<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR353168_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorziening onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.nunspeet.nl/gemeenteblad">Gemeenteblad 06-1-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorziening onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, artikel 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, artikel 100</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 76m</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R.3623</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onderwijshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorziening onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Nunspeet;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 december 2014, nr.
                        78;</al><lijst><li nr="-"><al>gelet op artikel 149 Gemeentewet en artikel 102 van de Wet op het
                                primair onderwijs (Wpo), artikel 100 van de Wet op de
                                expertisecentra (Wec), artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs (Wvo);</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat voor het toekennen van voorzieningen in de
                                huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal
                                onderwijs en het voortgezet onderwijs door de gemeenteraad in de
                                vergadering van 18 december 2014 een verordening is
                                vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>gezien het advies van de raadscommissie Maatschappij en Middelen van
                                4 december 2014</al></li><li nr="-"><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de
                                onderwijsinstellingen binnen de gemeente Nunspeet op 4 november
                                2014;</al><al>Besluit vast te stellen de </al></li></lijst><al/><al><vet>Verordening voorzieningen onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet
                            2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>aanvraag:</vet>verzoek om het bekostigen van een voorziening of
                                om het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="b."><al><vet>aanvrager:</vet>het bevoegd gezag dat een aanvraag
                                indient;</al></li><li nr="c."><al><vet>adviesOnderwijsraad:</vet>advies van de Onderwijsraad zoals
                                bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair
                                onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de</al></li></lijst><al>expertisecentra of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>d.<vet>bevoegdgezag:</vet>bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                        primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet
                        onderwijs bekostigde openbare of</al><al>bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat
                        zich bevindt op</al><al>het grondgebied van de gemeente;</al><lijst><li nr="e."><al><vet>lokaalbewegingsonderwijs:</vet>ruimte die geschikt is voor het
                                bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="f."><al><vet>minister:</vet>minister van onderwijs, cultuur en
                                wetenschappen;</al></li><li nr="g."><al><vet>nevenvestiging:</vet>deel van een school dat door de minister
                                op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de
                                artikelen 76a of 76b van de wet op de expertisecentra of</al></li></lijst><al>artikel 16 tweede en derde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                        bekostiging in</al><al>aanmerking is gebracht;</al><al>h.<vet>overzicht:</vet>overzicht zoals bedoeld in artikel 96 van de Wet op
                        het primair onderwijs, artikel</al><al>94 van de wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs;</al><al>i.<vet>permanentgebouw: </vet>ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                        aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaar als volwaardige
                        huisvesting voor het onderwijs</al><al>kan functioneren;</al><lijst><li nr="j."><al><vet>programma:</vet>programma zoals bedoeld in artikel in artikel
                                95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de
                                expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>school:</al><lijst><li nr="1."><al>school voor basisonderwijs: basisschool of school voor
                                        speciaal basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 1 van de
                                        Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                        onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor
                                        speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor
                                        voortgezet speciaal onderwijs zoals bedoeld in artikel 1 van
                                        de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal
                                        en voortgezet speciaal onderwijs zoals bedoeld in artikel 8
                                        van de Wet op de expertisecentra en een school voor
                                        voortgezet</al></li></lijst></li></lijst><al>speciaal onderwijs zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                        expertisecentra;</al><lijst><li nr=""><al>3.school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs zoals bedoeld in de
                                artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="l."><al><vet>tijdelijkgebouw:</vet>al dan niet verplaatsbare ruimte die door
                                de keuze van het ontwerp en de</al></li></lijst><al>aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige
                        huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>m.<vet>tijdelijkenevenvestiging:</vet>een tijdelijke nevenvestiging zoals
                        bedoeld in artikel 16, derde lid,</al><al>van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="n."><al><vet>verhuur:</vet>gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke
                                of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="o."><al><vet>voorblijvendgebruikbestemdevoorziening:</vet>voorziening die
                                volgens de uitkomst van de</al></li></lijst><al>prognose zoals bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al><al>p.<vet>voorziening:</vet>voorzieningen in de huisvesting zoals bedoeld in
                        artikel 2.</al><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk
                                        voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om
                                        een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of
                                        gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde
                                        locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                        gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand
                                        gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen
                                        voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                        voorziening zoals bedoeld in 1 tot en met 4;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                        hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk
                                        of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door
                                        het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                        dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal
                                        bewegingsonderwijs</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket, of meubilair ingeval van bijzondere
                                omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
                                gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs
                                in lichamelijke oefening.</al></li></lijst><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</al><al>Voor voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en
                        met 4 kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen
                        van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1
                                en 2 wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV
                                opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet zoals bedoeld in
                                artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde
                                investeringsbedrag.</al></li></lijst><al>Artikel 5. Informatieverstrekking</al><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                        zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt
                        gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al><al>Hoofdstuk 2. Programma en overzicht Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</al><al><vet>Artikel6.Indienenaanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt
                                door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk
                                31 januari van het jaar waarin het desbetreffende programma wordt
                                vastgesteld, zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een
                                door het college vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen, neemt het college niet
                                in behandeling.</al></li></lijst><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</al><al>1.Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw
                                waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                voorziening, bestaande uit:</al><al>1.een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school
                                voor basisonderwijs, de school voor speciaal basisonderwijs, de
                                school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of
                                de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag
                                voor een voorziening zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel a,</al></li></lijst><al>onder 1, 2, 3, 6, 7 of 8, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig
                        bijlage</al><al>II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met
                        de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele
                        prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt
                        onderschreven;</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><lijst><li nr="2."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of
                                                gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw
                                                van een gebouw zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                                a, onder 1, of herstel van een constructiefout zoals
                                                bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige
                                                rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat
                                                de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden
                                                vastgesteld;</al></li><li nr="3."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen
                                                van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                                vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting
                                                van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van
                                                de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft
                                                op het bekostigen van een voorbereidingskrediet
                                                zoals bedoeld in artikel 3, een
                                                kostenbegroting;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening,
                                        en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft zoals bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel a, onder 1 tot en met 5, de aanduiding van de
                                        gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                                        gerealiseerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de
                                hoogte als gegevens zoals bedoeld in het eerste of tweede lid
                                ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart de gelegenheid de
                                ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het
                                college de aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is
                                gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1
                                oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de
                                aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de
                                Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft
                                aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn
                                gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de
                                aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als
                                de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het
                                college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</al><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de
                        aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan
                        welke niet in behandeling worden genomen.</al><al>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht
                        Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</al><al>1.Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te
                        lichten. Dit overleg</al><al>vindt plaats binnen drie maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7,
                        tweede lid.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is
                                dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden
                                aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in
                                paragraaf 2.3:</al><al>a.de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde
                                voorziening wordt</al></li></lijst><al>uitgegaan, en</al><al>b.als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen
                        overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.</al><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden
                                de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
                                hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar
                                voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma
                                betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in
                                kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen
                                inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen
                                voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het
                                college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze
                                zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                                gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig
                                het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college
                                hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een
                                maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde
                                gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken
                                een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek
                                bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen
                                waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te
                                hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma
                                en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de
                                daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het
                                verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij
                                de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle
                                stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek,
                                waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het
                                toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
                                nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college</al></li></lijst><al>of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het
                        afschrift van het advies.</al><al>8.Nader overleg zoals bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen twee
                        weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is
                        gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan
                        het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al><al>Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht
                        Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                        overzicht</al><al>1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de
                        aangevraagde</al><al>voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of
                        per voorziening.</al><al>2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december
                        voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft.</al><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma
                        en overzicht</al><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het
                                programma en het overzicht worden door het college binnen twee weken
                                na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het
                                toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers.
                                Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                gelegd.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma Artikel 13. Overleg wijze van
                        uitvoering</al><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het
                                programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg
                                wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van
                                de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, zoals bedoeld in artikel 103 van de Wet
                                        op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de
                                        expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                        aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                        toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming
                                        van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                        toetst, en of het naar het oordeel van het college
                                        noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                        begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden
                                        die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het
                                        programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen
                                        besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over het
                                        besteden van de beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het
                                        totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de
                                        kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8% van het
                                        geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in
                                een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen vier weken na
                                het overleg. Als de aanvrager niet binnen twee weken nadat het
                                verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van
                                de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of
                                geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid zoals bedoeld neemt het
                                college binnen vier weken nadat overeenstemming is bereikt een
                                beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het
                                bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                college dit binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld
                                schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het
                                bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                opgeschort.</al></li></lijst><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overleggen offertes</al><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid is
                                bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening
                                wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende
                                begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij
                                rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13,
                                eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip
                                waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen acht weken nadat de stukken zijn
                                ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het
                                tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder
                                mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met vier
                                weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht
                                instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en
                                start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.
                                Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op
                                basis van de economisch meest voordelige inschrijving.</al></li></lijst><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging</al><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging
                        start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de
                        gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan
                        voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren
                        van de op het programma geplaatste voorziening.</al><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</al><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft
                                geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een
                                afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als
                                niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de
                                        termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen
                                        het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                        inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van
                                de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe
                                        te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij
                                        het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor 15 oktober op een verzoek tot het verlengen
                                van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit
                                aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter Paragraaf 3.1 Aanvraag</al><al><vet>Artikel17.Indienenaanvraag</vet></al><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                        voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen twee weken
                        na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij</al><al>het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                        vastgesteld formulier.</al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag zoals bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens
                                genoemd in artikel 7, eerste lid de omstandigheden waarom de
                                voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum waarop
                                de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens
                                zoals bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft
                                vervolgens twee weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als
                                dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in
                                behandeling.</al></li></lijst><al>Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit Artikel 19. Tijdstip
                        beslissing</al><al>1.Het college beslist binnen zes weken nadat de aanvraag is ontvangen of,
                        binnen zes weken</al><al>nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn
                        verstrekt.</al><lijst><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en
                                noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
                                tegemoet kan worden gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></li></lijst><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</al><al>1.Na het bekendmaken van een beslissing zoals bedoeld in artikel 19, eerste
                        lid waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig
                        mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening
                        wordt uitgevoerd.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid
                        is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats
                        van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een
                        termijn van drie weken geldt.</al><al>2.Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing zoals bedoeld in
                        het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-,
                        huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen twee weken een
                        afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan
                        deze verplichtingen wordt voldaan.</al><al>Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur</al><al><vet>Paragraaf4.1MedegebruikvooronderwijsofeducatieArtikel21.
