<cursief>Belangrijke doelen en uitgangspunten van de stelselherziening
                            jeugd zijn: </cursief></al><lijst><li nr="·"><al>Voorkomen van opgroei- en opvoedproblemen; de verantwoordelijkheid
                                voor gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de
                                ouders en jeugdige zelf, daarin bijgestaan door familie, sociale
                                netwerk en lokale voorzieningen; </al></li><li nr="·"><al>Indien de eigen kracht en de mogelijkheden van de jeugdige,
                                opvoeders en de directe omgeving ontoereikend zijn, kan er
                                ondersteuning, zorg en/of behandeling geboden worden bij voorkeur
                                zoveel als mogelijk in, met en rondom het gezin. De insteek hierbij
                                is het vroegtijdig bieden van hulp op maat, voorkomen van escalatie
                                van problemen en een te zwaar appèl op intensieve ondersteuning;
                            </al></li><li nr="·"><al>Komen tot een betere samenwerking van hulpverleners rond gezinnen;
                                bieden van integrale hulp volgens het uitgangspunt ‘één gezin, één
                                plan, één regisseur’; </al></li><li nr="·"><al>Meer ruimte voor professionals om de juiste ondersteuning te bieden;
                                professionals die in staat zijn de eigen kracht van de jeugdige, het
                                gezinssysteem en de sociale netwerken te mobiliseren; </al></li><li nr="·"><al>‘Demedicaliseren’, ‘ontzorgen’ en normaliseren, door onder meer het
                                opvoedkundig klimaat in gezinnen te versterken evenals in wijken,
                                scholen en lokale voorzieningen. </al></li></lijst><al>1.<cursief>Het fundament</cursief></al><al>1.Het fundament van het nieuwe jeugdstelsel is het gewone positieve
                        opgroeien en opvoeden, in de pedagogische ‘civil society’. Het is een
                        leefomgeving met goed functionerende en in voldoende mate aanwezige
                        basisvoorzieningen (zoals scholen, speelvoorzieningen, beschikbaarheid van
                        (opvoed)informatie), afgestemd op de specifieke kenmerken en behoeften van
                        de wijk of gemeente. </al><al>1.<cursief>De basisondersteuning </cursief></al><al>1.De basis van het nieuwe stelsel wordt gevormd door de basisondersteuning,
                        bestaande uit een team van generalisten met elkaar aanvullende specifieke
                        kennis en vaardigheden. De samenstelling van deze teams kan variëren
                        afhankelijk van de populatie van de betreffende wijk/gemeente. Zo kan de
                        inzet van specifieke deskundigen in de basisondersteuning in bepaalde
                        situaties gewenst zijn. De Jeugdgezondheidzorg valt ook binnen deze
                        basisondersteuning, maar heeft een specifiek doel: het beschermen en
                        bevorderen van de gezondheid van alle jeugdigen van 0-19 jaar. Het is
                        preventieve gezondheidszorg die gericht is op het voorkomen van ziekten en
                        het vroegtijdig opsporen van gezondheidsproblemen bij jeugdigen.
