<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR35327_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tot de 10e wijziging van de Bouwverordening voor de gemeente Bergen op Zoom</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen op Zoom</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen op Zoom</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Bergen op Zoomse Bode 22-08-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tot de 10e wijziging van de Bouwverordening voor de gemeente Bergen op Zoom</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-04-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RVB09-0040</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Bouwverordening voor de Gemeente Bergen Op Zoom
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Bergen op Zoom;</al>
          <al>gezien het voorstel van het college van, nr. RVB09-0040;</al>
          <al>gelet op de bepalingen van de Woningwet, de Monumentenwet en de
                        Gemeentewet;</al>
          <al>gelet op artikel 8 van de Woningwet;</al>
          <al>
            <vet>BESLUIT:</vet>
          </al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Het welstandstoezicht in Bergen op Zoom in afgeslankte vorm voort te
                                zetten.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het aantal leden van de Welstandsmonumentencommissie terug te
                                brengen van 5 naar 4.</al></li>
            <li nr="3."><al>In te stemmen met het verzoek van het college van burgemeester en
                                wethouders aan de huidige voorzitter van de
                                Welstandsmonumentencommissie zijn functie in Bergen op Zoom
                                voorlopig voort te zetten.</al></li>
            <li nr="4."><al>In te trekken het op 20 december 2006 (RVB06-0151) vastgestelde
                                Reglement van orde voor de Welstandsmonumentencommissie.</al></li>
            <li nr="5."><al>Vast te stellen het Reglement van orde voor de
                                WelstandsMonumentenCommissie van de gemeente Bergen op Zoom
                                2009.</al></li>
            <li nr="6."><al>Met ingang van de dag waarop de onder 7 bedoelde verordening in
                                werking is getreden de “Verordening tot 9<sup>e</sup> wijziging van
                                de Bouwverordening voor de gemeente Bergen op Zoom 1993” in te
                                trekken.</al></li>
            <li nr="7."><al>Vast te stellen de :</al></li>
          </lijst>
          <al>
            <vet>“Verordening tot de 10<sup>e</sup> wijziging van de Bouwverordening
                            voor de gemeente Bergen op Zoom”</vet>
          </al>
          <al>en de toelichting daarop:</al>
          <al>BOUWVERORDENING VOOR DE GEMEENTE BERGEN OP ZOOM</al>
          <al>(tekstuitgave, bijgewerkt t/m de twaalfde serie wijzigingen, inclusief
                        aanpassingen ten gevolge van de inwerkingtreding van het
                        Gebruiksbesluit)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>asbest</onderstreept>: hetgeen daaronder wordt
                                        verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>Besluit indieningsvereisten</onderstreept>:
                                        het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als
                                        bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde
                                        lid van de Woningwet;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>Besluit bouwwerken</onderstreept>: het besluit
                                        bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige
                                        bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en
                                        artikel 44, tweede lid van de Woningwet;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>bouwbesluit</onderstreept>: de algemene
                                        maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de
                                        Woningwet;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>bouwtoezicht</onderstreept>: degenen, die
                                        ingevolge artikel 100a, eerste lid, Woningwet belast zijn
                                        met het bouw- en woningtoezicht;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>bouwwerk</onderstreept>: elke constructie van
                                        enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
                                        op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect
                                        met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                                        vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                        functioneren;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk
                                            8</onderstreept>: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                        artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit
                                        2005;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>Gebruiksbesluit</onderstreept>: de algemene
                                        maatregel van bestuur (<cursief>Besluit Brandveilig Gebruik
                                            Bouwwerken</cursief>, stb.2008, 327) als bedoeld in
                                        artikel 8 van de Woningwet die ziet op het brandveilig
                                        gebruik van bouwwerken;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>gebruiksoppervlakte</onderstreept>: de
                                        gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>hoogte van de weg</onderstreept>: de hoogte
                                        van de weg zoals die door of namens burgemeester en
                                        wethouders is vastgesteld;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>NEN</onderstreept>: een door de Stichting
                                        Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>NVN</onderstreept>: een door de Stichting
                                        Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li>
                <li nr="-"><al>
                    <onderstreept>straatpeil</onderstreept>:</al><lijst>
                    <li nr="a"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li>
                    <li nr="b"><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="–"><al>
                    <onderstreept>weg</onderstreept>: alle voor het openbaar
                                        rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder
                                        begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de
                                        wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                        de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                        parkeerterreinen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="–"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li>
                <li nr="–"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2</nr>
              <titel>Termijnen</titel>
            </kop>
            <al>(vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
              <titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li>
                <li nr="b"><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>De aanvraag bouwvergunning</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Gegevens en bescheiden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.1</nr>
                <titel>Aanvraag bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.2</nr>
                <titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.3</nr>
                <titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.4</nr>
                <titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.5</nr>
                <titel>Bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol <cursief>Bodemonderzoek milieuvergunningen en
                                                BSB</cursief> (SDU, uitgave oktober 1993);</al></li>
                  <li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het <cursief>Protocol Nader Onderzoek deel 1</cursief>
                                            (SDU, uitgave 1994) of de <cursief>Richtlijn Nader
                                                Onderzoek deel 1</cursief> (SDU, uitgave 1995), in
                                            het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek
                                            uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor
                                            de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een
                                            nader onderzoek, als bedoeld in het <cursief>Protocol
                                                Nader Onderzoek deel 1</cursief> (SDU, uitgave 1994)
                                            of de <cursief>Richtlijn Nader Onderzoek deel
                                                1</cursief> (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar
                                            is.</al></li>
                  <li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in paragraaf 1.2.5 onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de
                                    Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de
                                    Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.6</nr>
                <titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.7</nr>
                <titel>Bouwregistratie</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.1.8</nr>
                <titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.1</nr>
                <titel>Ontvangst van de aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.2</nr>
                <titel>Samenloop met ontheffing ruimtelijke ordening</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.3</nr>
                <titel>Bekendmaking van termijnen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.4</nr>
                <titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.5</nr>
                <titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.2.6</nr>
                <titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>de naam van de aanvrager;</al></li>
                <li nr="b"><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het
                                        bouwwerk;</al></li>
                <li nr="c"><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                        wordt;</al></li>
                <li nr="d"><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                        Algemene wet bestuursrecht.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Welstandstoetsing</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.3.1</nr>
                <titel>Welstandscriteria</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.1</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li>
                <li nr="b"><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is
                                        vereist; en</al></li>
                <li nr="c"><lijst>
                    <li nr="1"><al>dat de grond raakt, of</al></li>
                    <li nr="2"><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.4.2</nr>
                <titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5.van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.1</nr>
                <titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.2</nr>
                <titel>Anti-cumulatiebepaling</titel>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden
                                genomen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien de toegang van:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-"><al>een woning meer dan 40 meter,</al></li>
                  <li nr="-"><al>een woongebouw meer dan 10 meter,</al></li>
                  <li nr="-"><al>een niet tot bewoning bestemd gebouw meer dan 40
                                            meter,</al></li>
                  <li nr="-"><al>een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestemd voor het
                                            verblijf van mensen meer dan 10 meter,</al></li>
                </lijst>
                <al>is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                    tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                                    geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's,
                                    brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 18.000 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li>
                  <li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voor zover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen.’</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                    lenen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.3A</nr>
                <titel>Brandweeringang</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.4</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Tussen de toegang van enerzijds:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li>
                  <li nr="b"><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; </al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                            gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                            zijn.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li>
                  <li nr="b"><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li>
                  <li nr="c"><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.5</nr>
                <titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>De voorgevelrooilijn is:</al>
              <lijst>
                <li nr="a "><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                        zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels
                                        van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg
                                        geeft;</al></li>
                <li nr="b"><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.6</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.7</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst>
                    <li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li>
                    <li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.8</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li>
                  <li nr="b"><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, eerste lid, onder i en derde lid, van het
                                            Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op
                                            een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li>
                  <li nr="c"><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li>
                  <li nr="d"><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li>
                  <li nr="e"><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li>
                  <li nr="f"><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li>
                  <li nr="g"><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg;</al></li>
                  <li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                            weg;</al></li>
                </lijst>
                <al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.9</nr>
                <titel>Bouwen op de weg</titel>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het
                                        openbaarvervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in
                                        artikel 3, eerste lid, onder h, van het Besluit
                                        bouwwerken;</al></li>
                <li nr="b"><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b, en e van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="c"><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li>
                <li nr="d"><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li>
                <li nr="e"><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard
                                        en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.10</nr>
                <titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li>
                  <li nr="b"><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li>
                  <li nr="c"><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    – worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2
                                    m<sup>2</sup> behoeft te zijn. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li>
                  <li nr="b"><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li>
                  <li nr="c"><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li>
                  <li nr="d"><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen.</al></li>
                  <li nr="e"><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbij
                                            behorende woningen;</al></li>
                  <li nr="f"><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li>
                  <li nr="g"><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.11</nr>
                <titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li>
                  <li nr="b"><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li>
                  <li nr="c"><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li>
                  <li nr="d"><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li>
                  <li nr="e"><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing – in het belang van de toetreding
                                    van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                                </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.12</nr>
                <titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.13</nr>
                <titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li>
                <li nr="b"><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li>
                <li nr="c"><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        een aan- of uitbouw als bedoeld in artikel 2, onder a, van
                                        het Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="d"><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="e"><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                                        die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                        werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                        bouwwerken, te weten:</al><lijst>
                    <li nr="1"><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li>
                    <li nr="2"><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f"><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.14</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li>
                <li nr="b"><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li>
                <li nr="c"><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li>
                <li nr="d"><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li>
                <li nr="e"><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li>
                <li nr="f"><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2,
                                        onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="g"><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li>
                <li nr="h"><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al></li>
                <li nr="i"><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li>
                <li nr="j"><al>erkers, serres en overige uitbouwen, anders dan de
                                        uitbouwen, bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                        bouwwerken;</al></li>
                <li nr="k"><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li>
                <li nr="l"><al>bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.15</nr>
                <titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li>
                  <li nr="b"><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li>
                  <li nr="b"><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst>
                      <li nr="1"><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li>
                      <li nr="2"><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li>
                      <li nr="3"><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                  bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                  van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                  toestand verbeterd.</al></li>
                    </lijst></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.16</nr>
                <titel>Erf bij overige gebouwen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li>
                  <li nr="b"><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                            verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.17</nr>
                <titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li>
                  <li nr="b"><al>niet toegankelijk zijn.</al></li>
                </lijst>
                <al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.18</nr>
                <titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.19</nr>
                <titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1000 volt of meer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li>
                  <li nr="b"><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.20</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li>
                  <li nr="b"><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn.</al>
                <al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                    rooilijnen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.21</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li>
                  <li nr="b"><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al>
                <al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al>
                <al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.22</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.23</nr>
                <titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen
                                    2.5.20 en 2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li>
                  <li nr="b"><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.24</nr>
                <titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.25</nr>
                <titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat – daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.26</nr>
                <titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten –
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden – buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.27</nr>
                <titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, die bij
                                        het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als
                                        het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard
                                        als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het
                                        Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="b"><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                        onder k, van het Beslui bouwwerken;</al></li>
                <li nr="c"><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li>
                <li nr="d"><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.28</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel>
              </kop>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li>
                <li nr="b"><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                                        gebaat;</al></li>
                <li nr="c"><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li>
                <li nr="d"><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li>
                <li nr="e"><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
                                        k van het Besluit bouwwerken, en indien:</al><lijst>
                    <li nr="1"><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li>
                    <li nr="2"><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="f"><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
                                        derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li>
                <li nr="g"><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li>
                <li nr="h"><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li>
                <li nr="i"><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li>
                <li nr="j"><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li>
                <li nr="k"><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li>
                <li nr="l"><al>bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.29</nr>
                <titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van een nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="-"><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                            Bro;</al></li>
                  <li nr="-"><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid
                                            van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al></li>
                  <li nr="-"><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                            voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                            schriftelijk zijn zienswijze omtrent de</al><al> aanvraag kan inbrengen;</al></li>
                  <li nr="c."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                            wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                            bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                            verdagen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.5.30</nr>
                <titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw aanleiding
                                    geeft tot een te verwachten behoefte van ruimte voor het
                                    parkeren of stallen van motorvoertuigen op meer dan twee wielen,
                                    moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende,
                                    onbebouwd blijvende terrein.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    motorvoertuigen op meer dan twee wielen moet afmetingen hebben
                                    die zijn afgestemd op gangbare motorvoertuigen van genoemde Aan
                                    deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>indien de desbetreffende afmetingen ten minste 1,80 m
                                            bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                            bedragen;</al></li>
                  <li nr="b"><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li>
                  <li nr="b"><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel/>
              </kop>
              <al>(vervallen, in verband met het in werking treden van het
                                Gebruiksbesluit op 1 november 2008)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.1</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li>
                <li nr="b"><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.2</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li>
                <li nr="b"><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.3</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li>
                  <li nr="b"><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m.</al></li>
                </lijst>
                <al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                                    bejaarden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m<sup>2</sup>;</al></li>
                  <li nr="b"><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li>
                  <li nr="c"><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.4</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    fecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                    de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                    openbaar riool.</al>
                <al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li>
                  <li nr="b"><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen;</al></li>
                  <li nr="b"><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater, fecaliën en hemelwater,
                                            ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                            wijze op het openbaar riool te lozen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                    milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen
                                    in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                                    ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het
                                    openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of
                                    de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                    geeft.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk
                                    is:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li>
                  <li nr="b"><al>voor agrarische bedrijven.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </nr>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en fecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li>
                  <li nr="b"><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingput met
                                            overstort;</al></li>
                  <li nr="c"><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën,
                                            alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig
                                            lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht
                                            kan optreden;</al></li>
                  <li nr="d"><al>leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën
                                            mogen niet lozen op een rottingput. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en</al></li>
                  <li nr="b."><al>zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                            opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                            capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte
                                            van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                            ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van
                                            de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is;</al></li>
                  <li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingput.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.6</nr>
                <titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.</al>
                <al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan,
                                    indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
                                    1997.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6</lidnr>
                <al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn.</al>
                <al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage
                                    7.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>2.7.7</nr>
                <titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>De melding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.1</nr>
              <titel>De wijze van melden</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2</nr>
              <titel>Welstandscriteria </titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.1</nr>
              <titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning intrekken, indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a"><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt,
                                    en/of</al></li>
              <li nr="b"><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.2</nr>
              <titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel>
            </kop>
            <al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al>
            <lijst>
              <li nr="a"><al>de bouwvergunning;</al></li>
              <li nr="b"><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li>
              <li nr="c"><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li>
              <li nr="d"><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit
                                    tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.3</nr>
              <titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.4</nr>
              <titel>Het uitzetten van de bouw</titel>
            </kop>
            <al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            – onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde –
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li>
              <li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.5</nr>
              <titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen;</al></li>
                <li nr="b"><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li>
                <li nr="c"><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.6</nr>
              <titel>Metingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel>
            </kop>
            <al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle metingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. Dit artikel geldt als
                            aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek,
                            opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast biedt om
                            bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt dit
                            artikel van de bouwverordening toegepast.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.7</nr>
              <titel>Bemalen van bouwputten</titel>
            </kop>
            <al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.8</nr>
              <titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al></li>
                <li nr="b"><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.9</nr>
              <titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.10</nr>
              <titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd,
                                        en/of</al></li>
                <li nr="b"><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li>
                <li nr="c"><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.11</nr>
              <titel>Bouwafval</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9);</al></li>
                <li nr="b"><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li>
                <li nr="c"><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m<sup>3</sup> per bouwproject
                                        bedraagt;</al></li>
                <li nr="d"><al>overig afval.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m<sup>3</sup>, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                                verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke
                                opslag.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.12</nr>
              <titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Van het gereedkomen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                        riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen
                                        door wanden en vloeren beneden straatpeil;</al></li>
                <li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede
                                        van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                        moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de
                                        onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden
                                        gesteld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning, betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.13</nr>
              <titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li>
                <li nr="b"><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li>
                <li nr="c"><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.14</nr>
              <titel>Verbod tot ingebruikneming</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Staat van open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.1</nr>
                <titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>drassigheid;</al></li>
                  <li nr="b"><al>stank;</al></li>
                  <li nr="c"><al>verontreiniging;</al></li>
                  <li nr="d"><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li>
                  <li nr="e"><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.2</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen.</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien de toegang van een</al>
                <lijst>
                  <li nr="•"><al>een woning meer dan 40 meter,</al></li>
                  <li nr="•"><al>een woongebouw meer dan 10 meter,</al></li>
                  <li nr="•"><al>een niet tot bewoning bestemd gebouw meer dan 10
                                            meter,</al></li>
                </lijst>
                <al>is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                    tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                                    geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's,
                                    brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de
                                    aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                    vereisen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li>
                  <li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voor zover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.1.3</nr>
                <titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Tussen de toegang van enerzijds:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li>
                  <li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit;</al></li>
                </lijst>
                <al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li>
                  <li nr="b"><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li>
                  <li nr="c"><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.1</nr>
                <titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel>
              </kop>
              <al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12
                                van overeenkomstige toepassing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.2</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen niet
                                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen
                                    of kantoorgebouwen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.3</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    woongebouwen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.4</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.2.5</nr>
                <titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.1</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of</al></li>
                <li nr="b"><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.2</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li>
                <li nr="b"><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.3</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel>
              </kop>
              <al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of</al></li>
                <li nr="b "><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al></li>
                <li nr="a"><al>woningen voor bejaarden;</al></li>
                <li nr="b"><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m<sup>2</sup>;</al></li>
                <li nr="c"><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li>
                <li nr="d"><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.4</nr>
                <titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    fecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li>
                  <li nr="b"><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li>
                  <li nr="c"><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li>
                  <li nr="d"><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.5</nr>
                <titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel>
              </kop>
              <al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt;</al></li>
                <li nr="b"><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden;</al></li>
                <li nr="c"><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden;</al></li>
                <li nr="d"><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.6</nr>
                <titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel>
              </kop>
              <al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.3.7</nr>
                <titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>5.4.1</nr>
                <titel>Preventie</titel>
              </kop>
              <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Brandveilig gebruik </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel/>
            </kop>
            <al>(Vervallen, in verband met het in werking treden van het Gebruiksbesluit
                            op 1 november 2008)</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Overige gebruiksbepalingen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Overbevolking</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.1.1</nr>
                <titel>Overbevolking van woningen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m<sup>2</sup>
                                gebruiksoppervlakte.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.1.2</nr>
                <titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Staken van het gebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.1</nr>
                <titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al> bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li>
                <li nr="b"><al> bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                        bouwwerk.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.2</nr>
                <titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel>
              </kop>
              <al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.2.3</nr>
                <titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel>
              </kop>
              <al>Indien in besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.1</nr>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.3.2</nr>
                <titel>Hinder</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li>
                <li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein;</al></li>
                <li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li>
              </lijst>
              <al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.4.1</nr>
                <titel>Preventie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Watergebruik</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.5.1</nr>
                <titel>Verboden gebruik van water</titel>
              </kop>
              <al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Installaties</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7.6.1</nr>
                <titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel>
              </kop>
              <al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Slopen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Sloopvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.1</nr>
                <titel>Sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m<sup>3</sup>, tenzij het slopen mede betreft
                                    het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist
                                    voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
                                    Burgemeester en wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden
                                    verbinden als bedoeld in het derde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li>
                  <li nr="b"><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li>
                  <li nr="c"><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li>
                  <li nr="d"><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.2</nr>
                <titel>Aanvraag sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De aanvraag moet inhouden:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al></li>
                  <li nr="b"><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                            adres;</al></li>
                  <li nr="c"><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                            belast;</al></li>
                  <li nr="d"><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich
                                            het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het
                                            bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit
                                            asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                            kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                            bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                            desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                            ingevolge het negende lid is gewaarmerkt; </al></li>
                  <li nr="e"><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk
                                            waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien
                                            niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;</al></li>
                  <li nr="f"><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                            gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al></li>
                  <li nr="g"><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                            aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                            bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op
                                            te richten of te veranderen of uit te breiden
                                            bouwwerk;</al></li>
                  <li nr="h"><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                            plaatsvinden;</al><al>en voorts, indien van toepassing:</al></li>
                  <li nr="i"><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>een afschrift van een asbestinventarisatierapport,
                                            uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf,
                                            waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                            bouwwerk bevindt;</al></li>
                  <li nr="b"><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 26 februari
                                            1999 (= datum van verwerking in de gemeentelijke
                                            bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de
                                            Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan
                                            de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat
                                            er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;
                                            indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                                            vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke
                                            verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er
                                            geen veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast;</al></li>
                  <li nr="c"><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk
                                            is gebouwd na 1 januari 1994;</al></li>
                  <li nr="d"><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                            materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                            bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                                            verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat
                                            hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds
                                            het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast;</al></li>
                  <li nr="e"><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                            verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te
                                            slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het
                                            materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                            is;</al></li>
                </lijst>
                <al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                    overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij
                                    de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens
                                    verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende weerleggen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                    asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten
                                    dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                    asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond
                                    of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien
                                    geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                    overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden
                                    overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar
                                    dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan indien:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft
                                            op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                            aangeduide plaatsen, of</al></li>
                  <li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder
                                            b bij de aanvraag is gevoegd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6</lidnr>
                <al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                    drievoud worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7</lidnr>
                <al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8</lidnr>
                <al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9</lidnr>
                <al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10</lidnr>
                <al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                    betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbij behorende
                                    bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                    blijken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>11</lidnr>
                <al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>12</lidnr>
                <al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                    voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                    asbest.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>13</lidnr>
                <al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                    sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.3</nr>
                <titel>In behandeling nemen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al>
                <al>Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat
                                    over het verwijderen van asbest en uit gegevens waarover de
                                    gemeente beschikt blijkt dat redelijkerwijs mag worden
                                    aangenomen dat zich in het te slopen bouwwerk asbest
                                    bevindt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c en m.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.4</nr>
                <titel>Termijn van beslissing</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de
                                    Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning
                                    voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog
                                    niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde
                                    beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van
                                    de datum van de laatst genomen beslissing.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.5</nr>
                <titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning – voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd –
                                    worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn
                                    ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                                    bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.6</nr>
                <titel>Weigeren sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a"><al> de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li>
                <li nr="b"><al> de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd;</al></li>
                <li nr="c"><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend;</al></li>
                <li nr="d"><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en
                                        deze niet is verleend;</al></li>
                <li nr="e"><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op
                                        grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet
                                        is verleend.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.1.7</nr>
                <titel>Intrekking sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li>
                  <li nr="b"><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li>
                  <li nr="c"><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.2.1</nr>
                <titel>Sloopmelding</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening
                                    van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de
                                            asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien,
                                            uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                            staand bijgebouw, voor zover de woning of het bijgebouw
                                            niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                            bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                                            dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                            asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante
                                            meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li>
                  <li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                            asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een
                                            op het erf van die woning staand bijgebouw, voor zover
                                            de woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                            bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte
                                            van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                            vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                            kadastraal perceel bedraagt;</al></li>
                </lijst>
                <al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                    sloopvergunning is vereist.</al>
                <al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                                    logiesverblijf.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                    worden ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6</lidnr>
                <al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7</lidnr>
                <al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8</lidnr>
                <al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9</lidnr>
                <al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het
                                    achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de
                                    artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn
                                    gesteld, in acht te nemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10</lidnr>
                <al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>11</lidnr>
                <al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.2.2</nr>
                <titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li>
                <li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li>
                <li nr="c."><al>rem- frictiematerialen;</al></li>
                <li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li>
                <li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.1</nr>
                <titel>Veiligheid op sloopterrein</titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.2</nr>
                <titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel>
              </kop>
              <al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.3</nr>
                <titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                                    zal plaatsvinden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                                    2005.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.4</nr>
                <titel>Plichten van degene die sloopt</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                    voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                    ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding
                                    te doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.5</nr>
                <titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.3.6</nr>
                <titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel>
              </kop>
              <al>(Vervallen)</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vrij slopen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8.4.1</nr>
                <titel>Sloopafval algemeen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a"><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9);</al></li>
                  <li nr="b"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li>
                  <li nr="c"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li>
                  <li nr="d"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li>
                  <li nr="e"><al>asfalt;</al></li>
                  <li nr="f"><al>dakgrind;</al></li>
                  <li nr="g"><al>overig afval.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Welstand</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.1</nr>
              <titel>De advisering door de WelstandsMonumentenCommissie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie adviseert burgemeester en wethouders
                                over de welstandsaspecten van aanvragen:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>voor reguliere bouwvergunningplichtige en
                                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken;</al></li>
                <li nr="-"><al>voor een monumentenvergunning;</al></li>
                <li nr="-"><al>voor een aanwijzing monument;</al></li>
                <li nr="-"><al>voor cultuurhistorische subsidies.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie baseert haar advies op de in de
                                welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.2</nr>
              <titel>Samenstelling van de WelstandsMonumentenCommissie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie bestaat ten minste uit een
                                voorzitter en drie leden die deskundig zijn op het gebied van
                                architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie en
                                eventueel een burgerlid .</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Voor de voorzitter wordt een plaatsvervanger aangewezen die hem bij
                                afwezigheid kan vervangen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie kan slechts adviezen uitbrengen
                                indien tenminste twee leden aanwezig zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al>De voorzitter en leden van de WelstandsMonumentenCommissie zijn
                                onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie wordt bijgestaan door een
                                secretaris.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.3</nr>
              <titel>Benoeming</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>De voorzitter en de leden van de WelstandsMonumentenCommissie worden
                                door burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>De voorzitter en de leden worden geworven door middel van een
                                openbare sollicitatieprocedure.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.4</nr>
              <titel>Termijnen en wijze van advisering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie brengt het advies over aanvragen als
                                bedoeld in artikel 9.1 eerste lid uit binnen drie weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek voor het uitbrengen
                                van een advies aan de WelstandsMonumentenCommissie een langere
                                termijn geven dan genoemd in lid 1 van dit artikel. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.5</nr>
              <titel>Openbaarheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het reglement van orde van de WelstandsMonumentenCommissie bevat
                                nadere regels over de openbaarheid.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.6</nr>
              <titel>Mandaat</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>De WelstandsMonumentenCommissie kan de advisering over aanvragen om
                                een reguliere bouwvergunning, lichte-bouwvergunning en een
                                monumentenvergunning mandateren aan een of meerdere leden of de
                                secretaris. De aangewezen leden of de secretaris adviseren over
                                plannen waarvan volgens hen het oordeel van de commissie als bekend
                                wordt verondersteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                wijzen ambtenaar, indien de welstandscriteria voor die bouwwerken in
                                de welstandsnota of het bestemmingsplan zijn opgenomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>In geval van twijfel legt de gemandateerde het plan als bedoeld in
                                lid 1 alsnog voor aan de WelstandsMonumentenCommissie.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Overige administratieve bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.1</nr>
              <titel>De aanvraag om woonvergunning</titel>
            </kop>
            <al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.2</nr>
              <titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.3</nr>
              <titel>Overdragen vergunningen</titel>
            </kop>
            <al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60
                            van de Woningwet, de gebruiksvergunning en –meldingen als bedoeld de
                            AMvB <cursief>Besluit Brandveilig gebruik Bouwwerken</cursief>
                            (Gebruiksbesluit stb.2008, 327) dan wel de sloopvergunning als bedoeld
                            in artikel 8.1.1 op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven
                            op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is
                            gesteld.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.4</nr>
              <titel>Overdragen mededeling</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.5</nr>
              <titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (Vervallen)</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.6</nr>
              <titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel>
            </kop>
            <al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            – of in de bij deze verordening behorende bijlagen – wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Handhaving</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.1</nr>
              <titel>Stilleggen van de bouw</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.2</nr>
              <titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.3</nr>
              <titel>Stilleggen van het slopen</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.4</nr>
              <titel>Onderzoek naar een gebrek</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.1</nr>
              <titel>Strafbare feiten</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.2</nr>
              <titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel>
            </kop>
            <al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.3</nr>
              <titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel>
            </kop>
            <al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.4</nr>
              <titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.5</nr>
              <titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel>
            </kop>
            <al>(Vervallen)</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.6</nr>
              <titel>Slotbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking op 1 november 2009.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt “Verordening
                                tot 9<sup>e</sup> wijziging van de Bouwverordening voor de gemeente
                                Bergen op Zoom 1993”</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening tot de
                                10<sup>e</sup> wijziging van de Bouwverordening voor de Gemeente
                                Bergen op Zoom”.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>1</nr>
          <titel>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                    bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening </tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Funderingsplan</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Toelichting bijlage 1</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>2</nr>
        </kop>
        <al>(Vervallen, in verband met het in werking treden van het Gebruiksbesluit op 1
                    november 2008)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>3</nr>
          <titel> Gebruikseisen voor bouwwerken</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemene toelichting bij bijlage 3</tussenkop>
        <al>Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken uitgezonderd gebouwen
                    (woonfuncties en woonwagens). De eisen worden gesteld met als doel een
                    brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een
                    gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de
                    voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften
                    hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke
                    situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met
                    mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de
                    beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het in stand houden
                    van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.</al>
        <tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                            moeten voldoende worden vrijgehouden, en wel zodanig dat hiervan
                            onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></li>
          <li nr="2"><al>De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid,
                            en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                            brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de
                            verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en
                            opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden
                            geopend.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 1</tussenkop>
        <tussenkop>Lid 1</tussenkop>
        <al>De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de
                    publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor
                    Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                    telefoon (026) 355 24 55, <onderstreept>www.nvbr.nl</onderstreept> .</al>
        <tussenkop>Lid 2</tussenkop>
        <al>Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten
                    openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Verlichting/elektrische installatie</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                            installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van
                            brand.</al></li>
          <li nr="2."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                            op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                            installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert
                            voor het ontstaan van brand.</al></li>
          <li nr="3."><al>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                            noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een
                            ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud
                            wordt verricht.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 2 </tussenkop>
        <tussenkop>Lid 1</tussenkop>
        <al>Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de
                    verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling
                    Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al>
        <tussenkop>Lid 2</tussenkop>
        <al>Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel
                    aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en
                    versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende
                    apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90<sup>o</sup> C bedraagt
                    (zie ook Bijlage 4, artikel 2).</al>
        <tussenkop>Lid 3</tussenkop>
        <al>Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud
                    is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van
                    noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten
                    van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De
                    publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van
                    onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV
                    ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, <onderstreept>www.isso.nl</onderstreept>. </al>
        <tussenkop>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</tussenkop>
        <al>Vervallen </al>
        <tussenkop>Artikel 7 Brandweerlift</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende
                    pompinstallatie</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 12 Automatisch werkende deuren</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 14 Gasflessen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 16 Overdrukinstallatie</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 18 Brandweeringang</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 19 Logboek</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsuitoefening</tussenkop>
        <al>Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden
                    uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of
                    gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van
                    een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
                    belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de
                    rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.</al>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 20 </tussenkop>
        <al>Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van
                    werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier
                    onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen
                    als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt.