                            Aanduidenomstandigheden</vet></al><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een
                        school bestemd</al><al>gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien
                                van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een
                                aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van
                                die school een aanvraag zoals bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere
                                school of een instelling zoals bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor</al></li></lijst><al>die school of instelling gangbare berekeningswijze;</al><lijst><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een
                                school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig
                                wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen
                                die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand</al><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig
                                bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit
                                van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                        basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs
                                        of voortgezet speciaal onderwijs en de som van het aantal
                                        klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder
                                        is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                        voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III,
                                        deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal
                                        minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd
                                        gezag op basis van het lesrooster of de</al></li></lijst></li></lijst><al>lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit
                        niet het geval</al><al>is;</al><al>c.het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs,
                        speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                        of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a
                        en b, minder is dan 40 klokuren.</al><al>Artikel 23. Nalaten vorderen</al><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van
                        het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik
                        heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die
                        school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die
                        scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag zoals bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg zoals bedoeld
                                in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag zoals bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo
                                spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld of binnen een
                                week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college
                                het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt
                                        gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd
                                        wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs,
                                        het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal m2 brutovloeroppervlakte dat gevorderd
                                        wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 25. Vergoeding</al><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                        vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen
                        dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming
                        wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze
                        wordt gevolgd.</al><al>Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                        doeleinden Artikel 26. Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met
                                het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van
                                        het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een
                                        redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan
                                        nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag
                                waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd
                                wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze
                                opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot
                                volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de
                                beslissing van het college over de punten waarover geen
                                overeenstemming was bereikt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 4.3 Verhuur</al><al><vet>Artikel27.Verzoektoestemmingcollege</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming
                                zoals bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair
                                onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra
                                of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
                                voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming
                                van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor
                                de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen</al><al><vet>Artikel28.Staatvanonderhoud</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat
                                van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel
                                hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd
                                gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of
                                dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het
                                college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal)
                        basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al><vet>Artikel29.Mutatiesaantalklokurenbinnenbeschikbarecapaciteit,inroosterenengebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 januari voorlopig vast het aantal
                                klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs,
                                een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal
                                onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
                                of een school voor voortgezet speciaal onderwijs in het
                                daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal
                                leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school
                                staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 1 maart een
                                rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs,
                                waarbij het college rekening houdt met de volgende
                                uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                        lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste
                                        ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is
                                vastgesteld, voor 1 april in kennis van het rooster. Hierbij worden
                                per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                        ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                        bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                        plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 15 april reageren op het
                                voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg
                                over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 april In
                                het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 15 mei definitief vast en houdt
                                hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek zoals bedoeld in het vorige lid
                                uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar
                                is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt</al></li></lijst><al>ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.</al><al>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</al><al><vet>Artikel30.Beslissingcollegeingevallenwaarindeverordeningnietvoorziet</vet></al><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze
                        verordening niet voorziet beslist het college.</al><al>Artikel 31. Indexering</al><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
                        normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in
                        bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.</al><al>Artikel 32. Intrekken oude verordening</al><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet 2009
                        wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 34. Inwerkingtreding en citeertitel</al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als:
                                    <vet>VerordeningvoorzieningonderwijshuisvestinggemeenteNunspeet2015.</vet></al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014. De
                        voorzitter, De griffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</al><al><vet>DeelA-Lesgebouwen</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met
                    een of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter
                    beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al>A.1Nieuwbouw</al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al></li><li nr="c."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="d."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen wor- den verwacht, en</al></li><li nr="e."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="f."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.2Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                            rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden
                            tot de gewenste levensduurverlening van ten minste 20 jaar;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al><lijst><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn
                                    of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn
                                    of kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3Uitbreiding</al><al>A.3.1<vet>Uitbreidingschoolgebouw</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een
                            schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een school voor
                            speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig
                            bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen
                            de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs,
                            een school voor speciaal basisonderwijs, of een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs,
                            gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel
                            C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al><lijst><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen
                                    worden verwacht,</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn
                                    of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="3."><al>de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen
                                    van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig
                                    is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3.2Uitbreiding met een speellokaal school voor basisonderwijs en school voor
                    speciaal onderwijs</al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen
                            jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor
                            speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                            aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al></li><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 500
                            meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten
                            inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een
                            bestaand verschil tussen de</al></li></lijst><al>overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig
                    bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte.</al><al>A.4In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of
                            uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                    gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                    gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw
                            of uitbreiding.</al></li></lijst><al>A.5Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin
                            een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke
                            verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening
                            voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al></li></lijst><al>A.6Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening zoals bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, onder 1 tot en met 4, en de oppervlakte van het
                    bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De
                    oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                    bijlage III, deel D.</al><lijst><li nr=""><al>A.7Eerste inrichting</al></li><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                            of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt
                            toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                            school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is
                            bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                            van een speellokaal is aanwezig als een school voor speciaal
                            basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een
                            speellokaal.</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf
                            van onderwijsleerpakket, meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend
                            als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal
                            leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>A.8Medegebruik</al></li><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een
                            school voor speciaal basisonderwijs of een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet
                            onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage
                            III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III,
                            deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:</al><lijst><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage
                                    III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                    ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of
                            ruimte voor medegebruik is de verwijsafstand.</al></li></lijst><al>De verwijsafstand wordt als volgt gehanteerd:</al><lijst><li nr="1."><al>verwezen wordt uitsluitend naar schoolgebouwen binnen de afzonderlijke
                            kernen Nunspeet, Elspeet en Hulshorst rekening houdend met de volgende
                            criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>als het betreft een voorziening voor een periode van maximaal
                                    vier jaar wordt verwezen naar een schoolgebouw binnen een straat
                                    van 1500 meter hemelsbreed gemeten ongeacht de richting van de
                                    school;</al></li><li nr="b."><al>als het betreft een voorziening voor een periode langer dan vier
                                    jaar maar maximaal negen jaar wordt verwezen naar:</al><lijst><li nr="i."><al>een schoolgebouw binnen een straal van 1500 meter
                                            hemelsbreed gemeten van dezelfde richting van de
                                            school:</al></li><li nr="ii."><al>een schoolgebouw binnen een straal van 300 meter
                                            hemelsbreed gemeten ongeacht de richting van de
                                            school.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>niet verwezen wordt als het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>een permanente voorziening voor een periode van minimaal
                                    vijftien jaar, en</al></li><li nr="b."><al>een speellokaal voor leerlingen die zijn gehuisvest in een
                                    permanent schoolgebouw.</al></li></lijst></li></lijst><al>A.9Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden.</al><al>A.10Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                    en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als
                    door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd.</al><al>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</al><al>B.1<vet>Nieuwbouw,vervangendenieuwbouw, uitbreidingeningebruikneming</vet></al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het
                            eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN
                            2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud
                            of renovatie niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20
                            jaar of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                            oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 m2 en het effectief gebruik
                            van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                            als:</al><lijst><li nr="1."><al>de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                                    aanmerking brengt;</al></li><li nr="2."><al>het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                                    aanmerking komt; of</al></li><li nr="3."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van
                                    het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van
                                    vervangende bouw.</al></li></lijst></li></lijst><al>B.2Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of
                    onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>B.3Eerste inrichting</al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                            bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en</al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs,
                            speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                            bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van
                            het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                            bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>B.4Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                    buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld
                    en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al>B.5Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde
                    aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat
                    moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al>B.6Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden.</al><al>B.7Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                    in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>Bijlage II – Prognosecriteria</al><lijst><li nr="A."><al><vet>Algemeen</vet></al></li><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor
                            basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor
                            speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet
                            onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met
                            als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt
                            gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de
                            analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het
                            indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
                            Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van
                            de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent
                            berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) of het
                            ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de
                            relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode,
                            een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van
                            de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="B."><al>Voedingsgebied</al></li><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote
                            deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving
                            van het voedingsgebied op wijkniveau bij een school voor speciaal
                            basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied
                            zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming
                            van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                            beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                            toegepast.</al></li></lijst><al>C.Prognose school voor basisonderwijs</al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                            leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                            leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>D.Prognose school voor speciaal basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs
                    of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De prognose van een school voor speciaal basisonderwijs en een school voor
                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de
                            handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.</al></li></lijst><al>E.Prognose school voor voortgezet onderwijs</al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="b."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool;</al></li><li nr="d."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen,
                            en</al></li><li nr="e."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al></li></lijst><al>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                    ruimtebehoefte Deel A – Vaststellen capaciteit</al><al>A.1<vet>Uitgangspunten</vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                    vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een