                        Beslissingen over de zorgtoeleiding (triage) en het uitvoeren van regulier
                        casemanagement vinden plaats vanuit de basisondersteuning.</al><al>1.<cursief>Regulier Casemanagement </cursief></al><al>1.Efficiënte zorgtoeleiding wordt bewaakt en gerealiseerd door regulier
                        casemanagement in de basisondersteuning. Regulier casemanagement is een taak
                        die uitgevoerd wordt door hiertoe bekwame uitvoerende professionals uit de
                        basisondersteuning. Het uitgangspunt is dat de (eerst) betrokken
                        professional hiervoor verantwoordelijk is. Beslissingen over hulp worden
                        altijd in dialoog, samen met de jeugdige en of ouders/opvoeders
                        genomen.</al><al>1.<cursief>Expertpool</cursief></al><al>1.Bij meer complexe ondersteuningsvragen, die de eigen competenties
                        overstijgen, of wanneer er zorgen zijn over de veiligheid van een jeugdige,
                        kunnen medewerkers voor consultatie en advies een beroep doen op medewerkers
                        uit de expertpool. De medewerkers uit deze pool bieden onafhankelijk advies,
                        zij verlenen geen daadwerkelijke hulp aan de jeugdige of het gezin. Deze
                        pool bestaat uit diverse deskundigen met uiteenlopende kennisgebieden, zoals
                        specialistische casemanagers, medewerkers Algemeen Meldpunt Huiselijk geweld
                        en Kindermishandeling (het AMHK), jeugdbescherming en jeugdreclassering. De
                        meer complexe triage wordt met behulp van de expertpool uitgevoerd. Tevens
                        wordt er geadviseerd over de inzet van meer of minder intensieve
                        ondersteuning. </al><al>1.<cursief> Flexibele ondersteuning</cursief></al><al>1.Indien een professional uit de basisondersteuning of een huisarts of
                        jeugdarts aanvullende specifieke integrale ondersteuning van jeugdige en of
                        gezinssysteem wenselijk vindt (in samenspraak met de betrokkenen), kan er
                        gebruik gemaakt worden van inzet van uitvoerende professionals uit de
                        flexibele ondersteuning. Deze professionals verlenen, in tegenstelling tot
                        de medewerkers uit de expertpool, wel daadwerkelijke ondersteuning. Ook
                        kunnen deze medewerkers handelingsgerichte diagnostiek verlenen. De
                        flexibele ondersteuning fungeert dus als een ‘surplus’ van de
                        basisondersteuning. Het aanbod is lokaal maar kan regionaal georganiseerd
                        worden. Deze ondersteuning is niet vrij toegankelijk voor jeugdigen en/of
                        ouders, maar is pas in te zetten na een professionele afweging van de
                        hiertoe bevoegde professional in de basisondersteuning, de huisarts,
                        jeugdarts. In die zin spreken we van een individuele voorziening. </al><al>1.<cursief>Intensieve ondersteuning</cursief></al><al>1.Indien blijkt dat de problemen van de jeugdige en of het gezinssysteem
                        dermate ernstig of complex is, kan de professional ook een vorm van
                        intensieve ondersteuning inzetten. Dit zijn vormen als dagbehandeling,
                        poliklinische trajecten, 24-uurszorg, pleegzorg en crisiszorg. Deze
                        ondersteuning wordt veelal decentraal georganiseerd maar zoveel als mogelijk
                        uitgevoerd in de natuurlijke leefomgeving van de jeugdige. Medewerkers van
                        de intensieve ondersteuning kunnen ook specialistische diagnostiek verlenen.
                        Vanuit de intensieve zorg wordt eveneens gewerkt aan de inzet van
                        zorgtrajecten gericht op het voorkomen van plaatsing en het voorkomen van
                        terugval. </al><al>1.Alle vormen van hulp die in de intensieve ondersteuning gegeven wordt, is
                        niet vrij toegankelijk. Deze hulp is altijd een vorm van individuele
                        voorziening. De intensieve ondersteuning kan pas worden ingezet na een
                        afgewogen oordeel van de hiertoe bevoegde professional. </al><al>1.<vet>Toeleiding naar de jeugdhulp</vet></al><al>1.De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren
                        plaatsvinden.</al><al>1.<cursief>Vrij toegankelijk</cursief></al><al>1.In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige
                        (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen
                        op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede
                        lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een
                        vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders
                        gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van
                        de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze
                        jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.</al><al>1.<cursief>Toegang jeugdhulp via de gemeente</cursief></al><al>1.Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan onder meer binnenkomen
                        bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of
                        zijn ouders precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met
                        die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente
                        ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de
                        jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen
                        doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied
                        van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een
                        vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke
                        voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige, namens het
                        college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door naar de
                        jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de
                        betreffende problematiek aan te pakken. </al><al>1.<cursief>Toegang zonder aanvraag</cursief></al><al>1.Het basisprincipe van de Jeugdwet en verordening is dat een voorziening
                        tot stand komt naar aanleiding van een aanvraag. Een aanvraag kan door een
                        ouder of een jeugdige mondeling of schriftelijk worden ingediend. De
                        Jeugdwet legt de gemeente een jeugdhulpplicht op. N.a.v. de aanvraag moet er
                        een afweging plaats vinden of een voorziening moet worden geboden. Wat de
                        Jeugdwet bijzonder maakt, is dat het een kwetsbare groep betreft die voor
                        een deel niet of beperkt zelf kenbaar kan maken wanneer er sprake is van een
                        hulpvraag. Voor het kenbaar maken van de hulpvraag zijn deze kinderen
                        afhankelijk van hun opvoedomgeving. Wanneer ouders de hulpbehoefte niet zien
                        of kenbaar (willen) maken moeten derden dat doen. Jeugdhulpverleners nemen