                    Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk
                    of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen
                    deze eis van toepassing is.</al>
        <tussenkop>Artikel 21 Rookmelders in woningen</tussenkop>
        <al>De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige
                    rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.</al>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 21 </tussenkop>
        <al>Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van
                    artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten
                    functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen –
                    rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift
                    noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</al>
        <al>Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient
                    te allen tijde gegarandeerd te zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 22 Roltrap</tussenkop>
        <al>Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden
                    van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave
                    2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.</al>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 22 </tussenkop>
        <al>Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en
                    gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.</al>
        <tussenkop>Artikel 23 Garantiecertificaat</tussenkop>
        <al>Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                    benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                    certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.</al>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 23 </tussenkop>
        <al>Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende
                    behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk
                            zijn.</al></li>
          <li nr="-"><al>Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                            draagconstructie brandwerend zijn.</al></li>
          <li nr="-"><al>Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de
                            gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                            brandvoortplanting.</al></li>
        </lijst>
        <al>Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een
                    risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd
                    te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</al>
        <al>Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn
                    aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</al>
        <tussenkop>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</tussenkop>
        <al>De opslag van goederen is niet toegestaan in:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                            celfunctie, gezondheidszorgfunctie);</al></li>
          <li nr="b."><al>brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen
                            (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                            sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 24</tussenkop>
        <al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien
                    van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                    van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich
                    snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te
                    worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende
                    mensen beperkt wordt. </al>
        <al>In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen
                    hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en
                    de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van
                    goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen,
                    etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die
                    hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</al>
        <al>De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld
                    gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en
                    gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes
                    (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                    bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het
                    Bouwbesluit in de vluchtroute </al>
        <al>verhoogde eisen gelden aan de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid
                    (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2
                    m<sup>-1</sup>) is de opslag van goederen in deze ruimten niet toegestaan.</al>
        <tussenkop>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</tussenkop>
        <al>De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                    aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen
                    tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.</al>
        <tussenkop>Toelichting bij artikel 25 </tussenkop>
        <al>Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De
                    eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is,
                    moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er
                    altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</al>
        <al>Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van
                    voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de
                    frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen
                    in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de
                    test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>4</nr>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>5</nr>
          <titel>Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</titel>
        </kop>
        <al>(vervallen)</al>
        <tussenkop>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>6</nr>
          <titel> Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>7</nr>
          <titel> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                        erven en terreinen</titel>
        </kop>
        <al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al>
        <al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al>
        <lijst>
          <li nr="a"><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li>
          <li nr="b"><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979);</al></li>
          <li nr="c"><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen';</al></li>
          <li nr="d"><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad
                            NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</al></li>
          <li nr="e"><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 – Deel 1. Eisen (Engelstalig)';</al></li>
          <li nr="f"><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername (Engelstalig);</al></li>
          <li nr="g"><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3.
                            Beproevingsmethoden (Engelstalig)</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>8</nr>
          <titel> Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>9</nr>
          <titel>Reglement van orde van de welstandscommissie Reglement van orde voor de
                        WelstandsMonumentenCommissie van de gemeente Bergen op Zoom</titel>
        </kop>
        <tussenkop>OPENBAARHEID</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Vergaderdata en agenda</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>De data, het tijdstip en de locatie van de vergadering van de
                            WelstandsMonumentenCommissie worden bekendgemaakt via de gemeentelijke
                            internetsite en kennisgeving daarvan aan de lokale pers.</al></li>
          <li nr="2"><al>De voorlopige agenda van de vergadering van de
                            WelstandsMonumentenCommissie ligt een werkdag vóór de vergadering ter
                            inzage en wordt tevens geplaatst op de gemeentelijke internetsite.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2 Publieke tribune</tussenkop>
        <al>Eenieder kan de vergaderingen van de WelstandsMonumentenCommissie bijwonen op de
                    publieke tribune.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Spreekrecht</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>Voorafgaande aan de behandeling van een bouwplan bestaat de mogelijkheid
                            voor belanghebbenden gedurende maximaal vijf minuten in te spreken. De
                            voorzitter kan een langere spreektijd toestaan en kan het aantal
                            sprekers per bouwplan aan een maximum verbinden.</al></li>
          <li nr="2"><al>Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken moeten dit minimaal één
                            dag voor de vergadering van de commissie aan het secretariaat kenbaar
                            hebben gemaakt.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 4 Notulen</tussenkop>
        <al>Goedgekeurde notulen van de behandeling van bouwplannen zijn openbaar en worden
                    op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.</al>
        <tussenkop>VERGADERORDE</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5 Quorum</tussenkop>
        <al>De commissie kan slecht adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden
                    aanwezig zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Mondelinge toelichting</tussenkop>
        <al>Planindieners en ontwerpers worden in de gelegenheid gesteld om de behandeling
                    van hun plan bij te wonen en toe te lichten. De voorzitter bepaalt de spreektijd
                    van planindieners en ontwerpers. De secretaris van de commissie draagt zorg voor
                    het uitnodigen van planindieners en ontwerpers die dat wensen. </al>
        <tussenkop>Artikel 7 Onafhankelijkheid</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>Indien de commissie om advies wordt gevraagd over het ontwerp van een
                            bouwplan dat door één van haar leden is vervaardigd, of indien de
                            onafhankelijke advisering door de commissie op een andere wijze in het
                            geding kan zijn, zal het betreffende commissielid aan de beraadslaging
                            noch aan de advisering over dat plan deelnemen noch daarbij aanwezig
                            zijn.</al></li>
          <li nr="2"><al>Het ontwerp van het bouwplan mag wel door het commissielid worden
                            toegelicht zoals bedoeld in artikel 7 van dit reglement. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 8 Stemming</tussenkop>
        <al>De commissie adviseert bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken
                    heeft de voorzitter een beslissende stem.</al>
        <tussenkop>WELSTANDSADVIES: INHOUD EN MONDELINGE TOELICHTING</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 9 Inhoud welstandsadvies</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>Het welstandsadvies is schriftelijk en gemotiveerd. Elk welstandsadvies
                            bestaat in ieder geval uit:</al><lijst>
              <li nr="a."><al>Een korte duiding van het bouwplan en zijn omgeving;</al></li>
              <li nr="b."><al>Een verwijzing naar de bij de beoordeling gebruikte
                                    welstandscriteria en een motivering, indien wordt afgeweken van
                                    die criteria;</al></li>
              <li nr="c."><al>Het advies en de motivering daarvan indien het een negatief
                                    advies is.</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="2"><al>Bij een positieve advisering kan een expliciete motivering achterwege
                            blijven, tenzij burgemeester en wethouders daarom verzoeken, of indien
                            er bezwaar tegen het bouwplan wordt ingediend.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 10 Toelichting op het welstandsadvies</tussenkop>
        <al>De planindiener en/of de ontwerper kan verzoeken om een mondelinge toelichting
                    op het welstandsadvies. Deze toelichting wordt gegeven door de secretaris.
                    Indien de planindiener of ontwerper vervolgens eventueel een nadere toelichting
                    wenst, wordt een afspraak gemaakt met de commissie.</al>
        <tussenkop>SCHETSPLAN EN COLLEGIAAL OVERLEG</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11 </tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>Aan planindieners en ontwerpers wordt de mogelijkheid geboden om in een
                            collegiaal overleg met de commissie een nog niet formeel ingediend
                            bouwplan toe te lichten en te bespreken aan de hand van een schetsplan.
                            Van het collegiaal overleg kan een verslag worden gemaakt. </al></li>
          <li nr="2"><al>Het collegiaal overleg is openbaar tenzij aanvrager uitdrukkelijk
                            verzoekt om niet openbare behandeling. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>KLACHTEN</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12</tussenkop>
        <al>Klachten over het functioneren van de commissie worden ingediend bij de
                    commissie zelf. Als klager en commissie niet tot een oplossing komen kan de
                    klager zijn klacht indienen bij burgemeester en wethouders. </al>
        <tussenkop>CITEERTITEL</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 13</tussenkop>
        <al>Dit reglement wordt aangehaald als “Reglement van orde voor de
                    WelstandsMonumentenCommissie van de gemeente Bergen op Zoom”.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>10</nr>
          <titel> Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>11</nr>
          <titel> Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                        (ontruimingsalarminstallaties)</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>12</nr>
          <titel>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr> 13</nr>
          <titel> Kaart bebouwde kom</titel>
        </kop>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>TOELICHTING OP DE BOUWVERORDENING VOOR DE GEMEENTE BERGEN OP ZOOM</titel>
        </kop>
        <tussenkop>(bijgewerkt t/m de twaalfde serie wijzigingen, inclusief aanpassingen ten
                    gevolge van het Gebruiksbesluit)</tussenkop>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop>
        <tussenkop>Asbest</tussenkop>
        <al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de
                    vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer
                    12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer
                    12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer
                    77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt.
                    Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 en de daarbij behorende toelichting.</al>
        <al>
          <vet>Besluit indieningsvereisten</vet>:</al>
        <al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                    inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en
                    gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen
                    meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de
                    opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen
                    gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit.</al>
        <al>
          <vet>Besluit bouwwerken</vet>:</al>
        <al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                    wetstekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003, 315
                    en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de
                    mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een
                    uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                    zijn. </al>
        <al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                    bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                    licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de
                    Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).</al>
        <tussenkop>Bouwbesluit</tussenkop>
        <al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen.</al>
        <tussenkop>Bouwtoezicht</tussenkop>
        <al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht aan
                    burgemeester en wethouders</al>
        <al>om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Dit sluit aan bij de op
                    grond van artikel 100 (oud) Woningwet bestaande centrale rol van de gemeente bij
                    de vergunningverlening en handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat van
                    bestaande bouwwerken en brengt geen verandering in het uitgangspunt dat elke
                    gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten
                    en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te
                    besteden. </al>
        <al>Op grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en wethouders
                    degenen aan</al>
        <al>die belast zijn met het bouw- en woningtoezicht.</al>
        <tussenkop>Gebruiksoppervlakte</tussenkop>
        <al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                    begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar
                    NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële
                    regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).</al>
        <al>De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking,
                    hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model-bouwverordening.</al>
        <al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                    Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om
                    bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                    gebruiksoppervlakten </al>
        <tussenkop>Bouwwerk en gebouw</tussenkop>
        <al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                    jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe MBV
                    gehandhaafd.</al>
        <al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al>
        <al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                    ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de
                    Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de
                    Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft. Deze
                    jurisprudentie is hierna vermeld.</al>
        <al>Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                    rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                    meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43
                    van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken
                    als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.</al>
        <tussenkop>Deskundig bedrijf</tussenkop>
        <al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van
                    hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder
                    wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbest-verwijderingsbesluit
                    2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld
                    in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</al>
        <al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al>
        <tussenkop>Wat is bouwvergunningvrij bouwen?</tussenkop>
        <al>Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van
                    de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is
                    opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige
                    bouwwerken is komen te vervallen. </al>
        <al>De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel
                    43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht
                    van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de
                    met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit
                    bouwwerken.</al>
        <tussenkop>Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?</tussenkop>
        <al>De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder
                    de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. Bovendien
                    is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen
                    onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Bouwplannen
                    waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van gemeentewege worden
                    getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de welstandsregels en de
                    eisen inzake de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voorzover
                    van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening. </al>
        <al>Wat betreft voorbeelden van de categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan
                    de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.</al>
        <tussenkop>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</tussenkop>
        <al>De vraag wat moet worden verstaan onder een bouwwerk, een gebouw, bouwen e.d. in
                    de zin van de Model-bouwverordening en wat niet, is reeds vele malen onderworpen
                    aan het oordeel van de rechter. Daardoor kan een uitvoerig overzicht van de
                    jurisprudentie op dit artikel gegeven worden.</al>
        <lijst>
          <li nr="I."><al>Bouwwerk algemeen</al><lijst>
              <li nr="-"><al>Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van
                                    meer gewicht dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende
                                    belangen wordt beschermd, waaronder naast de belangen van
                                    veiligheid, hygiëne en huisvesting, ook het belang betrokken bij
                                    het uiterlijk van bouwwerken, zowel op zich zelf als in de
                                    omgeving. In overeenstemming daarmee is bij de mondelinge
                                    behandeling van het desbetreffende wetsontwerp in de Tweede
                                    Kamer opgemerkt dat het begrip bouwwerk 'alles en nog wat' kan
                                    omvatten.</al><al>HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB
                                    1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR
                                    1978, 196.</al></li>
              <li nr="-"><al>De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten
                                    aan het spraakgebruik.</al><al>De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan in dezen
                                    als richtsnoer dienen. Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980,
                                    32; ARRS 24 januari 1983, GS 6751.</al></li>
              <li nr="-"><al>'Plaats van bestemming' in de definitie van bouwwerk moet niet
                                    worden opgevat als 'plaats van voorkeur', doch veeleer als de
                                    plaats waarop de constructie wordt opgetrokken om aldaar te gaan
                                    functioneren, zodat bij voorbeeld buiten het regime van de
                                    bouwverordening vallen veelsoortig constructiewerk op
                                    industriële terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats
                                    (prefabricatie e.d. en opslag van constructies die zonder ter
                                    plaatse gebruikt te worden bestemd zijn om elders te gaan
                                    functioneren).</al><al>Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is
                                    vervaardigd met de bedoeling hierin het carillon op te hangen en
                                    dit ter plaatse te doen spelen, is er geen twijfel mogelijk dat
                                    de constructie zich op de plaats van bestemming bevindt.</al><al>HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr. 30369;
                                    NJ 1972, 453; Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973,
                                    436.</al></li>
              <li nr="-"><al>Een verrijdbaar of 'gemakkelijk' verplaatsbaar object moet in
                                    beginsel als bouwwerk in de zin van de Woningwet worden
                                    aangemerkt, wanneer het naar omvang, constructie en gebruik een
                                    plaatsgebonden karakter heeft.</al><al>HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1,
                                    nr. 34110; NG 1974, 512; Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20;
                                    BR 1976, 246; ARRS 16 december 1980; BR 1981, 345; ARRS 21 juli
                                    1983, A-31.3043 (1982)/21; ARRS 20 september 1986; RO
                                    3.85.0135.</al></li>
              <li nr="-"><al>Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt
                                    als zij krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel
                                    nauw met elkaar verbonden zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande
                                    schoorsteenpijp, behorend bij een stoomgemaal.) ARRS 20 augustus
                                    1979; BR 1980, 10.</al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende 'verplaatsbare
                    objecten':</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Een wooncaravan. Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB
                            1969, 429; OB 1969, XI.16.1, nr. 28673.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een stacaravan. ARRS 28 maart 1979; AB 1980, 76; GS 6587; NG 1980, 596;
                            ARRS 5 maart 1982, A- 3.2901 (1980).</al></li>
          <li nr="-"><al>Een friteskraam. Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977,
                            325.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een bloemenwagen. ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen. Wnd. vz.
                            ARRS 19 juli 1983, RO 3.83.4172. ARRS 21 januari 1986; GS 6842.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en schuilgelegenheid.
                            HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr 34110;
                            NG 1974, 512.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242 m2 en
                            een hoogte van 4 m. Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een tuincentrum.
                            ARRS 30 januari 1980; BR 1980, 599.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met een oppervlakte van
                            139 m2. ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 m, bestaande uit een
                            gebogen lichtgewicht frame dat is overspannen met plastic. AARS 20
                            september 1986; RO 3.85.0135.</al></li>
          <li nr="-"><al>Demontabele luifels aan een winkelpand.</al><al> Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S 5301.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde
                            band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden. ARRS 9 december 1980;
                            BR 1981, 342.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen
                            door een reclamebord in de vorm van een raket. ARRS 19 augustus 1983,
                            A-31.2807 (1982)/19.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen
                            fundering.ARRS 16 augustus 1983, A-32.5603 (1982).</al></li>
          <li nr="-"><al>Een vlaggemast van 13 m. Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1971,
                            551.</al></li>
          <li nr="-"><al>Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als
                            onderdak voor een c.v.-ketel. ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter wordt
                            afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste,
                            inklapbare delen van respectievelijk 10 m bij 5 m en 6 m bij 4 m, die
                            rusten op vijf in de grond verankerde staanders heeft toch een
                            plaatsgebonden karakter en is derhalve een bouwvergunningplichtig
                            bouwwerk. Vz. ARRS 12 augustus 1993, No. S03.93.3000.</al></li>
          <li nr="-"><al>De onderhavige frituurunit is een bouwwerk met een plaatsgebonden
                            karakter, nu daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm zijn
                            gemonteerd op plaatsen waar contact met de ondergrond niet mogelijk is.
                            Het verplaatsen kan daardoor alleen nog met behulp van een hijskraan
                            plaatsvinden. Voorts ligt het in de bedoeling de unit blijvend te laten
                            staan. ARRS, 16 augustus 1993, AB 1994, nr. 345.</al></li>
          <li nr="-"><al>Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is
                            door de maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide
                            aanpassingen in het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto
                            kan worden voortbewogen, aan te merken als een zomerhuis.Vz. ABRS 14
                            januari 1994, R03.93.5862 en S03.93.4772; ABRS, 4 april 1995,
                            R03.93.5862.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een paardecontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt
                            een plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie
                            verplaatsbaar en is derhalve een bouwwerk. ABRS 10 november 1994,
                            R03.92.3274 en R03.92.3602.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een metalen constructie (9 bij 5 m) op wieltjes, met een zeildoek
                            afgedekt, die dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk
                            gezien het plaatsgebonden karakter. ABRS 8 augustus 1994,
                            R03.89.2034.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een verrijdbare overkapping, aan drie zijden omsloten door wanden, met
                            een oppervlakte van 75,6 m2, gezien de omvang, constructie, gebruik en
                            plaatsgebonden karakter. De omstandigheid dat de overkapping op wielen
                            staat en enige meters kan worden verreden doet daaraan niet af. ABRS 25
                            april 1995, H01.95.0114 en K01.95.0022.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een op een standplaats geplaatste woonwagen met een permanent,
                            plaatsgebonden karakter. ABRS 4 november 1996, R03.94.0111, JG
                            97.0017.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een dubbele stacaravan (houten, L-vormig chalet). ABRS 3 december 1996,
                            nr. R03.93.0294.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een demontabel tuinhuisje, dat naar aard en gebruik plaatsgebonden is.
                            Er komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat geen fundering of
                            betonnen vloer aanwezig is. ABRS 7 september 1997, nr. H01.96.0691.</al></li>
          <li nr="-"><al>Metalen afvalcontainers (gft en restafval) aangemerkt als bouwwerk. Geen
                            straatmeubilair.</al><al>Het betreft gft-containers (1.30 x 0.65 x 1.10) en restafvalcontainers
                            (1.30 x 1.30 x 1.10). De afzonderlijke metalen containers moeten gezien
                            hun omvang en plaatsgebondenheid als bouwwerken worden aangemerkt. Zij
                            zijn bedoeld om duurzaam ter plaatse te functioneren. Dat zij enige
                            malen per week mechanisch worden opgetild om te worden geleegd, doet
                            hieraan niet af, aangezien zij op dezelfde plaats worden teruggezet.
                            Niet aan te merken als straatmeubilair.ABRS 29 januari 1998, nr.
                            H01.97.0336, NJB 1998, blz. 452, nr. 20.</al></li>
          <li nr="-"><al>(Demontabel) zwembad is aan te merken als een bouwvergunningplichtig
                            bouwwerk.</al><al>Bij besluit van 10 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van
                            Wassenaar appellante, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen
                            zes weken het zonder bouwvergunning in de tuin van de woning Papeweg 44
                            te Wassenaar geplaatste zwembad te verwijderen. De vraag of voor het
                            zwembad een bouwvergunning is vereist, beantwoordt de Afdeling
                            bevestigend. Het onderhavige zwembad betreft een constructie, bestaande
                            uit een metalen opstaande rand van ongeveer 1 meter hoog, waaraan een
                            voering van kunststof is bevestigd die met water is gevuld. Het geheel
                            heeft een doorsnede van 6 meter en steunt direct op de grond. De
                            constructie is bedoeld om daar waar zij is geplaatst als zwembad te
                            functioneren. De Afdeling is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het
                            zwembad, gelet op de constructie, de afmetingen en het plaatsgebonden
                            karakter door burgemeester en wethouders terecht als een bouwwerk als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is
                            aangemerkt. De omstandigheid dat het zwembad eerder op een andere plaats
                            in de tuin heeft gestaan en kan worden gedemonteerd leidt niet tot een
                            ander oordeel. Voorts heeft de rechtbank op goede gronden terecht
                            geoordeeld dat voor het plaatsen van het zwembad een bouwvergunning is
                            vereist. ABRS 3 april 2000, nr. 199902036</al></li>
          <li nr="-"><al>Een in het watersportseizoen aanwezige skischans is
                            vergunningplichtig.</al><al>De skischans is een drijvend object, aan de bodem van de plas verankerd,
                            ter plaatse aanwezig van april tot oktober. Gelet op de constructie en
                            de plaatsgebondenheid, was voor het oprichten ervan een bouwvergunning
                            vereist. Dat de schans uitsluitend gedurende het watersportseizoen wordt
                            gebruikt, maakt dat niet anders. De daarmee samenhangende periodieke
                            verplaatsing van de schans doet niet af aan het plaatsgebonden karakter.
                            ABRS 23 juni 2000, nr. 199902356/1</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt:</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier
                            tanks, leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een
                            oppervlakte in beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 m. HR 24 november
                            1971; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr.