                    school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                    doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><lijst><li nr=""><al>A.1.1School voor basisonderwijs, school voor speciaal basisonderwijs,
                            school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of
                            voortgezet onderwijs</al></li><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een
                            school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs
                            of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet onderwijs wordt
                            vastgelegd in de brutovloeroppervlakte van het gebouw en bepaald
                            overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt
                            afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel
                            aanwezig speellokaal niet in de</al></li></lijst><al>capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de
                    noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder
                    A.3.2, aanwezig is, wordt op de brutovloeroppervlakte 90 m2 in mindering
                    gebracht.</al><al>3.De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 m2 als een ruimte
                    in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal,
                    buitenschoolse</al><al>opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft
                    verleend.</al><lijst><li nr="4."><al>De brutovloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet
                            onderwijs wordt vermeerderd met de brutovloeroppervlakte van de lokalen
                            bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de
                            oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictieve brutovloeroppervlakte als grondslag voor
                            de capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al>A.1.2Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                    vastgesteld.</al><al>A.1.3Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                    dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                    gebouw wordt afgestoten.</al><al>A.1.4Terrein</al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het
                    met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>A.1.5Inventaris</al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen
                    voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet
                    speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                    voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De
                    brutovloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de
                    omvang van de aanwezige inventaris.</al><al>A.1.6Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>A.1.6.1<vet>Lokalenbewegingsonderwijs.</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al>A.1.6.2Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al>A.1.6.3Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</al><lijst><li nr=""><al>B.1<vet>Lesgebouwen</vet></al><al>B.1.1<vet>Schoolvoorbasisonderwijs</vet></al></li><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan
                            de hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De
                            ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer
                            en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een
                            nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd
                            als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                            basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule: B = 200 + 5,03 *
                            L, waarbij:</al></li></lijst><al>B = Basisruimtebehoefte in m2 brutovloeroppervlakte, afgerond op hele m2.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>3.De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in m2 brutovloeroppervlakte, afgerond op hele m2.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><lijst><li nr="1."><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="2."><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van
                            6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de
                            gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond
                            op een geheel getal;</al></li><li nr="3."><al>als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het
                            aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            procent van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>B.1.2School voor speciaal basisonderwijs</al></li><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal basisonderwijs wordt
                            bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt
                            berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                            nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt
                            voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke
                            school.</al></li></lijst><al>De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 250 + 7,35 * L,
                    waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in m2 brutovloeroppervlakte, afgerond op hele m2.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2.Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m2.</al><lijst><li nr=""><al>B.1.3School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al></li><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie
                            (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal
                            leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al></li></lijst><al>R = V + f * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in m2 brutovloeroppervlakte, afgerond op hele m2. V = Vaste
                    voet in m2 brutovloeroppervlakte welke is voor:</al><al> de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO-ZMLK, 370 m2,
                    en</al><al> de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 m2. Voor nevenvestigingen geldt geen vaste
                    voet.</al><al>F = Factor (m2 brutovloeroppervlakte per leerling) overeenkomstig tabel 1,
                    waarin is opgenomen een overzicht van f (m2 brutovloeroppervlakte per leerling),
                    per</al><al>onderwijssoort.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2.Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m2.</al><al>Tabel 1 – Ruimtebehoefte (v)so</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="76*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Slechthorende kinderen (SH)</al><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al><al>Visueel gehandicapten (VISG) Langdurig zieke kinderen
                                        (LZ)</al><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dove kinderen (DO)</al><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen LG) Meervoudig
                                        gehandicapte kinderen (MG)</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr=""><al>B.1.4<vet>Schoolvoorvoortgezetonderwijs</vet></al></li><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                            bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale
                            ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het
                            totaal van twee componenten, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>een leerlinggebonden component, en</al></li><li nr="b."><al>een vaste voet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a
                            opgenomen brutovloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met
                            het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat
                            ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                            onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt.</al></li><li nr="3."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de
                            hoofdvestiging van de instelling is 980 m2 brutovloeroppervlakte. Voor
                            een nevenvestiging die op grond van een</al></li></lijst><al>ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in
                    verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 m2
                    brutovloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking
                    voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een
                    vaste voet toegekend op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte
                    leerweg(en) wordt aangeboden.</al><lijst><li nr="4."><al>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen
                                    per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten;</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet per instelling;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt
                                    in bruto m2, en</al></li><li nr="d."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                                    praktijkonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen
                                    met de bijbehorende normoppervlakten, en</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de
                            toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in
                            onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden
                            bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor
                            een orthopedagogisch didactisch centrum.</al></li></lijst><al>Tabel 2a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>1 </cursief>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 2b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de ruimtebehoefte
                    voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="61*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke nevenvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.2Lokalenbewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                            vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per
                                    groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="b."><al>voor een school voor speciaal basisonderwijs en een school voor
                                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25
                                    klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en</al></li><li nr="c."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75
                                    klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald
                            op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het
                    ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal
                    leerlingen * 32 * m2 brutovloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷
                    460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een
                    aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * m2
                    brutovloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.</al><al>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs
                    voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="60*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO per</al><al>leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Deel C–Vaststellenaanvullenderuimtebehoefte</vet></al><al>C.1<vet>Voor blijvendgebruikbestemdevoorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                    deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                    bestaan.</al><al>C.1.1Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><lijst><li nr=""><al>C.1.2Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al></li><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                            ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al><al>a.school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil
                            tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de
                            overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is
                            dan de drempelwaarde van:</al></li></lijst><al>1°. 55 m2 brutovloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs;</al><al>2°. 50 m2 brutovloeroppervlakte voor een voorziening speciaal
                    basisonderwijs;</al><al>3°. 50 m2 brutovloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor
                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;</al><al>b.school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de
                    overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B
                    vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de
                    bestaande capaciteit met een minimum van 100</al><al>m2. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel
                    B</al><al>vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit
                    verhoogd met 10%.</al><al>2.Voor een school voor speciaal basisonderwijs en een school voor speciaal
                    onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de brutovloeroppervlakte van
                    een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters brutovloeroppervlakte
                    bedoelt in het eerste lid, 90 m2.</al><al>C.2Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op
                    dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor
                    minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen
                    van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het
                    verschil:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 m2
                            brutovloeroppervlakte bedragen, en</al></li><li nr="b."><al>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder
                            C.1.2, eerste lid, onder b.</al></li></lijst><al>C.3Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                            uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                            noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                            inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien
                            van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D.</al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al><lijst><li nr="1."><al>onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                                    aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een
                                    school basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs
                                    en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                    onderwijs, en</al></li><li nr="2."><al>leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                                    aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school
                                    voor voortgezet onderwijs,</al></li></lijst></li></lijst><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al><lijst><li nr="c."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                            voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige
                            aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in
                            specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de
                            vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de
                            vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al></li><li nr="d."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                            onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                            bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>C.4Lokalen bewegingsonderwijs</al></li><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                            nieuwbouw en</al></li></lijst><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                    speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de
                                    overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en
                                    het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte,
                                    en</al></li><li nr="b."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de
                                    overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als
                                    de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de
                                    overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                            bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal
                            basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                            wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                            vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                            deel D, onder D.3.</al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van
                            het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de
                            uitbreiding van het lokaal te realiseren.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                            aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als
                            een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere
                            leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt
                            uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten
                            en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                            in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke
                            kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</al><al>D.1<vet>Terreinoppervlakte</vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs,
                    een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een
                    school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte
                    (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 m2 per leerling, met een
                    minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m2 netto.</al><al>D.2Speellokaal</al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 m2 netto.</al><lijst><li nr=""><al>D.3Lokaal bewegingsonderwijs</al></li><li nr="1."><al>De nettovloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens
                            252 m2 netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een
                            was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de brutovloeroppervlakte van
                    schoolgebouwen</al><al>E.1<vet>Meetinstructievoorschoolgebouwen</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                    2580.</al><al>E.2Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</al><al><vet>E.2.1(Speciaal)basisonderwijsenspeciaalonderwijsofvoortgezetspeciaalonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de brutovloeroppervlakte
                            gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt de brutovloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al>E.2.3 Uitzonderingen</al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de brutovloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                            ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</al><al><vet>DeelA–Indexering</vet></al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de
                    onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al>A.1Nieuwbouw en uitbreiding</al><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t,</al><al>1 tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)</al><al>MEV, jaar t+1, bruto-investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB,
                    Middelen en bestedingen)</al><al>MEV, jaar t, bruto-investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen
                    en bestedingen)</al><al> Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t-1,</al><al>tweede kwartaal 1</al><al>(bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)</al><al>A.2Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>1</al><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB,
                    Kerngegevens collectieve sector)</al><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli (bron: CBS,
                    Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t)</al><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t-1)</al><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB,
                    Kerngegevens collectieve sector)</al><al>1</al><al>Deel B – Normbedragen</al><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief btw.</al><lijst><li nr="A."><al>Nieuwbouw met permanente bouwaard</al><al>A.1<vet>Kostencomponenten nieuwbouw</vet></al></li><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende
                            kostencomponenten:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag
                                    paalfundering;</al></li><li nr="e."><al>als het een school voor speciaal basisonderwijs of een school
                                    voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren
                                    van een afzonderlijk speellokaal, en</al></li><li nr="f."><al>als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                    speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een
                                    liftinstallatie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een
                            gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld
                            in paragraaf B.</al></li></lijst><al>A.2Kosten voor terreinen</al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om
                    niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt
                    aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het
                    programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente
                    een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de
                    in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij
                    vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten
                    voor het</al><al>slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><lijst><li nr=""><al>A.3.1Bouwkosten</al></li><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het
                                    schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal m2, en
                            een bedrag per m2 brutovloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen
                            moet de in overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                            ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al>A.3.2Bouwkosten school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>2</al><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 645.888,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.105,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>A.3.3Bouwkosten school voor speciaal basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal basisonderwijs wordt vastgesteld op
                    basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo,
                                        waarin</al><al>niet</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.046.534,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.157,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.297,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>A.3.4Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2