                        in dat geval de rol van de ouders of jeugdige over om de noodzakelijke
                        jeugdhulp tot stand te brengen. In deze gevallen komt dus de hulp tot stand
                        zonder aanvraag. Deze route van jeugdhulp komt in verschillende vormen
                        voor:</al><lijst><li nr="-"><al>ongevraagde hulp maar wel vrijwillige acceptatie;</al></li><li nr="-"><al>ongevraagde hulp maar wel onder drang (ter voorkoming van een
                                traject naar de gedwongen jeugdzorg);</al></li><li nr="-"><al>hulpverlening via het Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en
                                Kindermishandeling;</al></li><li nr="-"><al>crisisopvang / 24 uuropvang;</al></li><li nr="-"><al>gedwongen kader (pleegzorg, jeugdzorg plus).</al></li></lijst><al>1.<cursief>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                            specialist</cursief></al><al>1.De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een
                        verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een
                        dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke
                        behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of
                        zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij
                        de jeugdhulpaanbieders, waarvan de gemeente de hulp heeft ingekocht. In de
                        praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn
                        professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening
                        precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang)
                        en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich
                        te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in
                        het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de
                        gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze
                        afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke
                        toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of
                        behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het
                        principe van één gezin – één regisseur – één plan, met name bij
                        multiproblematiek, kan worden geborgd. Er moet geen nieuwe ‘verkokering’
                        plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij
                        het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening
                        moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld.
                        Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of
                        met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de
                        gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de
                        huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een
                        enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 3). Artikel 5 en
                        verder zijn wel van overeenkomstige toepassing.</al><al>1.<cursief>Toegang via de gecertificeerde instellingen, de kinderrechter,
                            het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van
                            de justitiële jeugdinrichting</cursief></al><al>1.Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instellingen,
                        de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                        jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                        selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                        instellingen zijn verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp
                        in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel
                        of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit
                        overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt
                        vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten
                        ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.
                        Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat
                        uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om
                        rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat
                        de gecertificeerde instellingen in beginsel gebonden zijn aan de jeugdhulp
                        die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een
                        ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij
                        gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                        maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                        kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over
                        welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad
                        voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn
                        verzoekschrift op die gezien de concrete omstandigheden van het geval
                        hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                        verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al
                        in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                        verordening.</al><al>1.<cursief>Toegang via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                            kindermishandeling (AMHK)</cursief></al><al>1.Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het
                        AMHK geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                        kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                        sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren
                        van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang
                        wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                        verordening. </al><al>1.Indien het AMHK inschat dat er jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning
                        of een vorm van (verzekerde) zorg nodig is, verwijst het AMHK door naar vrij
                        toegankelijke zorg of naar de gemeentelijke toegangsvoorziening. </al><al>1.<cursief>Afstemming met het onderwijs</cursief></al><al>1.Naast de gemeentelijke jeugdhulp kan ook het onderwijs ondersteuning
                        bieden aan de kinderen/jongeren in een gezin. Het is de verantwoordelijkheid
                        van het onderwijs en de gemeenten dat het kind bij voorkeur in zijn eigen
                        omgeving kan opgroeien en onderwijs kan volgen. Het onderwijs zorgt daarbij
                        voor goed onderwijs en de gemeente zorgt voor een goede leefomgeving. </al><al>1.Het onderwijs biedt ondersteuning op basis van de
                        schoolondersteuningsprofielen. Als deze tekort schiet kan de school
                        ondersteuning vragen via de samenwerkingsverbanden. </al><al>1.Met de invoering van het nieuwe jeugdstelsel en de wet passend onderwijs
                        streven gemeenten en onderwijs naar een cultuurverandering (transformatie).