                            34062.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een woonboot die met de grond is verbonden. Rb. Assen 28 mei 1974; BR
                            1975, 748.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een duiker in een weg. HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975,
                            112.</al></li>
          <li nr="-"><al>Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken. ARRS 20 januari 1984; BR
                            1984, 331; AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984, 331.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een gedenkteken. ARRS 24 januari 1983; GS 6751.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een vlonder van 8 m lang en 1 m breed. ARRS 30 oktober 1979; BR 1980,
                            207; AB 1980, 217.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een 'neerklapbaar' zomerhuisje op geheide fundering. ARRS 21 juli 1983,
                            A-31.3043 (1982)/21.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een erfafscheiding van 1,50 m, bevestigd aan palen die 2,50 m van elkaar
                            staan.ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200.</al></li>
          <li nr="-"><al>Hekwerken, afschermingen, rietmatten. ARRS 9 september 1977; BR 1978,
                            115; ARRS 24 februari 1978; BR 1978, 406; ARRS 10 december 1981; BR
                            1982, 314; ARRS 27 maart 1980, BR 1980, 704.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken rustende
                            golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet in de
                            vloer zijn bevestigd. ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515.</al></li>
          <li nr="-"><al>Speeltoestellen. ARRS 11 juni 1985, RO 3.83.7004.</al></li>
          <li nr="-"><al>De speelvoorzieningen - een klimtoestel met een hoogte van ongeveer 4.5
                            meter en een doorsnede van ongeveer 11 meter en twee voetbaldoelen met
                            een hoogte van 2 meter en een breedte van ongeveer 3 meter - zijn
                            gesitueerd in een smalle langgerekte groenstrook grenzend aan
                            achtertuinen. Tussen de voetbaldoelen bevindt zich een afstand van circa
                            40 meter. Er is sprake van vergunningplichtige bouwwerken. ABRS 6 juni
                            2000, nr. H01.99.1440.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porto-cabin, met een afmeting
                            van 3x3x2,75) met een slagboom. Vz. ARRS 2 maart 1993, S03.93.0111 en
                            S03.93.0112.</al></li>
          <li nr="-"><al>Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een
                            hoogte van zes meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen
                            worden en dat deze niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn
                            doet, in aanmerking genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet
                            af. ARRS 11 januari 1993, R03.89.6929.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een
                            tank van 7 m lengte en 2,2 m doorsnede, die thans in gebruik is als
                            watertank. ARRS 9 januari 1987; RO 3.85.0723.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en
                            omvang van dit object. Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S
                            1779.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotel-café-restaurant, bedoeld om
                            de terrasbezoekers te beschermen tegen zon en regen. ARRS 11 maart 1988,
                            RO 3.86.5649. Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden,
                            dat een zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens
                            een bouwwerk is. Een verrolpoort alsmede een afrastering. ARRS 29 maart
                            1988, W/RvS/R.3.129/88.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de
                            stoep verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt
                            aan de ene zijde op de buis. ARRS 22 april 1988, GS 6863.</al></li>
          <li nr="-"><al>Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning
                            geplaatste antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale
                            antenne bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die
                            met een tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren
                            aangebracht en konden worden gedraaid met behulp van een elektromotor.
                            Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een balkonhek op de uitbouw van een woning. ARRS 20 oktober 1988.</al></li>
          <li nr="-"><al>De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders
                            worden, gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als
                            (bouwvergunningplichtige) bouwwerken. ARRS 25 november 1993,
                            R03.91.0529.</al></li>
          <li nr="-"><al>Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar
                            geplaatste borden van 3 bij 6 m, is gelet op omvang, constructie en
                            plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Vz. ABRS
                            14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994\9, p. 3.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de
                            grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m2, is gezien het
                            plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Vz. ARRS
                            29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858</al></li>
          <li nr="-"><al>Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter
                            hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft,
                            moet gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is
                            genomen de permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als
                            een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een
                            verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering
                            bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering die uit esthetisch
                            oogpunt van ondergeschikte betekenis is. Rb. 's-Gravenhage 20 april
                            1994, KG 1994, nr. 186.</al></li>
          <li nr="-"><al>De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie
                            (omvang 7,50 bij 4,00 m) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit
                            worden beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie
                            niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou
                            moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen,
                            dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw
                            waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis
                            worden beschouwd. ABRS 27 april 1995, R03.92.1653.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een jollenvlonder waarvan de afmeting 1,65 x 4,5 m bedraagt, bestaande
                            uit een aantal planken, aangebracht op balken die vervolgens steunen op
                            zes palen in de grond, gezien de constructie en het plaatsgebonden
                            karakter. ARRS 10 oktober 1995, R03.91.1601.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een reclamebord van ongeveer 1,5 x 0,5 meter, staande op twee palen van
                            1 meter.Pres. Rb. Zwolle 14 november 1995, Awb 95/6335.</al></li>
          <li nr="-"><al>Het aanbrengen van lichtreclame (logo van een woningstichting), gelet op
                            deafmetingen en constructie. ABRS 28 december 1995, R03.93.3712.</al></li>
          <li nr="-"><al>Demontabele terrasoverkapping, gelet op de constructie, omvang, gebruik
                            en plaatsgebonden karakter. ABRS 19 februari 1996, R03.92.3878.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een vaandel van 3,00 m hoog en 0,80 m breed, aan de boven- en onderzijde
                            bevestigd aan en tegen de gevel gemonteerde houder (beugel). ABRS 13 mei
                            1996, BR 1996, 654, m.nt. Weerkamp.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een als vakantiewoning dienstdoende marina, bestaande uit een als woning
                            ingerichte en uitziende houten opbouw, geplaatst op een betonnen bak
                            (caisson). De marina is met stalen geleidingsbeugels verankerd aan een
                            betonnen paal met een lengte van 15 meter. Mede gezien deze solide
                            verankering en het plaatsgebonden karakter is sprake van een bouwwerk.
                            Gezien de recreatieve bestemming van de marina (wordt slechts enkele
                            maanden per jaar bewoond) is hier geen sprake van een woonschip in de
                            zin van de Wet op Woonwagens en Woonschepen.ABRS 18 september 1997, GS
                            7079, nr. 6, m. nt. Teunissen, BR 1998, p. 667.</al></li>
          <li nr="-"><al>Steigers die op staande palen worden gebouwd en met elkaar worden
                            verbonden door drijvende buizen. De hoofdsteiger zal een lengte hebben
                            van ongeveer 60 m en een breedte van 1,20 m; de aanloopsteigers zullen
                            een breedte hebben van 0,5 m.ABRS 13 september 1996, R03.93.3837 en
                            R03.93.4690.</al></li>
          <li nr="-"><al>Gelet op de constructie zijn mestzakken als bouwwerken aan te
                            merken.bouwvergunning vereist. Burgemeester en wethouders van Oostburg
                            hebben appellanten, die ter plaatse varkenshouderijen exploiteren, onder
                            aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om de op hun percelen
                            geplaatste mestzakken, met een opslagcapaciteit van 2230 m3 en 4000 m3,
                            te verwijderen.Appellanten betogen dat voor het plaatsen van de
                            mestzakken bij de stallen geen bouwvergunning is vereist. Bij deze
                            mestzakken is sprake van een constructie bestaande uit een prefabplaat
                            voorzien van hijsankers - en een kunststof zak, waaraan leidingen zijn
                            verbonden voor de aan- en afvoer van mest. Deze constructie, die als één
                            geheel functioneert, steunt in of op de grond en heeft een
                            plaatsgebonden karakter. Voor het plaatsen van mestzakken is derhalve
                            een bouwvergunning vereist. Het betoog van appellanten faalt.
                            Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd tot het doen uitgaan
                            van een handhavingsbesluit. ABRS 6 januari 2000, nr. 199900868/1.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt:</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden
                            buizen die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25
                            meter onder het maaiveld en die niet rusten op een fundering. Kg.
                            Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm
                            die zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking van
                            circa 1,25 meter. KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG
                            1974, S 112; BR 1974, 602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag
                            8 maart 1974; NJ 1974, 534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732;
                            NG 1974, S 112; KB 3 september 1984; BR 1984, 896.1.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een oever- en terreinverharding als trailerhelling. KB 25 april 1974, S
                            279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S 120.</al></li>
          <li nr="-"><al>Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen. Rb. Rotterdam 6 mei
                            1981; BR 1981, 691.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die
                            met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door
                            ophogingen en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd
                            alleen 's winters neergelegd. ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.
                            Anders: een (seizoensgebonden)skischans die aan de bodem van de plas is
                            verankerd, is aangemerkt als een bouwwerk. Uitspraak ABRS 23 juni 2000,
                            nr. 199902356/1; zie blz. 10b.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt
                            ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen
                            garage. Daaraan doet niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het
                            is geparkeerd op standplaats, aangesloten wordt op het telefoonnet en op
                            het distributienet van de elektriciteitsmaatschappij. Rb. Utrecht 17
                            maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame
                            (boogkas) met een hoogte van omstreeks 2 m en een breedte van ongeveer 4
                            m. ARRS 1 december 1980; A-3.2995 (1979). Zie echter anders ARRS 20
                            september 1986; RO 3.85.0135.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is. Vz.
                            ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf. ARRS 18 november 1985, RO
                            3.85.6258/S 6709. Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394,
                            W/RvS/R.3.110/88, met betrekking tot een waterbassin van plasticfolie en
                            gebruikte autobanden.</al></li>
          <li nr="-"><al>Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip. Hof Arnhem 6
                            juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ 1975,
                            274.</al></li>
          <li nr="-"><al>Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van
                            eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een
                            plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt
                            gaan worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie.
                            Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 -
                            datum uitspraak) op het perceel gestald. ARRS 8 maart 1987;
                            W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373. NB: Een omstreden uitspraak! Een
                            intentie, die thans niet door de feiten kan worden onderbouwd, wordt
                            doorslaggevend geacht.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning
                            ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een
                            caisson. Vz. ARRS 6 augustus 1992, Gst 6968/8.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven
                            grond wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden
                            bekleed met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten
                            of plaatsen van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk,
                            geen bouwwerk zijnde, Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No.
                            S03.93.0204.</al></li>
          <li nr="-"><al>Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 m kunnen
                            gelet op de geringe omvang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor
                            een bouwvergunning noodzakelijk is. Pres. Rb. Amsterdam, 10 februari
                            1994, KG 94/353G.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een berg aarde is geen bouwwerk. Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort
                            1994, nr. 467.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 m, bestaande uit
                            aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De omstandigheid
                            dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking en van de
                            nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van
                            mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt
                            tot een ander oordeel. Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, RO3.93.4962 en
                            S03.04.0355.</al></li>
          <li nr="-"><al>Naar het oordeel van het Hof zijn de geringe afmetingen van de
                            container, bestemd voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen,
                            en de wijze waarop hij los van de straat is geplaatst en verplaatsbaar
                            is, redenen waarom de container naar gangbare opvattingen niet als een
                            bouwwerk in de zin van de bouwverordening kan worden aangemerkt. Hof
                            Amsterdam 22 december 1994, 384/94 KG.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een onderheid terras. ABRS 17 februari 1995, BR 1995, p. 571.</al></li>
          <li nr="-"><al>De slalombaan bestaat uit een zestal drijvende boeien. Geen
                            bouwvergunning vereist. ABRS 23 juni 2000, nr. 199902356/1.</al></li>
          <li nr="-"><al>Plaatsing tijdelijk bouwwerk soms vergunningvrij. In het geval van een
                            tent ligt grens bij eenendertig - al dan niet aaneengesloten -
                            dagen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Burgemeester en wethouders van Voorst (appellanten) hebben geweigerd om
                    handhavend op te treden Tegen het twee maal per jaar door Piet Zoomers B.V. ten
                    behoeve van haar kledingbedrijf geplaatst houden van een tent (met een
                    oppervlakte van 30 bij 25 meter) op een perceel te Wilp. Appellanten hebben in
                    hoger beroep betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat voor het tijdelijk
                    plaatsen van een tent geen bouwvergunning is vereist. De Afdeling geeft
                    appellanten op dit punt gelijk. In elk geval kan het plaatsen van een tent
                    gedurende niet meer dan in totaal eenendertig - al dan niet aaneengesloten dagen
                    per kalenderjaar niet als activiteit worden aangemerkt waarvoor bouwvergunning
                    is vereist. De aanwezigheid van een tent gedurende een zodanige periode heeft
                    geen blijvende planologische gevolgen voor het desbetreffende gebied. Aan dit
                    aspect heeft de Afdeling ook in de appellanten aangehaalde uitspraak van de
                    Afdeling van 2 februari 1995, inzake nr. R03.91.0975 (BR 1995, p. 409) – waarin
                    is overwogen dat voor het plaatsen van tribunes gedurende een periode van ten
                    hoogste drie weken geen bouwvergunning is vereist - betekenis toegekend. Nu Piet
                    Zoomers B.V. twee maal per jaar gedurende drie dagen op het terrein bij haar
                    vestiging een tent plaatst en geplaatst houdt ten behoeve van een winkelactie,
                    heeft de Afdeling geconcludeerd dat daarvoor geen bouwvergunning is vereist.
                    ABRS 7 juni 2001, nr. 200000506/1.</al>
        <al>Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere aangemerkt:</al>
        <al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de
                    Woningwet.</al>
        <al>Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt:</al>
        <al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de
                    Woningwet.</al>
        <al>Woning</al>
        <al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, van de
                    Woningwet.</al>
        <al>Aan of uitbouw</al>
        <al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</al>
        <al>Bijgebouw</al>
        <al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</al>
        <al>Over vergunningvrij bouwen</al>
        <al>Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 43 van de Woningwet.</al>
        <tussenkop>Artikel 1.2 Termijnen</tussenkop>
        <al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeentelijke
                    verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald.
                    Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene
                    termijnenwet van toepassing verklaard op de bouwverordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening (per 1 juli
                    2008 Wet ruimtelijke ordening) van kracht, die – na een intussen verstreken
                    overgangsperiode – voor het gebied buiten de bebouwde kom een planologische
                    regeling door middel van een of meer bestemmingsplannen verplicht stelt. De
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening zijn sindsdien enerzijds
                    vooral van belang voor het gebied binnen de toenmalige bebouwde kom en
                    anderzijds ter eventuele aanvulling op de voorschriften van het bestemmingsplan
                    buitengebied. Binnen de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige
                    basis of vanwege de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads-
                    of dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de
                    desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele aanvulling
                    op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen. </al>
        <al>Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de
                    gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol
                    onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften voor de
                    toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is praktisch
                    om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de bouwverordening
                    behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip ‘bebouwde kom’, zoals uit de
                    oude Wet op de Ruimtelijke Ordening voortvloeide, lijkt niet gewenst, omdat
                    daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden afgeleid. De bedoelde,
                    bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens worden gebruikt om op
                    overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die zijn vrijgesteld
                    van welstandstoezicht. </al>
        <al>In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                    continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften
                    voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximumbouwhoogten. Daarom zijn
                    in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het
                    buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de
                    bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip ‘bebouwde kom’
                    in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip ‘bebouwde kom’
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd. </al>
        <al>Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker
                    geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder
                    uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een
                    volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van
                    het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien verdwenen bij de komst
                    van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande
                    bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn
                    vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere
                    meldingsplichtige bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige
                    voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke
                    afbakening van de bebouwde kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot
                    eventuele plangrenzen en grenzen van ‘welstandsvrije’ gebieden van groter
                    gewicht blijken dan in vroeger jaren. </al>
        <al>Alternatief 1</al>
        <al>Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen – al dan niet
                    binnenstedelijke – zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin
                    ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. </al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 2 De aanvraag bouwvergunning</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>In hoofdstuk 2 van de bouwverordening zijn alle artikelen verzameld die
                    betrekking hebben op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw
                    artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van
                    bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en
                    indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen
                    bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften
                    van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen
                    van de Modelbouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen
                    artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten
                    opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2
                    bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt
                    getoetst c.q. moet voldoen.</al>
        <al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                    2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1
                    juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door b&amp;w wordt
                    beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt gevraagd bij het
                    Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is
                    bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager –zowel
                    natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het
                    bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor b&amp;w aanleiding
                    zijn de bouwvergunning te weigeren. Bijlage 1 bij het standaard formulier voor
                    het aanvragen van een bouwvergunning bevat een checklist. In deze checklist is
                    vermeld dat burgemeester en wethouders de aanvrager informeren of en zo ja,
                    welke gegevens en bescheiden de aanvrager dient in te dienen in verband met de
                    Wet BIBOB.Het vragen van een advies door b&amp;w is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om bouwvergunning met acht weken op. De Woningwet is
                    voorzien van een nieuw artikel 44a. Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet
                    Bibob van 10 juni 2004 van kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van
                    de Woningwet zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau
                    Bibob van het ministerie van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering
                    van de Wet Bibob in relatie tot de Woningwet (070-3704600 of
                        <onderstreept>www.justitie.nl/bibob</onderstreept>).</al>
        <al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                    (Stb. 1994, 1).</al>
        <al>Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid.
                    Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen.
                    Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.</al>
        <al>Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld door
                    de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen van een
                    gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een algemene
                    maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van
                    rechtswege op te gelden.</al>
        <tussenkop>De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</tussenkop>
        <al>De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet
                    zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en
                    wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd
                    gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen
                    gefaseerde vergunningverlening aan te vragen. </al>
        <al>Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en
                    wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de
                    achtste serie wijzigingen in de Modelbouwverordening was opgenomen. </al>
        <al>Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel
                    56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                    bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning
                    onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de
                    procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en
                    wethouders <onderstreept>verplicht</onderstreept> zijn een aanvraag om een
                    reguliere bouwvergunning gefaseerd te behandelen, terwijl in het laatste geval
                    burgemeester en wethouders <onderstreept>bevoegd</onderstreept> zijn te in te
                    stemmen met de verlening van een bouwvergunning op hoofdlijnen.</al>
        <tussenkop>Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning</tussenkop>
        <al>Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                    scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het
                    afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter
                    uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. </al>
        <al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                    (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                    betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en
                    de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al>
        <tussenkop>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</tussenkop>
        <al>Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de
                    indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de achtste
                    serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Modelbouwverordening 1992, zie de
                    losbladige uitgave ‘Standaardregelingen in de bouw’ van de VNG Uitgeverij.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</tussenkop>
        <tussenkop>Inleiding</tussenkop>
        <al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot doel
                    te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                    bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een
                    uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek
                    wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid
                    met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningsvereisten.</al>
        <al>Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen.
                    Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over
                    het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening. </al>
        <al>In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1
                    januari 2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen
                    vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit
                    de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd
                    Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling
                    inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en
                    protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede
                    tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5. </al>
        <al>In een overleg met het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de
                    hele materie van het bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd,
                    doch dat dit nog enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het
                    onverantwoord wordt geacht deze periode over een gebrekkige regelgeving te
                    beschikken, is tevens in dit overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing
                    de MBV wordt aangevuld met een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat
                    een wijziging van de bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging
                    van landelijke regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5
                    maakt het tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</al>
        <al>Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG
                    circulaire van 15 juli 2003, nr. MG 2003-18.</al>
        <al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                    onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd – ook wel
                    historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid
                    besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend
                    onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de
                    grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond
                    te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al>
        <al>In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek,
                    verkennend onderzoek en nader onderzoek. </al>
        <al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij
                    voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                    bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal
                    is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan
                    wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                    werkzaamheden heeft uitbesteed. </al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1
                    januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet
                    voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk
                    te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5
                    is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat,
                    hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is
                    aan bouwvergunningsvrij c.q. licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in
                    het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen
                    van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in
                    deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                    aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                    toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk
                    in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk
                    vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een
                    geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a,
                    eerste lid Woningwet). De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of
                    een bodemonderzoek is vereist geen rol te spelen.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Het begrip ‘bruikbare onderzoeksresultaten’ houdt in dat in ieder geval een
                    onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is. </al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente
                    kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al>
        <al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot
                    de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de toelichting bij
                    de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt “Dit tijdstip kan in een
                    voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in
                    artikel 56 van de Woningwet.” </al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                    bouwvergunning</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.1.8. Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                    bouwvergunning woonwagens en Standplaatsen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</tussenkop>
        <tussenkop>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</tussenkop>
        <al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de
                    bouwverordening opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er
                    werd van uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet
                    voor het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003
                    was in artikel 2.2.1 bouwverordening opgenomen dat de aanvrager door of namens
                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de
                    datum van ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds
                    1 januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale
                    beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007
                    voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat
                    burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen en
                    een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden.</al>
        <al>Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op
                    termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                    beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                    lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes weken en
                    twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                    uitzonderingen.</al>
        <al>Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op een
                    aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een Ontheffing als bedoeld in de
                    artikelen 3.2 vierde lid, 3:22 of 3:23 van de Wet ruimtelijke ordening nodig is,
                    de termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede
                    fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie
                    artikel 46 en 49 van de Woningwet.</al>
        <al>Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken
                    betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de Algemene
                    wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de
                    artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de
                    beslissing daarop. </al>
        <al>Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van
                    belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel
                    41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning.
                    Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief
                    verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de
                    Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de termijn
                    van zes respectievelijk twaalf weken voor hen kenbaar zijn. </al>
        <al>Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van
                    zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter
                    nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een
                    aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing over
                    een aanvraag om bouwvergunning. </al>
        <tussenkop>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                    bouwvergunningverlening</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                    bouwvergunning</tussenkop>
        <al>Artikel 58 van de Woningwet regelt, dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een
                    naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief
                    verleende bouwvergunning.</al>
        <al>De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet gesteld
                    op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het bericht te
                    regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan plaatselijke
                    omstandigheden en gebruiken.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord ‘uitsluitend’ in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al>
        <al>Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan
                    bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan.
                    De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor
                    het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is
                    vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens
                    artikel 44, derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten
                    deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het
                    Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De plicht
                    tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in paragraaf 1.2.5 onder e van
                    hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt de plicht tot het
                    indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een aanvraag om een lichte
                    bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet geheel overeen met de
                    categorie meldingplichtige bouwwerken van voor de wetswijziging van 2003. Indien
                    burgemeester en wethouders op andere wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee
                    bekend zijn dat de grond ernstig verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van
                    eerder verricht bodemonderzoek of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval
                    van een aanvraag om een lichte bouwvergunning van de aanvrager een
                    bodemonderzoeksrapport verlangen. In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen
                    het onderzoek naar de gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven
                    dat geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                    regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is aan
                    bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen.Voorts worden
                    hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven waaronder
                    burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing kunnen verlenen van
                    de plicht tot het (doen) verrichten van bodemonderzoek.</al>
        <al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                    bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari 2003
                    niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit indieningsvereisten
                    geregeld.</al>
        <al>De structuur is als volgt:</al>
        <al>-De voorprocedure – voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                    bouwvergunning – waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de milieudienst, een
                    oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het</al>
        <al>onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een aanvraag om
                    bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze materie nagenoeg geheel
                    bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel heeft over de keuze van de
                    onderzoeksopzet staat het hem vrij hierover bij de desbetreffende dienst of
                    afdeling van de gemeente informatie te vragen en een vooroverleg te voeren. In
                    dit vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja voor welke
                    gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de
                    bodemgesteldheid.</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een
                            reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport
                            betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus paragraaf 1.2.5
                            onder e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het Besluit
                            indieningsvereisten.</al></li>
          <li nr="-"><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel 2.1.5
                            uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend onderzoek volgens
                            NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief correctieblad C1, uitgave
                            2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat een verkennend onderzoek wordt
                            uitgevoerd moet een vooronderzoek volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden
                            uitgevoerd ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en
                            een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek
                            naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                            onverdacht is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het
                            derde lid van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de
                            plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                            paragraaf 1.2.5 onder e als hiervoor genoemd. Duidt het vooronderzoek op
                            de aanwezigheid van diffuse of puntbronnen, dan dient daarnaast
                            onderzoek plaats te vinden volgens het gecombineerde protocol uit de
                            Sdu-uitgave Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN
                            90-12-08118-1). Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht
                            verkregen in de algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de
                            aanwezigheid van puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en).</al><al>Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van
                            bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt het
                            Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN 90-12-09083) of
                            de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1995, ISBN
                            90-12-08232-3).</al><al>Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat de aanwezigheid
                            van asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is
                            aangevuld met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie,
                            Monsterneming en analyse van asbest in bodem). Indien voorafgaand aan
                            een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 een vooronderzoek volgens
                            NVN 5725 wordt uitgevoerd, kan de aanwezigheid van asbest in de bodem
                            worden onderzocht door daaraan een onderzoek volgens NEN 5707 te
                            koppelen. De norm is van toepassing op asbest in bodem en grond met
                            minder dan 20% puin.</al><al>Op de bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin is NEN 5897,
                            uitgave 2005 ‘Monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en
                            sloopafval en puingranulaat’ van toepassing.</al></li>
          <li nr="-"><al>Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd. Dit
                            kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of nadat
                            dit verzoek is ingediend. De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt
                            niet in dat niet getoetst wordt aan het verbod tot bouwen op
                            verontreinigde bodem. In het kader van de grondpolitiek, de planologie,
                            het bodem- of milieubeleid beschikt de gemeente in voorkomende gevallen
                            al over onderzoeksresultaten. Het criterium voor het verlenen van een
                            ontheffing is dus een eerder onderzoek, dat kwalitatief aan het
                            onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd. Is het
                            terrein niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de
                            gemeentelijke archieven bruikbare informatie voor een historisch
                            onderzoek te vinden is, uiteraard geen grond voor een ontheffing. Het
                            eerdere onderzoek kan door de gemeente in eigen beheer gebeurd
                            zijn.</al><al>De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft opgeleverd en
                            verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een ontheffing. Verder kan
                            de aanvrager of een eerdere rechthebbende in een ander verband dan de
                            aanvraag om bouwvergunning onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben
                            overgelegd. Voorwaarde bij dit alles is wel dat de bij de gemeente
                            bekende informatie actueel genoeg is. De actualiteitswaarde van de
                            onderzoeksresultaten bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk
                            van de aard en mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het
                            uitvoeren van het onderzoek. Overwogen zou kunnen worden om, in verband
                            met de krappe termijnen, deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en
                            wethouders te mandateren.</al><al>De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling van de
                            compleetheid van de stukken in verband met toepassing van artikel 4:5
                            juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan het lastig en
                            wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die termijn ook de
                            mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij een gunstige
                            uitkomst te verlenen. Daarom is de mogelijkheid en wenselijkheid
                            aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van ontheffing te bezien
                            en deze zo mogelijk te verlenen voordat de aanvraag wordt ingediend. Dit
                            geeft de aanvrager de meeste zekerheid en behoedt de gemeente voor
                            problemen met de fatale termijnen.</al></li>
          <li nr="-"><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen ontheffing
                            blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en dit gebrek niet
                            kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                            vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5
                            juncto 4:15 Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                            vullen.</al></li>
          <li nr="-"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen
                            burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning
                            bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten
                            worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt
                            hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en
                            bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van artikel 4 van het
                            Besluit indieningsvereisten.</al></li>
        </lijst>
        <al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging
                    vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de
                    Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al>
        <tussenkop>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</tussenkop>
        <al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al>
        <al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr.5, p 6) wordt
                    naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in
                    termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al>
        <tussenkop>Bouwwerken die de grond niet raken</tussenkop>
        <al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al>
        <tussenkop>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                    bodemverontreiniging</tussenkop>
        <al>De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat burgemeester en wethouders
                    het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van
                    bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat
                    bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al>
        <al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden
                    volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen.</al>
        <tussenkop>Afstemming met Wet bodembescherming</tussenkop>
        <al>Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                    bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet
                    bodembescherming.</al>
        <al>Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een aanhoudingsverplichting
                    voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het overgelegde bodemonderzoek
                    blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate is verontreinigd dat
                    overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige
                    verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als bij burgemeester en
                    wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat de grond waarop
                    gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd. In deze gevallen zal het gaan
                    om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek behoefde te worden overgelegd,
                    bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd is voor het verblijf van
                    mensen.</al>
        <al>Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat het
                    krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag heeft
                    vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.</al>
        <tussenkop>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</tussenkop>
        <al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten burgemeester en
                    wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een
                    ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn
                    van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                    van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel burgemeester en wethouders de
                    bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen weigeren, zal echter veelal
                    volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                    van de Model-bouwverordening.</al>
        <al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</tussenkop>
        <al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                    burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                    verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en
                    zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. </al>
        <al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning.</al>
        <al>In de voorwaarden van de bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze het
                    terrein gesaneerd moet worden en – in relatie tot de bouw – op welk tijdstip.