                                        bvo,</al><al>waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.007.120,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een</al><al>eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.150,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een
                                        liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.598,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr=""><al>A.3.5Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</al></li><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                            uitbreiding.</al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                            brutovloeroppervlak uit een vast bedrag per voorziening en een vast
                            bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 m2 brutovloeroppervlakte worden geen
                            sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn
                            namelijk opgenomen in de bedragen voor de</al></li></lijst><al>ruimteafhankelijke kosten per m2 brutovloeroppervlakte.</al><al>2 Onder m2 bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter
                    brutovloeroppervlakte.</al><lijst><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per m2
                            brutovloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al><al>a.ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III, deel
                            C, vastgestelde aantal m2 per type ruimte van de voorziening,
                            vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col3" morerows="1"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt; 2.500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.729,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.026,25</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.001,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.688,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.366,24</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.366,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.050,93</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.728,20</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.728,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b.sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste voet of
                    de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, afhankelijk van de
                    secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende voorziening
                    bestaat, verhoogd met de onderstaande bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m2</al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>2.500
                                        m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>€ 109.111,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 214.177,61</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 299.040,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>€ 39.602,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="6."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                    gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie,
                                    en</al></li><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                    etaleren.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al><al>a.techniek algemeen: 1°. Bouwtechniek;</al></li></lijst><al>2°. Machinale houtbewerking;</al><al>3°. Meten;</al><al>4°. Elektrotechniek;</al><al>5°. Installatietechniek;</al><al>6°. Lasserij;</al><al>7°. Metaal;</al><al>8°. Motorvoertuigentechniek, en</al><al>9°. Mechanische techniek;</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="d."><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>A.3.6Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw school voor primair en speciaal of voortgezet speciaal
                            onderwijs.</al></li><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een
                            school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs
                            of voortgezet speciaal onderwijs plaatsvindt op dezelfde plaats, moet
                            het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond, worden hersteld
                            en moeten de leerlingen verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                            locatie.</al></li></lijst><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten is gebaseerd op een vast bedrag per
                    m2 brutovloeroppervlakte.</al><al>2.De vergoeding voor een basisschool en een school voor speciaal basisonderwijs
                    wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.Uitbreiding met permanente bouwaard</al><al>B.1<vet>Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                    permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een school voor
                    speciaal basisonderwijs tot 1035 m2 brutovloeroppervlakte en van een school voor
                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>tot 1000 m2 brutovloeroppervlakte Op overige uitbreidingen is paragraaf A
                    overeenkomstig van toepassing.</al><al>B.2Kosten terrein</al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                    overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                    uitbreiding benodigde terrein.</al><lijst><li nr=""><al>B.3.1Bouwkosten</al></li><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                    schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal m2s, en
                            een bedrag per m2.</al></li></lijst><al>Met deze vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                    vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al><al>B.3.2Bouwkosten school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.583,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 63.055,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.259,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.3Bouwkosten school voor speciaal basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.266,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 64.844,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.285,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo)
                                        in</al><al>combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.396,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder</al><al>gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 208.486,16</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.4Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of voortgezet
                    speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 88.094,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58.729,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.287,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo)
                                        in</al><al>combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m2
                                        bvo),</al><al>zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 208.486,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een
                                        liftinstallatie</al><al>inclusief een schacht wordt aangebracht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.312,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.5Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                    omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                    uitbreiding.</al><lijst><li nr="C."><al>Tijdelijke voorziening</al><al>C.1<vet>Vergoedingsbedragentijdelijkevoorzieningen</vet></al></li><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op
                            de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen.
                            Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                    hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor
                                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    gebouwen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                            bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een
                            voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al></li></lijst><al>C.2Kosten voor terreinen</al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                    terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                    A.2.</al><al>C.3.1Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een
                    bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten van
                    herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige
                    aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>C.3.2Vergoeding basisschool en school voor speciaal basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool school voor speciaal basisonderwijs wordt
                    vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.782,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 24.521,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 903,92</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr=""><al>C.3.3Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal
                            onderwijs</al></li><li nr="1."><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende
                            bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.551,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 26.051,75</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 885,63</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van
                    de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van
                    terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen.</al><al>C.3.4Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis
                    van de vergoedingsformule € 550,26 * A + € 37.831,59, waarbij A het
                    overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal m2 brutovloeroppervlakte aan
                    tijdelijke huisvesting is.</al><lijst><li nr=""><al>C.4.1Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en
                            speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</al></li><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat
                            uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen
                            de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel
                            en inrichting van terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                            hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel
                            en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de
                            leerlingen.</al></li></lijst><al>C.4.2Vergoeding basisschool en school voor speciaal basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool en een school voor speciaal basisonderwijs
                    wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 20.6754,264</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.783,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 947,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>C.4.3Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 20.964,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 13.976,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 936,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                    bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al>D.Eerste inrichting</al><al>D.1.1<vet>Uitbreidingonderwijsleerpakketenmeubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                    bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                    toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al>D.1.2Vergoeding basisschool</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.361,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 134,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>D.1.3Vergoeding school voor speciaal basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal basisonderwijs wordt vastgesteld op
                    basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 81.389,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138,8030</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>D.1.4Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="36*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="38*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 137.133,62</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 239,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 124.574,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 310,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.082,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 154,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 164.744,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 294,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 105.055,47</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 145,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 123.679,86</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 282,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 103.423,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 123,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.951,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 141,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.843,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 153,64</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.225,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 125,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>D.1.5<vet>Vergoedingspeellokaal schoolvoor speciaal basisonderwijs en speciaal
                        onderwijs</vet>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de
                    inrichting van een speellokaal voor een school voor speciaal basisonderwijs en
                    een school voor speciaal onderwijs bedraagt</al><al>€ 7.427,16.</al><lijst><li nr="D."><al>2 School voor voortgezet onderwijs</al></li><li nr="1."><al>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                            is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, niet zijnde
                            vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde
                            ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op
                            deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door
                            het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt
                            berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende
                            vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te
                            realiseren brutovloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van de
                            vergoeding per ruimtetype wordt bepaald op basis van de volgende
                            bedragen:</al></li></lijst><al>2.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="55*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col2"><al>Functie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 158,31</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 370,01</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 226,35</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 303,90</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 388,19</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 751,75</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>€1.437,23</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor
                    een school</al><al>bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de
                    inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt
                    is.</al><lijst><li nr="E."><al>Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>E.1<vet>Bouwkostennieuwbouw</vet></al></li><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                            bewegingsonderwijs met een nettospeeloppervlakte van 252 m2 bedraagt €
                            678.992,42 als deze op het schoolterrein gerealiseerd kan worden, of €
                            692.725,44 als deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In
                            deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en
                            inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig gehandicapte
                            leerlingen of zeer moeilijk lerende leerlingen wordt een toeslag
                            toegekend van 50 m2. Het normbedrag van deze toeslag is €
                            68.112,76.</al></li></lijst><al>E.2Uitbreiding</al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                    van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                    bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140 m2
                    nettospeeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een
                    oppervlakte van 252 m2. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis van
                    de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="54*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="46*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Normbedrag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 157.755,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>121 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 191.773,25</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.3.2OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                    voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een school voor
                    speciaal basisonderwijs bedraagt</al><al>€ 51.392,63.</al><al>E.3.3OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                    voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of
                    voor voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="52*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.982,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.742,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.324,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54.030,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.753,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.753,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.673,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.047,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.300,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58.652,09</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 60.171,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.353,01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 47.353,01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.271,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.756,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 53.338,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 60.865,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 61.809,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.389,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51.389,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.751,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.3.4Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor
                    een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="35*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Leer-enhulpmiddelen</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 64.724,70</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 65.810,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 50.490,18</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 51.575,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.085,40</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 21.950,77</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 23.036,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 14.294,33</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 14.294,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.650,09</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.650,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                    bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                    middel van:</al><lijst><li nr="-"><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of</al></li><li nr="-"><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><al>F.Vergoeding feitelijke kosten</al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                    wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met een
                    percentage van 8% voor de kosten van technische advisering, voor zover het een
                    voorziening betreft zoals bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><lijst><li nr="G."><al>Huur sportvelden</al></li><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding
                            van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De
                            vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 20,97
                            per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid bestaat
                            uitsluitend als de school</al></li></lijst><al>voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik
                    maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.</al><al>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde
                    voorziening</al><al>1.<vet>Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde
                    bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in
                    aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis
                    van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen
                    waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna
                    wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is
                    en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                    niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><lijst><li nr="2."><al>Onderscheid voorzieningen</al></li><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                            voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                            hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                    inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer-
                                    en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                    meubilair of leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                            hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                    terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw
                            valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening
                            gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de
                            vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het
                            criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Hoofd- en subprioriteit</al></li><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                            onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste
                            lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld
                            overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de
                            schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet
                            worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het
                            programma te worden</al></li></lijst><al>geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit.