                        We kiezen voor een werkwijze met meer preventieve benadering.</al><al>1.De inzet is gericht op het normaliseren dat wil zeggen: </al><lijst><li nr="-"><al>waar nodig verdiepen of intensiveren (inzet eigen kracht en inzet
                                basisondersteuning);</al></li><li nr="-"><al>pas opschalen als leerling/gezin de basisondersteuning onvoldoende
                                antwoord kan bieden op de ondersteuningsbehoefte;</al></li><li nr="-"><al>onderzoeken of extra/flexibele/specialistische ondersteuning aan de
                                reguliere setting moet worden toegevoegd (of erbij kan worden
                                gehaald);</al></li><li nr="-"><al>pas in de laatste plaats onderzoeken of er behoefte is aan een
                                specialistische setting.</al></li></lijst><al>1.Zowel gemeenten en onderwijs vinden dat bij elk signaal ouders betrokken
                        moeten worden, tenzij een reëel gevaar wordt ingeschat voor kind, leerkracht
                        of hulpverlener. Vanaf 16 jaar is het de keuze aan de leerling of ouders
                        betrokken worden.</al><al>1.Als er naast de onderwijsondersteuning ook gemeentelijke ondersteuning
                        nodig is of reeds plaats vindt bespreekt de leerkracht of intern begeleider
                        van de school dit met de ouder. Daarna vindt gezamenlijk overleg met de
                        ouders, de jeugd professional en het onderwijs plaats. Samen wordt een plan
                        gemaakt en afgesproken wie, wat, wanneer doet. Dat plan wordt samen met de
                        ouders gemonitord en bijgesteld.</al><al>1.<vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>1.<vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>1.Onder het begrip ‘<onderstreept>andere voorziening</onderstreept>’ wordt
                        in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de
                        Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke
                        ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9,
                        onder b, van de wet. De <onderstreept>individuele
                            voorzieningen</onderstreept> en <onderstreept>overige
                            voorzieningen</onderstreept> zijn opgenomen in artikel 2. Hoe
                        individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in de
                        artikelen 3 en 4.</al><al>1.De definitie van ‘PGB’ is opgenomen, omdat de afkorting
                            <onderstreept>PGB</onderstreept> in het spraakgebruik inmiddels meer is
                        ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.</al><al>1.Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een
                        flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
                        Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de
                        verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als
                        ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de
                        begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk
                        aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de
                        jeugdige en/of zijn ouders’. Met de aanduiding ‘de jeugdige en/of zijn
                        ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder)
                        zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van
                        artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of
                        een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt,
                        niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar),
                        of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al>1.In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><al>1.<cursief>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan
                            jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en
                            opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en
                            stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een
                            verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de
                            ouders of adoptie</cursief><cursief>gerelateerde
                            problemen;</cursief></al><al>1.<cursief>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk
                            verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een
                            somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een
                            chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de
                            leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en</cursief></al><al>1.<cursief>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het
                            gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een
                            tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke,
                            lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of
                            psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien
                            jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens
                            van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van
                            jeugdstrafrecht.</cursief></al><al>1.Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                        definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                        ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel
                        1:3, tweede lid van de Awb). </al><al>1.<vet>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp </vet></al><al>1.Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte
                        delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald
                        dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te
                        verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit
                        de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr.
                        3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het
                        aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. </al><al>1.Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt
                        zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van
                        toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een
                        algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele
                        voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer
                        intensieve ondersteuning. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij
                        toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van
                        ondersteuning zal door de gemeente (artikel 4) of door de huisarts, medisch
                        specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 3) eerst
                        beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning
                        daadwerkelijk nodig hebben. </al><al>1.Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige
                        wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een
                        voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten
                        ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst, omdat de
                        wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld
                        kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al>1.<vet>Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                            jeugdarts</vet></al><al>1.In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat
                        naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp ook de directe
                        verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts
                        naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de
                        vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke
                        (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige
                        rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                        jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of
                        orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp
                        precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder
                        daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde
                        jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de
                        inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel
                        mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de
                        basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene
                        toelichting.</al><al>1.<vet>Artikel 3, eerste lid – (gecontracteerde) jeugdhulp</vet></al><al>1.Het college gaat met huisartsen en met de zorgaanbieders afspraken maken
                        over de wijze van doorverwijzing en het aanbieden van zorg. Op basis van
                        uitspraken van de staatssecretaris moeten we er van uit gaan dat huisartsen
                        (en jeugdartsen en specialisten) autonoom mogen doorverwijzen en dat de
                        aanbieders vervolgens de noodzakelijke hulp inzetten. Het beschikbaar
                        stellen van jeugdhulp door het college zou daarmee een formaliteit worden.
