<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR353627_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp Delft 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-74398.html">Gemeenteblad, 12-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Jeugdhulp Delft 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet, artt. 2.9,2.10,2.12,8.1.1, vierde lid.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-07-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Jeugdhulp Delft 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente <vet>Delft</vet>;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14
                        oktober 2014;</al><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1 vierde lid<cursief>,</cursief>
                        van de Jeugdwet;</al><al>gezien het advies van de Wmo-raad;</al><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
                        en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het
                        college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met
                        betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling
                        van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze
                        waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt
                        afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een
                        persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                        budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter
                        waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
                        jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                        jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                        daarvan;</al><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp Delft 2015</al><al><vet>VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE DELFT</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders
                                    toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                    Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al><vet>hulpvraag</vet>: behoefte van een jeugdige of zijn ouders
                                    aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4,
                                    eerste lid;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>overige voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat,
                                    zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                    persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                                    toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp;</al></li><li nr="-"><al><vet>pgb</vet>: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel
                                    8.1.1 van de wet,zijnde een door het college verstrekt
                                    budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt
                                    de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van
                                    derden te betrekken;</al></li><li nr="-"><al><vet>Familiegroepsplan</vet>: ondersteuningsplan opgesteld door
                                    de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die
                                    tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;</al></li><li nr="-"><al><vet>wet</vet>: Jeugdwet</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>VORMEN VAN JEUGDHULP</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende overige voorzieningen zijn beschikbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie op (opvoed)advies;</al></li><li nr="b."><al>groepsbijeenkomsten, trainingen, cursussen en andere
                                        kortdurende voorzieningen gericht op laagdrempelige vormen
                                        van opvoed- en opgroeiondersteuning en online
                                        hulpverlening;</al></li><li nr="c."><al>basishulp waaronder Jeugdgezondheidszorg, vrijwilligers- en
                                        andere informele ondersteuning;</al></li><li nr="d."><al>(gebied)gerichte hulp bij jeugdcriminaliteit en
                                        jeugdoverlast;</al></li><li nr="e."><al>jeugd- en jongerentrajecten;</al></li><li nr="f."><al>professionele ondersteuning van het jeugdteam en sociaal
                                        team;</al></li><li nr="g."><al>kortdurende begeleiding van jeugdigen met een
                                        beperking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>langdurige crisisopvang;</al></li><li nr="b."><al>forensische hulp;</al></li><li nr="c."><al>gesloten jeugdzorg;</al></li><li nr="d."><al>pleegzorg;</al></li><li nr="e."><al>residentiële hulp;</al></li><li nr="f."><al>medische kinderdagbehandeling en daghulp;</al></li><li nr="g."><al>specialistische GGZ voor jeugdigen;</al></li><li nr="h."><al>langdurige specialistische GGZ bij complexe
                                        problematiek;</al></li><li nr="i."><al>specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe
                                        problematiek;</al></li><li nr="j."><al>specialistische (dag)behandeling in combinatie met
                                        verzorging van jeugd met een beperking;</al></li><li nr="k."><al>verblijf jeugd met een beperking met/zonder
                                        behandeling;</al></li><li nr="l."><al>generalistische basis GGZ bij enkelvoudige
                                        problematiek.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>TOEGANG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een
                                verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar
                                een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde
                                jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de
                                te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan,
                                vast in een beschikking als bedoeld in artikel 10.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                                passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                                gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige
                                voorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6,
                                van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                                situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een
                                afspraak voor een gesprek. Hierbij brengt het college de jeugdige en
                                zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke
                                termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet,
                                bij het college in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders
                                aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het
                                oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of
                                zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
                                inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                nodig:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de
                                hulpvraag;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag
                                te vinden; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                voorziening;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de mogelijkheid om gebruik te maken van het opstellen van een
                                familiegroepsplan;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al> de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een
                                overige voorziening;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening aan te vragen; </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening
                                wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg,
                                onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al> hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid,
                                de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en
                                zijn ouders, en</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al> de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen
                                worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het
                                college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze
                                bijdrage wordt geïnd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van
                                zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen tien werkdagen na het laatste gesprek verstrekt het college
                                aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het
                                onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders
                                worden aan het verslag toegevoegd<cursief>. </cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                                voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag
                                wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken
                                als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag
                                hebben aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESLUITVORMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toekenning individuele voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het
                                voor akkoord ondertekende onderzoeksverslag, gespreksverslag of
                                ondersteuningsplan, wordt vastgesteld dat de jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit
                                        zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                        vinden; </al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan
                                        niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige
                                        voorziening, of</al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan
                                        niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe in de
                                gevallen als bedoeld in artikel 4, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                                beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking in ieder geval vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat
                                daarvan is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en
                            </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de wijze van monitoring en verantwoording van de besteding van het
                                pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of
                                zijn ouders daarover in de beschikking
                                    geïnformeerd<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van een pgb:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wordt bepaald aan de hand van een door de jeugdige en ouders
                                opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                voorzieningen en andere maatregelen die tot de individuele
                                voorzieningen behoren, van derden te betrekken en wordt indien nodig
                                aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte
                                van een pgb wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp
                                betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, onder
                                de hiernavolgende voorwaarden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>dat deze persoon voor zijn diensten maximaal het op grond van de Wet
                                langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van
                                niet-professionele zorgverleners krijgt betaald, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de jeugdige voor
                                hem niet tot overbelasting leidt, en dat tussenpersonen of
                                belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Sociale verzekeringsbank verricht de betalingen namens het
                                college, in overeenstemming met artikel 8.1.8 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kent geen pgb toe voor zover het is bestemd voor
                                besteding in het buitenland, tenzij het college hier vooraf
                                expliciet toestemming voor verleent.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Geen pgb wordt verstrekt voor de functie vervoer tenzij de jeugdige
                                geen gebruik kan maken van collectief vervoer.. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>HERZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college
                                mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele
                                voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                                aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als
                                het college vaststelt dat:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beslissing zou hebben geleid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening
                                of op het pgb zijn aangewezen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                achten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de
                                individuele voorziening of het pgb, of</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb
                                niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het recht op een voorziening is ingetrokken of herzien, kan op
                                basis daarvan een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd met
                                terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is
                                ingetrokken of ter hoogte van het bedrag waarmee het pgb verlaagd
                                is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken of herzien en de verstrekking van de onjuiste of
                                onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van
                                de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte
                                genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>KWALITEIT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een
                                beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst
                                kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon als
                                bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van
                            jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling
                            van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Privacy</titel></kop><al>Het college stelt een privacyreglement op, waarin wordt vastgelegd hoe
                            in de uitvoering van de jeugdwet wordt omgegaan met persoonsgegevens van
                            en privacyregels met betrekking tot burgers die een beroep doen op
                            ondersteuning.,</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                                vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
                                betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te
                                kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar
                            geëvalueerd. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag
                            over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de
                            praktijk. Tussentijdse voortgangsrapportages worden twee keer per jaar
                            toegezonden aan de gemeenteraad. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                    gemeente Delft 2015. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 november
                            2014.</ondertekening><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.</ondertekening><ondertekening>A.P. Oostdijk ,plv.griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting verordening Jeugdhulp gemeente Delft 2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit
                    van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de
                    jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de
                    begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze
                    wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg
                    (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                    (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken
                    op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de
                    aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel
                    van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en
                    ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                    doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                    probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al/><al>Met de invoering van de decentralisaties kiest de gemeente Delft voor een andere
                    aanpak in de toegang. Een aanpak die (nog meer) de eigen kracht aanspreekt, die
                    uitgaat van integrale en samenhangende ondersteuning, ontschot inzetten van
                    regelingen en financiën, dicht bij de burger. Een aanpak die de vraag centraal
                    stelt, gericht is op het snel organiseren van de benodigde ondersteuning op de
                    verschillende leefdomeinen en werkt met één gezin één plan.</al><al/><al>De nadruk ligt in de verordening op een zorgvuldige doorloop van het proces van
                    toegang tot verstrekking. Zij richt zich echter nauwelijks op de inhoud van deze
                    verstrekking ervan uitgaande dat dit altijd maatwerk is. In deze verordening is
                    het proces van toegang op een juridische en abstracte wijze in enkel de
                    basisvereisten verwoord, passend bij het gebruiksdoel van een verordening.