                    Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te
                    stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                    komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort</al></li></lijst><al>opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en</al><al>c.vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen
                    opheft.</al><al>Toelichting Artikelsgewijze toelichting</al><al><vet>Artikel1.Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                    gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                    gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging,</al><al>tijdelijke nevenvestiging, dislocatie).</al><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet
                    op het primair onderwijs (WPO), Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet op het
                    voortgezet onderwijs (WVO) door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden
                    aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat het college
                    deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de
                    lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden
                    aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de
                    onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting
                    zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit gaat om voorzieningen
                    waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister van OCW ontvangt via
                    de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen,
                    vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde
                    voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO,
                    artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende
                    voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen
                    doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de
                    wet (artikel 6 van de WPO en WEC en artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen
                    van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen
                    onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden
                    vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de verordening
                    materiële financiële gelijkstelling.</al><al>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al></li><li nr="2."><al>Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op
                            de school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in
                            aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria
                            (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of
                            groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al></li><li nr="3."><al>Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen
                            van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen
                            en het college een</al></li></lijst><al>bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                    een</al><al>onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar
                    ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of
                    een niet- onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt
                    worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een schoolgebouw van een
                    school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het
                    huisvesten van een school voor speciaal basisonderwijs. Het in gebruik geven van
                    een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al><lijst><li nr="4."><al>Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard
                            van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen
                            tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is
                            gerealiseerd.</al></li><li nr="5."><al>Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan
                            noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij
                            vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is
                            afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de
                            oppervlakte van het terrein.</al></li><li nr="6."><al>/7 Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt in
                            principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste
                            voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat
                            het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een
                            grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de
                            eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf
                            de start van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog
                            aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het
                            aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in
                            bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste
                            inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al
                            bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de
                            toelichting in bijlage III, deel C.</al></li></lijst><al>8 Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                    bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig
                    heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend
                    mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen
                    drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                    ingeroosterd.</al><al>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een
                    ‘definitie’ die in het</al><al>verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een
                    constructiefout de</al><al>voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de
                    constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen
                    sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het
                    herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat
                    een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht,
                    afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college
                    vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                    ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                    verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                    aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van</al><al>het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het
                    college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                    afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college.</al><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet
                    onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder
                    B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs
                    aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over
                    een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke
                    middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de
                    investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de
                    feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd
                    gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                    Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt
                    dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het
                    indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het
                    eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het
                    bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te
                    ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden.</al><al>Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten
                    wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van
                    de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het
                    vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de
                    aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is
                    vastgesteld. Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van
                    een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet
                    maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering
                    gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.</al><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                    bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van
                    feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis
                    daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B. Wordt het
                    normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak op het
                    beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de
                    werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn
                    dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het
                    schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een
                    financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                    beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt:
                    investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                    vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                    artikel 13, eerste lid).</al><al>Artikel 5. Informatieverstrekking</al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                    verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de
                    WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO). Deze informatie staat
                    los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals: gegevens
                    van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en</al><al>bankrekeningnummer);</al><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school,
                    telefoonnummer); brutovloeroppervlakte schoolgebouw;</al><al>naam contactpersoon; medegebruik/verhuur.</al><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college een
                    formulier vast. Dit</al><al>formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden. Het college kan in
                    dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college bekend zijn. Het
                    bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het vermelden van de wijzigingen.
                    Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan kan van deze
                    digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><al>Artikel 6. Indienen aanvraag</al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door
                    middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken
                    met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het
                    beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze
                    ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het
                    overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden
                    opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden
                    gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en
                    toelichting bij artikel 13).</al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen
                    een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft
                    vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                    reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd
                    gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde
                    procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In de
                    bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen
                    orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk
                    project</al><al>-bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een
                    bouwvergunning indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen
                    aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk
                    behandelt ten opzichte van de andere aanvragen.</al><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen
                    onvolledige aanvraag</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college
                    de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en
                    school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een
                    bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                    een leerlingenprognose indient. Het college en het bevoegd gezag kunnen
                    overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor alle
                    basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van
                    de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien
                    van het laten opstellen van een leerlingenprognose.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen,
                    als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de
                    in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                    hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                    beslissing.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens
                    aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende
                    aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                    aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal
                    leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken
                    over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                    1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.
                    Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                    aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                    tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens
                    ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een
                    fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn
                    ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is
                    een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht
                    beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben
                    alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het
                    bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of
                    niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat
                    vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><al>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven
                    is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te
                    bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                    (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk
                    overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                    kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het
                    beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een
                    of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met
                    het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                    kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het
                    kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de
                    beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag
                    dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><al><cursief>Lid1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld,
                    overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In
                    afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen
                    van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO,
                    artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen</al><al>‘op overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg
                    plaatsvindt met</al><al>alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde
                    gezagsorganen kan</al><al>het college besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair,
                    (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het overleg over de
                    voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder
                    gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn.
                    lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg
                    deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die
                    wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte
                    zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg
                    eventueel op kunnen reageren.</al><al><cursief>Lid5-8</cursief></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100,
                    zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het
                    college kan de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het
                    vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5
                    t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit
                    advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het
                    voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma voorzieningen
                    huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en vrijheid van
                    inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in
                    te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast
                    moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor
                    de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De
                    Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier
                    weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die
                    hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt
                    gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor
                    de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                    noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het
                    advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                    gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
                    overleg vastgesteld.</al><al>Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in algemene
                    zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is
                    vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van
                    belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid, het college het programma
                    voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies
                    niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond
                    van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens
                    beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van
                    advies. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden
                    op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de
                    motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de
                    gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een
                    (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij
                    gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard onverlet het
                    recht van een individueel schoolbestuur of van het college om de Onderwijsraad
                    in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. De
                    zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de
                    Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook
                    afwijkende meningen zal willen betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                    ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de
                    stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                    honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van
                    het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde
                    vergadering worden genomen als het besluit tot 3</al><al>het vaststellen van het programma en overzicht.</al><al> Het bekostigingsplafond staat los van het totaal</al><al>van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                    bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde
                    voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college
                    kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen.
                    Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één
                    bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor
                    andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen
                    van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van
                    voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                    van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                    een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk
                    is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende
                    kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het
                    programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet
                    dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking
                    komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het
                    college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze
                    situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de
                    termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><al>3</al><al>LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.</al><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht</al><al>Artikel 95 van de WPO, 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de criteria die
                    het college moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening
                    huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening
                    huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en
                    76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het
                    vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt
                    bekendgemaakt.</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                    ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het
                    programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de
                    onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier
                    weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de
                    voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de
                    Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding
                    van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma
                    en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan
                    het vaststellen van het programma is in de modelverordening opgenomen dat het
                    besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                    overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht
                    ter inzage wordt gelegd.</al><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot
                    het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op
                    het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan
                    de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                    misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid, van de WEC en
                    artikel 76n van de WVO is opgenomen dat het college binnen vier weken met het
                    betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van het programma.
                    De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De
                    passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in
                    dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het
                    programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen
                    bouwplan</al><al>noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat het indienen van het
                    bouwplan en de desbetreffende begroting voor een op het programma opgenomen
                    voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden
                    zijn o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd
                            gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste
                            lid, van de WPO, artikel 101, eerste lid, van de WEC en artikel 76n,
                            eerste lid, van de WVO). Het alternatief is dat het college de
                            voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede lid, van de WPO,
                            artikel 101, tweede lid, van de WEC en artikel 76n, tweede lid, van de
                            WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid
                            gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid
                            dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd
                            door een derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die
                            op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal m2
                            brutovloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment
                            van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                            goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                            nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor
                            het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt
                            vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het
                            college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de
                            kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te
                            herzien;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de
                            besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                            grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting
                            artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                            voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te
                            volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de genormeerde
                            vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor het college
                            feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                            normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de feitelijke
                            kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het
                            bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag.
                            Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de
                            Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving. Daarnaast is
                            van toepassing wat de gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk
                            aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er geen Europese
                            regelgeving van toepassing is.</al></li></lijst><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het
                    gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en
                    wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten
                    onder het Europese drempelbedrag kan het college op verzoek van het bevoegd
                    gezag besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Type</vet></al><al><vet>opdracht</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al><vet>Uitgangspunten aanbestedingsprocedure (genoemde
                                            bedragen zijn</vet></al><al><vet>exclusiefbtw)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Nationaal</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry colname="col4"><al>Openbare</al><al>procedure of niet-openbare</al><al>procedure met</al><al>voorafgaande selectie</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees verplichte</al><al>procedures</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Enkelvoudig</al></entry><entry colname="col3"><al>Meervoudig</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werken</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot €</al><al>100.000</al></entry><entry colname="col3"><al>Van € 100.000</al><al>en tot €</al><al>1.500.000</al></entry><entry colname="col4"><al>vanaf € 1.500.000</al><al>tot de Europese</al><al>drempel</al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leveringen</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot € 50.000</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € 50.00 tot</al><al>de Europese</al><al>drempel</al></entry><entry colname="col4"><al>Vrije keus</al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot € 50.000</al></entry><entry colname="col3"><al>Vanaf € 50.000</al><al>tot de Europese</al><al>drempel</al></entry><entry colname="col4"><al>Vrije Keus</al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot € 50.000</al></entry><entry colname="col3"><al>Vanaf € 50.000</al><al>tot de Europese</al><al>drempel</al></entry><entry colname="col4"><al>Vrije keus</al></entry><entry colname="col5"><al>Vanaf € 207.000</al><al>alléén indien de</al><al>opdracht grensoverschrijdend is, anders vanaf €</al><al>2070.00 een verlicht Europees regime.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                    overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                    voorgelegd.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                    afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat
                    de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager
                    worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend,
                    dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag,
                    dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te
                    bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                    uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen
                    vastgelegd.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                    bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan
                    wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het
                    algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het
                    overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken
                    bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al><cursief>Lid4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is
                    opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                    besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn
                    opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager
                    gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit
                    in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging;
                    toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen
                    offertes</al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het
                    college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan
                    naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is
                    kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure
                    van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid).</al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het
                    college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis
                    voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel 101
                    van de WEC en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste
                    en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de
                    kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het bouwplan wordt
                    goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de
                    bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld
                            staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de
                            bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond
                            van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking
                            (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                            bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                            afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt
                            het bevoegd gezag aanspraak op:</al><lijst><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal
                                    getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                                    normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het normbedrag
                                    beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                                    inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve
                                    bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De
                                    kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het
                                    programma was namelijk een raming van de kosten. Deze begroting
                                    had toen als functie te komen tot het vaststellen van een bedrag
                                    als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op
                                    het tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het
                                    besluit tot het vaststellen van het programma</al></li></lijst></li></lijst><al>kan het definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is
                    ontvangen</al><al>als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering
                    van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de
                    offertes de rol over van de begroting.</al><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment
                    het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de
                    bekostiging.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet
                    binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te
                    zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals
                    door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het
                    aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk
                    met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de
                    duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het
                    bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging
                    een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO,
                    artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 76j van de WVO.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                    prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is
                    conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan
                    gemotiveerd afwijken.</al><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging</al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO, artikel
                    100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de
                    vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de
                    bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de
                    concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het
                    investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële
                    verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt
                    overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                            uitbetaald;</al></li><li nr="-"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                            uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan de
                            aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat
                            (automatische verwerking met valutadata in financiële administratie),
                            en</al></li><li nr="-"><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de nota’s
                            van het bevoegd</al></li></lijst><al>gezag.</al><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                    tenzij in het overleg zoals bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                    vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt.