                        Hiermee wordt geen recht gedaan aan het principe van één gezin, één plan en
                        één regisseur. Om te voorkomen dat de hulpverlening voor het kind en gezin
                        niet integraal tot stand komt, is het nodig dat er goede afspraken worden
                        gemaakt tussen college, huisartsen en zorgaanbieders. Deze afspraken moeten
                        er toe leiden dat met instandhouding van de autonomie van de huisartsen de
                        doorverwijzing en hulp tot stand komt in samenspraak met de lokale
                        zorgstructuur. Binnen het Groninger Functioneel model betekent dit dat
                        huisartsen en aanbieders actief gebruik zouden moeten gaan maken van de
                        regierol van de casemanager en de informatie en adviesfunctie van de
                        expertpool. </al><al>1.<vet>Artikel 3, tweede lid - Vastlegging bij beschikking</vet></al><al>1.Als de jeugdige en/of zijn ouders dit wensen ofwel in het uitzonderlijke
                        geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de
                        jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening,
                        dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige en/of
                        zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde
                        rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze
                        beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of
                        zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.</al><al>1.Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente</al><al>1.Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is
                        opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter
                        uitvoering van artikel 2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de
                        gemeente in ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen
                        individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de
                        voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                        afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. De voorwaarden,
                        beoordeling en afwegingsfactoren staan in artikel 8. Nadere Regels.</al><al>1.Artikel 5. Inhoud beschikking</al><al>1.Indien de jeugdige en/of zijn ouders een formele aanvraag bij het college
                        indienen (artikel 7. Nadere regels) of er overeenkomstig artikel 3, tweede
                        lid, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een beschikking op
                        te stellen, waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb mogelijk is.
                        Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in
                        ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat
                        echter de mogelijkheid van het toekennen van een PGB. </al><al>1.De Jeugdwet regelt, dat in de beschikking tot verstrekking van een
                        individuele voorziening in ieder geval wordt aangegeven of de voorziening in
                        natura of als PGB wordt verstrekt. </al><al>1.Deze toelichting is hier opgenomen in het belang van burgers om hen een zo
                        compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De
                        mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop
                        volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en
                        geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn
                        ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het
                        recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep
                        vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang
                        uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de
                        ingang van bezwaar en beroep.</al><al>1.In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een
                        ouderbijdrage is verschuldigd (derde lid). De vaststelling en inning
                        geschiedt door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is
                        belast. De Jeugdwet beperkt het opleggen van een eigen bijdrage tot de
                        situatie waarin een kind in een instelling is opgenomen. De filosofie
                        hierachter is dat de ouders in dat geval geen of veel minder kosten van
                        levensonderhoud van het kind hebben. Deze ouderbijdrage geldt ook wanneer
                        het kind in een justitiële inrichting is geplaatst. </al><al>1.Artikel 6. Regels PGB</al><al>1.Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de
                        wet. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van
                        een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van
                        artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen
                        …”). Voor gemeenten is onder meer van belang dat een PGB slechts wordt
                        verstrekt, indien de jeugdige of zijn ouders motiveren dat de individuele
                        voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is (zie
                        artikel 8.1.1, derde lid, onder b).</al><al>1.Bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel
                        MM) is de regeling in artikel 8.1.1 van de wet voor het PGB aangepast
                        (“gestandaardiseerd”) aan de verwante regelgeving met betrekking tot de
                        maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), In deze regeling stond dat een
                        PGB slechts wordt verstrekt indien aan de in het derde lid gestelde
                        voorwaarden is voldaan. Bij amendement Bergkamp/Voortman (Kamerstukken II
                        2013/14 33 684, nr. 109) is het woord ‘slechts’ geschrapt omdat dit een
                        onnodige en overbodige inperking van het recht op een PGB leek te
                        suggereren. Bij amendement Bisschop en Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33
                        684, nr. 100) is het vijfde lid zo aangepast dat duidelijk is geworden dat
                        jeugdigen of hun ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de
                        door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie
                        goedkoopst adequate door het college te bieden individuele voorziening in
                        natura. Het college kan het PGB slechts weigeren voor dat gedeelte dat
                        duurder is dan deze door het college te bieden individuele voorziening in