                    Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li>
          <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li>
          <li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li>
        </lijst>
        <al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                    belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                    bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe
                    deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. </al>
        <al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Nadat het
                    op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                    goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de Woningwet is
                    beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend onder de voorwaarde dat
                    vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het
                    goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al>
        <al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de bouwverordening alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                    voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de Modelbouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): ‘..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.’ Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. </al>
        <al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al>
        <lijst>
          <li nr="a"><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al></li>
          <li nr="b"><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li>
          <li nr="c"><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                    bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                    laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                    bouwverordening.</al>
        <al>Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                    introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                    minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende beleidsinzichten
                    onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake blijft van continuïteit
                    van de stedenbouwkundige eisen in de bouwverordening sinds 1965.</al>
        <al>De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                    stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften zijn
                    geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
                    Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel
                            9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van
                            kracht is, moet worden aangenomen, dat de </al><al>stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor zover
                            het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn kracht
                            beroofd wordt.</al><al>Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten opzichte van het
                            oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking ondergaan.
                            De voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug, als het
                            bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften
                            bevat of als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de
                            voorschriften van de bouwverordening terugtreden.</al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de
                            conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden
                            toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de
                            bouwverordening opzij kan zetten. Indien met toepassing van artikel 3:23
                            van de Wet ruimtelijke ordening geanticipeerd wordt op een nog niet van
                            kracht geworden bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de
                            plaats treedt van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het
                            verlengde daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de
                            voorgrond treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze
                            hoedanigheid kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                            bouwverordening terzijde schuiven.</al><al>Een eerste vereiste hiervoor is dat er sprake is van een
                            ontwerpbestemmingsplan dat reeds een voldoende concreet toetsingskader
                            biedt en waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat het onherroepelijk
                            zal worden.</al><al>Een tweede vereiste is dat met de toepassing van artikel 3:23 van de Wet
                            ruimtelijke ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                            ontheffingsprocedure als bedoeld in artikel 3:23 van de Wet ruimtelijke
                            ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het bouwplan
                            past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets moet ook bezien
                            worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de
                            bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de orde komt. Als
                            onder deze omstandigheden blijkt dat de bouwverordening voorschriften
                            geeft die niet overeenstemmen met het toekomstige bestemmingsplan, dan
                            blijven deze voorschriften bij de toetsing van het concrete bouwplan
                            buiten toepassing.</al><al>Voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een
                            anticipatie op voet van artikel 2:23 van de Wet ruimtelijke ordening
                            niet aan de orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om
                            ontheffing te verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                            de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met
                            overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het
                            toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit
                            bestemmingsplan het stadium van 'intern praatstuk' is gepasseerd,
                            hetgeen in het betreffende artikel nader is geconcretiseerd.</al><al>(Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz. 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier.
                            Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB 1987,135). </al></li>
          <li nr="-"><al>De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                            stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                            bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd
                            worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van
                            rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd
                            bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn
                            aangepast aan artikel 43 van de Woningwet en het Besluit bouwwerken. Het
                            parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV
                            parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen
                            is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter
                            zake zal bevatten.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen</tussenkop>
        <al>Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is
                    ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden beïnvloed
                    worden. Het onderhavige artikel geeft een begrenzing van die
                    ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een onredelijke benadeling
                    van belangen van de omwonenden tegen te gaan.</al>
        <al>Tot en met de achtste serie wijzigingen van de bouwverordening gaf artikel 2.5.1
                    een begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een
                    onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan. </al>
        <al>Deze bepaling hield in dat</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht
                            krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer
                            voldoende licht en lucht zou kunnen toetreden, dan wel dat de goede
                            werking van schoorstenen en ventilatiekanalen zou worden belemmerd.</al></li>
          <li nr="b."><al>bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden
                            aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende terreinen zijn bebouwd
                            tot de hoogte en de oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of
                            ontheffing mogelijk zijn krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening
                            of enige andere verordening.</al></li>
          <li nr="c."><al>Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima door
                            een bestaand bouwwerk in afwijking van het gestelde onder b moest worden
                            uitgegaan van de werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.</al></li>
        </lijst>
        <al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                    bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                    gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de
                    eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde
                    de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld
                    grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer e.d.). </al>
        <al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur heeft
                    de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op grond van
                    artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te
                    stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W) rekening
                    dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de wet verleende
                    bevoegdheden. </al>
        <al>Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks 2.5.2
                    tot en met 2.5.29 MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort aanwezig.
                    Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om voor eigen
                    bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het vervallen artikel
                    2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit van burgemeester en wethouders
                    opnieuw worden vastgesteld en bekendgemaakt. Een andere oplossing zou kunnen
                    zijn dat de gemeenteraad bijvoorbeeld in een beleidsnota de kaders aangeeft,
                    waarbinnen het college van b&amp;w zijn bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo’n
                    beïnvloeding van het collegebeleid kan echter alleen in politieke zin
                    gehandhaafd worden!</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop>
        <al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</tussenkop>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het verblijf van
                    mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en brandweerauto's niet alleen
                    gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw
                    zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. </al>
        <al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt bepaald,
                    dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan – ingevolge het
                    Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust – een brievenbus aan het tuinhek moet
                    worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat
                    van 10 meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur,
                    omdat anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.</al>
        <al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de zin
                    van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel kan de
                    bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden
                    begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet,
                    voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de
                    bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een toestemming tot
                    aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op het wegennet.</al>
        <al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen van
                    wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                    toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen
                    is – gelet op artikel 14 van de Wegenwet – niet nodig voor het aansluiten, c.q.
                    uitwegen op openbare wegen.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                    achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening 1992 (d.d. najaar 2002) is
                    doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet meer
                    toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                    Boxmeer). </al>
        <al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik door
                    gangbare vrachtauto’s, zoals verhuisauto’s, vuilnisauto’s, brandweerauto’s e.d.,
                    zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De eis voor het
                    draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een sloot of iets
                    dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare
                    vrachtauto’s.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                    aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. </al>
        <al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                    plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik beschikt.</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al>
        <lijst>
          <li nr="a"><al>aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al></li>
          <li nr="b"><al>aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al></li>
          <li nr="c"><al>speciaal gegraven blusvijver;</al></li>
          <li nr="d"><al>ander oppervlaktewater;</al></li>
          <li nr="e"><al>waterput of bron.</al></li>
        </lijst>
        <al>Lid 6</al>
        <al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun aard,
                    ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen opstelplaats
                    voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die
                    aan het water liggen en over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor
                    materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten
                    e.d.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.3A Brandweeringangen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <al>Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de brandweer
                    de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire toegankelijkheid van
                    het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan beschikken over sleutels
                    van ruimten in het gebouw die normaal zijn afgesloten. </al>
        <al>De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
                    Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg
                    en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24
                    55, <onderstreept>www.nvbr.nl</onderstreept> .</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop>
        <al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het Bouwbesluit
                    die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor al dan niet
                    gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de
                    eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al>
        <lijst>
          <li nr="b"><al>langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                            aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst>
              <li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op
                                    een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de
                                    weg;</al></li>
              <li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10
                                    meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                    weg;</al></li>
              <li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                    meter uit de as van de weg.</al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die –
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is – om misverstand te voorkomen – een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het
                    onderhavige verbod geldt niet voor bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus
                    wel voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het
                    Besluit bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken.</al>
        <al>Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of bij een
                    monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als bedoeld in
                    een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in een beschermd
                    stads- of dorpgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan is een
                    dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering licht-bouwvergunningplivhtig op
                    grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel
                    2.5.8, eerste lis, onder g.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. </al>
        <al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de ‘totaal- benadering’ zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) licht-, dan wel regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze
                    ‘totaal-benadering’ houdt echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden
                    geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou
                    zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat
                    daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26
                    734, nr. 6, p. 18).</al>
        <al>De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding
                    van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag
                    om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit artikel van
                    belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                    bouwwerken kent betreft een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het
                    aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn
                    van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk,
                    waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen,
                    blijft dus bouwvergunningplichtig.</al>
        <al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                    niet-ingrijpende aard, als bedoeld in die artikel 3, eerste lid, onder k, van
                    het Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</al>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren;</al></li>
          <li nr="2"><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels.</al></li>
        </lijst>
        <al>Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan
                    hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en wethouders dus in het
                    algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                    bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare
                    bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                    bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om
                    onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de voorgaande
                    punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                    weten:'.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Naast de vrijstellingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een bestemmingsplan
                    in voorbereiding is.</al>
        <al>Artikel 2.5.8 is afgestemd op artikelen 2 en 3 van het Besluit Bouwwerken. De
                    vermelding van artikelen 2 en 3 van het Besluit Bouwwerken in artikel 2.5.8 is
                    vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikelen 2 en 3 van het
                    Besluit Bouwwerken, uit te sluiten.</al>
        <al>Lid 1, ad b</al>
        <al>Deze bepaling maakt het mogelijk om ontheffing te verlenen voor op het eigen
                    voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop>
        <al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten. Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel
                    2.5.8.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</tussenkop>
        <al>Lid 4, onder a</al>
        <al>Onder deze ontheffing kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar behorende
                    gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al>
        <al>Lid 4, onder f</al>
        <al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al>
        <al>Lid 4, onder g</al>
        <al>Deze ontheffing kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een ruim
                    voorterrein vragen.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al>
        <al>Lid 1, onder a</al>
        <al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die –
                    behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is – om misverstand te voorkomen – een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al>
        <al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een – verboden – overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al>
        <al>Indien gebouwd aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken
                    bij wijze van uitzondering bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5
                    en 6 van het Besluit bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, sub l.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. </al>
        <al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vergunningvrij met overschrijding
                    van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                    aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding
                    van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Twee punten zijn
                    van belang:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste
                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent betreft een uitbreiding
                            van het bebouwde oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van
                            niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van
                            het bebouwde oppervlak. </al></li>
          <li nr="-"><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen, die bouwvergunningplichtig zijn, is
                            het wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking heeft.
                            In dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                            bouwverordening geen betekenis. Voor zover het bestemmingsplan de aan-
                            en uitbouwen verbiedt, is ontheffing mogelijk op grond van artikel 3:23
                            van de Wet ruimtelijke ordening.</al></li>
        </lijst>
        <al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld in
                    artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen
                    in het algemeen worden beschouwd:</al>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil
                            mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitspringende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren;</al></li>
          <li nr="2"><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten en kleine afdaken.</al></li>
        </lijst>
        <al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.14 Vrijstelling voor overschrijdingen van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Naast de vrijstellingsmogelijkheden bedoeld in het onderhavige artikel 2.5.14
                    kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing ongeval van voorbereiding
                    van nieuw ruimtelijk beleid.</al>
        <al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan is
                    vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou
                    hebben voor zaken die bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de term
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde onder h.</al>
        <al>Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel dienen
                    de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in acht te
                    worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan
                    te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven. </al>
        <al>Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                    1965. Onder de hoofdlijnen van de jurisprudentie hierna staat een aantal
                    uitspraken over artikel 48, eerste lid, vermeld, waarvan verwacht wordt, dat die
                    bruikbaar blijven. </al>
        <al>Ad a en g</al>
        <al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing. </al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</tussenkop>
        <al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al>
        <al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al>
        <al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al>
        <al>Lid 3 b, onder 1</al>
        <al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al>
        <al>Lid 3 b, onder 2</al>
        <al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al>
        <al>Lid 3 b, onder 3</al>
        <al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop>
        <al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al>
        <al>Lid 2, onder a en b</al>
        <al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden
                    met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van
                    de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen,
                    waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen
                    en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen
                    voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing
                    minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop>
        <al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien
                    de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de zijgevel
                    van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van een
                    ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet moeten worden
                    op het bepaalde in artikel 2.5.1.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop>
        <al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, onder e, van
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht-vergunningplichtige bouwwerken, althans
                    indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtemate
                    in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de
                    bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de
                    voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de
                    bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van het
                    tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen van
                    bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat
                    geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al>
        <al>Zie artikel 2.76 van het bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                    beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen. </al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                    ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop>
        <al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige bouwwerk
                    en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer
                    op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel
                    dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al>
        <al>Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                    hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning aanwezig
                    zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een bestemmingsplan,
                    zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een
                    andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de Woningwet.</al>
        <al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een
                    ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht zowel op
                    de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van
                    storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw
                    en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al>
        <al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal
                    de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk overleg verlangen,
                    indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd. Voor
                    hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen praktische betekenis
                    hebben, indien op het betrokken perceel een recht van opstal is gevestigd, als
                    bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat
                    geval heeft het recht van opstal niet alleen betrekking op
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op bouwvergunningvrije bouwwerken.
                    Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x 30 meter, waarin echter
                    onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde bouwwerken, machines e.d. is
                    toegestaan.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al>
        <al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. </al>
        <al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al>
        <al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds </al>
        <al>daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in
                    de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al>
        <al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</tussenkop>
        <al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al>
        <al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Bij achterterreinen die – door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    – niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                    achtergevelrooilijn</tussenkop>
        <al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die van
                    het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is onveranderd
                    gebleven. Zie figuur 19.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de – op die zijgevel
                    aansluitende – voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnen</tussenkop>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</tussenkop>
        <al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt – bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte – overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</tussenkop>
        <al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande uit
                    twee schuine vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en
                    vandaar beide naar beneden lopen tot hun goot.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</tussenkop>
        <al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop>
        <al>Ad a</al>
        <al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                    bouwvergunning is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al>
        <al>Ad b</al>
        <al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens vrijstelling ingevolge
                    artikel 2.5.28, onder e.2.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.28 Vrijstelling voor overschrijdingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop>
        <al>Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                    vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is vooral
                    van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben
                    voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het Besluit
                    bouwwerken, uit te sluiten.</al>
        <al>Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere aandacht te worden besteed
                    aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Ook kunnen
                    welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van verzoeken om
                    ontheffing.</al>
        <al>Ad e, onder 1</al>
        <al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat
                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                    hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf
                    straatbeeld worden verkregen.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en
                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van een nieuw ruimtelijk
                    beleid</tussenkop>
        <al>Artikel 2.5.29 bouwverordening is, in zijn relatie met de overige
                    stedenbouwkundige ontheffingen uit de bouwverordening, te vergelijken met de
                    relatie tussen enerzijds de buitenplanse ontheffingsregelingen van artikel 3:22
                    en 3:23 Wro en anderzijds de binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het
                    bestemmingsplan zelf) ontheffingen ex artikel 3:6 vierde lid Wro. Deze analogie
                    doordenkend is paragraaf 2.5 bouwverordening te beschouwen als een deel van een
                    pseudo-bestemmingsplan en zijn de artikelen 2.5.8, -14 en -28 te beschouwen als
                    drie ‘binnenplanse’ ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te beschouwen als de
                    ‘buitenplanse’ ontheffing. Zie ook algemene toelichting bij paragraaf 2.5.</al>
        <al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het niet
                    meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en het
                    naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten.</al>
        <al>Deze relatie tussen 2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van artikel
                    17 en 19 van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening leidt tot een nieuwe opzet
                    van artikel 2.5.29 MBV. De regeling in de artikelen 17, 18, 19 en 19a van de
                    oude Wet op de Ruimtelijke Ordening in combinatie met artikel 20 van het oude
                    Besluit op de ruimtelijke ordening hebben model gestaan voor de aanpassing van
                    dit artikel.</al>
        <al>Geconcludeerd werd dat de reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote
                    overeenstemming vertoont met artikel 4.1.1 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan
                    welke initiatieven (bouwen en gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan </al>
        <al>met een eenvoudige ontheffing van burgemeester en wethouders afgedaan kunnen
                    worden. Dit betreft met name in de bebouwde kom substantiële vergrotingen van de
                    algemeen toegestane bouwvolumina, verdergaand dan waarvoor op grond van onder
                    meer de artikelen 2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV ontheffing kan worden verleend (het
                    gaat meestal niet om uitbreidingen van bestaande gebouwen, maar om nieuwe
                    gebouwen die niet tussen de rooilijnen of onder de maximumbouwhoogte
                    passen).</al>
        <al>Artikel 2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren in
                    afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV.</al>
        <al>Provinciaal toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft immers
                    in vele gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door Gedeputeerde Staten
                    goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen verplichte relatie
                    wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10 Bro-overleg.</al>
        <al>Gegeven deze gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel 2.5.29
                    MBV een nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19, lid 3 WRO en
                    in artikel 18 WRO.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie wijzigingen
                    (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de desbetreffende tekst
                    die van 1983 tot 2001 vigeerde.</al>
        <al>De woorden ‘voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan geldt’
                    zijn vervallen, omdat niet slechts in het geval dat er geen bestemmingsplan
                    geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV, doch ook indien er een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken is; zie ook de
                    Algemene toelichting bij paragraaf 5 van de MBV onder ‘Relatie stedenbouwkundige
                    bepalingen en het bestemmingsplan’.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1 januari
                    2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en ontwerpbestemmingsplan
                    zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij ruimtelijke ontheffingen de
                    rechtstreekse relatie met een nieuw bestemmingsplan is komen te vervallen. Het
                    gaat nu over het ruimere begrip en toetsingskader ‘kenbaar planologisch (nieuw)
                    beleid’.</al>
        <al>Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel 20
                    Bro.</al>
        <al>Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                    wettekst tot uitdrukking.</al>
        <al>Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al>
        <al>Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst. 6740, BR
                    1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26 januari 1984,
                    Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2 augustus 1985, BR
                    1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat een in de
                    bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling<sup>)</sup> ‘een objectief
                    bepaald, althans bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent datgene
                    waartoe de ontheffing kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid tot
                    verlening van ontheffing in relatie moet zijn gebracht met een redelijke
                    verwachting dat het bouwplan in overeenstemming zal zijn met ‘een voldoende
                    omlijnd, voor alle belanghebbenden kenbaar, toekomstig planologisch kader.’</al>
        <al>De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo’n
                    ‘pseudo-anticipatieregeling’ in de bouwverordening niet als onverbindend
                    aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen
                    waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een
                    verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB 1986,
                    501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996.</al>
        <al>In eerste instantie moet natuurlijk gedacht worden aan een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een basis vormen.</al>
        <al>Ook is ander ‘vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid’, evenals bij de
                    toepassing van artikel 3:23 Wro, zonder meer mogelijk om de ontheffing op de
                    baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan, structuurvisie of -nota,
                    beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een
                    sectorale nota. </al>
        <al>Nadrukkelijk wordt echter ook ander nieuw ruimtelijk beleid als inspiratiebron
                    genoemd. Immers enkel ‘vastgesteld en bekendgemaakt beleid’ zal verstarrend
                    werken want het kan lang duren voordat zo’n beleid een feit is. Zo kan
                    overeenstemming met een voorontwerpbestemmingsplan waarmee de Provinciale
                    Planologische Commissie heeft ingestemd, al een voldoende basis zijn. Dit
                    laatste spoort immers met de jurisprudentie op artikel 19 WRO (oud).</al>
        <tussenkop>Motivering</tussenkop>
        <al>Uiteraard geldt voor een dergelijk ontheffingsbesluit zoals voor alle besluiten
                    wel de eis van een goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in
                    het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid.</al>
        <al>In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis opgenomen
                    dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend ‘in overeenstemming is met
                    in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid’. Er is dus, gezien ook de tekst van
                    artikel 3:23 Wro en artikel 3:22 Wro, niet gekozen om een ‘goede ruimtelijke
                    onderbouwing’ te eisen voor de artikel 2.5.29 MBV-ontheffing.</al>
        <al>Wel geldt natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb en de
                    relevante jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig jurisprudentie over
                    artikel 2.5.29.’</al>
        <tussenkop>Milieuzonering</tussenkop>
        <al>Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders rekening houden met
                    alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante
                    afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie
                    ‘Bedrijven en milieuzonering’.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Bekendmaking/openbare kennisgeving</al>
        <al>Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen twee
                    weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende bouwplan kan
                    worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de bouwverordening.
                    Afzonderlijke bekendmaking van een (impliciet) verzoek om de desbetreffende
                    ontheffing van de bouwverordening is derhalve niet noodzakelijk. </al>
        <tussenkop>Afdeling 3.4 Awb </tussenkop>
        <al>Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                    toepassing is verklaard in de bouwverordening. Er geldt derhalve geen wettelijke
                    verplichting om de procedure van afdeling 3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex
                    artikel 2.5.29 bouwverordening.</al>
        <tussenkop>Titel 4.1 Awb</tussenkop>
        <al>Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                    specialis) hier niet van afwijkt.</al>
        <tussenkop>Horen</tussenkop>
        <al>Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet worden
                    (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de aanvraag
                    te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag betreft.</al>
        <al>Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de
                    aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de belanghebbende
                    niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van een ontheffing toch
                    wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen van een of meer buren
                    voor de beslissing relevant worden. In dat laatste geval zullen zij gehoord
                    moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254).</al>
        <tussenkop>Inspraak</tussenkop>
        <al>Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19, lid
                    3 WRO.</al>
        <al>Zienswijzen en fatale termijnen</al>
        <al>Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb zijn
                    al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks is het
                    inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in het systeem
                    van fatale termijnen van de Woningwet. Deze ontheffingsprocedure moet immers
                    worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van de Woningwet.
                    Zolang echter de aanvraag om een reguliere bouwvergunning kan worden verdaagd,
                    lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het afwikkelen van de
                    ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake hoeft te zijn van
                    fictieve bouwvergunningen. Op grond van jurisprudentie (VzARRvS, 25 november
                    1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter nog steeds dat een fictieve
                    bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als er geen vrijstelling
                    van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet niet voorziet in de
                    mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening vereiste vrijstelling van
                    rechtswege wordt verleend.</al>
        <tussenkop>Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure</tussenkop>
        <al>De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de aanvraag.
                    Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het bij
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet gaan van de
                    rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen worden afgedaan met
                    behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28.