                    Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen
                    college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het
                    college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag
                    aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van
                    de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde
                    verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking
                    hebben, of een accountantsverklaring.</al><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</al><al>Lid 1</al><al>De data zijn gekozen met het oog op het moment dat de gemeentebegroting wordt
                    vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het noodzakelijk om te weten of
                    een via het programma toegekende voorziening in het jaar van toekenning ook
                    daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de realisatie in dat jaar
                    door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat realisatie niet
                    mogelijk is:</al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar,
                            dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar
                            gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat
                            de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden
                            aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor
                    het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het
                    college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op
                    bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                    voorziening.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                    voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                    omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de
                    gestelde termijnen te verlengen.</al><al><cursief>Lid4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                    verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen
                    dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid
                    genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het college dus
                    niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum
                    niet haalbaar.</al><al>Artikelen 17-21. Aanvragen met spoedeisend karakter</al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                    wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen.
                    Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet
                    worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het
                    spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                    aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een
                            andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                            asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                    voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><al>-dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van de
                    verordening –</al><al>een aanvraag in te dienen voor het programma, of</al><al>-dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst wegens het
                    toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het bekostigingsplafond niet
                    toereikend is.</al><al>Artikel 17. Indienen aanvraag</al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden
                    ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat
                    bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en
                    de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de
                    aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen.</al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                    grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag
                    verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag
                    moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit
                    die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het
                    aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing</al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                    beslistermijn een korte periode aangehouden.</al><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                    aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I
                    tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                    procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond
                    hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en
                    artikel 100, eerste lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en
                    artikel 98, eerste lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en
                    artikel 76k, eerste lid, van de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                    toepassing.</al><al>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</al><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO,
                    artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de
                    gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik en
                    de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van
                    lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen
                    school.</al><al>De artikelen 21 t/m 27 worden door het college toegepast als het college een
                    aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                    huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                    aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                    medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</al><al><cursief>Onderdelenaenc</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op
                    het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee
                    zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort
                            aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                    door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte
                    voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de
                    bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al><cursief>Onderdeelb</cursief></al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet onderwijs)
                    is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs.</al><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto m2’. De leegstand wordt
                    vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage
                    III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het
                    vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met de drempelwaarde.
                    Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij een school voor
                    basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor</al><al>speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor
                    voortgezet onderwijs. Dit</al><al>betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een
                    school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een school voor speciaal
                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs, of een school voor voortgezet onderwijs.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                    huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting
                    onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan
                    ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                    andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                    Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft
                    gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                    bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs,
                    een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of
                    voortgezet speciaal onderwijs kan op basis van het lesrooster per week maximaal
                    26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen
                    buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar
                    een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is.</al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan
                    van minimaal 32</al><al>4</al><al>lesuren</al><al> en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het aantal van 40
                    lesuren,</al><al>gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt.
                    Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                            basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik
                            mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs, een school voor
                            speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal
                            onderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal
                            ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                            basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn
                            ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet
                            onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40
                            lesuren;</al></li></lijst><al>4</al><al>In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt
                    uitgegaan van een lesuur van 50 minuten,</al><al>met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen. Voor het
                    vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte van een lokaal
                    bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een
                    klokuur.</al><al>-voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn medegebruik
                    mogelijk is door:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs,
                            een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                            mogelijk als de klokuren medegebruik passen binnen de 26 klokuren,
                            en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende
                            klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al>Artikel 23. Nalaten vorderen</al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                    medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling
                    hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij
                    het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen
                    accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                    bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college
                    hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het
                    medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd.</al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in
                    onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
                    Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                    schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling</al><al><cursief>Lid1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen
                    voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een
                    aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor
                    medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het
                    programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het
                    voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de
                    mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt
                    niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het
                    college.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het
                    overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat
                    een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier
                    het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                    nodige maatregelen te treffen.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben
                    tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn
                    waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk
                    gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over
                    dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                    Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om
                    zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al><cursief>Lid4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                    deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                    worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                    de leegstand wordt gevorderd van belang is.</al><al>De periode kan bijv. worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose.
                    Het kan wenselijk zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te
                    nemen dat het vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand
                    voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat
                    uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al>Artikel 25. Vergoeding</al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken
                    met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen
                    moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen.
                    Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoed. Dit is
                    redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de
                    eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten
                    zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                    schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is
                    sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd
                    gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de ontvangen
                    rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte
                    van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                    activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen.</al><al>Artikel 26. Overleg en mededeling</al><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel
                    tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in
                    overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen
                    bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat
                    is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de
                    bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet
                    eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is
                    vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de
                    school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het
                    college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik
                    naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van
                    richting en inrichting een rol spelen.</al><al><cursief>Lid2</cursief></al><al>vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag
                    minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                    onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt
                    met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg
                    en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                    noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen
                    te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 25 (bedrag van de</al><al>vergoeding ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor
                    culturele,</al><al>maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om
                    een ander tarief</al><al>in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de systematiek die is
                    opgenomen in artikel 25.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het
                    overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college.
                    Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet
                    deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten
                    voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door college.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                    worden.</al><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college</al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door
                    de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                    bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging
                    om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                    gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil
                    verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                    toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus
                    nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd
                    gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                    activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur
                    en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast
                    betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                    ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                    toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                    wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college het
                    verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de
                    WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 76s van de WVO is het niet
                    toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte zoals bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                            1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                    voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het
                    onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                    risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                    voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                    college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                    gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald
                    worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                    exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                    investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de
                    component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast.
                    In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                    toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur
                    is</al><al>verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid is
                    een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding is
                    wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag
                    wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent
                    moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de investeringslasten van
                    het schoolgebouw. De Raad van State heeft vastgesteld dat het college een
                    huurvergoeding kan vragen onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de
                            huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies
                            aan inkomsten door de gemeente en</al></li></lijst><al>5</al><al>3.de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan
                    onderwijshuisvesting.</al><al>Artikel 28. Staat van onderhoud</al><al>In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van de WVO is
                    geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een
                    (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college.</al><al>5</al><al>LJN BK0803, Raad van State, 200901067/1/H2 en 201308827/1/A2.</al><al>Over het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein
                    gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs) of het
                    opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW. Overdracht
                    door het bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt
                    uitsluitend plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of
                    verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is
                    van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en
                    - terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en
                    -terrein plaats. Een overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw
                    op een andere locatie is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door
                    het college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte
                    opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het
                    einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en
                    dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant
                    is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk
                    beëindigd moet worden.</al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van
                    het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door
                    het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het opmaken van
                    een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van
                    het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een
                    gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag,
                    met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet
                    om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                    gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                    plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan
                    wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                    onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht.</al><al><cursief>Lid3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een
                    beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt
                    van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                    die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                    inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen
                    meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is
                    uitgevoerd).</al><al><cursief>Lid5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van
                    de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met
                    deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                    bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                            onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                            college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de
                    rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                    kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen
                    afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat
                    het college zicht wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat
                    het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden
                    aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                    onderhouden.</al><al><cursief>Lid6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om
                    te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen
                    bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                    verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al><vet>Artikel29.Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroosteren en gebruik</vet>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening
                    huisvesting onderwijs en kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het
                    bevoegd gezag of een derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen
                    bewegingsonderwijs is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de
                    criteria vast te stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de
                    aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B.
                    Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van het college om een rooster
                    bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door een school
                    voor basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs, een school voor
                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van lokalen
                    bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren
                    is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen
                    afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven
                    fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal
                    leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse
                    procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de spoedprocedure niet
                    het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het
                    verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen
                    bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de
                    bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding
                    of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen.
                    Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van het aantal
                    ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en
                    daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het
                    aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het
                    college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal
                    bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de procedure voor
                    het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze
                    procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><al>-de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de
                    accommodaties die</al><al>op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn.