                        natura.</al><al>1.Het eerste tot en met derde lid van artikel 6 berusten op artikel 2.9,
                        onder c, van de wet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in
                        ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een PGB wordt
                        vastgesteld. </al><al>1.Voor nieuwe PGB aanvragen kunnen de gemeenten voorwaarden stellen. Deze
                        voorwaarden hebben betrekking op:</al><lijst><li nr="·"><al>de bekwaamheid van de aanvrager: kan de burger zelfstandig een
                                redelijke afweging maken van zijn belangen t.a.v. de zorgvraag;</al></li><li nr="·"><al>de vraag of de aanvrager de aan het PGB verbonden taken op een
                                verantwoorde wijze kan uitvoeren;</al></li><li nr="·"><al>de motivering van de aanvrager dat de zorg in natura niet passend
                                is;</al></li><li nr="·"><al>de kwaliteit van de geboden zorg.</al></li></lijst><al>1.Overgangsrecht</al><al>1.Het overgangsrecht is ook van toepassing op PGB’s wanneer een indicatie
                        doorloopt in 2015. Dat houdt in dat de PGB-houder het recht heeft op
                        hetzelfde budget om dezelfde aanbieder in te kopen. De gemeente heeft de
                        vrijheid om in overleg met de PGB-houder te onderzoeken of er een aanbieder
                        te vinden is die of beter aansluit op de zorgbehoefte van het kind of gezin
                        al dan niet tegen gunstiger budget. De voorwaarden, kwaliteitsregels en
                        tarieven die de gemeente kan vaststellen gelden niet voor de PGB’s die
                        vallen onder het overgangsrecht. Wel zal de gemeente er op moeten kunnen
                        toezien dat het PGB op de juiste gronden is verstrekt, het PGB wordt
                        gebruikt of op een juiste manier voor jeugdhulp wordt gebruikt of dat het
                        PGB (nog) wel nodig is. Ook kan het voorkomen dat een PGB te weinig ruimte
                        biedt voor de juiste zorg. Doet zich zo’n situatie voor dan kan de gemeente
                        het PGB wijzigen ook al is er sprake van een overgangsrecht. </al><al>1.<vet>Artikel 7. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</vet></al><al>1.Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging (
                        Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte
                        delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald
                        dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of
                        oneigenlijk gebruik van de wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren
                        met de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante
                        beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Zie ook de
                        toelichting onder artikel 6. </al><al>1.In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot
                        de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden
                        voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht
                        gebruik van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een
                        zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak
                        daarvan. De artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 (oorspronkelijk genummerd:
                        8.1.1a tot en met 8.1.1c) zijn eveneens bij nota van wijziging en ter
                        standaardisering van de regelgeving aan het wetsvoorstel toegevoegd.</al><al>1.Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook
                        de overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven
                        handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en
                        zijn opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot
                        en met 8.1.4 is veelal beperkt tot het PGB. Waar mogelijk en zinvol, is dit
                        ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet,
                        in de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura.
                        Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op
                        artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde
                        inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn
                        ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld PGB is
                        verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen
                        verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep
                        op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde PGB terecht is
                        gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet
                        zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn
                        die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening
                        of het daaraan gekoppelde PGB, dienen zij dit onverwijld aan het college te
                        melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van
                        het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat
                        gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde
                        PGB. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia
                        concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. </al><al>1.Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet<cursief>.</cursief>
                        Ook hier is de tot het PGB beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet
                        op grond van het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot
                        de individuele voorziening in natura. </al><al>1.Het derde lid regelt dat indien een jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of
                        onvolledige gegevens heeft verstrekt, het college een beslissing kan herzien
                        of intrekken, die op die onjuiste basis is genomen. Indien er bij de
                        jeugdige of zijn ouders ook verwijtbaarheid speelt, kan het college ook
                        terugvorderen. Het college weegt dus mee, in hoeverre verwijtbaar is, dat
                        foute gegevens verstrekt zijn. Is er sprake van opzet, dan zal het college
                        sowieso terugvorderen. Bij verwijtbaarheid kan het college terugvorderen; in
                        dat geval maakt het een afweging, of het verstrekken van de onjuiste of
                        onvolledige gegevens in de risicosfeer van de jeugdige of zijn ouders ligt.