                    Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er geen knelpunten zijn met de
                    termijn van zes weken.</al>
        <al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                    voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is het
                    niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de ter inzagelegging
                    en het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit betekent
                    dat het wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een
                    lichte-bouwvergunningprocedure te doorlopen in combinatie met een procedure op
                    grond van artikel 2.5.29 MBV. </al>
        <al>Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29 MBV wordt doorlopen in
                    combinatie met een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase is het van belang
                    dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als gevolg van de nieuwe
                    wettelijke termijn voor het indienen van zienswijzen een beslissing op de
                    bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn niet mogelijk is. In een
                    dergelijke situatie zullen burgemeester en wethouders tijdig een
                    verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een fictieve
                    bouwvergunning eerste fase ontstaat.</al>
        <tussenkop>Monumenten en stads- en dorpsgezichten</tussenkop>
        <al>Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de MBV
                    analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere categorie
                    aangemerkt.</al>
        <tussenkop>Relatie met de gefaseerde bouwvergunning</tussenkop>
        <al>De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures, de
                    bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de termijnen
                    worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt gemaakt van de
                    verdagingsmogelijkheid.</al>
        <tussenkop>Rechtsbescherming</tussenkop>
        <al>Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                    rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning. De
                    beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.</al>
        <al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de
                    bouwverordening (MBV 1965)</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>De bescherming van de belangen van derden bij het verlenen van
                            vrijstelling krachtens het tweede lid van de artikelen 42 en 48 vereist
                            een objectief bepaald – althans bepaalbaar – criterium omtrent de
                            strekking van de vrijstelling. Dit betekent dat de vrijstelling in
                            relatie moet zijn gebracht met een redelijke verwachting dat het
                            bouwplan in overeenstemming zal zijn met een voldoende omlijnd, voor
                            alle belanghebbenden kenbaar, toekomstig planologisch kader.</al><al>Als een dergelijk kader beschouwt de vz. ARRS een door de gemeenteraad
                            vastgesteld bestemmingsplan, omdat de gemeentelijke wetgever zich dan
                            pas concreet over het planologisch kader heeft uitgelaten.</al><al>Wnd. Vz. ARRS 15 februari 1984, RO 3.84.0066/S 24. Deze lijn is
                            voortgezet in latere jurisprudentie. Pres. Rb. Rotterdam, 18 juli 1997,
                            BR 1998.</al></li>
          <li nr="-"><al>Een toetsing aan een ontwerp-structuurplan is niet voldoende.</al><al>ARRS 16 december 1982; BR 1983, 275.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</tussenkop>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                        <cursief>minimum</cursief>aantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom
                    per bouwvergunning te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte
                    van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers,
                    c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en
                    de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al>
        <al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of
                        <onderstreept>www.crow.nl</onderstreept> ). Overigens kan een verantwoorde
                    parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald.</al>
        <al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                    toepassing van het onderhavige lid is – op grond van praktisch-bouwkundige
                    overwegingen – enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                    onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete bouwvergunning
                    bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op
                    locaties die per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die
                    dat niet zijn.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het – niet in werking getreden – artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. </al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al>
        <al>Lid 4, ad a</al>
        <al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                    verleend onder financiële voorwaarden. Zie hiervoor onder 'Hoofdlijnen van de
                    jurisprudentie', punt 3.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop>
        <al>(Vervallen in verband met het in werkingtreden van het gebruiksbesluit op 1
                    november 2008)</al>
        <tussenkop>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan waterleiding</tussenkop>
        <al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt niet
                    in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is en
                    evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van drinkwater. De
                    plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts de verplichting in
                    tot het doen treffen van de technische voorzieningen die het betrekken van
                    drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is afhankelijk van een met
                    het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De voorwaarden waaronder dit
                    contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een afzonderlijke verordening op
                    de levering van drinkwater. In feite zal de aansluiting ook veelal door het
                    waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen de aansluiting van de
                    binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de levering van drinkwater vaak
                    in hetzelfde contract zijn geregeld.</al>
        <al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                    aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                    binnenhuisinstallatie voor drinkwater – als bedoeld in het genoemde
                    artikelnummer uit het Bouwbesluit – ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                    drinkwater wordt toegestaan. Voor de wijze van meten van de afstand tot de
                    dichtst bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel
                    2.7.7.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop>
        <al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                    kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop>
        <al>Lid 1</al>
        <al>De niet van toepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de
                    kans op ongevallen. </al>
        <al>Lid 2, onder b</al>
        <al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                    eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                    hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                    geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                    brandstof noodzakelijk acht. 2, onder c</al>
        <al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of
                    blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien een
                    gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op aardgas. Zie
                    voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                    transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                    neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het
                    Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte
                    beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting
                    verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak verspreide
                    afvalwaterlozingen, Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn
                    (losbladig).</al>
        <al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel 2.7.4
                    van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in artikel
                    5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40 van de
                    Woningwet gegeven bouwvergunningplicht en de in het herziene artikel 13 van de
                    Woningwet, de </al>
        <al>mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten om aan te sluiten op
                    de riolering indien de afstand tussen de openbare riolering en het
                    dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder bedraagt.</al>
        <al>Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van afvalwater
                    in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de
                    hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit bodembescherming een
                    individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het lozen vanuit individuele
                    zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de Uitvoeringsregeling
                    lozingenbesluit bodembescherming. </al>
        <al>Deze eisen zijn nader uitgewerkt in de publicatie van het Ministerie van VROM:
                        <cursief>Individuele behandeling van afvalwater bij verspreide
                        bebouwing</cursief>; onderzoeksfase 4B: IBA-richtlijn (november 1991).</al>
        <al>Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder gereguleerd
                    op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het lozen van
                    huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVO-Lozingenbesluit
                    huishoudelijk afvalwater in werking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek van
                    dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit
                    bodembescherming.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen voor
                    hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden aangesloten. Het
                    is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van de daken van zeer
                    grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen, niet op het openbare
                    riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor lozing op oppervlaktewater is
                    echter een vergunning vereist op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren. </al>
        <al>De aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op de
                    aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het
                    hemelwater op te slaan en in het kader van het <cursief>duurzaam bouwen
                    </cursief>te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals voor de
                    toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie bijvoorbeeld in
                    de losbladige uitgaven van het <cursief>Nationaal pakket Duurzaam bouwen,
                    </cursief>uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch (SBR)
                    te Rotterdam, specificatieblad S 445.</al>
        <al>Lid 2, onder a</al>
        <al>Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van
                    de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk
                    bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift bevoegd:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering
                            wordt aangesloten;</al></li>
          <li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd
                            voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuil-waterafvoer,
                            indien in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden
                            gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is.</al></li>
        </lijst>
        <al>Lid 2, onder b</al>
        <al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                    bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                    rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan tevens
                    voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden getroffen, waarbij
                    moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de mogelijkheid van aangroeiing
                    meestal een onvoldoende voorziening is.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                    hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                    Uitzonderingen gelden voor:</al>
        <al>a afvloeiend hemelwater;</al>
        <al>b huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                    gebruik;</al>
        <al>c bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk afvalwater
                    en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk gebruik. Voor lozingen die niet
                    onder deze uitzonderingen vallen, gelden standaardvoorschriften krachtens de Wet
                    milieubeheer of een vergunningsvereiste op grond van die wet.</al>
        <al>Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke niet
                    tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo groot zijn
                    dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of de
                    zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere wijze
                    wordt geloosd dan op het openbaar riool. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het bevoegd gezag is ten aanzien
                    van de geldende of te stellen lozingsvoorschriften. In het algemeen zijn dit
                    voor de complexe categorieën bedrijven niet langer burgemeester en wethouders,
                    zoals tot 1 maart 1996 het geval was onder de werking van de toenmalige
                    gemeentelijke lozingsverordeningen riolering.</al>
        <al>Lid 4, onder a</al>
        <al>Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op grond
                    van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al>
        <al>Lid 4, onder b</al>
        <al>Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                    bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                    gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting tot
                    aansluiting aan het openbare riool verlenen.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                    riolering</tussenkop>
        <al>Lid 2, onder b</al>
        <al>De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze af
                    te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een op het
                    eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening, berust op
                    milieuhygiënische overwegingen (‘duurzaam bouwen’). Hiermee wordt beoogd om het
                    hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel mogelijk bij te
                    dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het tegengaan van
                    verdroging van het milieu. </al>
        <al>Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse kan
                    bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                    infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een daarmee
                    gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke voorzieningen kunnen
                    worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1, Hemelwater binnen de perceelsgrens
                    – Ontwerp en uitvoering van voorzieningen ten behoeve van opvang, gebruik en
                    infiltratie van hemelwater binnen de perceelsgrens, uitgave Stichting
                    Bouwresearch (SBR), Rotterdam, september 2000 (telefoon 010-2065959). </al>
        <al>De aanvrager van de bouwvergunning dient van tevoren te (laten) onderzoeken
                    welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse
                    aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is.
                    Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een
                    dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door
                    de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van gemeentewege
                    beschikbaar worden gesteld. </al>
        <al>Lid 3, onder b</al>
        <al>Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                    wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                    infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen worden
                    gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de perceelgrenzen in
                    acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar hangt af van de
                    hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van de
                    infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van de
                    terzake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kunnen burgemeester en
                    wethouders dan ook ontheffing verlenen van de verplichting tot het aanbrengen
                    van een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer
                    en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven. </al>
        <al>Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is overigens
                    van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput (septic tank)
                    daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden aangesloten.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                    terreinen</tussenkop>
        <al>Lid 3</al>
        <al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een gemeentelijk
                    rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, moet er –
                    met het oog op het in goede staat houden van dat </al>
        <al>rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie – op worden
                    toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten e.d.
                    voorkomen. </al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                    praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                    onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                    verschenen.</al>
        <al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1997, 'Binnenriolering in woningen
                    en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts toepasbaar is op
                    binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn dat de
                    dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en anderzijds de daarop
                    aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf buitenshuis gelijk moet zijn.
                    Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de 'huis'-aansluitleidingen van niet tot
                    bewoning bestemde gebouwen.</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                    huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                    rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                    voorgeschreven.</al>
        <al>Lid 6</al>
        <al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                    NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                    overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband daarmee
                    vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 3 De Melding</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3.1 De wijze van melden</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3.2 Welstandscriteria</tussenkop>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming van een bouwwerk</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling tot de
                    voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de vergunning(procedure), maar
                    uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en in gebruik nemen van een
                    bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13 en 4.15 hebben betrekking op
                    alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als vergunningplichtig. </al>
        <al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen in
                    de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de
                    voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer het
                    bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of terrein.
                    Bovendien verbiedt het herziene artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het
                    bouwen zonder of in afwijking van een verleende bouwvergunning (sub a), als het
                    in stand laten van een bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in
                    afwijking van een verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde
                    systematiek van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met
                    de 11e serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de
                    Model-bouwverordening niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto
                    artikel 40, eerste lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig
                    het gebruik van het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van
                    niet-naleving van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding
                    waartegen direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod
                    van artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a,
                    onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED).</al>
        <tussenkop>Structuur van de voorschriften</tussenkop>
        <al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                    handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door het
                    bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1 tot en
                    met 4.6 en 4.13.</al>
        <al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van nadelige
                    effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid, grondwaterstand,
                    hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7 tot en met 4.10.
                    Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het bouwafval.</al>
        <al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                    gereedmelding van een</al>
        <al>bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt sinds 1 april 2007 geregeld
                    in artikel 7b</al>
        <al>Woningwet.</al>
        <al>De veiligheidsvoorschriften – de artikelen 4.8 tot en met 4.10 – gelden
                    ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al>
        <tussenkop>Handhaving van de voorschriften</tussenkop>
        <al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van artikel 7b
                    van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                    toelichting bij Hoofdstuk 11.</al>
        <al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6
                    kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al>
        <al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                    bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden
                    andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie belast.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                    tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</tussenkop>
        <al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief in
                    artikel 59 van de Woningwet. De intrekkingsgronden zijn vanaf 1 januari 2003 in
                    de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit indieningsvereisten en het
                    gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een bouwvergunning tevens worden ingetrokken
                    indien voorgeschreven gegevens niet tijdig zijn overgelegd nadat de
                    bouwvergunning is verleend. Voorts kan een bouwvergunning gedeeltelijk worden
                    ingetrokken. Indien bijvoorbeeld onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo
                    zijn dat slechts een gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar
                    plaats is. Bovendien is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken
                    op verzoek van de vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al
                    gebruikelijk was (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke
                    restitutie van leges). Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het
                    nieuwe artikel 56a van de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is
                    opgenomen. Artikel 4.1 is een uitwerking van de letters c en d van het eerste
                    lid van genoemd wetsartikel. De termijn van 26 weken is gelijk aan die van de
                    MBV 1965. De uit jurisprudentie voortkomende plicht om de vergunninghouder te
                    horen alvorens wordt besloten tot intrekking van een vergunning is nu als
                    voorschrift vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het intrekken van een begunstigende
                    beschikking zoals een bouwvergunning dient omgeven te zijn met de nodige
                    waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid van de houder der
                    vergunning.</al>
        <al>Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde het
                    mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van een
                    integriteitsbeoordeling Wet BIBOB.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop>
        <al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                    ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de
                    plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                    verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig zijn
                    van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                    voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder op
                    het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</al>
        <al>Sub a</al>
        <al>Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de bij
                    de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet strijdig
                    zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd bij de
                    bouwwerkzaamheden.</al>
        <al>Sub b</al>
        <al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                    bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en ontheffingen kunnen
                    betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen van
                    de rijks- of provinciale overheid.</al>
        <al>Sub d</al>
        <al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een
                    besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                    dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                    bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de
                    Woningwet.</al>
        <al>Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel 8.3.2
                    ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</tussenkop>
        <al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen voorkomen,
                    waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen, bij voorbeeld
                    bij een verbouwing.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                    van) de bouwwerkzaamheden</tussenkop>
        <al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                    tijdige controle.</al>
        <al>Lid 1, sub a</al>
        <al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling het
                    regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                    voorkoming van schade aan leidingen.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt geadviseerd
                    terughoudend gebruik</al>
        <al>te maken van de schriftelijke melding door vergunninghouder en deze melding
                    telefonisch of digitaal</al>
        <al>(e-mail) te verlangen.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.6 metingen, ontgravingen, opbrekingen en
                    onderzoekingen</tussenkop>
        <al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het bouwtoezicht
                    vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het oog zijn
                    onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de kosten van
                    de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te verrichten of te
                    doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die bouwt heeft het immers
                    zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde werkzaamheden tijdig het
                    bouwtoezicht te informeren en overigens conform de vergunning, het Bouwbesluit
                    en de bouwverordening te werken. Specifieke controlewerkzaamheden buiten dit
                    artikel om komen voor rekening van de controlerende instantie, c.q. de
                    gemeente.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</tussenkop>
        <al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is een
                    publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                    privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met de
                    MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de bedoeling
                    van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.</al>
        <al>De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend. Indien
                    de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan de in dit
                    artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van andere, niet
                    in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden toegezien. Gedacht kan
                    worden aan een waterwingebied.</al>
        <al>Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan:
                    zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van het
                    aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor de
                    vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van grondwater
                    staat in de Grondwaterwet en de provinciale grondwaterverordeningen.
                    Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in het algemeen een uitzondering
                    op het vergunningvereiste voor het kortstondig droog houden van een bouwput,
                    mits nader in die verordeningen omschreven beperkte hoeveelheden grondwater
                    worden onttrokken. De lozing van het opgepompte water kan aan een
                    vergunningsvereiste of standaardvoorschriften zijn gebonden ingevolge de Wet
                    milieubeheer of de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</tussenkop>
        <al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op de
                    bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                    veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen, die
                    bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van een
                    heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming van
                    bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft de
                    veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De controle
                    op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de Arbeidsinspectie en bij
                    het elektriciteitsbedrijf.</al>
        <al>Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij een
                    aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen in
                    artikel 2.1.6, eerste lid, bouwverordening. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel
                    1.2.5 van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het
                    indienen van een bouwveiligheidsplan. Of er bij een bouwvergunning een
                    bouwveiligheidsplan moet zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is
                    geregeld in het onderhavige artikel van de bouwverordening. Voorzover de te
                    nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken van de voorschriften in
                    dit artikel, gaan de bepalingen van het bouwveiligheidsplan voor.</al>
        <al>Leden 2 en 3</al>
        <al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de schakelapparatuur
                    zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die) gedurende de bedoelde
                    tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</tussenkop>
        <al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein te
                    weren en te voorkomen dat mensen – en vooral spelende kinderen – op een
                    bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het derde
                    lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij het
                    bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                    permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist het
                    bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al>
        <al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                    gewaarborgd.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</tussenkop>
        <al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder voor
                    de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften', in het
                    algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is gesteld ten
                    aanzien van de arbeidsomstandigheden.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.11 Bouwafval</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                    geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de bouwverordening
                    dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al>
        <al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden van
                    afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                    gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering bij
                    de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                    hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                    ander afval. </al>
        <tussenkop>a Gevaarlijke afvalstoffen</tussenkop>
        <al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                    gehouden. Een anti-mengclausule in het derde lid van artikel 4 van de Regeling
                    Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9),
                    verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen).
                    Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe
                    verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die gebaseerd is op de Wet
                    milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk (chemisch)
                    afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden afvoeren via de van
                    gemeentewege georganiseerde inzameling van klein chemisch afval van
                    huishoudens.</al>
        <tussenkop>b en c Glaswol en steenwol</tussenkop>
        <al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                    ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                    stevige zak met een inhoud van 1 m<sup>3</sup>) of een zak van 200 liter. </al>
        <al>De ondergrens van 1 m<sup>3</sup> per bouwproject is ingesteld om geen
                    onevenredige kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt
                    verstaan het geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde
                    bouwvergunning is verleend.</al>
        <al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht tot
                    scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal zijn.</al>
        <tussenkop>d Overig afval</tussenkop>
        <al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                    bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                    onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting die
                    op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst te
                    nemen. </al>
        <tussenkop>Wanneer is iets afval?</tussenkop>
        <al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een afvalbak
                    is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die apart worden
                    gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen afval.</al>
        <tussenkop>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</tussenkop>
        <al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden als
                    ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande scheiding toe
                    te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen veelal op basis van
                    economische motieven besluiten tot een verdergaande scheiding. Hierbij zullen
                    prijzen worden vergeleken en zal bij een verdergaande scheiding dikwijls een
                    gunstiger prijs- en kostenverhouding gelden. Indien een verdergaande scheiding
                    plaatsvindt, geldt onverkort het voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een
                    bewerkingsinrichting die bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie
                    overig afval moet in het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting.
                    Als sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                    overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                    overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is tot
                    ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q. milieustraten
                    zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al>
        <al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                    gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in het
                    gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden worden
                    opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de ontvanger
                    (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook aanbeveling om
                    nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de eventuele veranderingen
                    daarin. </al>
        <tussenkop>Afvoeren en overdragen van bouwafval</tussenkop>
        <al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om het
                    mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor transport
                    vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die bevorderlijk is voor
                    het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving dan de bouwverordening,
                    waarbij met name te denken valt aan de provinciale milieuverordening. Uit dien
                    hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar een bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die op grond van de Wet
                    milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al>
        <tussenkop>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</tussenkop>
        <al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan de
                    fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering op de
                    regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een bewerkingsinrichting of
                    anders naar een sorteerinrichting moeten worden afgevoerd. Rechtstreekse
                    retourlevering waarbij het product dient als grondstof voor nieuwe producten
                    wordt zinvol geacht. </al>
        <tussenkop>Sorteerinrichting</tussenkop>
        <al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is –
                    voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat – alleen toegestaan naar een
                    sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen ongesorteerd te
                    ontvangen.</al>
        <al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                    voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                    niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin
                    worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige
                    materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd hout,
                    papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en
                    kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand, hetzij
                    aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting. </al>
        <al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij een
                    sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retour name van reststoffen van
                    gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging voor Gips
                    (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden en schoon
                    afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins operationeel
                    en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het niet
                    operationeel zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997). Overigens
                    geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in
                    bouwafval voorkomen. </al>
        <al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                    ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                    aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via de
                    Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen zowel van
                    transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing. </al>
        <al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                    voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                    Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                    kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de Stichting
                    Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor kitkokers,
                    verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R
                    Recycling BV te Middelharnis.</al>
        <tussenkop>Mee terugnemen naar de werf</tussenkop>
        <al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                    verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                    naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                    bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot praktisch
                    nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is vereist op
                    grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt erop dat dit
                    afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar een
                    sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van andere
                    stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals de plicht
                    tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen aan een
                    inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al>
        <tussenkop>Enkele specifieke begrippen</tussenkop>
        <al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de aanwezigheid
                    van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voor zover een
                    milieuvergunning bij die wet verplicht is gesteld.</al>
        <al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in te
                    zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. Voor
                    enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem. Zie de
                    toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en recyclingsystemen
                    voor kunststoffen.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron – dit is op het
                    terrein – worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                    scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                    verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet milieubeheer.
                    De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen het gevaarlijk afval
                    gaat moet beschikken over een adequate vergunning op grond van de Wet
                    milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf wordt afgevoerd. In de
                    praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat gevaarlijk bouwafval niet
                    naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn vrijwel nooit bevoegd de hier
                    bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is
                    verbranden de beste oplossing.</al>
        <al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform wordt
                    uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                    hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                    augustus 2001, nr. 158, blz 9) - in werking getreden op 1 mei 2002 – voorziet
                    hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar dit
                    besluit.</al>
        <al>Het EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA) (Stb.
                    1993,617) dat van 1januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt inhoudelijk
                    voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af van het BAGA.
                    Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval. De Nederlandstalige
                    versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de publicatie ‘Handreiking
                    Eural; Europese afvalstoffenlijst’ van het ministerie van Volkshuisvesting,
                    Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van september 2001. De in deze lijst met
                    een asterisk (*) aangeduide nummers zijn gevaarlijke afvalstoffen. Voor het
                    verwijderen (slopen) van asbest en asbesthoudende materialen geldt het
                    asbestverwijderingsbesluit.</al>
        <tussenkop>Vergunningvoorwaarden</tussenkop>
        <al>Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                    uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                    genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze
                    voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de
                    verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit kan
                    bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                    gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in één
                    bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet bij elkaar
                    mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de (tijdelijke) opslag op de
                    bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de inzamelaar c.q. vervoerder al de
                    wijze van scheiden en verpakken van de risicodragende stoffen. De bakken –
                    sommige typen onderverdeeld in compartimenten – zijn vaak eigendom van de
                    inzamelaar/vervoerder. De overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop
                    afstemmen.</al>
        <al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden die ertoe
                    strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden dan die
                    vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in strijd met het
                    derde lid van artikel 56 van de Woningwet. Zie onder 'Hoofdlijnen van de
                    jurisprudentie' bij artikel 56 van de Woningwet de uitspraak Rb. Utrecht, 12
                    april 1996, BR 1996, p. 717; JB 1996, nr. 150.</al>
        <al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij elkaar.
                    Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet combineren met
                    een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen, lijmen, verven,
                    verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.), logen, basen en
                    zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met een ontstekingsbron
                    noch met een brand- of explosiebron.</al>
        <al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling bij
                    het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op hoofdstuk 8,
                    het slopen, te betrekken.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</tussenkop>
        <al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                    spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                    voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk ingevolge
                    artikel 7b Woningwet.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een latere
                    fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra graafwerkzaamheden
                    mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.</al>
        <al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte overeenkomstig
                    de uitkomst van de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de
                    desbetreffende categorie gebouwen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is
                    eveneens slechts effectief mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is
                    onttrokken door het opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het
                    afpleisteren van de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.
                    Overigens stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari
                    2007 een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                    samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij zijn
                    bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen. Raadpleeg,
                    voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in onvoldoende
                    exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving of neem contact
                    op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem, gemeenten@senternovem.nl of 030
                    239 35 33.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden is een termijn van
                    twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                    noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld, geldt
                    ook hier de termijn van twee dagen.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</tussenkop>
        <al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989, (Voorschriften
                    Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</tussenkop>
        <al>Vervallen.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen,
                    brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren
                    van schadelijk en hinderlijk gedierte</tussenkop>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid gemaakt
                    in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor bestaande
                    bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren te verkeren.
                    Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden voor het opleggen
                    van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond van artikel 13
                    Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last
                    onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden
                    van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde
                    voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht
                    tot het treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3
                    zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de
                    aanvraag om bouwvergunning. Op die plek fungeren de eisen als een toets voor
                    aanvraag om bouwvergunning. De bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de
                    staat of toestand van een open erf of terrein en niet op het gebruik
                    daarvan.</al>
        <al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al>
        <al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</tussenkop>
        <al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965.</al>
        <al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld sprake,
                    indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze verontreiniging kan een
                    gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of van een gebrek aan een
                    bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan ook worden veroorzaakt door
                    overvloedige begroeiing, waardoor de lichttoetreding tot een gebouw wordt
                    belemmerd of de veiligheid van het verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt.
                    Over de mogelijkheid van aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965
                    gaat de uitspraak van ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al>
        <al>Bij het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d’, van de Woningwet, juncto het
                    onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware rekening te houden met het
                    bepaalde in artikel 12.3 van deze bouwverordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5.2.1 Algemene eisen van brandveiligheidinstallaties in
                    gebouwen</tussenkop>
        <al>Overeenkomstig de systematiek van de Woningwet is het noodzakelijk om eisen te
                    stellen omtrent de staat van bestaande gebouwen, indien eisen worden gesteld aan
                    te bouwen gebouwen. Ten aanzien van de brandmeldinstallaties, de
                    ontruimingsalarminstallaties en de vluchtrouteaanduidingen gelden voor de
                    bestaande bouw dezelfde eisen als voor nieuwbouw.</al>
        <al>De voorschriften van deze paragraaf vormen de grondslag voor een een besluit op
                    grond van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom.indien een brandveiligheidsvoorziening in
                    een gebouw ontbreekt of zich bevindt in een staat die niet in overeenstemming is
                    met de voorschriften van deze paragraaf.</al>
        <al>De bepalingen van deze paragraaf zijn geen gebruiksvoorschriften. In geval van
                    dreigend gevaar voor de gezondheid of veiligheid kunnen burgemeester en
                    wethouders vanaf 1 april 2007 op basis van artikel 1a van de Woningwet optreden
                    tegen een overtreding van de voorschriften in deze paragraaf door toepassing van
                    bestuursdwang of door de oplegging van een last onder dwangsom.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen
                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                    kantoorgebouwen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallatie in woongebouwen
                    van bijzondere aard</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                    logiesverblijven en logiesgebouwen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                    kantoorgebouwen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al>
        <al>Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen
                    van een last onder dwangsom vormen waarin het college van burgemeester en
                    wethouders het maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt
                    vanuit een pand waarin een binnenhuisinstallatie – als bedoeld in de opgesomde
                    artikelnummers van het Bouwbesluit – ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                    toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt
                    dat het college de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het
                    betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                    welput, regenbak of watertank.</al>
        <al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van het
                    openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al>
        <al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan
                    wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                    te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang – op grond van
                    het Lozingsbesluit bodembescherming – het afvalwater in de bodem mag worden
                    geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven voorzieningen
                    (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde voorzieningen – in
                    financiële zin – nog niet afgeschreven zijn. Immers, een regeling van de
                    rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming prevaleert ten opzichte
                    van een gemeentelijke verordening, in casu de bouwverordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                    riolering</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5.4.1 Preventie</tussenkop>
        <al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                    geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een bouwwerk
                    zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007 rechtstreekse werking
                    en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel
                    13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het
                    opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk het
                    bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen tegen te
                    gaan.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 6 Brandveilig gebruik</tussenkop>
        <al>(Vervallen, in verband met het in werking treden van het Gebruiksbesluit op 1
                    november 2008)</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 7 Overige gebruiksbepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen,
                    bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in
                    elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in
                    de bouwverordening worden geregeld over het gebruik. Het brandveilig gebruik,
                    genoemd in de opsomming van artikel 8 Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6
                    van deze verordening. De overige gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en
                    woonketen</tussenkop>
        <al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet. Zij
                    zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit vereist,
                    van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een gedwongen
                    beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te realiseren
                    binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel van het kunnen
                    optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de normstelling uit het
                    onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te beoordelen, of een
                    woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een bepaald aantal
                    bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan het onderhavige
                    voorschrift voor het opstellen van een regeling op het gebied van de
                    woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van huisvesting ten
                    behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de normstelling 1,5 à 2 maal zo
                    zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van de overbevolking te
                    balanceren.</al>
        <al>Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding vormen
                    tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn bouwverordening. Artikel
                    7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen luiden:</al>
        <al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt
                    bewoond door meer dan één persoon per 9 m<sup>2</sup> gebruiksoppervlakte, met
                    dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten
                    minste 12 m<sup>2</sup> gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al>
        <al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                    woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze artikelen
                    in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten of anderszins
                    gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                    kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                    wenselijk en mogelijk. Overigens moet voor de wat grotere woongebouwen die geen
                    gewone één- en meergezinshuizen zijn, </al>
        <al>afhankelijk van het aantal aanwezige personen worden beschikt over een
                    vergunning op grond van artikel 6.1.1 van deze bouwverordening ('vergunning
                    brandveilig gebruik').</al>
        <tussenkop>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</tussenkop>
        <al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden. Het
                    niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                    ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                    minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                    eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het Bouwbesluit
                    blijkt 5 m<sup>2</sup> netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in grotere
                    verblijfsruimten circa 4,5 m<sup>2</sup>. Bovendien is de normstelling zo
                    gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                    verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al>
        <al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</tussenkop>
        <al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                    gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde in
                    dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het verschil
                    in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het Bouwbesluit.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</tussenkop>
        <tussenkop>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van
                    gebruik</tussenkop>
        <al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                    Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot
                    het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het gebruik.
                    Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het gebruik van
                    een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een verbod gesteld
                    worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een bouwvallig bouwwerk is
                    gelegen.</al>
        <al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de
                    artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van
                    burgemeester en wethouders. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te
                    beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen in afwijking van de bestemming</tussenkop>
        <tussenkop>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1</tussenkop>
        <al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling.</al>
        <al>De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV.</al>
        <al>Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van
                    1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te
                    regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer
                    is voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                    artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8
                    van de Woningwet.</al>
        <al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV
                    opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering
                    van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352
                    ingetrokken.</al>
        <al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele benadering kan als
                    nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere mogelijk andersluidende
                    uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen aanwijzingen dat in de toekomst een
                    ander oordeel is te verwachten. Derhalve is artikel 7.3.1 geschrapt.</al>
        <al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV niet
                    is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft op het
                    moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken.