                    Echter, bij de totstandkoming van de artikelen in deze verordening is telkens
                    bekeken of deze in lijn zijn met de Delftse Sociale Visie. Een meer uitgebreide
                    omschrijving van het proces van toegang tot verstrekking is te vinden in de nota
                    ‘Toegankelijke hulp en zorg voor jong en oud in Delft’.</al><al/><al>De Jeugdwet schrijft voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval
                    regels opstelt:</al><lijst><li nr="·"><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                            overige (jeugdhulp)voorzieningen; </al></li><li nr="·"><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van
                            beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                            voorziening;</al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                            voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                            onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;</al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="·"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                            voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of
                            oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; </al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van
                            de Jeugdwet, en</al></li><li nr="·"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten
                            aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat
                            verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de
                            deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het
                    bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening
                    maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de
                    rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan bij verordening
                    bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden
                    budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort
                    tot zijn sociale netwerk.</al><al/><tussenkop>Toeleiding naar de jeugdhulp</tussenkop><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.</al><al/><tussenkop>Vrij toegankelijk</tussenkop><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
                    Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een
                    vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik
                    van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente
                    nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus
                    rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.</al><al/><tussenkop>Toegang jeugdhulp via de gemeente</tussenkop><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij gemeente
                    Delft. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder
                    precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en
                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en
                    de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders
                    eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal
                    eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                    vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                    deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door
                    naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de
                    betreffende problematiek aan te pakken. </al><al/><tussenkop>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                    specialist</tussenkop><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing
                    door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke
                    verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van
                    jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies
                    nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders
                    die gemeente Delft heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder
                    zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing
                    beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand
                    moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                    jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de
                    gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze
                    afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang
                    van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de
                    gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of
                    behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het
                    principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan
                    worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij
                    professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.
                    Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de
                    gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van
                    gemeente Delft alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente
                    toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol
                    speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist,
                    regelt de gemeente slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie
                    artikel 3). Artikel 9 en verdere artikelen zijn wel van overeenkomstige
                    toepassing.</al><al/><tussenkop>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar
                    ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële
                    jeugdinrichting</tussenkop><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel
                    gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de
                    kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                    maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                    kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke
                    gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op
                    die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het
                    geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                    verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><al/><tussenkop>Toegang via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                    kindermishandeling (AMHK)</tussenkop><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK
                    geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                    sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al
                    in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                    verordening.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al/><al>Onder het begrip ‘<onderstreept>andere voorziening</onderstreept>’ wordt in deze
                    verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt
                    getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk
                    en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De
                        <onderstreept>individuele voorzieningen</onderstreept> en
                        <onderstreept>overige voorzieningen</onderstreept> zijn opgenomen in artikel
                    2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in
                    artikel 3 [<cursief>e.v.</cursief>].</al><al>De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet
                    zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                    spraakgebruik. </al><al>De <onderstreept>melding</onderstreept> is het eerste contact van jeugdigen en
                    ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De
                    melding (artikel 4) is iets anders dan de aanvraag om een individuele
                    voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 8. </al><al>Het <onderstreept>gesprek</onderstreept> is het mondeling contact bij het
                    onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college
                    deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die jeugdhulp vraagt
                    zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de
                    gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen. </al><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting
                        <onderstreept>pgb</onderstreept> in het spraakgebruik inmiddels meer is
                    ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.</al><al/><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink
                    aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze
                    wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.
                    Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’,
                    ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en
                    ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als
                    ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’.
                    Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de
                    jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar
                    of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van
                    artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een
                    ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet
                    zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de
                    ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al/><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><tussenkop>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan
                    jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en
                    opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                    psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                    jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde
                    problemen;</tussenkop><tussenkop>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                    het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke,
                    lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                    psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
                    bereikt, en</tussenkop><tussenkop>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied
                    van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                    zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                    beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                    verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in
                    het kader van jeugdstrafrecht.</tussenkop><al/><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). </al><al/><tussenkop>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp </tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van
                    toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren
                    dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van
                    voorzieningen binnen de gemeente. </al><al/><al>Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich
                    dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan
                    dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij
                    toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een
                    individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde
                    zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.