                    ‘eigendomsscholen’;</al><lijst><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft
                            bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                            gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                            gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 1 januari op basis van de teldatum 1 oktober het
                            aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 1 maart daaropvolgend een conceptrooster op; als
                            basis kan dienen het rooster bewegingsonderwijs van het lopende
                            schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties in het
                            aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 1 april daaropvolgend
                            in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster bewegingsonderwijs voor
                            het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 mei op het aangeboden
                            conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 15 april
                            een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende
                            schooljaar vast voor 5 mei. De verordening geeft het bevoegd gezag de
                            mogelijkheid om meer klokuren bewegingsonderwijs aan te vragen dan door
                            het college genormeerd is vastgesteld. Het college kan dit verzoek
                            honoreren als binnen de bestaande accommodaties daarvoor ruimte
                            beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden dan de kosten van deze
                            extra klokuren doorberekend.</al></li></lijst><al>Artikel 31. Indexering</al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks
                    worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel
                    is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                    verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure
                    voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit
                    artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                    het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV,
                    deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                    wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                    toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                    mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen
                    van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in
                    deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Deel A –Lesgebouwen Algemeen</al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van
                    de noodzaak</al><al>van de aangevraagde voorziening beschreven.</al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                    dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                    hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is
                    het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                    hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                    Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor
                    een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze aanvraag te
                    honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                            huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten,
                            eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                            is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op
                    basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het college
                    beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                            ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= brutovloeroppervlakte)
                            van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de
                            gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen.</al><al>Is de (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode
                    noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de
                    periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode
                    waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de leerlingenprognose.
                    De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het</al><al>aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag is
                    ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de uitkomst van de
                    leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de aangevraagde
                    voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren aanwezig is en
                    noodzakelijk is voor een periode van:</al><al>-drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend omdat
                    wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor deze beperkte
                    periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat
                    dit onmogelijk is, wordt</al><al>een andere voorziening goedgekeurd;</al><lijst><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                    bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                    vervanging of herstel van</al><al>schade in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                    onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de
                    mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al>A.1Nieuwbouw</al><al>Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een
                    nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet
                    in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande
                    accommodatie beschikbaar is.</al><al>A.2Vervangende bouw</al><al>Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties. Ten eerste
                    vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw. Voor het
                    vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de
                    bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen
                    plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op
                    grond van NEN 2767. Uitgangspunt van deze methode is dat de onderhoudsscenario's
                    op basis van verschillende keuzes en bevindingen worden doorgerekend en bij het
                    bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en
                    risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de
                    aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten)
                    essentieel. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor
                    alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van
                    de condities wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud
                    binnen een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het a n t woor
                    d o p d e vr aa g of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het
                    onderhoud in aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van
                    het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score,
                    de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit
                    van het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld
                    in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende
                    veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar; Conditie 5 Het
                    verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5
                    kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                    staat en kan</al><al>worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een herschikkingsoperatie.
                    Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen
                            omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van
                            de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat
                            aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan
                            capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige
                            aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie
                            met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een
                            efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan
                            mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie
                            omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de
                            leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (=
                            vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan
                            worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                            ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                            herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                            bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                            wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is
                    dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt
                    en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de
                    gemeente geen extra</al><al>investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan uitsluitend worden
                    gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw kan worden
                    gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande (te
                    vervangen) locatie. Eventueel</al><al>kunnen, nadat hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende
                    schoolbestuur,</al><al>gelden die het bevoegd gezag van het rijk ontvangt voor het bekostigen van de
                    exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als
                    medefinanciering worden ingezet.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het
                    schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de
                    minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor
                    activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus
                    (bijvoorbeeld vervangen kozijnen, leidingen etc.) Dit betekent dat het als
                    sprake is van een bouwkundige rapportage met conditie 5 of 6 moet worden
                    vastgesteld of in de afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze
                    heeft plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan
                    kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg
                    tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en
                    aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het
                    bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud
                    en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te
                    zetten.</al><al>A.3Uitbreiding</al><al>Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw of
                    de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal
                    leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan
                    de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het
                    college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar
                    wordt gesteld.</al><al>Bij het besluit kan het college rekening houden met de eventueel beschikbare
                    capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de
                    gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv. medegebruik toekennen.</al><al>A.4In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is afhankelijk
                    van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen
                            een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande
                            hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een
                            nieuwe school dan is de ligging niet relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja
                            welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen
                            voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                            belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk
                            zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als
                            kwalitatief geschikte huisvesting. Het college kan besluiten tot het
                            bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het
                            gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing,
                            uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van
                            verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving
                            per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al><lijst><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde
                                    is.</al></li></lijst></li></lijst><al>A.5Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                    nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                    gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen
                    en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het
                    college een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een
                    nieuwe voorziening.</al><al>A.6Terrein</al><al>Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt
                    toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijv.
                    op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het realiseren van
                    de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele
                    toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze
                    voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al>A.7Eerste inrichting</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                    school voor basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs, een school
                    voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs. Eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor voortgezet onderwijs.
                    Voor alle onderwijssectoren is de bekostiging van de eerste</al><al>inrichting gekoppeld aan het aantal m2 brutovloeroppervlakte waarvoor de
                    voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school.
                    In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor
                    zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen.</al><al>Dit betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak
                    bestaat op bekostiging van eerste inrichting als de brutovloeroppervlakte van de
                    gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de brutovloeroppervlakte van de voor
                    de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend
                    toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie
                    wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de brutovloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.</al><al>A.8Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het
                    doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen.</al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te
                    hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de
                            leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                            vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal
                            leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al></li></lijst><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                    medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening bij
                    medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in
                    aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). In de verordening
                    is als verwijsafstand opgenomen</al><al>het criterium ‘voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg’.</al><al>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe bewoner</al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                    medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten
                    worden getroffen om het desbetreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de
                    nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening
                    van de gemeente.</al><al>A.9Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs. Voordat
                    bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is het van belang vast te
                    stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en wie
                    verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van
                    een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk
                    worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop
                    bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband
                    heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het
                    schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een
                    constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden
                    gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen
                    van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel
                    dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een
                    constructiefout, maar dat sprake is van regulier</al><al>6</al><al>onderhoud.</al><al> Het herstel van een constructiefout is eveneens geen voorziening
                    huisvesting</al><al>onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout het
                    gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede lid, van de
                    WPO, artikel 98, tweede lid,</al><al>7</al><al>van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WVO.</al><al>6</al><al>LJN BJ7202, Raad van State, 200809152/1/H2.</al><al>7</al><al>BX8979, Raad van State, 201200195/1/A2.</al><al>A.10Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                    in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                    omstandigheden is van toepassing als het bevoegd gezag geconfronteerd wordt met
                    schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en
                    deze schade niet is te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het
                    bepalen van de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie
                    van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande
                    school worden vervangen door een schoolgebouw met minder brutovloeroppervlakte
                    als de leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in
                    plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens
                    dat als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag
                    (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor
                    rekening van het bevoegd gezag komen.</al><al>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                    traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                    juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een derde.</al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikgeving</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is
                    een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de
                    afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik
                    moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                    gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in plaats
                    van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden.
                    Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college overleg met het
                    bevoegd gezag. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de verordening
                    materiële financiële gelijkstelling onderwijs.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs kan
                    als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt
                            vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                            bewegingsonderwijs. In deze situaties is de eerste inrichting in het
                            verleden bekostigd voor de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de
                            bestaande eerste inrichting naar verwachting niet aan de gestelde eisen,
                            respectievelijk is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet
                            eerder de volledige bekostiging eerste inrichting verstrekt.</al></li></lijst><al>B.5 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                    vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft
                    vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school
                    voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>Bijlage II – Prognosecriteria</al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het
                    bevoegd gezag verplicht</al><al>een leerlingenprognose over te leggen als een aanvraag voor het bekostigen van
                    een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding
                    gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik
                    wordt ingediend.</al><al>De leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de
                    door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang voor het
                    vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                    noodzakelijk is.</al><al>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                    ruimtebehoefte</al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                    huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                    wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt
                    geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m2 brutovloeroppervlakte die
                    een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft gerealiseerd, waar dus geen
                    (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel
                    geregistreerd.</al><al>Deel A – Vaststellen capaciteit</al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m2
                    brutovloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden
                    beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="-"><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="-"><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                            (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De brutovloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college opgenomen
                    in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is
                    voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw,
                    vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de
                    verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden doorgegeven.
                    Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt
                    het college over de meest actuele brutovloeroppervlakte van de (school)gebouwen.
                    De brutovloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel
                    E, de meetinstructie voor het vaststellen van de brutovloeroppervlakte van
                    schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van
                    de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig
                    geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan
                    ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het
                    schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de
                    capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een
                    besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen,
                    dan registreert het college zowel de totale brutovloeroppervlakte van het
                    schoolgebouw en de</al><al>brutovloeroppervlakte die geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het
                    moment dat het college een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het
                    schoolgebouw ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde
                    uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de
                    ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting
                    in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen
                    zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het
                    in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit te nemen over de locatie
                    die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij
                    een van de locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding
                    betaalt.</al><al>Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt als
                    eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het buiten
                    gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg
                    plaats tussen het bevoegd gezag en het college.</al><al>A.1.4Terrein</al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van
                    het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de
                    kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel
                    is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>A.1.5Inventaris</al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                    bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                    bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                    schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                    uitbreiding met het aantal m2 brutovloeroppervlakte.</al><al>Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd waarop
                    het bevoegd gezag tot die datum aanspraak maakte.</al><al>A.1.6Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                    belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                    basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs en een school voor
                    speciaal of voortgezet speciaal onderwijs, of het aantal lesuren voor een school
                    voor voortgezet kan worden ingeroosterd.</al><al>A.1.6.2Terrein</al><al>De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte
                    van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de
                    terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                    geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs.