                    Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                    toelichting die daarop betrekking heeft.</al>
        <tussenkop>Artikel 352 MBV 1965</tussenkop>
        <al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet
                    zijn aangepast aan de Oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (dan wel Wet
                    ruimtelijke ordening), een noodzakelijk complement op de artikelen 10 en 12 van
                    die wet.</al>
        <al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q.
                    voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het
                    plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                    het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                    geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                    Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
                    in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt
                    voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De
                    aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet
                    binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog
                    steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling
                    vooralsnog nodig blijft.</al>
        <al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en
                    kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning.</al>
        <al>De jurisprudentie die is ontstaan op basis van het artikel 352 MBV 1965 is, voor
                    zover nog relevant, hierna opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.3.2 Hinder</tussenkop>
        <al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965.</al>
        <al>Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is
                    gebaseerd op de Woningwet, en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op
                    grond van de Woningwet.</al>
        <al>Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van
                    schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene
                    plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een APV is
                    geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de bouwverordening te worden
                    opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere overlapping van het
                    onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar artikel in de Model-APV (art.
                    4.4.1). Gelet op doel en strekking van de bouwverordening zal artikel 7.3.2
                    voornamelijk toepassing kunnen vinden als er een relatie kan worden gelegd met
                    bouwen of bouwwerken. Voor open erven en terreinen niet direct behorende tot een
                    bouwwerk zal eerder de APV van toepassing zijn. Daar bepaalde voor de omgeving
                    hinder veroorzakende activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in, op, aan
                    of nabij een bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening nodig.</al>
        <al>Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid betreft, ware in plaats
                    van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan onder meer
                    worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van voorwerpen of
                    voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot bewoning bestemde
                    gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en televisietoestellen), het
                    veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor zover niet geregeld in andere
                    wettelijke voorschriften, het opslaan van stankverwekkende stoffen, het op
                    gevaarlijke wijze stapelen van materiaal (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare
                    vaten die kunnen gaan rollen), het verwijderen van asbest bevattende materialen
                    of restanten hiervan die zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van
                    verspreiding van asbestvezels of –stof te vrezen valt. </al>
        <al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                    artikel 7.3.2 bouwverordening juncto artikel 13 e.v. van de Woningwet. </al>
        <al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                    artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                    maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                    rechtvaardigen.</al>
        <al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid produceren
                    een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.</al>
        <al>Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                    vergunningplichtige inrichtingen.</al>
        <al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geldt
                    het Besluit horecabedrijven milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit besluit stelt
                    dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of dagdelen) aanwijst waarop
                    de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit niet van toepassing zijn.
                    Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer is de Model-APV herzien waarbij de burgemeester bevoegd is om voor
                    het houden van festiviteiten dagen of dagdelen aan te wijzen waarop
                    horeca-inrichtingen de voorschriften met betrekking tot geluid- en
                    trillinghinder niet hoeven na te leven. (Model-APV artikelen 4.1.1 tot en met
                    4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de periode dat deze </al>
        <al>zogenaamde twaalfdagenregeling geldt voor de geluidsoverlast afkomstig van
                    horeca-inrichtingen geen toepassing te geven aan artikel 7.3.2 van de
                    bouwverordening.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7.4.1 Preventie</tussenkop>
        <al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                    schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene reinheid.
                    Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van excessen. Voor de
                    duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze bepaling onmisbaar.</al>
        <al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 5 Watergebruik</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</tussenkop>
        <al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en wethouders
                    de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en
                    met 7.2.3.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 6 Installaties</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</tussenkop>
        <al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar of
                    de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden en
                    gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan over
                    nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als een
                    privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                    gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is, ligt
                    dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het onderhoud
                    en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve installaties voor
                    portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische ventilatie, drukverhoging
                    in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al>
        <al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                    terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond aangebrachte
                    opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al>
        <al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                    veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                    Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 8 Slopen</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, letter d, van de Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In
                    dit hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de
                    vergunning kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke
                    sloopproject. Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de
                    bouwverordening is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel
                    mogelijk hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief
                    gericht op het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze
                    toelichting daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren
                    van een nieuwe beschikking, de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is
                    in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren
                    afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van
                    zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en locaties bleek dit niet
                    haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest –
                    voor zover niet kan worden volstaan met een melding – in het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven.</al>
        <tussenkop>Asbest</tussenkop>
        <al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het Asbestverwijderingsbesluit
                    gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005,
                    Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke
                    stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor de verwijdering van
                    asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het
                    besluit heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe
                    werking voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                    regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                    bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al>
        <al>Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. Artikel 8,
                    negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft
                    om dit deel van het besluit – in casu de artikelen 10 en 11 – in de
                    bouwverordening op te nemen.</al>
        <al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota van
                    toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een selectie uit
                    deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van de
                    bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te raadplegen,
                    in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al>
        <tussenkop>Incident</tussenkop>
        <al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit), zoals
                    een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in geval van een
                    calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak asbestbranden”. </al>
        <al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak. </al>
        <al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten die
                    tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                    asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met de
                    bij het incident passende spoed te gebeuren.</al>
        <tussenkop>Certificering</tussenkop>
        <al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al>
        <al>De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                    Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail:
                        <onderstreept>info@ascert.nl</onderstreept>, fax: 0317-425725, website:
                        <onderstreept>www.ascert.nl</onderstreept>.</al>
        <tussenkop>Risicoklasse</tussenkop>
        <al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                    arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in risicoklassen
                    ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van de arbo-regels.
                    Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al>
        <al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                    arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was meldingen te
                    doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al>
        <tussenkop>Intensivering van de handhaving</tussenkop>
        <al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                    handhaving van de</al>
        <al>sloopvoorschriften.</al>
        <al>De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007,
                    Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving van de voorschriften over
                    asbestverwijdering en de LOMprojecten over ketenhandhaving asbest.</al>
        <al>De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste helft
                    van 2007 de “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en handhaving”.
                    Deze handreiking staat ook op de site van deze vereniging:
                    www.vereniging-bwt.nl</al>
        <al>Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over
                    asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie
                    van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil,
                    de vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 1 Sloopvergunning</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</tussenkop>
        <al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht
                    moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. De Woningwet en het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische basis voor de
                    sloopvergunning. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de
                    sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                    handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen, zonder
                    afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang. Veel van wat
                    behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van veranderingen van
                    ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden onderworpen aan een
                    sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat sloopafval.</al>
        <al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                    afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                    asbest bevattend – minder dan 10 m<sup>3</sup> – een algemene eis geformuleerd
                    in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van
                    niet-ingrijpende interne verbouwingen.</al>
        <al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel of
                    meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                    vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Een ondergrens van 10 m<sup>3</sup> voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor
                    zover het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen
                    met een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op
                    de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                    controleren.</al>
        <al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de 10
                    m<sup>3</sup> komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                    vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is dit
                    een overtreding wegens het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens
                    verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker
                    aanzienlijk minder kost dan storten op een stortplaats.</al>
        <al>Onder 10 m<sup>3</sup> sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                    verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                    vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d.
                    Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                    scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                    detaillering. </al>
        <tussenkop>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                    nabijgelegen bouwwerken</tussenkop>
        <al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen 4.8
                    tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van overeenkomstige
                    toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein enz. staat wordt
                    uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen veiligheid op het
                    bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid van hulpmiddelen en
                    het voorkomen van hinder zijn als directe norm geformuleerd. Dit betekent dat
                    deze eisen ook gelden indien het vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard
                    behoeft datgene wat via deze vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet
                    nogmaals als voorwaarde te worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede
                    afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de
                    directe omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld.
                    Van veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                    veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de
                    sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie.
                    Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                    aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor staat in artikel 8.1.2,
                    tweede lid.</al>
        <al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer de
                    gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                    voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                    bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter
                    voorkoming van deze strijdigheid.</al>
        <tussenkop>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</tussenkop>
        <al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                    verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of transporteur
                    het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de voorschriften van de
                    sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van
                    gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer
                    dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en
                    transporteurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan
                    bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over een vergunning
                    ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de sloopvergunning mogen geen
                    'gedwongen winkelnering’ inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar
                    bedrijf X, terwijl voor dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder
                    zijn.</al>
        <al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                    vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                    samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden van in
                    de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest
                    minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al>
        <al>Naast deze drie 'onvermijdelijke’ fracties – gevaarlijke afvalstoffen, asbest en
                    overig afval – verdient het aanbeveling om ten minste de volgende fracties als
                    voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li>
          <li nr="-"><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li>
          <li nr="-"><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li>
          <li nr="-"><al>asfalt;</al></li>
          <li nr="-"><al>dakgrind;</al></li>
          <li nr="-"><al>glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al></li>
        </lijst>
        <al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al>
        <al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                    bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in artikel
                    5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al>
        <al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                    gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                    sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf. Wij wijzen hier
                    op het gestelde in het beleidshoofdstuk 'Selectief slopen en afvalbeleid’.</al>
        <tussenkop>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</tussenkop>
        <al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een vergunning
                    worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te slopen bouwwerk en
                    de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in welke hoeveelheden en
                    welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van containers) en voorts van de
                    in de regio beschikbare verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en
                    verwerkingscapaciteit.</al>
        <al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                    inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                    regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn. Het
                    is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van de
                    vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                    verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al>
        <al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst de
                    hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij moeten
                    de volgende aspecten worden nagegaan:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>wat kan worden hergebruikt;</al></li>
          <li nr="-"><al>wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li>
          <li nr="-"><al>kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li>
          <li nr="-"><al>aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al></li>
          <li nr="-"><al>wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                            en inzamelaars.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Onderzoek</tussenkop>
        <al>Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de volgende
                    onderzoeken plaatsvinden:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                            daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                            f);</al></li>
          <li nr="-"><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                            slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                            gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische afvalstoffen) als bedoeld
                            in het BAGA, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                            vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit
                            onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd (MBV artikel
                            8.1.2, derde lid);</al></li>
          <li nr="-"><al>Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                            aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2,
                            daarover bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning gegevens
                            worden ingediend. Op grond van artikel 3 van het
                            Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de
                            aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                            gecertificeerd bedrijf.</al></li>
        </lijst>
        <al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                    vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van de
                    sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter
                    in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om op de
                    slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande
                    scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen in zijn
                    beschouwing betrekken. </al>
        <tussenkop>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</tussenkop>
        <al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de producenten
                    van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de producenten van
                    kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze twee deelstromen
                    inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al>
        <al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst
                    gesloten over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en
                    deuren. Daartoe zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen en
                    herverwerken van alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al>
        <al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                    volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                    kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene die
                    sloopt een container kan huren waarin de afval geworden kunststofleidingen
                    worden verzameld. </al>
        <al>Gestreefd wordt naar een gesloten ketenbeheer, functionerend voor het gehele
                    land. Andere kunststoffen dan hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met
                    dit inzamelsysteem.</al>
        <tussenkop>Andere inzamelsystemen</tussenkop>
        <al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product en
                    die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te maken voor
                    hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en voor aluminium.
                    De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij de leverancier en
                    bij de brancheorganisatie.</al>
        <tussenkop>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</tussenkop>
        <al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen van
                    een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag. De
                    artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die met
                    het slopen zal worden belast – gewoonlijk de aannemer – zijn dikwijls nog niet
                    bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om sloopvergunning. Deze
                    gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling van het in behandeling
                    nemen.</al>
        <al>In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                    uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                    sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de sloopwerkzaamheden
                    is belast worden overgelegd aan burgemeester en wethouders of de directeur van
                    het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al>
        <tussenkop>Het gebruik van een mobiele puinbreker</tussenkop>
        <al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15 januari 2004, Stb. 2004,
                    25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in werking
                    getreden op 1 maart 2004.</al>
        <al>Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande
                    voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling
                    treedt in de plaats van de lagere regeling.</al>
        <al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                    toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid daarvan
                    een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en sloopafval
                    wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste drie
                    maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en sloopafval te
                    bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties dan die waarbij de
                    breker is opgesteld.</al>
        <al>Interessant is de uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer en
                    Teunissen. Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een bouwvergunningplichtig
                    bouwwerk. De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is hierop van toepassing. </al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                    derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                    Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                    bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk afval
                    zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag ervan. De
                    tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het afzonderlijk gereed
                    maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen
                    dit moet gebeuren een voorschrift in de vergunning op te nemen. Deze
                    verplichting staat in artikel 10 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al>
        <al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen genoemd
                    in het derde en vierde lid van dit artikel.</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>Indien op grond van het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet een tijdelijke
                    bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk, is verleend en daarin
                    voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het tijdelijke bouwwerk –
                    meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan van de onderdelen van het
                    bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt opgebouwd - is daarvoor geen
                    afzonderlijke sloopvergunning nodig. De tijdelijke bouwvergunning dient de
                    nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van het bouwwerk. Uit de
                    Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met name gedacht wordt aan
                    strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen e.d.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</tussenkop>
        <al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de zin
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de zogeheten
                    Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van toepassing op de
                    behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt niet zinvol, deze UOV
                    van toepassing te verklaren op de sloopvergunning. Aanvullend op de eisen die in
                    dit artikel zijn gesteld gelden de voorschriften van de Awb over het indienen
                    van verzoeken om besluiten, indienen door een gemachtigde enz.</al>
        <al>Leden 1 en 2</al>
        <al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                    verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coördinatie tussen
                    bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel 8.1.5,
                    tweede lid. Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen tevens
                    (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De bouwvergunning
                    houdt derhalve niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze situatie van samenloop
                    van twee vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid, bedoeld. De aanvrager is
                    niet verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan te vragen. Doet hij dit wel,
                    dan heeft dit voor hem (en overigens ook voor de gemeente) enige procedurele
                    voordelen.</al>
        <al>De in te dienen gegevens over de aanwezigheid van asbest in een te slopen
                    bouwwerk en de plaatsen waar dit asbest zich bevindt dienen om een juist beeld
                    te krijgen van de verwijdering van asbest en om vast te stellen welke overige
                    bepalingen van de bouwverordening hierop van toepassing zijn. </al>
        <al>Een asbestinventarisatierapport, waaruit blijkt waar het asbest zich bevindt,
                    opgesteld door een deskundig bedrijf, is verplicht. Een dergelijk rapport
                    behoeft niet te worden overgelegd indien een van de gevallen zich voordoet als
                    bedoeld in het derde of vierde lid.</al>
        <al>Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op grote schaal
                    asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer asbestcementgolfplaten als
                    dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de agrarische sector in verscheidene
                    streken van Nederland initiatieven tot projectmatige asbestverwijdering vanaf
                    een reeks agrarische bedrijfsgebouwen in de gemeente. Het verlenen van één
                    enkele zogenaamde paraplusloopvergunning voor het gehele
                    asbestverwijderingsproject is in dat geval minder omslachtig dan het verlenen
                    van individuele sloopvergunningen voor de verwijderingswerkzaamheden aan ieder
                    agrarisch bedrijfsgebouw afzonderlijk. Een dergelijke paraplusloopvergunning
                    behoeft niet op juridische bezwaren te stuiten, indien een nauwkeurige
                    plaatsaanduiding van alle agrarische bedrijfsgebouwen die in het kader van dat
                    asbestverwijderingsproject zullen worden aangepakt, wordt opgenomen in de
                    vergunningaanvraag. Aldus komen ook voor paraplusloopvergunningen tijdig en
                    volledig de gegevens beschikbaar die noodzakelijk zijn, omdat vergunningen
                    ingevolge de Algemene wet bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Zie
                    voor een verdere toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet voor
                    sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige artikel. </al>
        <al>Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede lid is te
                    vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 1.2.5 onder a van
                    de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is slechts nodig in enkele
                    risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan behoort zeker niet tot de
                    standaardbescheiden bij een aanvraag om sloopvergunning. In een overleg
                    voorafgaande aan het indienen van een aanvraag kan blijken of een dergelijk plan
                    nodig is. </al>
        <al>De zinsnede 'en voorts, indien van toepassing’ duidt erop dat slechts indien
                    door of namens burgemeester en wethouders het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan van toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te
                    worden voldaan. Over het tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt verwezen
                    naar het eerste lid van artikel 8.1.3 en de Algemene wet bestuursrecht.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt dat
                    het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt aan hem
                    de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is gebaseerd.
                    Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk zijn dat er geen
                    asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van VROM, de
                    bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de aanvrager van
                    een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen sprake is van
                    verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van burgemeester en
                    wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn opgesomd in het
                    onderhavige lid 3. Dit lid is een direct werkend voorschrift, waarop de indiener
                    van een verzoek om sloopvergunning zich kan beroepen door op het
                    aanvraagformulier aan te geven dat en waarom geen onderzoeksrapport is
                    bijgevoegd.</al>
        <al>De gedachte achter deze inventarisatie is dat wordt voorkomen dat de plicht tot
                    het doen van een onderzoek naar asbest onevenredig hoge maatschappelijke kosten
                    met zich brengt, omdat de kans op de aanwezigheid van asbest niet in verhouding
                    tot die kosten staat. In sommige gevallen is het evident dat het te slopen
                    bouwwerk geen asbest bevat. In andere gevallen kan de aanvrager zelf constateren
                    dat er vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de inventarisatie van de
                    gevallen waarin de aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat er geen
                    sprake is van verwijdering van asbest, is als richtlijn genomen dat het
                    bouwwerk, gelet op bouwconstructie en gebruikte materialen, betrekkelijk
                    eenvoudig moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat zich in de praktijk
                    vergelijkbare gevallen zullen aandienen, waarin gemeente en aanvrager het erover
                    eens zijn dat aannemelijk is dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Het
                    voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van burgemeester
                    en wethouders in andere, vergelijkbare gevallen of op andere, vergelijkbare
                    wijze aan te tonen dat de verplichting om een onderzoek door een deskundig
                    bedrijf te overleggen niet van toepassing is. </al>
        <al>Onder b</al>
        <al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat – voorafgaand aan met name grote
                    sloopprojecten – een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond. Deze
                    onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien daarin
                    aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen worden
                    gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe ondersteuning,
                    of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het onderzoeksrapport niet
                    aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek door een deskundig
                    asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden. </al>
        <al>Een dergelijk onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden beschouwd,
                    indien het aan de volgende criteria voldoet:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in principe
                            dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijn
                            BRL 5052, uitgave 1998.</al></li>
          <li nr="-"><al>De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet
                            duidelijk omschreven zijn.</al></li>
          <li nr="-"><al>Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen met
                            een aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende
                            materialen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                    woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend uit
                    het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA).</al>
        <al>Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                    onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>een samenvatting;</al></li>
          <li nr="-"><al>de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met
                            informatie uit desk research;</al></li>
          <li nr="-"><al>de bemonstering;</al></li>
          <li nr="-"><al>de laboratoriumanalyses;</al></li>
          <li nr="-"><al>een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van
                            bevestiging van het asbestbevattende materiaal;</al></li>
          <li nr="-"><al>een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar waar
                            mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is.</al></li>
        </lijst>
        <al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                    verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993 heeft
                    plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de aanwezigheid van
                    asbest zal geven. Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen bij de beoordeling
                    worden betrokken indien uit de schriftelijke verklaring blijkt dat de
                    onderzochte situatie later niet meer gewijzigd is. Hiervoor kan onder andere
                    informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al>
        <al>Onder c</al>
        <al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                    opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                    januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken die
                    na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest.
                    Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk stuk
                    overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel van het
                    bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd.</al>
        <al>Onder d </al>
        <al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager bekend
                    zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde verbouwingen kan
                    worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de fabrikant dat het
                    hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze situatie is echter niet
                    beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van tussentijds aangebrachte
                    voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende voorzieningen, dient te worden
                    aangetoond dat deze geen asbest bevatten. Hiervoor kan onder andere informatie
                    ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder of de huurder.</al>
        <al>Onder e </al>
        <al>Sinds de risico’s van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                    fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij is
                    van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers bij
                    gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen van de
                    fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is gebruikt.
                    Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige situatie onnodig;
                    voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze verklaringen worden volstaan.
                    Onder verwijdering van bepaalde materialen wordt bijvoorbeeld verstaan
                    verwijdering van vinylvloerbedekking of standleidingen uit een serie woningen.
                    Zie ook de toelichting onder f.</al>
        <tussenkop>Visuele inspectie</tussenkop>
        <al>De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een visuele inspectie de
                    aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11<sup>e</sup> serie van
                    wijzigingen vervallen.</al>
        <al>De visuele inspectie aan de hand van de checklist van bijlage 8 van de
                    bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie tussen de gemeente en de
                    aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet worden uitgegaan van
                    asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de visuele inspectie voldoende
                    houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest aanwezig is. Mede gelet op de
                    strekking van het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit om minder uitzonderingen toe
                    te laten op de asbestinventarisatieplicht dan voorheen het geval was, is de
                    visuele inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist bijlage 8
                    vervallen. </al>
        <al>De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                    toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering. </al>
        <al>Het vierde lid dat handelt over de verplichte asbestinventarisatie is
                    aangescherpt in die zin dat de gevallen waarin een dergelijk
                    inventarisatierapport niet behoeft te worden overgelegd bij de aanvraag om
                    sloopvergunning is beperkt. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de tekst van
                    artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “…
                    beschikt … over een asbestinventarisatierapport indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De
                    combinatie van de herziene leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling aan te
                    geven. </al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                    slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                    criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                    asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria zijn
                    ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt in
                    artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                    redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die voornemens
                    is te slopen.</al>
        <al>In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee situaties genoemd waarin het
                    niet nodig is een asbestinventarisatierapport te doen opstellen. </al>
        <al>Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde lid en het vierde lid
                    voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                    vereist. </al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                    historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                    historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan te
                    treffen en de daaraan te verbinden conclusie – wel of geen onderzoek instellen –
                    is vooroverleg met de gemeente verstandig.</al>
        <al>Lid 6</al>
        <al>Het aantal exemplaren waarin de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden
                    moeten worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                    plaatselijke organisatie.</al>
        <tussenkop>Het opstellen van een sloopveiligheidsplan</tussenkop>
        <al>Analoog aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of een
                    omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge verkeersintensiteit, de
                    externe veiligheid bijzondere aandacht vergen. </al>
        <al>De maatregelen die de aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten
                    voorafgaand aan de sloop aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen worden
                    getoetst. Er wordt met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan als
                    bedoeld in dit artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg gelegen
                    werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                    gebruikers.</al>
        <tussenkop>Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig</tussenkop>
        <al>Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage 5
                    van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen buiten de
                    afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om deze
                    bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden
                    kan het nodig zijn deze maatregelen in een sloopveiligheidsplan op te nemen
                    (bijlage 6 van de toelichting).</al>
        <al>Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de locatiespecifieke
                    omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een dergelijk plan voor het
                    bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de externe veiligheid op voorhand
                    afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake is van bedreiging(en) van de
                    externe veiligheid. Aan de hand van enkele voorbeelden is hierna één en ander
                    verduidelijkt.</al>
        <tussenkop>Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan</tussenkop>
        <al>De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de locatiespecifieke
                    omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist wordt
                    voor de verschillende bedreigde objecten en functies een aantal mogelijke
                    maatregelen gegeven die in het sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De
                    aanvrager om sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige
                    maatregelen opnemen die niet op deze checklist voorkomen. In bijlage 7 van de
                    toelichting is een voorstel gedaan voor een inhoudsopgave van een
                    sloopveiligheidsplan.</al>
        <tussenkop>Toetsing van het sloopveiligheidsplan</tussenkop>
        <al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde objecten en
                    functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het opstellen en toetsen
                    van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de betreffende situatie en
                    voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met de in de checklist gegeven
                    objecten, functies en maatregelen.</al>
        <tussenkop>Vooroverleg</tussenkop>
        <al>Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                    vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen dienen
                    bij een vooroverleg de met de sloop samenhangende bedreigingen, de bedreigde
                    objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend te zijn,
                    zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan worden bepaald of
                    er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het sloopveiligheidsplan
                    zich op dient te richten.</al>
        <al>Voorbeelden</al>
        <al>Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20 m)
                    drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto’s. De weg dient
                    gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven vervullen.
                    De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te slopen gebouw.
                    Voor slopen van het dak is een kraan nodig.</al>
        <al>Het zal duidelijk zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid een
                    belangrijke rol speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen moeten
                    worden:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt (dit
                            kan inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden gesloopt);</al></li>
          <li nr="-"><al>de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals bijvoorbeeld
                            uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of voetgangertunnels;</al></li>
          <li nr="-"><al>de verkeerscirculatie gedurende de sloop;</al></li>
          <li nr="-"><al>de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;</al></li>
          <li nr="-"><al>het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden.</al></li>
        </lijst>
        <al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er is
                    te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten worden
                    gewerkt. </al>
        <al>In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten worden geschonken
                    aan:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan;</al></li>
          <li nr="-"><al>de draagkracht van het wegdek;</al></li>
          <li nr="-"><al>de duur, het tijdstip van de werkzaamheden;</al></li>
          <li nr="-"><al>het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van de
                            hijslast of delen daarvan;</al></li>
          <li nr="-"><al>eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken.</al></li>
        </lijst>
        <al>Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft ook
                    de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De gevel van
                    het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is sprake van
                    gemeenschappelijke bouwmuren. De belendende panden zijn oud, in een matige staat
                    en bezitten een historische waarde.</al>
        <al>In het sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde
                    moeten komen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                            steunconstructie;</al></li>
          <li nr="-"><al>sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen;</al></li>
          <li nr="-"><al>bemaling in verband met grondwaterstand;</al></li>
          <li nr="-"><al>stabiliteit belendingen in verband met bouwput;</al></li>
          <li nr="-"><al>verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur.</al></li>
        </lijst>
        <al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                    midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten minste
                    500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is er geen
                    sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand tot de
                    openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan noodzakelijk.</al>
        <al>Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt gesloopt
                    kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop buitenwand
                    (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat deze wand
                    regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan voldoen aan de
                    eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie zoals bedoeld in het
                    Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan vooraf worden besproken
                    tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is een privaatrechtelijke
                    aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het stellen van voorschriften tot
                    het voorkomen van schade. Zie onder hoofdlijnen van de jurisprudentie bij
                    artikel 8.1.6 de uitspraak van 3 december 1992.</al>
        <al>Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                    bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                    sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                    voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand.</al>
        <tussenkop>Aanbevelingen</tussenkop>
        <al>Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid tijdens
                    het slopen vergroten:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt;</al></li>
          <li nr="-"><al>voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het moment
                            dat sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is of een
                            sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan moet zijn.