                        Dit systeem sluit aan bij het publiekrechtelijk systeem van de Awb. </al><al>1.In het vierde lid is gekozen voor de relatief korte termijn van drie
                        maanden, vanuit de gedachte dat jeugd en jongeren kwetsbaar zijn en er
                        sneller ingegrepen moet kunnen worden. De intrekkingsmogelijkheid is als
                        bevoegdheid (kan) geformuleerd om het college de ruimte te geven naar alle
                        omstandigheden van het geval te kijken, zonder dat ze verplicht zijn het PGB
                        in te trekken.</al><al>1.Indien de beslissing tot verlening van een PGB op basis van het vierde lid
                        wordt ingetrokken, dan herleeft de zorgplicht van de gemeente. Het college
                        dient de zaak opnieuw te bekijken vanuit die plicht.</al><al>1.<vet>Artikel 8. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                            uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en
                        jeugdreclassering</vet></al><al>1.Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                        vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                        aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met
                        het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                        kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                        verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                        tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                        kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden
                        gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij
                        dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de
                        beroepskrachten en de toepasselijke
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>1.Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                        uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee
                        het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient
                        te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                        kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten
                        uitvoeren. </al><al>1.Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                        arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                        minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden
                        die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun
                        werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al>1.<vet>Artikel 9. Vertrouwenspersoon</vet></al><al>1.In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                        ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders en/of pleegouders een
                        beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon
                        wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de
                        jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn
                        belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van
                        deze functie.</al><al>1.De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                        verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is in de
                        toelichting opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet
                        overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij
                        algemene maatregel van bestuur (paragraaf 4.1 van Besluit Jeugdwet) is een
                        nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de
                        vertrouwenspersoon.</al><al>1.<vet>Artikel 10. Klachtenregeling</vet></al><al>1.Iemand die zich onheus behandeld voelt kan een klacht indienen bij de
                        organisatie die verantwoordelijk is voor de betrokken medewerker. Zo heeft
                        de gemeente een algemene klachtenregeling, gebaseerd op de Algemene wet
                        bestuursrecht. Hierin is ook het recht neergelegd om na de behandeling van
                        de klacht de ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze
                        regeling geldt echter alleen voor het handelen van de medewerkers van de
                        gemeente. In het vernieuwde sociaal domein zijn echter meestal andere
                        instellingen in beeld. De gemeente moet er op toezien dat deze aanbieders
                        van ondersteuning, die werken onder de verantwoordelijkheid van de gemeente,
                        een klachtenregeling hebben die voldoet aan de wettelijke eisen. </al><al>1.Alle aanbieders van ondersteuning en hulpverleners zijn, net als onder de
                        oude wettelijke regelingen, verplicht een klachtenregeling te hebben. De
                        Jeugdwet schrijft tot in detail voor aan welke eisen een klachtenregeling
                        van instellingen moet voldoen, onder meer ten aanzien van onafhankelijkheid,
                        afhandelingstermijnen en rapportage. De aanbieders van jeugdzorg zullen
                        moeten nagaan of ze hun klachtenregeling moeten aanpassen aan de eisen van
                        de Jeugdwet.</al><al>1.<vet>Artikel 11. Inspraak en cliëntenparticipatie</vet></al><al>1.In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en
                        cliëntenparticipatie bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en
                        participatie tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van
                        de wet. </al><al>1. Regeling van de inspraak en participatie is verplicht op grond van
                        artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de
                        Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het
                        wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35)
                        worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks
                        cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing
                        verklaard. </al><al>1.In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de
                        Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                        gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid
                        als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is
                        uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment
                        aangewezen kan raken op ondersteuning. </al><al>1.<vet>Artikel 12. Hardheidsclausule</vet></al><al>1.De hardheidsclausule is van toepassing voor zowel de verordening als de
                        nadere regels. Een situatie, waarin de hardheidsclausule toegepast kan
                        worden, is bijvoorbeeld een situatie, waarbij in de toekomst op enigerlei
                        wijze duidelijk wordt, dat strijd aanwezig is met internationale verdragen
                        of bepalingen, die daarop gebaseerd zijn. Een ander voorbeeld van toepassing
                        van de hardheidsclausule staat in de toelichting bij artikel 10 van de
                        Nadere Regels.</al><al>1.<vet>Artikel 13. Nadere regels</vet></al><al>1.Het kan noodzakelijk zijn om nader regels te stellen over onderwerpen die
                        niet expliciet als onderwerp van nadere regels zijn aangemerkt. Dit artikel
                        biedt de grondslag om onderwerpen uit de verordening nader uit te
                        werken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>