                    Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van
                            de terreinoppervlakte van het schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                            gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                            geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op
                            hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk
                            geregistreerd.</al></li></lijst><al>A.1.6.3Inventaris</al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt
                    geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                    bewegingsonderwijs.</al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat
                    op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de
                    school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de
                    brutovloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst
                    van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze
                    ruimtebehoefte noodzakelijk is.</al><al>B.1Lesgebouwen</al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het aantal
                    leerlingen vermenigvuldigd met een m2 brutovloeroppervlakte per leerling, en een
                    school voor voortgezet onderwijs</al><al>maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met
                            spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al>B.1.1School voor basisonderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                    basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Onderdeel van deze totale
                    ruimtebehoefte is een speellokaal. De basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste
                    voet (200 m2) en de som van het aantal ongewogen leerlingen dat op de school
                    voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m2 per leerling. Op
                    aanvullende ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de school
                    ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De</al><al>aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van
                    de</al><al>basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                    ruimtebehoefte.</al><al>B.1.2School voor speciaal basisonderwijs</al><al>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m2) en de som van het
                    aantal leerlingen dat op de school voor speciaal basisonderwijs is ingeschreven,
                    vermenigvuldigd</al><al>met 7,35 m2 per leerling. Heeft de school voor speciaal basisonderwijs aanspraak
                    op een speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><al>B.1.3School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs bestaat uit een vaste voet en de som van het aantal leerlingen dat op
                    de school is ingeschreven vermenigvuldigd met een m2 brutovloeroppervlakte per
                    leerling. Zowel de vaste voet als de m2 brutovloeroppervlakte per leerling zijn
                    afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het vaststellen van de ruimtebehoefte
                    wordt onderscheid gemaakt in een:</al><lijst><li nr="-"><al>school voor speciaal onderwijs (so);</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs (vso);</al></li><li nr="-"><al>school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (sovso);</al></li><li nr="-"><al>school voor speciaal onderwijs met een of meer afdelingen, en</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs met een of meer
                            afdelingen.</al></li></lijst><al>De ruimtebehoefte bij een school een school voor speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt vastgesteld op eenmaal de vaste voet, verhoogd met de uitkomst
                    van de afzonderlijk berekende brutovloeroppervlakte voor het aantal leerlingen
                    van de so- en de vso-component en van de afdelingen. Is sprake van een of meer
                    afdelingen, dan wordt het aantal leerlingen van een of meer afdelingen bij het
                    aantal leerlingen van de so-component opgeteld.</al><al>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt
                    de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m2.</al><al>B.1.4School voor voortgezet onderwijs</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De
                    basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het
                    aantal leerlingen vermenigvuldigd met de m2 brutovloeroppervlakte per leerling,
                    die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven.</al><al>De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor
                    voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast
                    wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of
                    sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op
                    basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven
                    beschikking.</al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor
                    voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte
                    leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden
                    als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor
                    voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.</al><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                    totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                    ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs, school voor
                    speciaal basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
                    is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school
                    voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het
                    aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die het
                    college hanteert bij het vaststellen van de materiele vergoeding. Beschikt de
                    school voor basisonderwijs, school voor speciaal basisonderwijs, school voor
                    speciaal en voortgezet speciaal onderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat
                    aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de
                    leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor
                    basisonderwijs binnen de genormeerde brutovloeroppervlakte geen speellokaal
                    heeft gerealiseerd.</al><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit –
                            vastgestelde ruimtebehoefte</al></li></lijst><al>8</al><lijst><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de
                            drempelwaarde</al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al><lijst><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op
                                    bekostigen voorziening,</al></li><li nr="-"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op
                                    het bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van
                                    stap 3.</al></li></lijst></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra
                    brutovloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze brutovloeroppervlakte is
                    geïntegreerd in de vaste voet en brutovloeroppervlakte per leerling. Heeft de
                    school voor basisonderwijs binnen de genormeerde brutovloeroppervlakte geen
                    speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal
                    bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een
                    speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een</al><al>8 Drempelwaarde:</al><al>55 m2 brutovloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor
                    basisonderwijs;</al><al>50 m2 brutovloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor speciaal
                    basisonderwijs of voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs;</al><al> 40 m2 brutovloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een school
                    voor basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs en een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs, en</al><al> 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2 voor een school voor
                    voortgezet onderwijs.</al><al>lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het
                    college hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de
                    noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een
                    huurvergoeding te betalen. Een school voor speciaal basisonderwijs en een school
                    voor speciaal onderwijs maken aanspraak op extra brutovloeroppervlakte voor een
                    speellokaal als deze scholen worden bezocht door leerlingen in de leeftijd tot
                    zes jaar.</al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                    uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de
                    capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke
                    brutovloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze
                    situatie zich voorgedaan, dan wordt in de</al><al>berekening voor het vaststellen van het aantal m2 uitbreiding van het
                    schoolgebouw bekeken of het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en
                    de geregistreerde</al><al>capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor,
                    dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende
                    uitbreiding in</al><al>eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn.
                    verschiloppervlakte. Dit kan</al><al>leiden tot het toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in
                    combinatie met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze
                    is afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit een vergelijking
                    tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de
                    investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele
                    (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                    investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van
                    een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te
                    breiden.</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                    voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte
                    minimaal tien procent hoger is dan de brutovloeroppervlakte van de bestaande
                    capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk
                    van de onderwijssoort. Bij het toekennen van</al><al>de voorziening uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de
                    ‘voor</al><al>tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend:</al><al>-de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de
                    totaal</al><al>berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden met de
                    drempel van 10%;</al><al>-de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het aantal
                    m2 dat de 10% overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het
                    schoolbestuur</al><al>9</al><al>binnen de bestaande capaciteit opvangen .</al><al>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen.
                    De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte
                    periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                            huisvesting.</al></li></lijst><al>C.3Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                    ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk
                    van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in
                    gebruik worden gegeven.</al><al>9</al><al>LJN BW5954, Raad van State, 201107376/1/A2.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in
                    het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand
                    tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden
                    gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                    schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                    oppervlakte voor een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet
                    speciaal onderwijs is opgenomen in deel D. Tot het terrein behoren niet de
                    eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-
                    ride-strook.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is
                    gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                    voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                    medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al>C.4Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                    betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen
                    die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor
                    schoolgebouwen.</al><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                    bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij
                    moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Algemeen</al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC en
                    artikel 76m, derde</al><al>lid, van de WVO verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het
                    bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend.
                    Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft een relatie
                    met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden
                    bekostigd op basis van normbedragen</al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de
                    gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting
                    (artikel 133 van de WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1 van de WVO).
                    Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag
                    van de opgelegde aanslag.</al><al>Deel A – Indexering</al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                    prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                    normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                    MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                    gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad
                    gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).</al><al>Deel B – Normbedragen Vergoeding voorbereidingskrediet</al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om
                    een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                    voorbereidingskrediet wordt</al><al>gebaseerd op 8 procent van het normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage. Nadat
                    het definitieve bedrag van de bekostiging is vastgesteld wordt bij het
                    beschikbaar stellen van de vergoeding het al beschikbaar gestelde
                    voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde
                    bekostiging.</al><al>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                    kosten</al><al>voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn incl.
                    BTW. De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs, een school voor speciaal basisonderwijs,
                            een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                            opgebouwd uit een:</al><lijst><li nr="-"><al>startbedrag, inclusief een aantal m2 brutovloeroppervlakte
                                    en</al></li><li nr="-"><al>bedrag per m2 brutovloeroppervlakte, welk bedrag voor een school
                                    voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                    afhankelijk is van de onderwijssector.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><lijst><li nr="-"><al>vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                    spreidingsnoodzaak)</al></li><li nr="-"><al>bedrag per m2 brutovloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                    toegekende brutovloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort
                                    (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al></li></lijst></li></lijst><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    als volgt</al><al>vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit
                            brutovloeroppervlakte en toegekende uitbreiding
                            brutovloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                            vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                    voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                    worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in
                    brutovloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van
                    de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor
                    bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal
                    en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen,
                    aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al>A.2 Kosten voor terreinen</al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                    kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen
                    riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de
                    gemeente komen</al><al>C.Tijdelijke voorziening</al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door
                    middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een
                    tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw).
                    De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                    realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                    vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                            voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van
                            tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van
                    het</al><al>plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te kopen
                    lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op
                    de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van
                            de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt
                            toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar
                            verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding
                            wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot
                            koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><al>D.Eerste inrichting</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs, een
                    school voor speciaal basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of
                    voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2.
                    Bij een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt
                    zowel bij het basisbedrag als het bedrag per m2 onderscheid gemaakt naar
                    onderwijssoort.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van
                    de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs
                    aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding
                    bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen
                            voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het
                            verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene
                            ruimte</al></li></lijst><al>ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het
                    bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de
                    school een hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens
                    de verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al><al>E.Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                    bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al>Daarnaast hebben de scholen voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs voor LG- en MG-leerlingen aanspraak op een aanvullende bekostiging
                    voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte als deze lokalen
                    bewegingsonderwijs niet toegankelijk zijn.</al><al>F.Vergoeding feitelijke kosten</al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                    onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de
                    voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de
                    eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het
                    bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen
                    offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade.
                    Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening
                    worden</al><al>10</al><al>gehouden met de kosten van technische advisering.</al><al>G.Huur sportvelden</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van het
                    college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat
                    uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke
                    middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de
                    vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan
                    de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een
                    vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt
                    vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen
                    volledig voor rekening van het bevoegd gezag.</al><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van acht weken en wordt
                    alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet
                    onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al><al>10</al><al>BD3606 Raad van State, 200705694/1.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>