                            Een mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met betrekking tot de
                            externe veiligheid op te nemen; (Deze aspecten worden niet als
                            voorschrift aan de sloopvergunning verbonden, omdat zij van
                            privaatrechtelijke aard zijn).</al></li>
          <li nr="-"><al>zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan wordt
                            momenteel gewerkt door de brancheorganisaties );</al></li>
          <li nr="-"><al>indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het
                            gebied van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden
                            ingeschakeld.</al></li>
        </lijst>
        <al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting bevinden
                    worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                    sloopveiligheidsplan.</al>
        <al>Lid 7 </al>
        <al>Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse taal
                    verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene wet
                    bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een bestuursorgaan
                    van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de Friese taal te
                    doen.</al>
        <al>Leden 12 en 13</al>
        <al>Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van het
                    Asbestverwijderingsbesluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een bouwwerk
                    zowel een vergunning als een melding is vereist. Indien een deel van de
                    sloopwerkzaamheden vergunningplichtig is en een deel meldingplichtig, is het
                    geheel van sloopwerkzaamheden vergunningplichtig en is derhalve het
                    meldingplichtige gedeelte begrepen in de sloopvergunning.</al>
        <al>Indien per abuis een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan worden
                    met een melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als melding. </al>
        <tussenkop>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</tussenkop>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                    ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Dit
                    is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de aanvrager
                    in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan gestelde
                    termijn de aanvraag aan te vullen. Een dergelijke mededeling is een beschikking
                    in de zin van de Awb.</al>
        <al>Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de procedure de toelichting bij
                    artikel 6.1.3. Het daar gestelde met betrekking tot de gebruiksvergunning geldt
                    mutatis mutandis ook voor de sloopvergunning.</al>
        <al>Omdat bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning nog geen
                    onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond van eigen
                    inzichten meent dat zich in het te slopen bouwwerk geen asbest bevindt, doch dat
                    burgemeester en wethouders op grond van hun ter beschikking staande gegevens
                    menen dat het te slopen bouwwerk wel asbest bevat. Indien burgemeester en
                    wethouders voldoende zeker zijn van hun zaak stellen zij op grond van de tweede
                    zin van dit lid de aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende gegevens over de
                    aanwezigheid van asbest aan te vullen binnen vier weken.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert buiten
                    de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens mogen op een later
                    tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden worden ingediend. Zie
                    daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid, letter d.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop>
        <al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf weken
                    na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag. Indien
                    toepassing is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn wordt
                    opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 8.1.3.</al>
        <al>De termijnen in dit artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van orde.
                    Dit betekent dat ook na het verstrijken van een termijn burgemeester en
                    wethouders alsnog een beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager niet
                    te wachten. Deze mag aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na het
                    verstrijken van de termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze fictieve
                    weigering kan op grond van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. </al>
        <al>Het tweede lid bevat een uitzondering op de termijn van het eerste lid.</al>
        <al>Het derde lid bevat een aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen dat
                    een sloopvergunning op grond van de bouwverordening wordt verleend en daarna een
                    andere noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd. Deze
                    verwarrende situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals het
                    slopen van een beschermd monument.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                    termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                    sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                        <cursief>uitsluitend</cursief> is volgens de toelichting bij het besluit
                    zeer bepalend. Dit houdt in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle
                    andere sloopsituaties waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de
                    asbestverwijdering ook andere materialen worden gesloopt.</al>
        <al>Een mogelijk nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd meer
                    is om - met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de gelegenheid
                    te stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal keren dat een
                    aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens onvolledigheid van de stukken
                    kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel 10 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor verlenging van de
                    termijn.</al>
        <al>Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                    Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met een
                    leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, gaan
                    wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de bouwverordening de koppeling die
                    bedoeld is om de beschermende werking te verzekeren, te handhaven ook indien
                    daarmee de termijn van vier weken aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel
                    monumenten zijn opgericht in een tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij
                    een eerdere (meestal inpandige) verandering of restauratie asbest zijn
                    toegepast, dat nu weer wordt verwijderd.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij het
                    al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan een
                    aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is, mag die
                    weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te slopen dat
                    staat in het tracé van die weg. Indien in artikel 8.1.6 een extra
                    weigeringsgrond voor een sloopvergunning wordt opgenomen onder de letter f. voor
                    het (nog) niet aanwezig zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 30 of
                    artikel 33 van de Huisvestingswet, dienen deze vergunningen ingevolge de
                    Huisvestingswet ook in de opsomming van artikel 8.1.4, tweede lid te worden
                    opgenomen als aanhoudingsgrondslag.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</tussenkop>
        <al>Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                    aanvraag om sloopvergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de aanvraag
                    om bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken zal dat
                    praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om sloopvergunning moet
                    worden beslist, dan op de aanvraag om bouwvergunning. </al>
        <al>Gelet op de samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandigheden de
                    voorkeur verdienen de beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te
                    overschrijden in afwachting van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.
                    Ter zake van de aanvraag om sloopvergunning gelden immers geen fatale termijnen.
                    Zie hierover ook de toelichting bij artikel 8.1.4.</al>
        <al>Wanneer een bouwvergunning en een sloopvergunning nodig zijn voor één activiteit
                    zoals verbouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als een bouwveiligheidsplan
                    wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en bouwveiligheidsplan worden
                    ingediend.</al>
        <al>Zie voorts de toelichting bij artikel 8.1.2, eerste en tweede lid.</al>
        <al>Een toepassing van de samenloopregeling is niet zinvol indien uitsluitend asbest
                    wordt verwijderd en daarop de termijn van vier weken van toepassing is als
                    bedoeld in het tweede lid van artikel 8.1.4.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>De weigeringgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld.</al>
        <al>Voorheen bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet 1962
                    een regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing. Per 1
                    juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89, eerste lid,
                    tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen 56 en 56a tot en
                    met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de Woningwet 1991. De
                    artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen thans de mogelijkheid tot
                    het eisen van een onttrekkingvergunning respectievelijk een
                    splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een gemeentelijke
                    huisvestingsverordening.</al>
        <al>Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog wordt verwezen naar de
                    vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet, dienen deze
                    verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren van de sloopvergunning
                    hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen het niet aanwezig zijn van
                    een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Woningwet 1962.
                    Een formulering voor een dergelijke weigeringgrond kan nu luiden:</al>
        <al>'f. een vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de
                    Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend.’</al>
        <tussenkop>Ad a en b</tussenkop>
        <al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                    bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid tijdens
                    het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende is
                    gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende niveau
                    van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de sloopvergunning
                    worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager – vaak al vóór de
                    indiening van de aanvraag om sloopvergunning – worden gezocht naar een voor de
                    gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat voldoende
                    bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De weigeringgronden ad a
                    en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van
                    andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het doel is niet om het slopen
                    onmogelijk te maken. Er moet van worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een
                    keer wordt gesloopt.</al>
        <tussenkop>Ad c, d en e</tussenkop>
        <al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                    aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond voor
                    de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is geweigerd. Op deze
                    wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverordening het sluitstuk van het
                    complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het slopen van een bouwwerk. </al>
        <al>Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning, waarbij
                    het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond oplevert voor de tweede
                    vergunning, is enkel van belang indien de aanlegvergunning een duidelijke
                    relatie vertoont met de reden waarop een sloopvergunning is gevraagd voor die
                    locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval indien voor de aanleg van een weg een
                    bouwwerk moet worden gesloopt en voor die weg een aanlegvergunning is vereist en
                    niet is verleend. Dan bestaat een causaal verband tussen de sloopvergunning en
                    de aanlegvergunning en is het logisch dat de sloopvergunning wordt geweigerd
                    indien de reden voor de aanvraag is vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de
                    weg er niet. Indien er geen relatie tussen een aanlegvergunning en een
                    sloopvergunning aanwezig is, maar beide om uiteenlopende redenen tegelijk in
                    hetzelfde gebied nodig zijn, geldt deze weigeringsgrond niet.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</tussenkop>
        <al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van die
                    vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien de
                    houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                    werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit tot
                    intrekking nog niet te nemen.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht. Dit
                    betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van een
                    melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1
                    juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al>
        <al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van
                    burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor
                    bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.. Dit betekent
                    onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij het bevoegde
                    bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders. Ingevolge het zesde lid moet
                    worden gebruik gemaakt van de door burgemeester en wethouders vastgestelde
                    formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan de mededeling voorschriften
                    kunnen worden verbonden.</al>
        <al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                    sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar
                    de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de
                    woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het Ministerie van
                    Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) heeft een brochure
                    uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis van een ontvangen
                    mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat richtlijnen over de wijze
                    waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het is aan te raden deze brochure
                    aan de burger uit te reiken bij het verstrekken van de mededeling. </al>
        <al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften waaraan
                    degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of bedrijf – dus
                    de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van artikel 8 van dit
                    Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader van de bescherming van
                    mens en milieu tegen emissie van asbestvezels, aanvullende regels te stellen
                    voor de door particulieren toegestane verwijdering van asbest. Deze
                    voorschriften gelden dan naast artikel 7 en naast de voorschriften bij de
                    mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit
                    praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7 opgenomen voorschriften
                    onvoldoende zijn.</al>
        <al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                        open<cursief>:</cursief> zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door
                    een aannemer laten afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid
                    aanbiedt, meestal tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare
                    wijze als het grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt’ verdient
                    het aanbeveling dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                    inzamelstructuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen
                    de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest verwijdert.
                    Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de bijgebouwen of met de
                    woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de woning ook genoemd het
                    logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de woonwagen alsmede de op het
                    daarbij behorende erf staande bijgebouwen. Het door de burger verwijderen van
                    geschroefde asbesthoudende platen, van asbesthoudende vloertegels en van
                    niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per
                    kadastraal perceel. </al>
        <al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen
                    bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen of woonkeet wel
                    een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid
                    van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing,
                    omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de
                    Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                    Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in de
                    uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder woning
                    mede wordt verstaan een woonwagen, een woonkeet en een logiesverblijf zoals is
                    genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV. </al>
        <al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje bij
                    een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder het
                    nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al>
        <al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, <cursief>uit </cursief>een woning of
                        <cursief>uit </cursief>een op het erf van die woning staand bijgebouw, voor
                    zover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                    beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                    de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig
                    vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt’. </al>
        <al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                    letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is – net
                    als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel
                    mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een wijziging is
                    bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het
                    onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen
                    die zijn opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel
                    van de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                    bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening, de
                    bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                    ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd. </al>
        <al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is
                    beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van
                    een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger
                    het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En
                    illegaal verwijderd </al>
        <al>asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans dat dit eveneens
                    illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal
                    bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren.</al>
        <al> Met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet
                    meer toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan
                    tot het verwijderen van:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                            betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                            zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te leven.
                            Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op
                            blootstelling aan asbestvezels.</al></li>
          <li nr="-"><al>dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot.
                            Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen
                            leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en
                            verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li>
        </lijst>
        <al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al>
        <al>Lid 9</al>
        <al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende voorschriften’
                    die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                    vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag verwijderen na een
                    melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld de voorschriften over
                    het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden aan de ophaaldienst voor
                    grof huisvuil of die over het aanbieden van deze afvalstoffen bij de
                    gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al>
        <al>Lid 10</al>
        <al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen mogen
                    niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind opdat zij
                    in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel worden
                    onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij voorafgaand aan
                    verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten onder hoge druk.</al>
        <al>Lid 11</al>
        <al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de procedure
                    van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing is: Indien de
                    aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen burgemeester en wethouders
                    besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan pas als de aanvrager
                    in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen een door burgemeester en
                    wethouders te stellen termijn aan te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen
                    die termijn kort te houden (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op
                    de sloopmelding. </al>
        <al>Men zij erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                    termijnoverschrijding groot is.</al>
        <al>Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij artikel
                    3.1, achtste lid.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning </tussenkop>
        <al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                    bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag
                    gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere regelingen waarin
                    bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning, ontheffing of melding
                    zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of monumentenverordening.</al>
        <al>Sinds de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het
                    verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen als
                    vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als
                    voegkit.</al>
        <al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                    waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor
                    zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                    rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                    bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf.
                    Bij het verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                    bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                    beheersbaar risico.</al>
        <tussenkop>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</tussenkop>
        <al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De artikelen
                    4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384 van de MBV
                    1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op het
                    slopen.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                    bescheiden</tussenkop>
        <al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                    aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                    of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het slopen mag degene die
                    de werkzaamheden verricht – in de regel een ander dan de houder van de
                    vergunning – geacht worden de voorwaarden te kennen.</al>
        <al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de sloopvergunning, indien
                    deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift van deze vergunning ter hand
                    stelt aan de sloopaannemer.</al>
        <tussenkop>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</tussenkop>
        <al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van asbest.
                    De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden. Artikel 8.3.3
                    schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. Artikel 8.3.4 geldt
                    voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze
                    situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5
                    geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                    sloopvergunning als op grond van een mededeling naar aanleiding van een melding.
                    De eis dat bij het slopen de beste bestaande technieken worden toegepast geldt
                    krachtens het derde lid van dit artikel echter niet voor het slopen op grond van
                    een mededeling.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</tussenkop>
        <al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10, letters k,
                    l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden bevatten
                    verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning. </al>
        <al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                    slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                    asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                    Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar staat
                    op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                    bouwverordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</tussenkop>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                    aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                    asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop gerichte
                    sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig zijn. Die
                    moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al>
        <al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen van
                    de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van de
                    Woningwet.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven tot
                    tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk. Hetzelfde
                    geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde lid, indien
                    tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt. </al>
        <al>Indien burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de voltooiing
                    van een sloopwerk bevestigen, b.v. door de melding af te stempelen en van de
                    ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling die
                    niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente aanvaardt
                    daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij het slopen en
                    het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                    asbest</tussenkop>
        <al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de voorschriften
                    voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest voor zover dit gebeurt
                    anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. </al>
        <al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen gelden
                    regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de desbetreffende
                    certificering.</al>
        <al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                    handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                    Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                    bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                    regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt en is
                    thans mei 2006 evenmin een aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog
                    te doen.</al>
        <al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van
                    asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister
                    op grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                    2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                    vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                    tuinbouwkassen</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Paragraaf 4 Vrij slopen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</tussenkop>
        <al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht tot
                    het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10
                    m<sup>3</sup> sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan
                    10 m<sup>3</sup> bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. </al>
        <al>Voorheen bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe
                    relatie. Met ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992,
                    gepubliceerd in 1997, is dit niet meer het geval. De fracties waarin het
                    sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen
                    daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet mogen
                    worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is asbest niet opgenomen,
                    omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder melding mag worden
                    verwijderd.</al>
        <al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet voorzien.
                    De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet meer dan 10
                    m<sup>3</sup>, uitsluitend repressief plaats.</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="62*"/>
            <thead>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Model-bouwverordening incl. 11e serie wijz.</al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 3 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>H 8, Toelichting Algemeen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 3, lid 3 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>H 8, Toelichting calamiteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 4, lid 1, sub a </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.1.2, lid 3, sub c</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 4, lid 1, sub b </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.2, lid 1, sub c</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1, lid 1, sub a en b</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 5 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.3.3, lid 3 vervallen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 6 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>1.1 (Begripsbepaling)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 7 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>H.8, Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 8, lid 1 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.3.5, lid 1 en 2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 8, lid 2 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Min. Besluit is er nog niet</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter a </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.1.1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter b </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.1.2, lid 3, sub c</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter c </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter d </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1, lid 7</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter e </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1, lid 8</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter f </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1, lid 9</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter g </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1, lid 8</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter h </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.2.1, lid 12</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter i </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.1.4, lid 2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letter j </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.1.2, lid 4</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 10, letters k, l, m en n </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>8.3.3, lid 1 t/m 4</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Art. 11 </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>12.1, lid 1 en 2</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 9 Welstand</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                    modelbouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met betrekking
                    tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde lid van de
                    Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de samenstelling,
                    inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. </al>
        <al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de modelbouwverordening niet
                    concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                    nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien
                    een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. </al>
        <al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke bouwverordening. </al>
        <tussenkop>Welstandscriteria en welstandsnota</tussenkop>
        <al>De werking van het begrip ‘redelijke eisen van welstand’ heeft met de gewijzigde
                    wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de hand van
                    criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                    kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op
                    aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook
                    bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen.
                    Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de
                    eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                    hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is
                    geen welstandstoezicht meer mogelijk. </al>
        <al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria ‘zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en standplaatsen en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                    plaats waar een bouwwerk of standplaats is gelegen’. Dit biedt mogelijkheden om
                    de criteria per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen
                    als buiten de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                    kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                    ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                    beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                    stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                    beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor
                    een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend
                    beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de
                    orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een
                    terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist
                    alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit
                    vereist. </al>
        <al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure
                    (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling door de raad) wordt
                    gevolgd.</al>
        <al>Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in bijzondere gevallen
                    buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                    burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd.</al>
        <al>De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning;</al></li>
          <li nr="-"><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen bij
                            of krachtens de Woningwet is bepaald.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Relatie bestemmingsplan en welstand</tussenkop>
        <al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de voorrangsregel
                    uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten
                    naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al>
        <al>De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                    (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en het
                    welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven als
                    zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel
                    9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit
                    stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april
                    1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000,
                    Gst.2000, 7119). </al>
        <al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                    Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften
                    van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                    WelstandsMonumentenCommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                    advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee,
                    langs de in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen
                    omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbij behorende
                    bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de
                    welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van
                    de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt,
                    belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De
                    kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al>
        <al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</tussenkop>
        <al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                    welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht indien
                    een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert,
                    burgemeester en wethouders beslissen. </al>
        <al>In de herziene Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester
                    opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in plaats
                    van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient
                    de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet nader uitgewerkt in
                    de Modelbouwverordening, omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                    welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                    welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de stadsbouwmeester
                    niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle collectieve
                    oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties
                    van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan
                    worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen aanknopingspunten hoe de
                    figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed moet worden. Een zeer beperkt
                    aantal gemeenten heeft gekozen voor een stadsbouwmeester.</al>
        <al>In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel vaststellen dat de
                    welstandstoets voor de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet
                    door de volledige welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer
                    gemandateerde leden van de commissie als bedoeld in artikel 9.2
                    Modelbouwverordening dan wel door burgemeester en wethouders. </al>
        <tussenkop>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</tussenkop>
        <tussenkop>Onafhankelijkheid</tussenkop>
        <al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                    afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien
                    de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                    is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te
                    zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college
                    van burgemeester en wethouders aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente
                    is in dit verband uitgesloten. </al>
        <tussenkop>Deskundigen en burgers</tussenkop>
        <al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de eis
                    dat in de welstandscommissie uitsluitend ‘deskundigen’ zitting kunnen hebben.
                    Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om
                    zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag
                    worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen
                    oordelen over plannen van collega’s. Onder niet-deskundige leden worden
                    vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan, geen architecten of
                    anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken
                    zijnde, die door het gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden
                    benoemd. De gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er
                    is geen wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                    welstandscommissie. Er zijn meerder alternatieven denkbaar. In de
                    bouwverordening van de gemeente Bergen op Zoom is de mogelijkheid opgenomen
                    burgerleden te benoemen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</tussenkop>
        <al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen. De
                    leden en voorzitter van een welstandscommissie die op 1 januari 2003 ten minste
                    drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen nog ten hoogste drie jaar na
                    die datum benoemd blijven in die commissie.</al>
        <al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure voor
                    (deskundige) leden op te nemen in de (Model)verordening. Een reglement van orde
                    dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                    toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een dergelijk
                    reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een benoemingsboekhouding te
                    regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen onbevoegd gegeven
                    welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter aan te kunnen
                    tonen.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</tussenkop>
        <tussenkop>Jaarverslag welstandscommissie</tussenkop>
        <al>Enerzijds zijn er de algemene uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen in de Wet
                    Dualisering gemeentebestuur om de controlefunctie van de gemeenteraad te
                    versterken en te verduidelijken. Anderzijds beoogt de Woningwet te voorzien in
                    het verbeteren van de kwaliteit alsmede het transparanter maken van de
                    welstandsadvisering. Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren
                    waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden
                    bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet. </al>
        <al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. </al>
        <tussenkop>Jaarverslag burgemeester en wethouders</tussenkop>
        <al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen;</al></li>
          <li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de aanvraag
                            voor een lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben
                            voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben
                            gegeven aan de welstandscriteria;</al></li>
          <li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al></li>
          <li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een besluit
                            hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                            last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke
                            eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat
                            besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan.Voornoemd verslag kan
                            tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke
                            ordening en bouwregelgeving.</al></li>
        </lijst>
        <al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd. </al>
        <al>In de Woningwet is per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor
                    burgemeester en wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.5 Termijn van advisering</tussenkop>
        <al>Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met een
                    oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. In de MBV is dit uitgangspunt
                    als procedurevoorschrift uitgewerkt.</al>
        <al>De adviestermijn laat de mogelijkheid van beoordeling van een schetsplan
                    onverlet, omdat het uitgangspunt voor de adviestermijn de beoordeling van een
                    aanvraag om bouwvergunning is.</al>
        <al>De Woningwet formaliseert de behandeling van bouwplannen door de korte
                    beslissingstermijnen. Ook voor de welstandsadvisering houdt dit in dat de
                    behandeling snel moet leiden tot een positieve of negatieve conclusie, omdat in
                    beginsel binnen twaalf weken respectievelijk zes weken op de aanvraag om
                    bouwvergunning moet zijn beslist. Indien bij een verlening van een
                    bouwvergunning in twee fasen, de eerstefasetoetsing moet worden herhaald vanwege
                    een wijziging van het bouwplan in de tweede fase, zou in beginsel een relatief
                    korte termijn van twee weken kunnen gelden, omdat volgens de wetgever alleen de
                    wijzigingen van het bouwplan voorzover relevant door de welstandscommissie
                    opnieuw moeten worden beoordeeld. </al>
        <al>Indien de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen adviseert,
                    zullen burgemeester en wethouders zelf moeten beslissen of het bouwwerk waarop
                    de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft niet in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de welstandsnota opgenomen
                    welstandscriteria in acht te nemen.</al>
        <al>Indien er een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan
                    een discussie over alternatieven verwacht kan worden, lijkt het raadzaam overleg
                    voorafgaand aan de indiening van een formele bouwaanvraag te stimuleren.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</tussenkop>
        <al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al>
        <al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                    bekendmaking.</al>
        <al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer. </al>
        <al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de bouwvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. </al>
        <al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de bouwvergunning. </al>
        <al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn bouwaanvraag
                    toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan – indien
                    nodig – wellicht eerder tot alternatievebouwoplossingen worden gekomen, waardoor
                    de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al>
        <al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de vergadering
                    van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de bouwvergunning geen ‘recht van spreken’ hebben
                    omdat zij geen belanghebbenden zijn. </al>
        <al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al>
        <al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</tussenkop>
        <al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                    mandaat. Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                    welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                    bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 2
                    en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Dit houdt in dat de welstandstoets van
                    bouwplannen voor licht-vergunningplichtige bouwwerken die voldoen aan de
                    welstandscriteria uit de welstandsnota wordt gemandateerd aan een ambtenaar. Het
                    mandaat kan slechts bestaan uit een positief welstandsoordeel. Indien het
                    bouwplan niet aan de criteria uit de nota voldoet, leggen burgemeester en
                    wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al>
        <al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de afdoening
                    van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan de mening van
                    de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al>
        <al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                    betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken)</al>
        <al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al>
        <al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de
                    openbaarheid enige aandacht.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</tussenkop>
        <al>Lid 1 </al>
        <al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003 in artikel 12b,
                    eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                    ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering
                    achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra
                    bezwaar tegen de bouwvergunning wordt ingediend</al>
        <tussenkop>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</tussenkop>
        <al>De raad kan er voor kiezen een gebied en/of categorieën van bouwwerken uit te
                    sluiten van welstandstoezicht. </al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 10 Overige administratieve bepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</tussenkop>
        <tussenkop>De aanvraag</tussenkop>
        <al>Ook de Woningwet 1962 hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in
                    gebruik geven of nemen van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of
                    niet eerder legaal gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar
                    maken verbouwd worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning nodig, dan
                    wijkt de eis van een woonvergunning voor de eis van een bouwvergunning.</al>
        <al>Met de Woningwet van 1991 verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning nu
                    in de wet is uitgewerkt in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe
                    bouwverordening is alleen nog plaats voor een invulling van de wijze van
                    indiening en inrichting van de aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de
                    Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1 opnemen
                    van de op basis van de oude bouwverordeningen gangbare aanvraagbescheiden voor
                    een woonvergunning.</al>
        <tussenkop>De vergunning</tussenkop>
        <al>Met het in de Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt overigens
                    de regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op de Woningwet 1962
                    gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er sprake was van
                    strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende nieuwbouweisen. Op
                    grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet een woonvergunning alleen
                    worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert met het bestemmingsplan of de
                    bouwverordening.</al>
        <al>Welk deel van de bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk.</al>
        <al>Het niet voldoen aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen
                    weigeringgrond voor de woonvergunning.</al>
        <al>Uit het eerste lid van artikel 60 van de Woningwet valt af te leiden, dat het
                    gebouw in principe geschikt moet zijn voor bewoning. Is er geen uit het
                    bestemmingsplan of de bouwverordening voortvloeiende weigeringgrond en is het
                    gebouw bouw- en/of woontechnisch toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er
                    volgens het Ministerie van VROM twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw
                    alsnog geschikt gemaakt wordt:</al>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                            woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al></li>
          <li nr="2"><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet.</al></li>
        </lijst>
        <al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord.</al>
        <al>Ad 1</al>
        <al>Welke bouw- en/of woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als voorwaarden
                    aan de woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van uitgebreide technische
                    maatregelen wordt op een gegeven moment immers een bouwvergunning noodzakelijk
                    en de wetssystematiek gaat ervan uit, dat er of een woonvergunning of een
                    bouwvergunning noodzakelijk is.</al>
        <al>Ad 2</al>
        <al>Bij welk niveau van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning?