                    Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of
                    door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst
                    beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning
                    daadwerkelijk nodig hebben. </al><al>Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige
                    wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een
                    voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten
                    ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de
                    wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan
                    vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                    jeugdarts</tussenkop><al>In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast
                    de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe
                    verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar
                    de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke
                    (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele)
                    voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks
                    aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de
                    jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of
                    orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp
                    precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk
                    de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze
                    aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de
                    benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de
                    protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen
                    vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.</al><al/><al>Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het
                    college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder,
                    legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen
                    daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier
                    wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt
                    voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde
                    luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de
                    jeugdhulpaanbieder nodig hebben.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding
                    hulpvraag</tussenkop><al>Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om
                    een zorgvuldige procedure te waarborgen. Dit alles ter uitvoering van artikel
                    2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor
                    toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een
                    individuele voorziening.</al><al/><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    artikel 4 tot en met 8 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling
                    van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 6, in een of
                    meerdere gesprekken met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden
                    bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige
                    jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een
                    individuele voorziening. </al><al/><al>Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke
                    voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang
                    tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de
                    beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren
                    aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar
                    staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar
                    ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van
                    de Awb. </al><al>Derde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige
                    voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de zin van
                    (artikel 4 en volgende) deze verordening.</al><al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders
                    onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele
                    aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en
                    het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige
                    procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten
                    waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om
                    een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de
                    bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van
                    de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Bovendien kan hiervan – en in
                    bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 6) – in overleg met de jeugdige
                    of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er
                    ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al
                    bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer
                    uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst
                    bij de gemeente, dan zal een of meerdere gesprekken nodig zijn om een
                    totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en
                    gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een
                    zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden
                    van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen
                    (schriftelijke verslaglegging (artikel 7) en schriftelijke indiening aanvraag
                    (artikel 8) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het
                    belang van een zorgvuldige dossiervorming.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Vooronderzoek</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te
                    zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. </al><al>Het eerste lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                    onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart
                    worden gebracht, zodat jeugdige en ouders niet worden belast met vragen over
                    zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met
                    eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs,
                    maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot
                    de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de
                    Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige
                    toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in
                    verband met de privacy regels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen
                    om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan
                    afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                    ook de uitnodiging voor het gesprek.</al><al/><al>Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als:
                    hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met
                    bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de
                    jeugdige behoren. In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de
                    jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van
                    artikel 4.1.1 en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en
                    opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de
                    mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te
                    stellen. Op grond van artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet maakt het
                    familiegroepsplan onderdeel uit van het gemeentelijk beleid. Burgers zijn in
                    veel gevallen zeer wel in staat verantwoordelijkheid te nemen voor problemen in
                    eigen familie- of vriendenkring. Sociale samenhang draagt daarnaast bij aan het
                    welzijn van kinderen. Door vormen van hulp van betrokkenen en steun uit directe
                    kring kan bovendien uithuisplaatsing worden afgewend en wordt netwerkpleegzorg
                    bevorderd. Een familiegroepsplan kan bijvoorbeeld binnen de structuur van een
                    wijkteam worden georganiseerd. Indien het een machtiging of een voorwaardelijke
                    machtiging betreft biedt de kinderrechter de kans voor het opstellen van een
                    familiegroepsplan. Indien er een familiegroepsplan wordt opgesteld geldt dit als
                    hulpverleningsplan. Het familiegroepsplan speelt zoals vermeld ook een rol in
                    het gedwongen kader. De bepalingen in de verordening (zie artikel 5, eerste lid,
                    en artikel 6, lid 1 e) omtrent het familiegroepsplan betreffen echter alleen het
                    vrijwillig kader van jeugdhulp.</al><al/><al>Indien het familiegroepsplan individuele voorzieningen aan jeugdhulp bevat zoals
                    beschreven in artikel 2.2 van deze verordening, dan is afweging en
                    besluitvorming van het college noodzakelijk.</al><al/><al>Er kan worden afgezien van het inzetten van het familiegroepsplan indien:
                    jeugdigen en ouders er geen gebruik van wensen te maken; er concrete
                    bedreigingen in de ontwikkeling van het kind hiertoe aanleiding geven; of de
                    belangen van het kind op andere manieren geschaad kunnen worden. </al><al/><al>De mogelijkheid tot het opstellen van een familiegroepsplan is niet van
                    toepassing bij jeugdreclassering en voogdij, in geval dat ouders ontheven of
                    ontzet zijn uit het ouderlijk gezag. Bij alle andere vormen van jeugdhulp kan
                    een familiegroepsplan van toepassing zijn. </al><al/><al>Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor
                    het gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de
                    jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.