                    Onderschrijdt de kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de bestaande
                    woningbouw, dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                    onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning kan
                    echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit ingevolge
                    artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de noodzakelijkheid van
                    voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een voorzieningenniveau
                    beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en het niveau voor
                    bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit ingevolge artikel 13
                    Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden.</al>
        <al>De praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen.</al>
        <al>Het kiezen voor de tweede oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning
                    wordt toegestaan voordat het gebouw geschikt is tot bewoning.</al>
        <al>De woonvergunning is een beschikking. Dat betekent dat naast de eisen van de
                    bouwverordening, de algemene eisen van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag
                    moet dus bijvoorbeeld schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb). </al>
        <al>Ingevolge artikel 60 van de Woningwet zijn burgemeester en wethouders het
                    bevoegde orgaan.</al>
        <al>Worden de in de bouwverordening geëiste gegevens niet ingediend, dan is artikel
                    4:5 juncto artikel 4:15 Awb van toepassing.</al>
        <tussenkop>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</tussenkop>
        <al>Artikel 8, tweede lid, onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor de
                    overdraagbaarheid van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde
                    vergunningen.</al>
        <al>De op de Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling voor de
                    overdraagbaarheid van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de nieuwe MBV
                    overgenomen voor de overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en
                    bouwverordening gebaseerde vergunningen en meldingen.</al>
        <al>Artikel 10.3 houdt in, dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot
                    overschrijving als daarom wordt gevraagd, zelfs al leidt overschrijving tot een
                    niet gewenste en planologisch niet juiste situatie. Zowel de rechtverkrijgende
                    onder bijzondere titel (bij voorbeeld de koper) als de rechtverkrijgende onder
                    algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam) moet om overschrijving vragen. Met
                    het recht van de verkrijgende wordt hier het recht bedoeld dat is neergelegd in
                    de vergunning.</al>
        <al>De wet van 10 juni 2004 is onder de naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb.
                    2004, 320, en krachtens Besluit van 31 augustus 2004 in werking getreden op 15
                    september 2004, Stb. 2004, 452. In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59
                    gewijzigd.</al>
        <tussenkop>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                    woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</tussenkop>
        <al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN’s), voornormen (NVN’s) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR’s), alsmede op de – bij ministeriële regeling
                    gepubliceerde – Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                    werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat burgemeester en wethouders bij
                    toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin
                    aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij
                    houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                    voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                    instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                    waarbij een commissie van deskundigen – onder meer afkomstig uit gemeentelijke
                    kring – wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van een voorlopige
                    editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige
                    voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het verschijnen van een
                    gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een norm, voornorm,
                    praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening moet worden gewijzigd
                    om de actuele versie van de aangewezen uitgave van kracht te doen zijn.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 11 Handhaving</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                    Model-bouwverordening 1993 een nadere uitwerking van de bijzondere
                    bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                    toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid van
                    de Woningwet.</al>
        <al>Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de regeling van de handhaving
                    integraal herzien.</al>
        <al>Het aanschrijfinstrumentarium voor bestaande bouwwerk vormt niet langer een
                    geïsoleerd deel van de Woningwet, maar sluit beter aan op de voorschriften
                    inzake het bouwen van bouwwerken. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten
                    bij het generieke aanschrijf instrumentarium van de Awb.</al>
        <al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 gaat nu voor alle bouwwerken gelden (artikel 1b Woningwet), voor de
                    bouwverordening krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor
                    het welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet.
                    Met het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de
                    Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander
                    bouwwerk of standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open
                    erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk
                    van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is met redelijke
                    eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de</al>
        <al>welstandsnota.</al>
        <al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                    standplaats in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van
                    dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                    voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn
                    maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24,
                    vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel
                    overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een
                    dwangsom voorkomen.</al>
        <al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al>
        <al>Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                    toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                    sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                    mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel
                    5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen
                    illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze
                    werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste
                    vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende
                    aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel
                    5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale
                    bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                    situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk
                    voor voldongen</al>
        <al>feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                    uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003,
                    893).</al>
        <tussenkop>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</tussenkop>
        <al>Vervallen.</al>
        <tussenkop>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</tussenkop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <tussenkop>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</tussenkop>
        <al>Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                    toezicht zijn voorts van belang: </al>
        <al>Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de bewoners,
                    artikel 5:15 Awb. </al>
        <al>In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich kan doen
                    vergezellen van de ‘sterke arm’.</al>
        <al>Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5 Ww.</al>
        <al>Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op het
                    binnentreden.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de bouwverordening niet
                    langer mogelijk.</al>
        <al>Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende herkomst en structuur
                    zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk daarvan een afzonderlijk
                    overgangsartikel op te nemen.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.1 Strafbare feiten</tussenkop>
        <al>De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                    vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld in
                    artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in artikel
                    1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).</al>
        <al>Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                    (brand)veiligheid en gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft
                    gekozen voor het onder de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan
                    overtredingen als bedoeld veelal een financieel-economisch belang ten grondslag
                    ligt. Door de indeling in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt aangesloten bij
                    de strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten, die veelal een
                    vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de nodige ervaring is
                    opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. Voor
                    deze indeling heeft de wetgever mede gekozen vanwege het (potentiële) gevaar en
                    de (potentieel) zeer ernstige gevolgen die het niet naleven van deze
                    voorschriften met zich mee kan brengen. Indien opzettelijk gepleegd, zijn deze
                    delicten misdrijven; indien niet opzettelijk gepleegd, zijn het
                    overtredingen.</al>
        <al>Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel 132 van de Woningwet bepaalt dat
                    overtredingen van de oude bouwverordening worden afgedaan volgens de oude
                    Woningwet. zie artikel 97 oude Woningwet en artikel 394 oude MBV.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</tussenkop>
        <al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                    opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt niet
                    wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het eerder uitgevoerde
                    indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt.</al>
        <al>Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de
                    toelichting bij artikel 2.4.1 van de Modelbouwverordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                    en terreinen</tussenkop>
        <al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                    situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen en
                    redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe </al>
        <al>situaties – dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                    voorschriften – lijkt de eis wel redelijk.</al>
        <al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan de
                    nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                    vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                    vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld. Dit om
                    te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer eigentijdse eisen
                    van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                    gebruiksvergunning</tussenkop>
        <al>Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                    krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht te
                    doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan voor de
                    ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                    brandbeveiligingsverordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>Artikel 12.6 Slotbepaling</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats.</al>
        <al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter een
                    ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                    inwerkingtreding van de verordening op een nader tijdstip te bepalen.</al>
        <al>De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                    Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige mededeling
                    ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de
                    bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan de
                    inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt;
                    zie artikel 95 van de Woningwet.</al>
        <al>De citeertitel luidt: “Verordening tot de10e wijziging van de Bouwverordening
                    voor de gemeente Bergen op Zoom”. De toevoeging “1993”, zoals opgenomen in de
                    9<sup>e</sup> wijziging is gemakshalve geschrapt.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>1</nr>
        </kop>
        <al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedebouwkundige bepalingen</al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i6adf9b09-1648-44cc-be75-313c52efae37" naam="i2894i6adf9b09-1648-44cc-be75-313c52efae37.jpg" type="foto" breedte="12.9cm" hoogte="12.8cm"/>
          </plaatje>
          <plaatje>
            <illustratie id="i0e9c1a0d-1e20-427a-8eed-1e8bc9179884" naam="i2895i0e9c1a0d-1e20-427a-8eed-1e8bc9179884.jpg" type="foto" breedte="12.7cm" hoogte="10.8cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i21aa9e8e-6ac4-402b-862e-5bd59c8961a6" naam="i2897i21aa9e8e-6ac4-402b-862e-5bd59c8961a6.jpg" type="foto" breedte="12.3cm" hoogte="10.4cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i58388900-49d3-4c29-86b6-12dad712599d" naam="i2899i58388900-49d3-4c29-86b6-12dad712599d.jpg" type="foto" breedte="12.7cm" hoogte="10.9cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i48ded799-0fe6-478c-b7a5-31041b57d35d" naam="i2900i48ded799-0fe6-478c-b7a5-31041b57d35d.jpg" type="foto" breedte="12.6cm" hoogte="10.7cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i73109a26-5601-4bbb-850d-607ed8191848" naam="i2902i73109a26-5601-4bbb-850d-607ed8191848.jpg" type="foto" breedte="12.4cm" hoogte="10.4cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="ib5eb5cc7-122e-4ea8-a64f-ce3ed1c02a10" naam="i2903ib5eb5cc7-122e-4ea8-a64f-ce3ed1c02a10.jpg" type="foto" breedte="12cm" hoogte="10.0cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i8cfab479-069c-4fff-9582-d669f4931ecf" naam="i2904i8cfab479-069c-4fff-9582-d669f4931ecf.jpg" type="foto" breedte="12.5cm" hoogte="21.1cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i50081323-97ed-4e21-997c-325abab7d70e" naam="i2905i50081323-97ed-4e21-997c-325abab7d70e.jpg" type="foto" breedte="12.6cm" hoogte="10.6cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i5a70bffe-aded-403a-843f-9173636e18fc" naam="i2906i5a70bffe-aded-403a-843f-9173636e18fc.jpg" type="foto" breedte="12.7cm" hoogte="10.7cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i3ec7fe24-48d0-4dcc-a1da-95c76d29889c" naam="i2907i3ec7fe24-48d0-4dcc-a1da-95c76d29889c.jpg" type="foto" breedte="12.4cm" hoogte="22.4cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i77d73f61-0b61-4d8b-8cda-52757d0a4612" naam="i2908i77d73f61-0b61-4d8b-8cda-52757d0a4612.jpg" type="foto" breedte="12.4cm" hoogte="9.9cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i5125583a-c240-4b72-8916-ad83af7ad902" naam="i2909i5125583a-c240-4b72-8916-ad83af7ad902.jpg" type="foto" breedte="12.5cm" hoogte="22.0cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="ib26e845e-eb2d-48be-829c-3da3bc65a39e" naam="i2910ib26e845e-eb2d-48be-829c-3da3bc65a39e.jpg" type="foto" breedte="12.4cm" hoogte="10.5cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <tussenkop>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn bij het ontbreken van een
                    tegenoverliggende achtergevelrooijlijn (artikelen 2.5.21, tweede lid, derde
                    alinea)</tussenkop>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i822b2993-8821-4867-b66f-229262a51873" naam="i2911i822b2993-8821-4867-b66f-229262a51873.jpg" type="foto" breedte="12.3cm" hoogte="10.2cm"/>
          </plaatje>
        </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>2</nr>
          <titel> Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>3</nr>
          <titel>Maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het
                        oog op de brandveiligheid</titel>
        </kop>
        <al>De rekenmethodiek met betrekking tot het maximaal toelaatbaar aantal personen in
                    een gebouw met het oog op brandveiligheid is opgenomen in de brochure ‘Vluchten
                    bij brand – Handreiking voor gebruiksvergunningen’ van het Ministerie van VROM
                    en BZK. Voor meer informatie kunt u terecht bij de afdeling Publieksvoorlichting
                    van VROM telefoonnummer 070 339 50 50. Via de internetsite
                        <onderstreept>www.vrom.nl</onderstreept> kunt u de tekst van de brochure
                    downloaden.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>4</nr>
          <titel> Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>5</nr>
          <titel>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</titel>
        </kop>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="446.25pt"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.00*"/>
            <thead>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bedreiging</al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Sloopmethode</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van
                                        bal) </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* onvoldoende afstand tot gebouwen</al>
                  <al>* stof bij instorten</al>
                  <al>* overmatige trillingen</al>
                  <al>* ongecontroleerd instorten</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting
                                        met als gevolg breuk)</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* stof bij instorten</al>
                  <al>* wegspatten dommekracht (hefboom)</al>
                  <al>* ongecontroleerd instorten</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                        stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen; o.a.
                                        explosieven.)</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* rondvliegend puin</al>
                  <al>* opslag e.d.</al>
                  <al>* trillingen</al>
                  <al>* stofproductie</al>
                  <al>* verzakkingen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Afhijsen (knijpen) </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* vallend materiaal/onvoldoende afstand</al>
                  <al>* omvallen kraan/maximum hijslast</al>
                  <al>* afbreken hijslast</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* kantelen trekapparatuur</al>
                  <al>* stapelen palen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Overige methoden :</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al dan
                                        niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het
                                        bouwhek niet vergenoeg staat puin, gereedschap e.d. buiten
                                        het sloopterrein vallen.</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* aan- en afvoer</al>
                  <al>* op- en afbouw</al>
                  <al>* afbreken hijslast of delen daarvan</al>
                  <al>* omvallen kraan</al>
                  <al>* overschrijden max. wegbelasting</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Sloopobject</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* omvallende bouwdelen</al>
                  <al>* wegspattend/vallend puin en gereedschap</al>
                  <al>* verontreinigd sloopmateriaal</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Sloopterrein</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* afkalven, instorten bouwputten</al>
                  <al>* opslag van materialen en materieel</al>
                  <al>* onvoldoende afgrenzing</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Bouwputten en -sleuven</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>* instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al>
                  <al>* onjuiste bemaling</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie
                                        en APV's</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>6</nr>
          <titel> Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve
                        van de opsteller van het sloopveiligheidsplan</titel>
        </kop>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="189.75pt"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="1.07*"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/>
            <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.12*"/>
            <thead>
              <row>
                <entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1">
                  <al>Bedreigde functies en objecten</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en objectgericht)</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Aanbevelingen</al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Belendingen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bouwkundige staat</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- constructief scheiden</al>
                  <al>- trillingsarm slopen (in extremo: met de hand)</al>
                  <al>- stutten/stempelen bouwputten- en sleuven</al>
                  <al>- gecontroleerd bemalen</al>
                  <al>- voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                        funderingen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Overleg met eigenaar/beheerder belending</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Gebruikers</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- trillingsarm slopen</al>
                  <al>- stofarm slopen</al>
                  <al>- slopen op bepaalde dagen/tijden</al>
                  <al>- in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al>
                  <al>- rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals
                                        asbest</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Voorlichten gebruikers</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Gebruiksfuncties</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- vrijhouden/toegankelijk houden van belendende
                                        gebouwen</al>
                  <al>- aangepaste werktijden</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                        verkeerscirculatieplan</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bouwkundige staat resterende constructie</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                        betreft veiligheid</al>
                  <al>Zie ook bouwkundige belendingen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met betrekking
                                        tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande
                                        situaties. Voor mogelijke staat maatregelen en aanbevelingen
                                        zie 'belendingen'</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Gebruikers resterende constructie </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                        betreft veiligheid en gezondheid</al>
                  <al>Zie ook gebruikers belendingen.</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school, ziekenhuis,
                                        e.d.) </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                        betreft bruikbaarheid</al>
                  <al>Zie ook gebruiksfuncties belendingen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Infrastructuur</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Kabels, leidingen en rioleringen</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- aangepaste sloopmethode</al>
                  <al>- stutten</al>
                  <al>- beschermen (afdekken)</al>
                  <al>- afsluiten</al>
                  <al>- omleggen</al>
                  <al>- hijsplan bij grote hijsklussen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- beschermen</al>
                  <al>- afsluiten</al>
                  <al>- verwijderen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d.</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al>
                  <al>- aangepaste sloopmethode</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                        e.d.)</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Overig (tunnels e.d.)</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instantie</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Verkeers situatie</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Voetgangers en fietsers</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>- afdoende afgrenzen sloopterrein</al>
                  <al>- uitstekers (valschermen)</al>
                  <al>- voetgangerstunnels</al>
                  <al>- afzetten weggedeelte met hekwerk</al>
                  <al>- (tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan </al>
                  <al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>7</nr>
          <titel> Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</titel>
        </kop>
        <al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al>
        <lijst>
          <li nr="1"><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li>
          <li nr="2"><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li>
          <li nr="3"><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li>
          <li nr="4"><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li>
          <li nr="5"><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en
                            hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li>
          <li nr="6"><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot
                            externe veiligheid</al></li>
          <li nr="7"><al>Betrokken instanties</al></li>
          <li nr="8"><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li>
          <li nr="9"><al>Instructies aan werknemers</al></li>
          <li nr="10"><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li>
          <li nr="11"><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li>
          <li nr="12"><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li>
          <li nr="13"><al>Logboek</al></li>
        </lijst>
        <al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al>
        <lijst>
          <li nr="a"><al> belangrijke telefoonnummers</al></li>
          <li nr="b "><al> tekening waarop staat aangegeven:</al><lijst>
              <li nr="-"><al>de situering van het sloopobject;</al></li>
              <li nr="-"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li>
              <li nr="-"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende
                                    wegen, bouwwerken e.d.;</al></li>
              <li nr="-"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle
                                    sloopwerkzaamheden, het laden en lossen daaronder begrepen,
                                    plaatsvinden;</al></li>
              <li nr="-"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige
                                    leidingen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de plaats van ander hulpmaterieel.</al></li>
            </lijst><al>De schaal van deze tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000.</al><al>(indien nodig bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al></li>
          <li nr="c"><al> controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li>
          <li nr="d"><al> transportroutes afkomende materialen</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>8</nr>
          <titel>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</titel>
        </kop>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.19*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="234.75pt"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/>
            <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="1.07*"/>
            <thead>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>niveau I</al>
                  <al>minimumscheiding </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>niveau I-plus </al>
                  <al>minimumscheiding</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>niveau II</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>niveau III</al>
                  <al> maximumscheiding</al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>gevaarlijke afvalstoffen(voorheen: chemische of chemisch
                                        verontreinigde afvalstromen)</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>olieprodukten</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>afgewerkte olie brandstofrestanten</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>overig gevaarlijk afval</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>batterijen</al>
                  <al>accu's</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>schoorsteenkanalen</al>
                  <al>rookkanalen</al>
                  <al>overig chemisch belast puin</al>
                  <al>verontreinigde leidingen</al>
                  <al>oliehoudende elementen</al>
                  <al>coatings, kitten</al>
                  <al>bitumineuze materialen</al>
                  <al>zeefzand</al>
                  <al>tl-buizen/starters</al>
                  <al>halogeen lampen</al>
                  <al>niet uitputtende lijst, </al>
                  <al>voor overzicht zie BAGA</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>asbestprodukten</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>golfplaat</al>
                  <al>spouwbladen</al>
                  <al>brandwerende platen</al>
                  <al>isolatiemateriaal</al>
                  <al>produkten niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>metalen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>metalen</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>ferro</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>constructiebalken e.d.</al>
                  <al>metalen trappen e.d.</al>
                  <al>betonijzer</al>
                  <al>schroot</al>
                  <al>tanks, silo's</al>
                  <al>ferro niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>non ferro</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>aluminium (kozijnen, </al>
                  <al>constructies)</al>
                  <al>lood (buis, slabben)</al>
                  <al>zink (regenpijp, dakgoot)</al>
                  <al>koperbuis</al>
                  <al>non ferro niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>elektriciteitskabels</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>kabels 220 V</al>
                  <al>kabels &gt; 220 V</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>steenachtig afval i.c betonpuin en baksteenpuin</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>steenachtig afval i.c betonpuin en baksteenpuin</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>beton</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>gewapend beton</al>
                  <al>schuimbeton</al>
                  <al>gasbeton</al>
                  <al>staalvezelbeton</al>
                  <al>hoge sterkte beton</al>
                  <al>betonprodukten</al>
                  <al>beton niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>metselwerk</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>metselwerkpuin</al>
                  <al>metselmortel</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>kalkzandsteen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>metselwerkpuin</al>
                  <al>bouwblokken</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>dakpannen/bedekking (beton, keramiek, leisteen)</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>intacte dakpannen</al>
                  <al>gebroken dakpannen</al>
                  <al>dakleien</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>gipshoudende elementen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>gipsplaat</al>
                  <al>stucwerk</al>
                  <al>anhydriet vloeren</al>
                  <al>gipsvezelplaat</al>
                  <al>gipshoudende elementen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>asfalt</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>asfaltbeton</al>
                  <al>asfaltpuin</al>
                  <al>freesafval</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>steenwol</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>steenwol</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>steenwol</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>glaswol </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>glaswol </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>glaswol</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                        herbruikbaar)</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                        herbruikbaar)</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>massief hout (direct herbruikbaar)</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>balken </al>
                  <al>vloerdelen</al>
                  <al>trapelementen</al>
                  <al>dakbeschot</al>
                  <al>regels/tengels</al>
                  <al>pallets</al>
                  <al>schoon hout niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>geverfd /gelakt hout</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>gevelelementen</al>
                  <al>kozijnen</al>
                  <al>deuren</al>
                  <al>parketvloeren</al>
                  <al>geverfd/gelakt hout </al>
                  <al>niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>spaanplaat</al>
                  <al>multiplex</al>
                  <al>hardboard</al>
                  <al>vezelplaat</al>
                  <al>houtwolcementplaat</al>
                  <al>bekistingsmateriaal</al>
                  <al>vloerplaat</al>
                  <al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>geïmpregneerd hout</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>tuinhout</al>
                  <al>bielzen</al>
                  <al>geïmpregneerd hout niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>overig afval</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>kunststof gevelelementen</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>kunststof gevelelementen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>kunststof gevelelementen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>PVC- en PE-leidingen</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>PVC</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>PP en PE</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al>
                  <al>dakfolies</al>
                  <al>wandfolies</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>vlak glas</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>vlak glas</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>vlak glas </al>
                  <al>draadglas</al>
                  <al>spiegelglas</al>
                  <al>dubbelglas</al>
                  <al>HR- en LE-glas</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>papier en karton</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>papier en karton</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>papier</al>
                  <al>karton</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>overig afval</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>LDPE / HDPE</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>dakfolies</al>
                  <al>wandfolies</al>
                  <al>leidingsystemen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>XPS / EPS</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>vloerisolatie</al>
                  <al>dakisolatie</al>
                  <al>wandisolatie</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>PUR</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>isolatieplaten</al>
                  <al>PUR-produkten niet elders genoemd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>overige kunststoffen gemengd</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>EPDM</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>overige kunststoffen gemengd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>cellulose isolaties</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>cellulose isolaties</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>textiel</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>gordijnen</al>
                  <al>vloerbedekking</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>folies met aanhangend vuil</al>
                  <al>papier/karton met aanhangend vuil</al>
                  <al>textiel met aanhangend vuil</al>
                  <al>glas met kitresten</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>composiet-materialen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>beton met PS-platen</al>
                  <al>sandwichpanelen</al>
                  <al>metselwerk met stucwerk</al>
                  <al>beton met stucwerk</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>thermohardende kunststoffen</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>meterkasten</al>
                  <al>deurknoppen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>overig afval</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>overig afval</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>keramiek</al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>wandtegels</al>
                  <al>plavuizen</al>
                  <al>sanitair</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <tussenkop>Toelichting tabel</tussenkop>
        <al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus staan
                    voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                    minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                    minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                    respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de vaststelling
                    van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee alternatieven.</al>
        <al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een maximale
                    scheiding.</al>
        <al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht wordt
                    verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De verschillende
                    categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden onderscheiden, kunnen niet
                    worden opgevat als definitieve oplossingen met betrekking tot scheiden. </al>
        <al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                    hulpmiddel.</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                            afvalstromen:</al><al>Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke
                            afvalstoffen van toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare
                            componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze
                            gescheiden worden op niveau III.</al></li>
          <li nr="-"><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al>Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol.
                            Volstaan kan worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende
                            producten in één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden
                            gestort.</al></li>
          <li nr="-"><al>Overige afvalstromen</al><al>Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee
                            een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik
                            en waarvoor inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit
                            bestaan.</al><al>Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot
                            niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige
                            isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon
                            hout). Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding op
                            niveau II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout,
                            verlijmd hout, papier en karton, textiel, kabels).</al></li>
          <li nr="-"><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                            afvalstromen</al><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze
                            categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                            sorteerinrichting. </al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het
                            bepalen van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                            sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de
                            verschillende inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren,
                            omdat deze regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen
                            onderhevig zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar,
                            verantwoordelijk voor de controle van de vergunningaanvraag, op de
                            hoogte is van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij
                            sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond
                            die tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan
                            dus geen onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch
                            verdient het aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde)
                            grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en
                            locaties van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de
                            volgende publicaties worden geraadpleegd:</al></li>
          <li nr="-"><al>Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen aan
                            den Rijn, 1993)</al></li>
          <li nr="-"><al>SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>9</nr>
          <titel> Reglement van orde van de welstandscommissie</titel>
        </kop>
        <al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale)
                    welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel
                    toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het
                    al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>10</nr>
          <titel>Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</titel>
        </kop>
        <al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door
                    slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd
                    afnemen.) </al>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/>
            <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/>
            <thead>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Product </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Mogelijk toegepast in </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Mate waarin het is toegepast </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Uiterlijk</al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, vlakke plaat </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Vaak </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                        ‘wafelstructuur' </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Decoratieve buitengevels, galerij </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Vrij algemeen in flats </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                        geëmailleerde of gespoten coating</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Vaak </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, bloembak </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Zowel buiten als binnen, balkons </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Vaak </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner
                                        dan betonnen bak</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, golfplaat </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Daken van schuren en garages </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Vaak </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Als golfplaat, in diverse dikten </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Soms </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, dakleien </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Imitatieleien </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>In Nederland weinig toegepast </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, standleidingen </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Afvoer toilet </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Vaak </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Als luchtkanaal, maar dikker</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestcement, imitatiemarmer </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Soms </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Toiletten, keukens </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/>
            <colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Afdichtkoord </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude
                                        haarden en allesbranders, </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Regelmatig </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbesthoudend stucwerk </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Op (vochtige) muren en plafonds </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Nauwelijks </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Vezelige korrelstructuur </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Brandwerend board </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                        trapbeschot </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Asbestkarton </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Bekleding zoldering </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Weinig </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Lichtgrijs, kartonachtig </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Zeer vaak </al>
                </entry>
                <entry colname="col4">
                  <al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <tussenkop>Toelichting tabel</tussenkop>
        <tussenkop>Herkennen van asbest</tussenkop>
        <al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of
                    een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                    waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                    overzicht is niet volledig. </al>
        <al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond
                    zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie worden
                    gegeven:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn
                            met asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                            Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals
                            toiletten en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend,
                            vaak met een wit 'gevlamde' decoratie. </al></li>
          <li nr="-"><al>Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is
                            veel gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de
                            onderlaag zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is
                            lichtgrijs tot lichtbeige en soms lichtgroen. </al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking:
                            vloerbedekking van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar,
                            dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve,
                            zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met daarin
                            een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een dikke,
                            bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof
                            (plastic) of foam (schuim). </al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en
                            verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is
                            vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn
                            ook asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De
                            in Nederland gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen
                            aan de opdruk NT aan de onderzijde van de plaat. </al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>11</nr>
          <titel> Tabel 2.6.5. behorende bij artikel 2.6.5
                        (ontruimingsinstallaties)</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>12</nr>
          <titel>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</titel>
        </kop>
        <al>(Vervallen)</al>
        <al/>
        <al>De griffier F.P. de Vos</al>
        <al>De voorzitter</al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>