                    In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de
                    jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in
                    artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Tevens kan worden beoordeeld of
                    sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van
                    artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van
                    deze wet te treffen.</al><al/><al>In het derde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te
                    gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de
                    acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al
                    bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg
                    met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste
                    is bepaald in artikel 6, derde lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Gesprek</tussenkop><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van
                    belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt
                    verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om
                    een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook
                    voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en
                    ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie (wijkteam)
                    plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere
                    deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien
                    nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende)
                    gesprekken.</al><al/><al>In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele
                    voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te
                    komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een
                    deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een
                    psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in
                    24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waar professioneel onderzoek
                    en afweging aan ten grondslag ligt. </al><al/><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al><al/><al>In de onderdelen a tot en met j zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij gemeente Delft
                    bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                    worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                    ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de
                    gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                    situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en
                    ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde
                    uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van
                    jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.</al><al/><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel h valt tedenken aan
                    een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de WLZ of de Zvw en een
                    voorziening op het gebied van passend onderwijs. </al><al/><al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren. Het college neemt niet de
                    hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het door
                    het college daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is bepaald dat de
                    ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat (door Onze Ministers) met (de
                    vaststelling en) de inning is belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve van de
                    gemeente wordt geïnd. De ouderbijdrage geldt op grond van art. 8.2.1 van de wet
                    alleen in situaties van jeugdhulp buiten de thuissituatie. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vorm vrij.
                    Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                    toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3)
                    staat hieroverdat het college een weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor
                    een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave
                    maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een
                    aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de jeugdige en
                    ouders. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren
                    met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek
                    bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de jeugdige en ouders van mening zijn
                    goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele
                    voorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een
                    uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de
                    schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een
                    met de jeugdige en ouders overeengekomen ondersteuningsplan (1 gezin- 1
                    regisseur – 1 plan arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de
                    verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval
                    passend dat het college en de jeugdige en/of ouders dit plan ondertekenen. </al><al/><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                    herstellen van feitelijke onjuistheden is eveneens vorm vrij (derde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                    voorziening. Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele
                    voorziening te verkrijgen.</al><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt
                    daarvan niet af. </al><al>Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een
                    beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                    aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. </al><al/><al>Beslistermijnen Awb</al><al>In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De
                    regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat
                    een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht
                    weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht
                    weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan
                    de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen
                    de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de
                    Awb). </al><al>Deze termijnen zijn maximum termijnen. Indien nodig kan na een melding binnen
                    enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties
                    zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn
                    nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is,
                    kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al><al/><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend
                    verslag als aanvraag aan te merken.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Toekenning individuele voorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college
                    hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen. Hierbij is het voor het
                    college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het al of niet gedeeltelijk
                    gebruik kunnen maken van een overige of andere voorziening, goed te beoordelen.
                    Lid 2 ziet toe op acute crisissituaties waarin meteen hulpverlening nodig is.
                    Alleen als de jeugdige of zijn ouders hiervoor later een beschikking verlangen,
                    volgt alsnog een beschikking van het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen
                    (artikel 8) of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid, een beschikking
                    afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen,
                    waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen.
                    Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in
                    ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter
                    de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. </al><al>Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de
                    Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een
                    zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid
                    om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende
                    mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in
                    beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar
                    en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen
                    van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden
                    uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking,
                    geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.</al><al/><al>In de beschikking wordt alleen ter informatie opgenomen dat een ouderbijdrage is
                    verschuldigd (vierde lid). De vaststelling en inning geschiedt door het
                    bestuursorgaan dat namens gemeente Delft met de inning is belast. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Regels pgb</tussenkop><al>Het college kan op grond van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke
                    voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college
                    worden gesproken. Voor gemeenten is onder meer van belang dat een pgb slechts
                    wordt verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen
                    dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet
                    passend is (zie artikel 8.1.1, derde lid, onder b).</al><al/><al>Het tweede lid berust op artikel 2.9, onder c, van de wet. In deze wetsbepaling
                    staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de
                    hoogte van een pgb wordt vastgesteld. </al><al>De bepaling lid 2, onder c, betekent dat een aanvraag voor een pgb geweigerd kan
                    worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de
                    individuele voorziening. De situatie waarin het door de jeugdige en zijn gezin
                    beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij
                    voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Jeugdige en
                    ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste
                    aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college
                    kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het
                    college voorgestelde aanbod. </al><al/><al>Het zesde lid maakt het in principe onmogelijk om het budget in het buitenland
                    te besteden, aangezien er dan nauwelijks toezicht uitgeoefend kan worden op de
                    doelmatigheid van de zorg, dan wel of het pgb wordt besteed conform de
                    beschikkingsvoorwaarden, zoals omschreven in art. 10, lid 3 van deze
                    verordening. Een uitzondering is mogelijk, bijvoorbeeld als een jeugdige tijdens
                    een ‘gebruikelijke’ vakantie zorg behoeft. </al><al/><al>Het zevende lid bepaalt dat in principe geen pgb wordt verstrekt voor vervoer,
                    anders dan een hulpmiddel. Vanwege inkoopvoordelen is het gemeentelijk
                    ingekochte aanbod goedkoper dan wanneer iemand zelf professionele
                    vervoersondersteuning inkoopt met een pgb. </al><al/><tussenkop>Artikel 12. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging ( Kamerstukken II
                    2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                    een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet.</al><al/><al>De inlichtingenverplichting, artikel 8.1.2 eerste lid, heeft als uitgangspunt
                    dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een
                    daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende
                    gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te
                    beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin
                    opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de
                    individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld
                    aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of
                    op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan
                    heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan
                    gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere
                    stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. </al><al/><al>Het eerste, tweede en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen. Met opname van deze wettekst in de verordening
                    wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van
                    het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede
                    van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al/><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. </al><al/><al>In de wet zijn regels voor het verhalen van kosten opgenomen en is de
                    bevoegdheid aan het college gegeven tot het terugvorderen van een ten onrechte
                    verstrekte individuele voorziening. Hierbij is tevens bepaald dat het college
                    het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                    uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en
                    de toepasselijke arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                    kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 14. Vertrouwenspersoon</vet></al><al>In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                    ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep
                    kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een
                    functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg.
                    Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren
                    (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. </al><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                    verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de
                    verordening opgenomen vanwege het belang om in de Delftse verordening een
                    compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij
                    algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal een nadere
                    uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de
                        vertrouwenspersoon<cursief>.</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 15. Klachtregeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van
                    de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge
                    en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die
                    onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige
                    regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek
                    in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. </al><al>In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de
                    wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld
                    in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend
                    is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan
                    komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Inspraak en medezeggenschap</tussenkop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder
                    is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet.</al><al/><al> In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De
                    inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. </al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Evaluatie</tussenkop><al>Deze evaluatie is niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau zal
                    plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Jeugdwet om maatwerk gaat zal het college er niet aan
                    ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende
                    aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van
                    een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de
                    aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.</al></nota-toelichting><bijlage><al>INHOUDSOPGAVE</al><al>Hoofdstuk 1 : BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</al><al>Art. 1 Begripsbepalingen</al><al>Hoofdstuk 2 : VORMEN VAN JEUGDHULP </al><al>Art. 2 Vormen van jeugdhulp</al><al>Hoofdstuk 3 : TOEGANG</al><al>Art. 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                        jeugdarts,</al><al> Melding hulpvraag</al><al>Art. 4 Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag</al><al>Art. 5 Vooronderzoek </al><al>Art. 6 Gesprek</al><al>Art. 7 Verslag</al><al>Art. 8 Aanvraag</al><al>Hoofdstuk 4 : BESLUITVORMING</al><al>Art. 9 Toekenning individuele voorzieningen</al><al>Art. 10 Inhoud beschikking </al><al>Art. 11 Regels voor het persoonsgebonden budget</al><al>Hoofdstuk 5 : HERZIENING</al><al>Art. 12 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                        terugvordering</al><al>Hoofdstuk 6 : KWALITEIT</al><al>Art. 13 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden</al><al>Hoofdstuk 7 : OVERIGE BEPALINGEN</al><al>Art. 14 Vertrouwenspersoon</al><al>Art. 15 Klachtenregeling</al><al>Art. 16 Inspraak en medezeggenschap</al><al>Art. 17 Evaluatie</al><al>Art. 18 Hardheidsclausule</al><al>Art. 19 Inwerkingtreding en citeertitel </al></bijlage></regeling></body></cvdr>